Noten 13, 14 en 15/Blokkade Gaza

[13]

”Because of the continuing controls Israel exercises over the lives and welfare of Gaza’s inhabitants, Israel remains an occupying power under international humanitarian law, despite withdrawing its military forces and settlements from the territory in 2005”

HUMAN RIGHTS WATCH

GAZA: ISRAEL’S ”OPEN AIR PRISON” AT 15

14 JUNE 2022

https://www.hrw.org/news/2022/06/14/gaza-israels-open-air-prison-15

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 12

[14]

”Gaza wordt al 14 jaar geblokkeerd door Israël, waardoor inwoners Gaza niet kunnen verlaten. De economie is mede door de blokkade verwoest en mensen hebben nauwelijks toegang tot de meest onmisbare diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs”

OXFAM NOVIB

IN GAZA VREZEN WE DE DUISTERNIS EN WACHTEN

OP DE VOLGENDE AANVAL

17 MEI 2021

https://www.oxfamnovib.nl/blogs/de-wereld-rond/in-gaza-vrezen-we-de-duisternis-en-wachten-we-op-de-volgende-aanval

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 11

[15]

AD

PALESTIJNSE BABY’S OVERLEDEN NADAT ISRAEL BEHANDELING

BUITEN GAZA WEIGERDE

2 AUGUSTUS 2020

https://www.ad.nl/buitenland/palestijnse-babys-overleden-nadat-israel-behandeling-buiten-gaza-weigerde~a1b55aec/

Mensenrechtenorganisaties slaan alarm over de situatie van ernstig zieke Palestijnen. Ze krijgen door de Israëlische blokkades geen levensreddende behandelingen buiten Gaza. In juni overleden twee baby’s, omdat ze niet op tijd medische zorg kregen.

Slechts drie dagen was Omar Ahmad Yagi verwijderd van een cruciale hartoperatie. De acht maanden oude Palestijnse baby had op 21 juni een afspraak staan in een Israëlisch ziekenhuis. Daar was hij al twee keer eerder met toestemming vanuit Gaza naar afgereisd, samen met zijn oma of moeder, voor behandeling van zijn hartaandoening.

De artsen zeiden dat hij dringend geopereerd moest worden. Twee keer – in april en juni – miste Omar de afspraak omdat zijn ouders geen toestemming van de Israëlische autoriteiten konden krijgen.

Kort voor de derde afspraak verslechterde zijn situatie. Zijn vader reed hem nog naar een ziekenhuis in Gaza, maar onderweg kreeg hij verstikkingsverschijnselen. Op 18 juni overleed Omar.

Checkpoint

Vier dagen na zijn dood overleed in Gaza ook baby Anwar Muhammad Harb. Hij was slechts negen dagen oud. Anwar had eveneens een hartaandoening. Hij had een verwijzing van het Palestijnse ministerie van Gezondheid voor een behandeling in een ziekenhuis in Oost-Jeruzalem. Maar de ambulance die hem naar de Israëlische checkpoint zou vervoeren, kreeg geen toestemming.

Palestijnse mensenrechtenorganisaties en Save the Children slaan alarm over de situatie van duizenden ernstig zieke kinderen en volwassenen. In Gaza is een groot tekort aan medicijnen, middelen en apparatuur. Velen hebben een behandeling buiten Gaza nodig, maar stuiten op tegenwerking van de Israëlische autoriteiten.

Doodsvonnis

,,De weigering van toegang tot de gezondheidszorg buiten Gaza betekent een doodsvonnis voor kinderen’’, zegt Jeremy Stoner, directeur Midden-Oosten bij Save the Children.

De mogelijkheid om buiten Gaza medische zorg te krijgen, was al beperkt. Die is verder ingeperkt nadat de Palestijnse Autoriteit de samenwerking met Israël op het gebied van veiligheid stopzette, omdat Israël de afspraken schendt en delen van de Westelijke Jordaanoever wil annexeren.

Sindsdien blijven zieke Palestijnen verstoken van acute medische zorg buiten Gaza. Sommigen hebben al toestemming of werden al elders behandeld, maar kunnen dat nu niet voortzetten.

Onmenselijk

Volgens de mensenrechtenorganisaties is van ruim 8300 kankerpatiënten in Gaza de situatie verslechterd en hebben honderden andere patiënten acute zorg nodig. Er zijn tientallen verzoeken van patiënten die geen tijd te verliezen hebben. De organisaties doen een dringend beroep op de Verenigde Naties om een eind te maken aan deze ‘wrede en onmenselijke omstandigheden’.

Voor de coronacrisis begon en de veiligheidscoördinatie werd stopgezet, dienden maandelijks tweeduizend Palestijnen een verzoek in voor een medische behandeling buiten Gaza. In april waren dat er nog slechts 159. Ondanks die daling weigerde Israël een derde van de aanvragen. In mei kregen 28 zieke kinderen geen toestemming Gaza te verlaten voor een behandeling. 

In Gaza wonen ruim vijftig kinderen met kanker. Vijftien van hen zijn ernstig ziek. Maar door de beperkingen die Israël oplegt, kunnen ze geen behandeling met chemo of bestraling krijgen. Hun levens hangen daardoor aan een zijden draad.

Reisbeperkingen

Save the Children heeft de Israëlische regering herhaaldelijk opgeroepen de reisbeperkingen voor ernstig zieke kinderen en hun verzorgers op te heffen. ,,Hoe is het te rechtvaardigen dat kinderen levensreddende zorg wordt ontzegd?’’ zegt regiodirecteur Stoner van Save the Children.

,,Deze wanhopig zieke kinderen moeten Gaza verlaten om te overleven. Er is gewoon geen andere optie. Het is wreed dat kinderen sterven of extreme pijn lijden terwijl ze iets verderop, net buiten de checkpoints, behandeld zouden kunnen worden.’’

Reacties uitgeschakeld voor Noten 13, 14 en 15/Blokkade Gaza

Opgeslagen onder Divers

Voor de Vierde Keer/Vomar, STOP met de verkoop van Israelische producten, deze meer mango’s!

Image result for Destruction of Gaza/Images

MISDADEN VAN DE ISRAELISCHE BEZETTINGVERWOESTING VAN GAZA

BEZETTINGSTERREUR
foto Oda Hulsen Hebron 2 mei 2017/Verwijst naar foto van een Palestijnse jongen, die tegen de muur wordt gezet doorIsraelische soldaten, die hem toeriepen ”Where is your knife!”/Later vrijgelaten

NB Het is dus NIET de foto van een Palestijnse jongen, die bij de kraag wordt gegrepen

Foto van Oda Hulsen valt soms weg

Image result for settlements/Images

BITTEREBIJPRODUCTEN VAN DE ISRAELISCHE BEZETTING:

Since late 2015, 249 Palestinians have been killed in Israel and the Palestinian territories [File: EPA]http://www.aljazeera.com/news/2017/01/palestinian-teen-killed-israeli-army-clashes-170116155810513.html

BITTEREBIJPRODUCTEN VAN DE ISRAELISCHE BEZETTING:

ISRAELISCHE NEDERZETTINGEN IN DE BEZETTE PALESTIJNSEGEBIEDENILLEGAAL VOLGENS HET INTERNATIONAAL RECHTAn aerial shot of a housing community

The Israeli settlement of Maale Adumim in the occupied West Bank, with the Palestinian neighborhoods of occupied East Jerusalem in the background. © 2020 Reuters
https://www.hrw.org/news/2021/04/27/qa-threshold-crossed

VOMAR, VERKOOP GEEN MANGO’S UIT ISRAEL! 1  11201×639

Mango No Background - Mango Kent, HD Png Download, Free Download

VOOR DE VIERDE KEER!/VOMAR, STOP MET DE VERKOOP

VAN ISRAELISCHE PRODUCTEN, DEZE KEER MANGO’S!

AAN

SUPERMARKT VOMARFILIAAL AMSTERDAMSE POORT
Directie en Management


Onderwerp:

Uw verkoop van mango’s uit bezettingsstaat Israel

De walrus sprak:

De tijd is daar
Om over allerlei te praten”

Een schoen, een schip, een kandelaar,

Of koningen ook liegen

En of de zee soms koken kan

En een biggetje kan vliegen.
Uit het Engels vertaald uit:

 THE WALRUS AND THE CARPENTERLEWIS CARROLL: ALICE IN WONDERLAND

https://en.wikipedia.org/wiki/The_Walrus_and_the_Carpenter

Geachte Directie

Geacht Management,

Een Ongerijmde Passage uit de klassieker ”Alice in Wonderland?” [1]

Niet minder ongerijmd is het, dat ondanks het feit, dat ik u er herhaaldelijk op gewezen heb [en hopelijk ik niet alleen] [2], u desondanks doorgaat met 

de verkoop van producten uit een land, dat niet alleen een Bezettingsstaat is, maar bovendien door gerenommeerde mensenrechtenorganisaties

als Amnesty International en Human Rights Watch is aangewezen

als Apartheidsstaat! [3]

VERKOOP VAN MANGO’S UIT ISRAEL

En ook nu was het weer raak!

In de week van 2 october t/m 8 october [Week 39/40]

bezocht ik de Vomar en wilde ik graag profiteren van uw

aanbieding van Mango’s [2 stuks voor 1,99, afgeprijsd van 2.89] [4],

om tot de conclusie te komen, dat deze Mango’s uit Israel kwamen!

Weer een minpunt voor u en reden tot het schrijven van deze Brief!

Want kennelijk moeten u opnieuw de oren gewassen worden en

dat doe ik dan bij dezen:

BEZETTINGSSTAAT EN APARTHEIDSSTAAT:

We gaan maar weer eens los!’

U zult weten, hoort dat althans te weten, dat de Staat Israel reeds 55 jaar de Palestijnse gebieden de Westelijke Jordaanoever, Gaza [5] en Oost-Jeruzalem bezet houdt.

En alsof dat al niet erg genoeg is, heeft die bezetting [zoals alle vreemde bezettingen, overal ter wereld] veroorzaakt onderdrukking, vernederingen,[oorlogs] misdaden.

Ik kan en wil die hier niet allemaal opsommen [trouwens, die lijst is onuitputtelijk], maar ernstige voorbeelden zijn  Israelische luchtaanvallen op Gaza uit 2021 [niet zo lang geleden dus], waarbij

in de periode tussen 10 en 21 mei 260 mensen zijn omgekomen,

onder wie tenminste 129 burgers [waaronder 66 kinderen] [5]

Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch wees in het

byzonder op een specifieke Israelische luchtaanval op vier dichtbevolkte

 gebouwentorens, waarin zich huizen, zaken en persagentschappen

bevonden.

Weliswaar leidde het niet tot dodelijke slachtoffers, maar drie Torens

werden met de grond gelijkgemaakt, velen werden dakloos en

verloren hun baan [6], in een gebied, wat door de wurgende

Blokkade van Gaza al economisch kapot gemaakt is [7]

NEDERZETTINGEN, IN STRIJD MET HET INTERNATIONAAL RECHT!

Dan heb ik het nog niet eens gehad over de in bezet Palestijns gebied

gestichte nederzettingen, waarvan de uitbreiding maar doorgaat en doorgaat [8].

Welnu, die nederzettingen zijn, zoals ik u al in een eerdere brief heb

meegedeeld [9], [dus kom me niet aan met het smoesje, dat

u daarvan niet op de hoogte was], illegaal volgens het Internationaal Recht

[10] EN regelrechte landdiefstal, omdat zij dus worden gebouwd op gestolen Palestijns land!

EN to add insult to injury, is er ook regelmatig sprake van geweld

van die kolonisten [bewoners van de nederzettingen] tegen de bezette

Palestijnse bevolking, vaak nog ondersteund door de Israelische Staat

Zie noot 11, rapportage van de Israelische mensenrechtenorganisatie

B’tselem! 

DE BITTERE VRUCHTEN VAN DE STAAT ISRAEL

Ik zou zo nog uren kunnen doorgaan, ik doe het niet, want ik denk

zo wel voldoende duidelijk gemaakt te hebben, dat iedere steun aan

de economie van de Israelische bezettingsstaat [en die verleent u, door

Israelische mango’s of whatever products uit Israel te importeren],

een ondersteuning is van de barbaarse Israelische Apartheidsstaat!

MAAR HET IS NOG ERGER!

U steunt hiermee ook een Land, dat tot stand is gekomen dankzij een neo-koloniaal

project! [12]

Kort gezegd:

Via diefstal van anderman’s land, de Arabische Palestijnen [13]

Wist u dat niet?

Dan weet u het nu!

Maar los van  hoe Israel is gevormd, het feit, dat zij een bezettingsstaat is

en reeds 55 jaar lang de bezette Palestijnen onderdrukt, vernedert, uithongert [Blokkade Gaza], hun [bezet] land steelt, militair

bestookt, discrimineert en foltert [14], is meer dan genoeg reden

voor u, deze besmette producten NIET te importeren.

PUNT, UIT!

EPILOOG

Ik heb u in het verleden reeds eerder aangeschreven over uw verkoop

van Israelische producten!

Zie noot 15

En ik blijf u bestoken, zolang het nodig is.

En het is nodig, zolang u in uw filial[en] Israelische producten

verkoopt!

STOP ER DUS MEE!

NU!

Vriendelijke groeten

Astrid Essed

Amsterdam

NOTEN

1 T/M 5

NOTEN 6 EN 7

NOOT 8

NOTEN 9 EN 10

NOTEN 11, 12 EN 13

NOTEN 14 EN 15

EINDE BRIEF

ZIE OOK DE ORIGINELE MAIL AAN VOMAR

DIRECTE MAIL AAN VOMAR:

Astrid Essed <astridessed@yahoo.com>

To:werkenbij@vomar.nl

Wed, Nov 16 at 2:19 PM

AAN

SUPERMARKT VOMARFILIAAL AMSTERDAMSE POORT
Directie en Management


Onderwerp:

Uw verkoop van mango’s uit bezettingsstaat Israel

De walrus sprak:

De tijd is daar
Om over allerlei te praten”

Een schoen, een schip, een kandelaar,

Of koningen ook liegen

En of de zee soms koken kan

En een biggetje kan vliegen.
Uit het Engels vertaald uit:

 THE WALRUS AND THE CARPENTERLEWIS CARROLL: ALICE IN WONDERLAND

https://en.wikipedia.org/wiki/The_Walrus_and_the_Carpenter

Geachte Directie

Geacht Management,

Een Ongerijmde Passage uit de klassieker ”Alice in Wonderland?” [1]

Niet minder ongerijmd is het, dat ondanks het feit, dat ik u er herhaaldelijk op gewezen heb [en hopelijk ik niet alleen] [2], u desondanks doorgaat met 

de verkoop van producten uit een land, dat niet alleen een Bezettingsstaat is, maar bovendien door gerenommeerde mensenrechtenorganisaties

als Amnesty International en Human Rights Watch is aangewezen

als Apartheidsstaat! [3]

VERKOOP VAN MANGO’S UIT ISRAEL

En ook nu was het weer raak!

In de week van 2 october t/m 8 october [Week 39/40]

bezocht ik de Vomar en wilde ik graag profiteren van uw

aanbieding van Mango’s [2 stuks voor 1,99, afgeprijsd van 2.89] [4],

om tot de conclusie te komen, dat deze Mango’s uit Israel kwamen!

Weer een minpunt voor u en reden tot het schrijven van deze Brief!

Want kennelijk moeten u opnieuw de oren gewassen worden en

dat doe ik dan bij dezen:

BEZETTINGSSTAAT EN APARTHEIDSSTAAT:

We gaan maar weer eens los!’

U zult weten, hoort dat althans te weten, dat de Staat Israel reeds 55 jaar de Palestijnse gebieden de Westelijke Jordaanoever, Gaza [5] en Oost-Jeruzalem bezet houdt.

En alsof dat al niet erg genoeg is, heeft die bezetting [zoals alle vreemde bezettingen, overal ter wereld] veroorzaakt onderdrukking, vernederingen,[oorlogs] misdaden.

Ik kan en wil die hier niet allemaal opsommen [trouwens, die lijst is onuitputtelijk], maar ernstige voorbeelden zijn  Israelische luchtaanvallen op Gaza uit 2021 [niet zo lang geleden dus], waarbij

in de periode tussen 10 en 21 mei 260 mensen zijn omgekomen,

onder wie tenminste 129 burgers [waaronder 66 kinderen] [5]

Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch wees in het

byzonder op een specifieke Israelische luchtaanval op vier dichtbevolkte

 gebouwentorens, waarin zich huizen, zaken en persagentschappen

bevonden.

Weliswaar leidde het niet tot dodelijke slachtoffers, maar drie Torens

werden met de grond gelijkgemaakt, velen werden dakloos en

verloren hun baan [6], in een gebied, wat door de wurgende

Blokkade van Gaza al economisch kapot gemaakt is [7]

NEDERZETTINGEN, IN STRIJD MET HET INTERNATIONAAL RECHT!

Dan heb ik het nog niet eens gehad over de in bezet Palestijns gebied

gestichte nederzettingen, waarvan de uitbreiding maar doorgaat en doorgaat [8].

Welnu, die nederzettingen zijn, zoals ik u al in een eerdere brief heb

meegedeeld [9], [dus kom me niet aan met het smoesje, dat

u daarvan niet op de hoogte was], illegaal volgens het Internationaal Recht

[10] EN regelrechte landdiefstal, omdat zij dus worden gebouwd op gestolen Palestijns land!

EN to add insult to injury, is er ook regelmatig sprake van geweld

van die kolonisten [bewoners van de nederzettingen] tegen de bezette

Palestijnse bevolking, vaak nog ondersteund door de Israelische Staat

Zie noot 11, rapportage van de Israelische mensenrechtenorganisatie

B’tselem! 

DE BITTERE VRUCHTEN VAN DE STAAT ISRAEL

Ik zou zo nog uren kunnen doorgaan, ik doe het niet, want ik denk

zo wel voldoende duidelijk gemaakt te hebben, dat iedere steun aan

de economie van de Israelische bezettingsstaat [en die verleent u, door

Israelische mango’s of whatever products uit Israel te importeren],

een ondersteuning is van de barbaarse Israelische Apartheidsstaat!

MAAR HET IS NOG ERGER!

U steunt hiermee ook een Land, dat tot stand is gekomen dankzij een neo-koloniaal

project! [12]

Kort gezegd:

Via diefstal van anderman’s land, de Arabische Palestijnen [13]

Wist u dat niet?

Dan weet u het nu!

Maar los van  hoe Israel is gevormd, het feit, dat zij een bezettingsstaat is

en reeds 54 jaar lang de bezette Palestijnen onderdrukt, vernedert, uithongert [Blokkade Gaza], hun [bezet] land steelt, militair

bestookt, discrimineert en foltert [14], is meer dan genoeg reden

voor u, deze besmette producten NIET te importeren.

PUNT, UIT!

EPILOOG

Ik heb u in het verleden reeds eerder aangeschreven over uw verkoop

van Israelische producten!

Zie noot 15

En ik blijf u bestoken, zolang het nodig is.

En het is nodig, zolang u in uw filial[en] Israelische producten

verkoopt!

STOP ER DUS MEE!

NU!

Vriendelijke groeten

Astrid Essed

 Amsterdam 

NOTEN

Voor uw gemak hieronder de noten in links ondergebracht

NOTEN 

1 T/M 5

NOTEN 6 EN 7

NOOT 8

NOTEN 9 EN 10

NOTEN 11, 12 EN 13

NOTEN 14 EN 15

Noten 14 en 15/Astrid Essed vloert Vomar | Astrid Essed

Reacties uitgeschakeld voor Voor de Vierde Keer/Vomar, STOP met de verkoop van Israelische producten, deze meer mango’s!

Opgeslagen onder Divers

Noten 1 t/m 5/Astrid Essed vloert Vomar

[1]

THE WALRUS AND THE CARPENTERLEWIS CARROLL: ALICE IN WONDERLAND

https://en.wikipedia.org/wiki/The_Walrus_and_the_Carpenter

UIT

WIKIPEDIA

ALICE’S ADVENTURES IN WONDERLAND

https://en.wikipedia.org/wiki/Alice%27s_Adventures_in_Wonderland

[2]

VOMAR HARDLEERS/VOOR DE DERDE KEER/

STOP MET VERKOOP VAN AVOCADO’S UIT BEZETTINGS

EN APARTHEIDSSTAAT ISRAEL

ASTRID ESSED

23 MEI 2022

SUPERMARKT VOMAR STEUNT ISRAELISCHE BEZETTINGSSTAAT/

VOMAR, STOP MET DE VERKOOP VAN AVOCADO’S UIT ISRAEL

ASTRID ESSED

30 JANUARI 2022

SUPERMARKT VOMAR/STOP MET DE VERKOOP VAN

ISRAELISCHE PRODUCTEN

ASTRID ESSED

4 SEPTEMBER 2021

[3]

AMNESTY INTERNATIONAL

ISRAEL’S APARTHEID AGAINST PALESTINIANS”A CRUEL 

SYSTEM OF DOMINATION AND A CRIME AGAINST HUMANITY

1 FEBRUARI 2022

Israeli authorities must be held accountable for committing the crime of apartheid against Palestinians, Amnesty International said today in a damning new report. The investigation details how Israel enforces a system of oppression and domination against the Palestinian people wherever it has control over their rights. This includes Palestinians living in Israel and the Occupied Palestinian Territories (OPT), as well as displaced refugees in other countries.

The comprehensive reportIsrael’s Apartheid against Palestinians: Cruel System of Domination and Crime against Humanity, sets out how massive seizures of Palestinian land and property, unlawful killings, forcible transfer, drastic movement restrictions, and the denial of nationality and citizenship to Palestinians are all components of a system which amounts to apartheid under international law. This system is maintained by violations which Amnesty International found to constitute apartheid as a crime against humanity, as defined in the Rome Statute and Apartheid Convention.

Amnesty International is calling on the International Criminal Court (ICC) to consider the crime of apartheid in its current investigation in the OPT and calls on all states to exercise universal jurisdiction to bring perpetrators of apartheid crimes to justice.

“There is no possible justification for a system built around the institutionalized and prolonged racist oppression of millions of people. Apartheid has no place in our world, and states which choose to make allowances for Israel will find themselves on the wrong side of history. Governments who continue to supply Israel with arms and shield it from accountability at the UN are supporting a system of apartheid, undermining the international legal order, and exacerbating the suffering of the Palestinian people. The international community must face up to the reality of Israel’s apartheid, and pursue the many avenues to justice which remain shamefully unexplored.”

Amnesty International’s findings build on a growing body of work by Palestinian, Israeli and international NGOs, who have increasingly applied the apartheid framework to the situation in Israel and/or the OPT.

Identifying apartheid

A system of apartheid is an institutionalized regime of oppression and domination by one racial group over another. It is a serious human rights violation which is prohibited in public international law. Amnesty International’s extensive research and legal analysis, carried out in consultation with external experts, demonstrates that Israel enforces such a system against Palestinians through laws, policies and practices which ensure their prolonged and cruel discriminatory treatment.

In international criminal law, specific unlawful acts which are committed within a system of oppression and domination, with the intention of maintaining it, constitute the crime against humanity of apartheid. These acts are set out in the Apartheid Convention and the Rome Statute, and include unlawful killing, torture, forcible transfer, and the denial of basic rights and freedoms.

Amnesty International documented acts proscribed in the Apartheid Convention and Rome Statute in all the areas Israel controls, although they occur more frequently and violently in the OPT than in Israel. Israeli authorities enact multiple measures to deliberately deny Palestinians their basic rights and freedoms, including draconian movement restrictions in the OPT, chronic discriminatory underinvestment in Palestinian communities in Israel, and the denial of refugees’ right to return. The report also documents forcible transfer, administrative detention, torture, and unlawful killings, in both Israel and the OPT.

Amnesty International found that these acts form part of a systematic and widespread attack directed against the Palestinian population, and are committed with the intent to maintain the system of oppression and domination. They therefore constitute the crime against humanity of apartheid.

The unlawful killing of Palestinian protesters is perhaps the clearest illustration of how Israeli authorities use proscribed acts to maintain the status quo. In 2018, Palestinians in Gaza began to hold weekly protests along the border with Israel, calling for the right of return for refugees and an end to the blockade. Before protests even began, senior Israeli officials warned that Palestinians approaching the wall would be shot. By the end of 2019, Israeli forces had killed 214 civilians, including 46 children.

In light of the systematic unlawful killings of Palestinians documented in its report, Amnesty International is also calling for the UN Security Council to impose a comprehensive arms embargo on Israel. This should cover all weapons and munitions as well as law enforcement equipment, given the thousands of Palestinian civilians who have been unlawfully killed by Israeli forces. The Security Council should also impose targeted sanctions, such as asset freezes, against Israeli officials most implicated in the crime of apartheid.

Palestinians treated as a demographic threat

Since its establishment in 1948, Israel has pursued a policy of establishing and then maintaining a Jewish demographic majority, and maximizing control over land and resources to benefit Jewish Israelis. In 1967, Israel extended this policy to the West Bank and Gaza Strip. Today, all territories controlled by Israel continue to be administered with the purpose of benefiting Jewish Israelis to the detriment of Palestinians, while Palestinian refugees continue to be excluded.

Amnesty International recognizes that Jews, like Palestinians, claim a right to self-determination, and does not challenge Israel’s desire to be a home for Jews. Similarly, it does not consider that Israel labelling itself a “Jewish state” in itself indicates an intention to oppress and dominate.

However, Amnesty International’s report shows that successive Israeli governments have considered Palestinians a demographic threat, and imposed measures to control and decrease their presence and access to land in Israel and the OPT. These demographic aims are well illustrated by official plans to “Judaize” areas of Israel and the West Bank, including East Jerusalem, which continue to put thousands of Palestinians at risk of forcible transfer.

Oppression without borders

The 1947-49 and 1967 wars, Israel’s ongoing military rule of the OPT, and the creation of separate legal and administrative regimes within the territory, have separated Palestinian communities and segregated them from Jewish Israelis. Palestinians have been fragmented geographically and politically, and experience different levels of discrimination depending on their status and where they live.

Palestinian citizens in Israel currently enjoy greater rights and freedoms than their counterparts in the OPT, while the experience of Palestinians in Gaza is very different to that of those living in the West Bank. Nonetheless, Amnesty International’s research shows that all Palestinians are subject to the same overarching system. Israel’s treatment of Palestinians across all areas is pursuant to the same objective: to privilege Jewish Israelis in distribution of land and resources, and to minimize the Palestinian presence and access to land.

Amnesty International demonstrates that Israeli authorities treat Palestinians as an inferior racial group who are defined by their non-Jewish, Arab status. This racial discrimination is cemented in laws which affect Palestinians across Israel and the OPT.

For example, Palestinian citizens of Israel are denied a nationality, establishing a legal differentiation from Jewish Israelis. In the West Bank and Gaza, where Israel has controlled the population registry since 1967, Palestinians have no citizenship and most are considered stateless, requiring ID cards from the Israeli military to live and work in the territories.

Palestinian refugees and their descendants, who were displaced in the 1947-49 and 1967 conflicts, continue to be denied the right to return to their former places of residence. Israel’s exclusion of refugees is a flagrant violation of international law which has left millions in a perpetual limbo of forced displacement.

Palestinians in annexed East Jerusalem are granted permanent residence instead of citizenship – though this status is permanent in name only. Since 1967, more than 14,000 Palestinians have had their residency revoked at the discretion of the Ministry of the Interior, resulting in their forcible transfer outside the city.

Lesser citizens

Palestinian citizens of Israel, who comprise about 19% of the population, face many forms of institutionalized discrimination. In 2018, discrimination against Palestinians was crystallized in a constitutional law which, for the first time, enshrined Israel exclusively as the “nation state of the Jewish people”. The law also promotes the building of Jewish settlements and downgrades Arabic’s status as an official language.

The report documents how Palestinians are effectively blocked from leasing on 80% of Israel’s state land, as a result of racist land seizures and a web of discriminatory laws on land allocation, planning and zoning.

The situation in the Negev/Naqab region of southern Israel is a prime example of how Israel’s planning and building policies intentionally exclude Palestinians.  Since 1948 Israeli authorities have adopted various policies to “Judaize” the Negev/Naqab, including designating large areas as nature reserves or military firing zones, and setting targets for increasing the Jewish population. This has had devastating consequences for the tens of thousands of Palestinian Bedouins who live in the region.

Thirty-five Bedouin villages, home to about 68,000 people, are currently “unrecognized” by Israel, which means they are cut off from the national electricity and water supply and targeted for repeated demolitions. As the villages have no official status, their residents also face restrictions on political participation and are excluded from the healthcare and education systems. These conditions have coerced many into leaving their homes and villages, in what amounts to forcible transfer.

Decades of deliberately unequal treatment of Palestinian citizens of Israel have left them consistently economically disadvantaged in comparison to Jewish Israelis. This is exacerbated by blatantly discriminatory allocation of state resources: a recent example is the government’s Covid-19 recovery package, of which just 1.7% was given to Palestinian local authorities.

Dispossession

The dispossession and displacement of Palestinians from their homes is a crucial pillar of Israel’s apartheid system. Since its establishment the Israeli state has enforced massive and cruel land seizures against Palestinians, and continues to implement myriad laws and policies to force Palestinians into small enclaves. Since 1948, Israel has demolished hundreds of thousands of Palestinian homes and other properties across all areas under its jurisdiction and effective control.

As in the Negev/Naqab, Palestinians in East Jerusalem and Area C of the OPT live under full Israeli control. The authorities deny building permits to Palestinians in these areas, forcing them to build illegal structures which are demolished again and again.

In the OPT, the continued expansion of illegal Israeli settlements exacerbates the situation. The construction of these settlements in the OPT has been a government policy since 1967. Settlements today cover 10% of the land in the West Bank, and some 38% of Palestinian land in East Jerusalem was expropriated between 1967 and 2017.

Palestinian neighbourhoods in East Jerusalem are frequently targeted by settler organizations which, with the full backing of the Israeli government, work to displace Palestinian families and hand their homes to settlers. One such neighbourhood, Sheikh Jarrah, has been the site of frequent protests since May 2021 as families battle to keep their homes under the threat of a settler lawsuit.

Draconian movement restrictions

Since the mid-1990s Israeli authorities have imposed increasingly stringent movement restrictions on Palestinians in the OPT. A web of military checkpoints, roadblocks, fences and other structures controls the movement of Palestinians within the OPT, and restricts their travel into Israel or abroad.

A 700km fence, which Israel is still extending, has isolated Palestinian communities inside “military zones”, and they must obtain multiple special permits any time they enter or leave their homes. In Gaza, more than 2 million Palestinians live under an Israeli blockade which has created a humanitarian crisis. It is near-impossible for Gazans to travel abroad or into the rest of the OPT, and they are effectively segregated from the rest of the world.

“The permit system in the OPT is emblematic of Israel’s brazen discrimination against Palestinians. While Palestinians are locked in a blockade, stuck for hours at checkpoints, or waiting for yet another permit to come through, Israeli citizens and settlers can move around as they please.”

Amnesty International examined each of the security justifications which Israel cites as the basis for its treatment of Palestinians. The report shows that, while some of Israel’s policies may have been designed to fulfil legitimate security objectives, they have been implemented in a grossly disproportionate and discriminatory way which fails to comply with international law. Other policies have absolutely no reasonable basis in security, and are clearly shaped by the intent to oppress and dominate.

The way forward

Amnesty International provides numerous specific recommendations for how the Israeli authorities can dismantle the apartheid system and the discrimination, segregation and oppression which sustain it.

The organization is calling for an end to the brutal practice of home demolitions and forced evictions as a first step. Israel must grant equal rights to all Palestinians in Israel and the OPT, in line with principles of international human rights and humanitarian law. It must recognize the right of Palestinian refugees and their descendants to return to homes where they or their families once lived, and provide victims of human rights violations and crimes against humanity with full reparations.

The scale and seriousness of the violations documented in Amnesty International’s report call for a drastic change in the international community’s approach to the human rights crisis in Israel and the OPT.  

All states may exercise universal jurisdiction over persons reasonably suspected of committing the crime of apartheid under international law, and states that are party to the Apartheid Convention have an obligation to do so. 

“Israel must dismantle the apartheid system and start treating Palestinians as human beings with equal rights and dignity. Until it does, peace and security will remain a distant prospect for Israelis and Palestinians alike.”

RAPPORT AMNESTY INTERNATIONAL:

ISRAEL’S APARTHEID AGAINST PALESTINIANS”A CRUEL 

SYSTEM OF DOMINATION AND A CRIME AGAINST HUMANITY

file:///C:/Users/Essed/Downloads/MDE1551412022ARABIC.pdf

HUMAN RIGHTS WATCH

ISRAELI APARTHEID: ”A THRESHOLD CROSSED”

https://www.hrw.org/news/2021/07/19/israeli-apartheid-threshold-crossed

In April, Human Rights Watch released a 213-page report, “A Threshold Crossed,” finding that Israeli authorities are committing the crimes against humanity of apartheid and persecution. We reached this determination based on our documentation of an overarching government policy to maintain the domination by Jewish Israelis over Palestinians coupled with grave abuses committed against Palestinians living in the occupied territory, including East Jerusalem

In the months since, a growing chorus of voices, from former Israeli ambassadors to South Africa and current Knesset members to the ex-UN Secretary General and the French foreign minister, have referenced apartheid in relation to Israel’s discriminatory treatment of Palestinians, in particular in the occupied territory. Yet many in Germany, including those critical of Israeli human rights abuses, remain hesitant to apply the label to Israeli conduct.

Given history, one can certainly understand Germany’s concern for the welfare of the Jewish people, but that should not carry over to an endorsement of abusive and discriminatory Israeli government conduct, especially in the occupied territory. As recognition grows that these crimes are being committed, the failure to recognize that reality requires burying your head deeper and deeper into the sand.

The problem begins with the Israeli government having exercised primary control for more than a half-century over the land between the Mediterranean Sea and Jordan River, encompassing Israel and the occupied territory, where two main groups of people of roughly equal size live. Throughout this area, Israeli authorities methodologically privilege one of the groups, Jewish Israelis, who are governed under the same body of laws with the same rights and privileges wherever they live. At the same time, authorities allocate different baskets of inferior rights to the other, Palestinians, systematically discriminating against them wherever they live and most severely in the occupied territory.

Our sense that our research was not capturing this underlying reality led us to write this report. Reporting on “separate, not equal” schools for Palestinians inside Israel, Palestinians being forced out of their homes in occupied East Jerusalem, the serious rights abuses stemming from the Israeli settlement enterprise in the West Bank, and the crushing closure of the Gaza Strip, we felt that our work captured important dynamics, including entrenched discrimination, in particular areas, but did not capture the full scope of Israel’s discriminatory rule over Palestinians.

We set out in the report to evaluate Israel’s treatment of Palestinians across Israel and the occupied territory. As we do in the nearly 100 countries across the world we work in, we began by documenting the facts—drawing on years of our own research, case studies that compared Palestinian areas with predominantly or exclusively Jewish ones, and a review of government planning documents, statements by officials, and a range of other materials.

Across Israel and the occupied territory, Human Rights Watch found that Israeli authorities have pursued an intent to privilege Jewish Israelis at the expense of Palestinians. They have done so by undertaking policies aimed at mitigating what they openly describe as the “demographic threat” Palestinians pose and maximizing the land available for Jewish communities, while concentrating most Palestinian in dense enclaves. The policy takes different forms and is pursued in a particularly severe form in the occupied territory. It includes efforts to, as leading Israelis officials have put it, “Judaize” the Negev and Galilee regions of Israel and to maintain “a solid Jewish majority,” as described in government planning documents, in the Jerusalem municipality, which includes the eastern part of Jerusalem, which Israel unilaterally annexed and occupies. It also encompasses efforts to “settle [Jews in] the land between the [Palestinian] minority population centers and their surroundings” in the West Bank, as set out in plans that have guided the government’s settlement, and to pursue “separation” between the West Bank and Gaza. The policy across the board serves the same fundamental goal: maximum land, minimum Palestinians. 

Furthermore, we found that Israeli authorities have carried out the grave abuses needed for the crimes of apartheid and persecution against Palestinians living in the occupied territory. It has done so through, among other policies, sweeping restrictions on movement in the form of the 14-year generalized closure of Gaza and the discriminatory permit system in the West Bank; the confiscation of more than a third of the land in the West Bank; and denial of residency rights to hundreds of thousands of Palestinians and their relatives. Israel has imposed draconian military rule over millions of Palestinians, suspending their basic civil rights, while Jewish Israelis living in the same territory are governed under the permissive Israeli civil law; and imposed harsh conditions in parts of the West Bank that led to forcing thousands of Palestinians out of their homes.

We then evaluated these facts against the relevant areas of international law—in this case, the established law on discrimination—which includes a universal prohibition against apartheid. While the term was coined in relation to specific practices in South Africa, international treaties define apartheid as a universal legal term referring to a particularly severe form of discriminatory oppression.

International criminal law, including the 1973 International Convention on the Suppression and Punishment of the Crime of Apartheid and the 1998 Rome Statute to the International Criminal Court, define apartheid as a crime against humanity consisting of three primary elements: (1) an intent by one racial group to dominate another; (2) systematic oppression by the dominant group over the marginalized group; and (3) particularly grave abuses known as inhumane acts.

Racial group is understood today also to encompass treatment on the basis of descent and national or ethnic origin. International criminal law also identifies a related crime against humanity of persecution. Under the Rome Statute and customary international law, persecution consists of severe deprivation of fundamental rights of a racial, ethnic, or other group with discriminatory intent.

The ratification by the State of Palestine of these two treaties in recent years has strengthened the legal application of these two crimes in its territory. A ruling by a chamber of the International Criminal Court (ICC) earlier this year confirmed that it has jurisdiction over war crimes and crimes against humanity – including apartheid and persecution – committed in the Occupied Palestinian Territory since 2014.

Applying the facts to the laws, Human Rights Watch concluded that Israeli authorities are committing the crimes against humanity of apartheid and persecution. We found that the elements of the crimes come together in the occupied territory as part of a single Israeli government policy. That policy is to maintain the domination by Jewish Israelis over Palestinians across Israel and the occupied territory. It is coupled in the occupied territory with systematic oppression and inhumane acts against Palestinians living there.

Sometimes the most important thing someone who cares deeply about you can do is to share hard truths and push you to confront them. The late Israeli Prime Minister Yitzhak Rabin and leaders of Israel’s closest ally, the US, including former President Jimmy Carter and former Secretary of State John Kerry, warned of the prospect of apartheid if things did not change.

Today, apartheid is not a hypothetical or future scenario. A 54-year-occupation is not temporary. The threshold has been crossed. Apartheid, and parallel persecution, is the reality for millions of Palestinians. Recognizing and correctly diagnosing a problem is the first step to solving it and ending apartheid is vital to the future of both Palestinians and Israelis and the cause of peace. It is by extension Germany’s special relationship with Israel and history that should prompt them to recognize the reality of apartheid and persecution and bring to bear the sorts of tools needed to end these crimes against humanity.

EINDE BERICHT HUMAN RIGHTS WATCH

RAPPORT HUMAN RIGHTS WATCH

A TRESHOLD CROSSED

27 APRIL 2021

https://www.hrw.org/report/2021/04/27/threshold-crossed/israeli-authorities-and-crimes-apartheid-and-persecution

[4]

AANBIEDING MANGO’S UIT ISRAEL IN DE VOMAR FOLDER VAN

2 OCTOBER T/M 8 OCTOBER

https://www.aanbiedingenfolders.nl/i/vomar/eetrijpe-mango-973061

Eetrijpe Mango

Eetrijpe Mango

Bekijk nu de Eetrijpe Mango aanbieding uit de Vomar folder.

Aanbieding geldig van 02-10-2022 t/m 08-10-2022  Verlopen

[5]

”The United Nations reported that Israeli attacks killed 260 people in Gaza, at least 129 of them civilians, including 66 children. ”

HUMAN RIGHTS WATCH

GAZA: ISRAEL’S MAY AIRSTRIKES ON

HIGH RISES

APPARENTLY UNLAWFUL ATTACKS CAUSE

MAJOR LASTING HARM

23 AUGUST 2021

https://www.hrw.org/news/2021/08/23/gaza-israels-may-airstrikes-high-rises

The Israeli military’s airstrikes that destroyed four high-rise buildings in Gaza City during the May 2021 fighting apparently violated the laws of war and may amount to war crimes, Human Rights Watch said today. The attacks also damaged neighboring structures, made several dozen families homeless, and shuttered scores of businesses that provided livelihoods to many people.

Between May 11 and 15, Israeli forces attacked the Hanadi, al-Jawhara, al-Shorouk, and al-Jalaa towers in the densely populated al-Rimal neighborhood. In each case, the Israeli military warned tenants of impending attacks, allowing for their evacuation. Three buildings were immediately leveled while the fourth, al-Jawhara, sustained extensive damage and is slated to be demolished. Israeli authorities contend that Palestinian armed groups were using the towers for military purposes, but have provided no evidence to support those allegations.

“The apparently unlawful Israeli strikes on four high-rise towers in Gaza City caused serious, lasting harm for countless Palestinians who lived, worked, shopped, or benefitted from businesses based there,” said Richard Weir, crisis and conflict researcher at Human Rights Watch. “The Israeli military should publicly produce the evidence that it says it relied on to carry out these attacks.”

The Israeli military stated that during the hostilities with Palestinian armed groups in Gaza from May 10 to 21, its forces attacked about 1,500 targets with air- and ground-launched munitions. The United Nations reported that Israeli attacks killed 260 people in Gaza, at least 129 of them civilians, including 66 children. Local authorities in Gaza said that 2,400 housing units were made uninhabitable, while over 50,000 units were damaged, and over 2,000 industrial, trade, and service facilities were destroyed or partially damaged.

Palestinian armed groups launched over 4,360 rockets indiscriminately toward Israel, resulting in the deaths of 12 civilians in Israel, including 2 children, and a soldier, according to Israeli authorities. Human Rights Watch separately reported on Israeli airstrikes that killed scores of Palestinian civilians and Palestinian armed group rocket attacks in violation of the laws of war.

Between May and August, Human Rights Watch interviewed by phone 18 Palestinians who were witnesses and victims of the attacks on the towers, including residents, business owners, and employees, as well as those in affected neighboring structures. Human Rights Watch also reviewed video footage and photographs taken after the attacks, and statements by Israeli and Palestinian officials and Palestinian armed groups.

The towers contained scores of businesses, offices of news agencies, and many homes. Jawad Mahdi, 68, an owner of  al-Jalaa tower who lived there with dozens of family members, said, “All these years of hard work, it was a place of living, safety, children and grandchildren, all our history and life, destroyed in front of your eyes … It’s like someone ripping your heart out and throwing it.”

The long-term effects of the attacks extend beyond the immediate destruction of the buildings, Human Rights Watch said. Many jobs were lost with the closure of their companies and many families were displaced.

Mohammed Qadada, 31, the head of a digital marketing company located in Hanadi tower, said that the 30 employees affected include people who “have families of their own, who were just entering into marriage, who support their older parents, who have sick members of the family who need financial support.” He said they “won’t find work again because the equipment that they had allowed them to do rendering, designing, producing, [has] all been destroyed. So how can they do the work?”

Israel has asserted that the high-rise buildings housed offices of Palestinian armed groups, including the headquarters of certain units, military intelligence, and in one tower, offices for “the most valuable Hamas technological equipment” for use against Israel. Any information to support these claims has not been made public.  

Human Rights Watch found no evidence that members of Palestinian groups involved in military operations had a current or long-term presence in any of the towers at the time they were attacked. Even if there were such a presence, the attacks appeared to cause foreseeably disproportionate harm to civilian property.

Under international humanitarian law, or the laws of war, warring parties may target only military objectives. In doing so, they must take all feasible precautions to minimize harm to civilians, and unless circumstances do not permit, provide effective advance warnings of attacks. Deliberate attacks on civilians and civilian objects are prohibited, including reprisals against civilians. The laws of war also prohibit indiscriminate attacks, which include attacks that do not target a specific military objective or do not distinguish between civilians and military targets. Attacks in which the expected harm to civilians and civilian property is disproportionate to the anticipated military gain are also prohibited.

Personnel or equipment being used in military operations are subject to attack, but whether that justifies destroying an entire large building where they might be present depends on the attack not inflicting disproportionate harm on civilians or civilian property. The proportionality of the attack is even more questionable because Israeli forces have previously demonstrated the capacity to strike specific floors or parts of structures. However, these attacks completely flattened three of the buildings, evidently by attacking their structural integrity. Regarding al-Jalaa tower, the Israeli military said that because armed groups had occupied multiple floors, the entire tower needed to be destroyed.

The deployment of Palestinian armed groups in the towers, if true, would go against requirements to take all feasible precautions to minimize harm to civilians under their control and to avoid placing military objectives in densely populated areas. Israel has repeatedly accused Palestinian armed groups of deploying among civilians and – without providing evidence, using them as “human shields” – the war crime of intentionally co-locating military forces with civilians to deter targeting those forces.  

Individuals who order or commit serious violations of the laws of war with criminal intent – that is, deliberately or recklessly – are responsible for war crimes. A country responsible for laws-of-war violations is obligated to make full reparation for the loss or injury caused, including compensation for individuals harmed.

The 14-year Israeli closure of Gaza, along with Egyptian border restrictions, has devastated the economy in Gaza. Restrictions on the entry of goods broadly deemed to be “dual-use,” for example, have sharply reduced the population’s access to construction material and certain medical equipment. Unless lifted or substantially eased, the sweeping restrictions on the movement of people and goods will hamper reconstruction efforts.

On May 27, the UN Human Rights Council established a Commission of Inquiry to address violations and abuses in the Occupied Palestinian Territory and Israel, including by advancing accountability for those responsible and justice for victims. The commission should examine unlawful attacks committed by Israeli forces and Palestinian armed groups during the May fighting. It should also analyze the larger context, including the Israeli government’s discriminatory treatment of Palestinians.

“Throughout the May hostilities, unlawful Israeli strikes not only killed many civilians, but also destroyed high-rise towers, wiping out scores of businesses and homes, upending the lives of thousands of Palestinians,” Weir said. “Donor funding alone will not rebuild Gaza. The crushing closure of the Gaza Strip needs to end, along with the impunity that fuels ongoing serious abuses.”

May Hostilities

The May 2021 fighting followed efforts by Jewish settler groups to evict and confiscate the property of longtime Palestinian residents in East Jerusalem. Palestinians held demonstrations around East Jerusalem, and Israeli security forces fired teargas, stun grenades, and rubber-coated steel bullets, injuring hundreds of Palestinians.

On May 10, Palestinian armed groups in Gaza started to launch rockets toward Israeli population centers. The Israeli military attacked the densely populated Gaza Strip with missiles, rockets, and artillery. Many of the attacks by the Israeli military and Palestinian armed groups used explosive weapons with wide-area effects in populated areas. A ceasefire went into effect on May 21.

The May hostilities, like those in 2008201220142018, and 2019, among others, took place amid Israel’s sweeping closure of the Gaza Strip, which began in 2007. They also took place in a context of discriminatory efforts to remove Palestinians from their homes in occupied East Jerusalem, policies and practices among the Israeli government’s crimes against humanity of apartheid and persecution, as Human Rights Watch has documented.

Human Rights Watch on May 30 requested permits for senior researchers to enter Gaza to conduct research on the fighting, but Israeli authorities on July 26 rejected the request. Israeli authorities have since 2008 refused access to Human Rights Watch international staff to enter Gaza, except for a single visit in 2016.

On July 13, the Israel Defense Forces (IDF) Spokesperson responded to a June 4 Human Rights Watch letter asking detailed questions about the attacks, saying that the Israeli military “strikes military targets exclusively, following an assessment that the potential collateral damage resulting from the attack is not excessive in relation to the expected military advantage.” The military added that it was making inquiries and investigating “various incidents” in order “to assess whether the obligatory rules had been breached and to draw conclusions.”

Attacks on High-Rise Buildings

The strikes on the four towers that Human Rights Watch investigated were just a small fraction of the Israeli military’s attacks in Gaza during the May fighting.

In each instance, the Israeli military warned residents of the impending attack by calling a building manager, security guard, or tenant, waited for individuals to evacuate, then launched smaller munitions that were either non-explosive or had small explosive yields – which the Israeli military calls “a knock on the roof” – and then carried out airstrikes. Three of the four buildings were immediately leveled. Although no deaths or injuries of fighters or civilians were reported, the attacks destroyed civilian property worth millions of US dollars.

Human Rights Watch research into the attacks on the four towers found no evidence that members of Palestinian groups involved in military operations were in the buildings or had a long-term presence. One businessman said that Hamas had offices in Hanadi tower, but he could not identify who the tenants were or what they did, or that they had any links to Hamas’s armed wing. Under the laws of war, civilian officials not involved in military operations are not subject to attack. Media offices are civilian objects unless they are taking a direct part in the hostilities by communicating military information.

The destruction of businesses and residences in the towers may have long-term implications for the enjoyment of basic rights of those affected, including access to an adequate standard of living, such as water, food, and housing, and loss of livelihoods. The displacement of families can impair their physical security, access to health care, and family life. The destruction of a dozen offices of media outlets undermines the collection and dissemination of information in Gaza.

The size of the blast following the munitions impact and subsequent detonation, as captured in videos either distributed by the Israeli military or circulated online and reviewed by Human Rights Watch, appear consistent with the use of munitions with large high-explosive warheads. These explosive weapons produced wide-area effects, resulting in the complete destruction or serious damage to each of the towers and damage to surrounding areas, including to homes, businesses, and infrastructure.

The Hanadi Tower

At about 6 p.m. on May 11, the Israeli military called the security guard at Hanadi tower to notify him that the 13-story tower would be attacked and that occupants should evacuate, said Maher Awad Kamal Safadi, 36, a local resident and business owner. Israeli forces then struck the building and area around it with multiple small munitions, according to Safadi and a video posted online prior to the attack. Then, at around 7:30 p.m., at least one munition hit the side of the building at its base. Seconds later, at least one more munition struck the opposite side at its base and the building quickly collapsed, causing damage to surrounding businesses and homes.

The attack caused no casualties, but its owner, Ahmed Abu Jaber, said that the building and contents destroyed were worth millions of dollars. Damage to a nearby hotel caused hundreds of thousands of dollars in loss.   

Following the attack, the Israeli military released multiple statementsimages, and a video of the strike. The statements acknowledged the attack and said that Hamas used the building for “military research and development” and that it housed “Hamas military intelligence offices.” One statement posted on the Israeli military’s website said the building housed “multiple military units used by Hamas” and included a “headquarters” for research and development, military intelligence, and “more,” but did not further clarify.  

The media reported that the building housed offices of the political leadership of Hamas. A journalist familiar with the tower, who did not wish to be identified, said: “There are political meeting offices for Hamas parliament members and spokespersons in the tower.” While one business owner in the tower said there were Hamas offices in the tower, he was unaware of their purpose.

Hamas, the de facto authority in Gaza, is a group that includes both a political party and an armed wing. Mere membership or affiliation with Hamas is not a sufficient basis for determining someone to be a lawful military target. The laws of war allow the targeting of military commanders in the course of armed conflict, provided that such attacks otherwise comply with the laws that protect civilians. Political leaders not taking part in military operations, as well as civilians, would not be legitimate targets of attack.

Three of the tower’s business owners described the effects of the attack. Nihad Abdellatif Taha, 45, a computer engineer, said damages to his programming and digital marketing company, Portals, headquartered in the tower, were about US$30,000:  

I had 36 employees and we were renting two apartments – 360 square meters with furniture, offices, meeting rooms, surveillance cameras – all of this is gone, in addition to very important documents, all the company’s papers are gone, including stamps and the employees’ contracts – all gone.

Mohammed Qadada, 31, founder and chief executive officer of Planet for Digital Solutions, said that when it moved into the tower in 2017, he invested about $40,000 in renovations, furniture, and new equipment, including workstations, laptops, and printers. All of it was destroyed: “It was May 22 when I went to the tower for the first time [since its destruction]. Everything was gone, I saw rubble, I saw remnants of an office, I saw people’s stuff strewn around, I saw people’s memories, I saw everything fallen.”

As of late May, the company’s 30 employees had all been unemployed since the attack.

Maher Awad Kamal Safadi, 36, who owned Friends Gym on the ground floor of Hanadi tower, said that months earlier he had invested over $10,000 in new exercise equipment. “I had a sauna, jacuzzi, Moroccan bath, a fitness room and a weight room, bathrooms, and a full restaurant with fridges and a gas stove” – all of which were destroyed. He said the attack cost the gym’s six employees their jobs and that he would need $150,000 to replace the equipment.

The buildings immediately adjacent to Hanadi tower, particularly to the north, suffered serious damage. Satellite imagery recorded on May 14 shows damage to the southern and western facades of the Handouqa apartment building and the Gaza International Hotel, both a few meters north of Hanadi tower. Images published on May 12 show serious damage to the facades of the two buildings. 

Imad Handouqa, 54, the owner of the Handouqa apartment, which had 10 floors and 25 residential apartments, said it was no longer habitable. He said that part of Hanadi tower fell on the building, damaging its foundations and causing some apartment ceilings to come down on the rooms. He said the total value of the structure was about $1.3 million.

The owner of the Gaza International Hotel, Abu Ahmed Jaber, in a video posted on the hotel’s Facebook page, said the damage to the hotel amounts to nearly half a million dollars.

The attack also damaged critical electrical delivery lines for Gaza City and the area immediately around the tower, Gaza’s electricity company said.

al-Jawhara Tower

On the evening of May 11, the Israeli military called residents living next to the tower to inform the tenants of the 11-story Jawhara tower that the primarily commercial building would be targeted and to evacuate. At approximately 10 p.m., Israeli aircraft launched small munitions, striking the roof and the ground near the tower. At around 2 a.m. on May 12, larger air-dropped munitions struck the building, severely damaging it.

Mohammad Atta Hassan Jaarour, 71, a founder and co-owner who lived on the building’s seventh floor, said the damage, including to the foundational pillars, left the building structurally unsound. “The whole building is destroyed,” he said. “It’s still standing, but it’s a skeleton, all the ground floors and the two underground floors all exploded.”

Residents and tenants said the strike caused extensive damage to their apartments, businesses, equipment, and the surrounding neighborhood. One said that the strikes were so intense that “most of the surrounding buildings – the fronts of the buildings and the glass – were destroyed.”

Following the attack, the Israeli military issued a statement saying that the building housed a “headquarters belonging to the Hamas terror organization’s intelligence unit, Hamas Judea and Samaria [West Bank] Headquarters, Public Relations department and the Gaza Brigade.” The Israeli military also released a video of the attack showing at least two munitions striking the building within seconds of one another.

Six days later, the Israeli military released a statement and images, saying it attacked another building that it also said was the Hamas headquarters for the West Bank.

Ahmed Zaeem, a co-owner of al-Jawhara who lived in the building with his parents, wife, and four children and had been there for 17 years, said the tower contained 64 units on eight floors, two underground floors, and a floor dedicated to a shopping mall. “The 64 units include residences, law offices, media outlets, engineering firms, development agencies, [and information technology] companies,” Zaeem said. “There’s also a dentist. There were no less than 20 stores on the bottom three commercial floors.” Six of the 64 units were residential.

Zaeem said the overall economic loss was $5-7 million to rebuild the building, which did not include the losses in the commercial units and the residential apartments. He said he personally lost about $1.5 million in property he owned in the tower. Jaarour estimated that he lost $1.2 million. “If we had the money, I think we could rebuild it in four to five years,” Jaarour said, citing the Israeli closure and restrictions on the entry of building materials.

Both co-owners described the loss of businesses in which they had invested. Jaarour cited Magic Pizza, which he said had new appliances and furniture and employed about a dozen people: “We were so happy and had been waiting a long time to get it running. In one moment, all of these things turned into an illusion.”

Zaeem and his family ran several offices and stores in the tower, including the Elaine Center women’s clothing shop. He said his wife had invested $20,000 in equipment for a new photography studio, Studio Wateen Photographer, which had been set to open soon.

The building also contained SMT Solutions, an information technology company that provides internet to areas throughout Gaza. A post on the company’s Facebook page on May 13 said that the fiber optic networks, data center, and the company’s headquarters were destroyed in the attack and would take six months to repair.

The tower also housed the Young Journalists Radio Club, Gaza’s only radio broadcast for children. Ghassan Radwan, 51, owner of the radio club, said it had eight people working at the radio station and more than 20 children who ran the programming and did the broadcasting. Everything in their office was destroyed and to rebuild the network would cost about $70,000, but that would require overcoming the restrictions on the entry of communications equipment due to the Israeli closure and Egyptian restrictions.

The official Palestinian news agency, Wafa, listed the offices of 11 media outlets in the building: London-based Qatari broadcaster Al-Araby TV; news website and newspaper Felestin; Iraqi broadcaster Al-Etejah TVAl-Kofiya TV; Jordanian broadcaster Al-MamlakaSabq24 News Agency; news website Al-Bawaba 24; the production company Watania News Agency; the local photo agency APA Images; Al-Nujaba TV; and the Syrian state-owned broadcaster Syria TV. However, Human Rights Watch was not able to independently verify whether Al-Nujaba TV, Syria TV, and APA Images were located in the tower.  

The tower also contained the offices of the media rights group Forum of Palestinian Journalists, and the Palestinian Forum for Democratic Dialogue and Development.

When Zaeem visited his home in the tower after the attack, he found it destroyed: “The furniture was ripped, the curtains, things turned over – everything was broken. The bathroom doors were all broken, the tiles came off the floors, the roof on the apartments are weak and would leak if there’s any water.” In early June, Zaeem said he and his family were living with a friend while looking for somewhere new to live.

al-Shorouk Tower 

On the afternoon of May 12, the Israeli military phoned the 14-story Shorouk tower’s security guard, who then informed the tenants that the building would be attacked and that they needed to evacuate. Approximately 30 minutes after the phone warning, Israeli aircraft launched lower-yield explosive munitions against the structure. A few minutes later, Israeli aircraft struck the tower with multiple, large air-dropped munitions, critically damaging the structure, causing two parts of the building to collapse but leaving the center – and tallest part of the building – standing. About 10 minutes later, Israeli aircraft attacked the remaining part of structure, using two large, air-dropped munitions, causing the final element to collapse onto nearby shops and homes.

No one was killed or injured as a result, but the owners of the tower and businesses in the building, as well as adjacent buildings, described destruction and damage to scores of businesses and at least a half-dozen homes.  

Following the attack, the Israeli military released a graphic of the building and a statement that said “[t]he building housed Hamas military intelligence offices, as well as infrastructure used by the terror organizations to communicate tactical-military information.”

Ahmed Masoud al-Mughanni, 60, chairman of the building’s board of directors, said that the building had 50 offices and a coffee shop – “doctors, lawyers, journalists’ offices” – and empty residential apartments. He estimated that the cost of rebuilding the tower would be between $2 and $3.5 million and take several years.

The attack destroyed the offices of several media outlets in the building: Al-Aqsa TV and Al-Aqsa Radio; the Palestine Media Production Company; Al-Quds Today; and a Palestinian Authority-affiliated newspaper, Al-Hayat al-Jadida.

The Palestine Media Production Company rented five apartments on floors 5, 9, and 13. Ismail Abdelghani Ismail Jabr, 27, whose father owns the company, said the company had been operating in the building since 1994 and employed 17 people at the time of the attack. Jabr and Mohammad al-Buhaisi, 30, a producer, said the company produces television and video reports, films, and stories for numerous foreign news outlets. Just prior to the attack, they managed to remove equipment from one of their two studios, but the remainder of their equipment was destroyed, along with eight years of archived material.

Witnesses to the attack said that when the tower came down, it damaged numerous shops and homes in the area, including the al-Sousi shopping complex, a nearby restaurant, and the Hassania building.

Ahmed Ayman Mohammad Omar al-Sousi, 27, who lived in the building next to al-Shorouk tower with his extended family of 42 in six separate apartments, said they owned and operated 10 ground-floor stores that sold accessories, clothing, and embroidery. He said that when the central part of al-Shorouk tower collapsed, it fell on their businesses and residences: “The amount of damage in the area from the tower falling is horrific. Flames lit up in the area – our building was on fire. The 10 stores and five storage rooms were all burned.”

Because it was Eid season, the stores and storage rooms were full of merchandise, all of which was destroyed, he said.

Al-Sousi said the fires caused by the explosions burned for three days and did the most damage. He estimated that the destruction of the store he owned with his father caused losses of about $120,000. All seven people employed at the shop, including several family members, lost their jobs. As of early June, he said the employees from the nine other stores were also out of work.

Along with the businesses, four of the six apartments where the al-Sousi family lived were also destroyed or seriously damaged either by the collapsing tower or the resulting fire. “The tower is now on our house – how are we going to lift it,” al-Sousi said. Al-Sousi’s extended family members all had to find new homes.

al-Jalaa Tower

On the afternoon of May 15, a man who identified himself as “Danny” from the Israeli military spoke in Arabic on the phone to the nephew of Jawad Mahdi, 68, the owner of the 14-story Jalaa tower. His voice was captured on a cell phone threatening a reprisal attack: “Because they [Palestinian armed groups] shot at Israel and they shot at Tel Aviv, we are now going to hit and strike the entire tower.” The phone was handed over to Madhi. “Danny” told Mahdi to inform the tenants that the building would be targeted and to evacuate all the floors.

Human Rights Watch sent questions to the Israeli military inquiring as to the authenticity of the recording and whether the statements made reflected Israeli military policy, but, as of the date of publication, have not received a response.

At about 3 p.m., Israeli aircraft fired small munitions at the building. Within minutes, Israeli aircraft attacked the tower using at least two air-dropped munitions near the base of the building on two sides and it immediately collapsed.

No one was killed or injured because everyone had evacuated, but residents and tenants say that in addition to the destruction of the building, they lost everything in their homes and businesses, including equipment and records. The building housed bureaus of Al Jazeera English and the Associated Press.  

Following the attack, the Israeli military posted an image and video, and issued several statements that sought to justify it. Israeli military officials and politicians, including then-Prime Minister Benjamin Netanyahu, also issued statements or addressed the media on the subject. These statements changed over time, describing the threats posed by the alleged militant presence as increasingly serious.

On the day of the attack, the Israeli military stated that the building “contained military assets belonging to the intelligence offices of the Hamas terror organization.” Later that day, it said it “housed the Hamas Research and Development unit, which is responsible, among other things, for terror activity carried out against the State of Israel.” The same statement added that this unit included “subject matter experts (SMEs) which constitute a unique asset to the Hamas terrorist organization. These SMEs operate the most valuable Hamas technological equipment against Israel.” The then-military spokesperson, Lt. Col. Jonathan Conricus, told Reuters later that day that the offices occupied by Palestinian armed groups were located on multiple floors.

On May 16, the Israeli military’s official Twitter account stated in a post that the tower was an “important base of operations for Hamas’ military intel” and that, along with gathering intelligence, it “manufactured weapons and positioned equipment to hamper IDF operations.” In a second post, minutes later, it said that Hamas and Palestinian Islamic Jihad removed equipment following the military’s warning to tenants and residents, though it did not specify which equipment.

On May 17, then-Prime Minister Netanyahu said on the US-television network CBS that the building had “an intelligence office for the Palestinian terrorist organization housed in that building that plots and organizes attacks against Israeli citizens.” An unnamed senior Israeli military official later told the New York Times in an article published on May 21 that the building contained electronic jamming equipment. Israel has provided no evidence to support any of these allegations.

Tenants, residents, and the owner of the building have rejected Israeli claims that armed groups had a presence in the building.

The Associated Press’s president and CEO, Gary Pruitt, said: “We have had no indication Hamas was in the building or active in the building. This is something we actively check to the best of our ability. We would never knowingly put our journalists at risk.”

Mahdi, who is also a resident, said that the building was worth about $5 million and that he estimated another $2 million in furniture and appliances were destroyed.

A list that Mahdi produced for receiving compensation from authorities in Gaza for damage to the tower shows over 50 individual businesses and offices on five floors and the two rooftops. Residences filled the other five floors, many of them inhabited by Mahdi’s relatives. He said that 30 families were living in the building at the time of the attack, a total of about 130 people. Mahdi said he and his extended family owned 10 units.

Fares al-Ghoul, 30, who works for al-Mayadeen Media Group, which had offices in al-Jalaa tower, said that he was in his office on the third floor with five colleagues when the superintendent told them to evacuate:

I didn’t know what to do. Imagine the situation, the superintendent comes to you crying, saying “Quick! Quick! Get out! They’re going to bomb the building.” So, the five others and I took the equipment we could and left behind equipment worth $200,000, because we just didn’t have enough time.

The equipment destroyed included a satellite transmitter, which he said costs around $120,000, and is extremely difficult to replace because of the Israeli closure of Gaza. Wael Dahdouh, 51, an Al Jazeera correspondent and the Gaza office head, said that he estimated their losses at about $1 million.

Ramy Haddad, 46, the head of the Central Blood Lab, part of the Palestine Future Foundation for Childhood, offers tests and regular follow-ups for patients of thalassemia, a rare blood disorder. The lab had several pieces of special equipment to run these tests, all of which were destroyed. Haddad estimated the losses at $70,000 and said it would be difficult to replace some of the specialized medical equipment due to Israel’s entry restrictions.

Several engineering and consulting firms also occupied offices in the building. Khaled Omar Abu Sultan, 58, director of Ro’yatak, an engineering consulting and management business housed in the tower since 2020, said the firm designed hospitals, schools, roads, and other infrastructure. At the time of the attack, he and his employees were at home and did not have time to retrieve anything from the office. He estimates the losses in office equipment at about $15,000: “The main loss is a large archive of projects – our plans, files, references and documents. We had printers and equipment for photographing maps.” Sultan said they had to stop work on all current projects until they can buy new equipment.

Khaled Majed Abu Rahma, 30, works with his father at Al-Burj for Engineering Consultations and Design, which has been in al-Jalaa tower for 15 years. He said the firm makes engineering plans and employs 10 engineers, including those with specialties in civil, architecture, mechanical, and electrical engineering. The firm helped to plan homes, villas, and multi-story buildings in Gaza. “We lost everything – the whole office, the furniture, the files,” he said. “We didn’t take anything.”

Rahma estimated that the apartment, which they owned, cost $72,000 and the equipment and furniture lost was a little over $19,000. All 10 engineers lost their jobs as a result of the attack.

The attack also damaged civilian structures around the building. Mahdi said: “The surrounding buildings and homes suffered a great deal of damage, some were destroyed … The Al-Mushtaha building near us suffered the most damage.” He said that the front of the adjacent building owned by the Anan family also suffered damage.

Al-Ghoul said that the buildings next to the tower, including the Watan tower and Anan building, and across the street were also damaged.

Dahdouh said that the whole block was evacuated, but when residents of other buildings tried to return, they found their homes damaged and could not go back right away.

The destruction of al-Jalaa tower left the 30 families who lived in it homeless and seeking shelter elsewhere. Mahdi said that “Our family got separated – each one of us went to a separate house. We found two homes to rent – we’re waiting for another five homes so we can all be together.”   

Long-term, “Reverberating” Effects, and Gaza’s Closure

In addition to the damage and destruction to the towers and their offices and residences, the attacks can be expected to have various “reverberating” effects – harm to civilians and civilian objects caused by the attack that are not direct or immediate. These include displacement and a reduced standard of living and impaired access to shelter, health care, and basic services such as electricity, all of which affect the enjoyment of basic human rights.

In Gaza, these effects are exacerbated by the generalized closure that Israel has imposed on Gaza since 2007 – policies that Egypt, which borders Gaza to the south, does little to alleviate by maintaining its restrictions. The Israeli closure, along with Egyptian border restrictions, has devastated Gaza’s economy. Eighty percent of Gaza’s people rely on humanitarian aid and more than half live below the poverty line. In 2020, the unemployment rate was above 40 percent.

Israeli authorities justify the Gaza closure on security grounds. But the ban on the movement of more than two million people, with narrow exceptions, based on generalized threats, and the sweeping restrictions on the entry and exit of goods, violates Israel’s obligations under international human rights and humanitarian law to ensure that the needs of the population are met.

Israeli authorities, for example, severely restrict the entry of so-called “dual-use” items that could be used for military purposes, such as the construction of tunnels or fortifications. However, the “dual-use” list includes both overly broad categories and items that are vital to meet the needs of Gaza’s population, including “communications equipment,” “steel elements and construction products,” “drilling equipment,” and certain medical equipment .

These restrictions have sharply reduced the population’s access to construction material and other goods vital to the rebuilding of Gaza and its infrastructure. The Israeli military argues that armed groups in Gaza use cement to build tunnels and estimate that constructing a kilometer of tunnel requires a few hundred tons of cement. But people in Gaza need over a million tons of cement annually to build and maintain homes, schools, health clinics, the water system, and other vital infrastructure.

The recent destruction and damage to tens of thousands of residential and commercial buildings and infrastructure caused by Israeli strikes increases the need for building materials to repair and rebuild these structures. The Israeli authorities should not restrict an overwhelmingly civilian good, badly needed for rebuilding, because armed groups may use a small fraction of it to build tunnels or for other military purposes.

The general inaccessibility of building materials means that any reconstruction efforts will require substantial time to complete. In interviews with investors and owners at three of the four towers, all said that because of Israel’s closure it would take years just to rebuild the structures. Several owners of businesses that rely on specialized equipment the entry of which is severely restricted, such as broadcasting equipment, expressed concern that rebuilding would be complicated and slow.

On August 13, the Israeli army announced that, in light of the stable security situation at the moment, it would expand the list of goods allowed to enter Gaza, including to allow in “goods and equipment for humanitarian projects.” Palestinian authorities said on August 17 that, according to information they received from Israeli authorities, “construction materials for the private sector and related to humanitarian projects only” would be among the items permitted to enter Gaza. Israeli authorities reportedly allowed some items in on August 19, but it remains unclear to what extent this marks a change in policy and how long these measures will remain in place.

The Israeli government should allow the entry into Gaza of concrete and other materials needed for the reconstruction of civilian infrastructure, subject to, at most, narrowly tailored restrictions based on particularized security assessments.

Unless the closure is lifted or substantially eased, the long-term and reverberating effects of the destruction of the towers and other civilian infrastructure will be exacerbated.

Lack of Accountability

Israeli and Palestinian authorities have a long track record of failing to credibly investigate alleged war crimes by their forces in Gaza. On May 12, the Office of the Prosecutor of the International Criminal Court (ICC) indicated that it was monitoring the situation in Gaza. The prosecutor’s office should include in its Palestine investigation apparently unlawful Israeli attacks in Gaza, as well as Palestinian rocket attacks that struck population centers in Israel.

Judicial authorities in other countries should also investigate and prosecute under national laws those credibly implicated in serious crimes in the Occupied Palestinian Territory and in Israel under the principle of universal jurisdiction.

Warring parties should refrain from using explosive weapons with wide-area effects in populated areas because of the foreseeable indiscriminate harm to civilians. Countries should support a strong political declaration that addresses the harm that explosive weapons cause to civilians and commit to avoid using those with wide-area effects in populated areas.

OCHA

GAZA STRIP: ESCALATION OF HOSTILITIES 10-21 MAY 2021

https://www.ochaopt.org/content/gaza-strip-escalation-hostilities-10-21-may-2021

Reacties uitgeschakeld voor Noten 1 t/m 5/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Noten 6 en 7/Astrid Essed vloert Vomar

[6]

” The attacks also damaged neighboring structures, made several dozen families homeless, and shuttered scores of businesses that provided livelihoods to many people.”

….

” Three of the four buildings were immediately leveled. Although no deaths or injuries of fighters or civilians were reported, the attacks destroyed civilian property worth millions of US dollars.”

HUMAN RIGHTS WATCH

HUMAN RIGHTS WATCH

GAZA: ISRAEL’S MAY AIRSTRIKES ON

HIGH RISES

APPARENTLY UNLAWFUL ATTACKS CAUSE

MAJOR LASTING HARM

23 AUGUST 2021

https://www.hrw.org/news/2021/08/23/gaza-israels-may-airstrikes-high-rises

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 5

[7]

”The 14-year Israeli closure of Gaza, along with Egyptian border restrictions, has devastated the economy in Gaza. Restrictions on the entry of goods broadly deemed to be “dual-use,” for example, have sharply reduced the population’s access to construction material and certain medical equipment. Unless lifted or substantially eased, the sweeping restrictions on the movement of people and goods will hamper reconstruction efforts.”

HUMAN RIGHTS WATCH

GAZA: ISRAEL’S MAY AIRSTRIKES ON

HIGH RISES

APPARENTLY UNLAWFUL ATTACKS CAUSE

MAJOR LASTING HARM

23 AUGUST 2021

https://www.hrw.org/news/2021/08/23/gaza-israels-may-airstrikes-high-rises

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 5

HUMAN RIGHTS WATCH

GAZA: ISRAEL’S ”OPEN-AIR PRISON” AT 15

Israel, Egypt Movement Restrictions Wreak Havoc on Palestinian Lives

14 JUNE 2022

https://www.hrw.org/news/2022/06/14/gaza-israels-open-air-prison-15

(Gaza) – Israel’s sweeping restrictions on leaving Gaza deprive its more than two million residents of opportunities to better their lives, Human Rights Watch said today on the fifteenth anniversary of the 2007 closure. The closure has devastated the economy in Gaza, contributed to fragmentation of the Palestinian people, and forms part of Israeli authorities’ crimes against humanity of apartheid and persecution against millions of Palestinians.

Israel’s closure policy blocks most Gaza residents from going to the West Bank, preventing professionals, artists, athletes, students, and others from pursuing opportunities within Palestine and from traveling abroad via Israel, restricting their rights to work and an education. Restrictive Egyptian policies at its Rafah crossing with Gaza, including unnecessary delays and mistreatment of travelers, have exacerbated the closure’s harm to human rights.

“Israel, with Egypt’s help, has turned Gaza into an open-air prison,” said Omar Shakir, Israel and Palestine director at Human Rights Watch. “As many people around the world are once again traveling two years after the start of the Covid-19 pandemic, Gaza’s more than two million Palestinians remain under what amounts to a 15-year-old lockdown.”

Israel should end its generalized ban on travel for Gaza residents and permit free movement of people to and from Gaza, subject to, at most, individual screening and physical searches for security purposes.

Between February 2021 and March 2022, Human Rights Watch interviewed 20 Palestinians who sought to travel out of Gaza via either the Israeli-run Erez crossing or the Egyptian-administered Rafah crossing. Human Rights Watch wrote to Israeli and Egyptian authorities to solicit their perspectives on its findings, and separately to seek information about an Egyptian travel company that operates at the Rafah crossing but had received no responses at this writing.

Since 2007, Israeli authorities have, with narrow exceptions, banned Palestinians from leaving through Erez, the passenger crossing from Gaza into Israel, through which they can reach the West Bank and travel abroad via Jordan. Israel also prevents Palestinian authorities from operating an airport or seaport in Gaza. Israeli authorities also sharply restrict the entry and exit of goods.

They often justify the closure, which came after Hamas seized political control over Gaza from the Fatah-led Palestinian Authority in June 2007, on security grounds. Israeli authorities have said they want to minimize travel between Gaza and the West Bank to prevent the export of “a human terrorist network” from Gaza to the West Bank, which has a porous border with Israel and where hundreds of thousands of Israeli settlers live.

This policy has reduced travel to a fraction of what it was two decades ago, Human Rights Watch said. Israeli authorities have instituted a formal “policy of separation” between Gaza and the West Bank, despite international consensus that these two parts of the Occupied Palestinian Territory form a “single territorial unit.” Israel accepted that principle in the 1995 Oslo Accords, signed with the Palestine Liberation Organization. Israeli authorities restrict all travel between Gaza and the West Bank, even when the travel takes place via the circuitous route through Egypt and Jordan rather than through Israeli territory.

Due to these policies, Palestinian professionals, students, artists, and athletes living in Gaza have missed vital opportunities for advancement not available in Gaza. Human Rights Watch interviewed seven people who said that Israeli authorities did not respond to their requests for travel through Erez, and three others who said Israel rejected their permits, apparently for not fitting within Israeli’s narrow criteria.

Walaa Sada, 31, a filmmaker, said that she applied for permits to take part in film training in the West Bank in 2014 and 2018, after spending years convincing her family to allow her to travel alone, but Israeli authorities never responded to her applications. The hands-on nature of the training, requiring filming live scenes and working in studios, made remote participation impracticable and Sada ended up missing the sessions.

The “world narrowed” when she received these rejections, Sada said, making her feel “stuck in a small box.… For us in Gaza, the hands of the clock stopped. People all over the world can easily and quickly book flight and travel, while we … die waiting for our turn.”

The Egyptian authorities have exacerbated the closure’s impact by restricting movement out of Gaza and at times fully sealing its Rafah border crossing, Gaza’s only outlet aside from Erez to the outside world. Since May 2018, Egyptian authorities have been keeping Rafah open more regularly, making it, amid the sweeping Israeli restrictions, the primary outlet to the outside world for Gaza residents.

Palestinians, however, still face onerous obstacles traveling through Egypt, including having to wait weeks for permission to travel, unless they are willing to pay hundreds of dollars to travel companies with significant ties to Egyptian authorities to expedite their travel, denials of entry, and abuse by Egyptian authorities.

Sada said also received an opportunity to participate in a workshop on screenwriting in Tunisia in 2019, but that she could not afford the US$2000 it would cost her to pay for the service that would ensure that she could travel on time. Her turn to travel came up six weeks later, after the workshop had already been held.

As an occupying power that maintains significant control over many aspects of life in Gaza, Israel has obligations under international humanitarian law to ensure the welfare of the population there. Palestinians also have the right under international human rights law to freedom of movement, in particular within the occupied territory, a right that Israel can restrict under international law only in response to specific security threats.

Israel’s policy, though, presumptively denies free movement to people in Gaza, with narrow exceptions, irrespective of any individualized assessment of the security risk a person may pose. These restrictions on the right to freedom of movement do not meet the requirement of being strictly necessary and proportionate to achieve a lawful objective. Israel has had years and many opportunities to develop more narrowly tailored responses to security threats that minimize restrictions on rights.

Egypt’s legal obligations toward Gaza residents are more limited, as it is not an occupying power. However, as a state party to the Fourth Geneva Convention, it should ensure respect for the convention “in all circumstances,” including protections for civilians living under military occupation who are unable to travel due to unlawful restrictions imposed by the occupying power. The Egyptian authorities should also consider the impact of their border closure on the rights of Palestinians living in Gaza who are unable to travel in and out of Gaza through another route, including the right to leave a country.

Egyptian authorities should lift unreasonable obstacles that restrict Palestinians’ rights and allow transit via its territory, subject to security considerations, and ensure that their decisions are transparent and not arbitrary and take into consideration the human rights of those affected.

“The Gaza closure blocks talented, professional people, with much to give their society, from pursuing opportunities that people elsewhere take for granted,” Shakir said. “Barring Palestinians in Gaza from moving freely within their homeland stunts lives and underscores the cruel reality of apartheid and persecution for millions of Palestinians.”

Israel’s Obligations to Gaza under International Law

Israeli authorities claim “broad powers and discretion to decide who may enter its territory” and that “a foreigner has no legal right to enter the State’s sovereign territory, including for the purposes of transit into the [West Bank] or aboard.” While international human rights law gives wide latitude to governments with regard to entry of foreigners, Israel has heightened obligations toward Gaza residents. Because of the continuing controls Israel exercises over the lives and welfare of Gaza’s inhabitants, Israel remains an occupying power under international humanitarian law, despite withdrawing its military forces and settlements from the territory in 2005. Both the UN and the International Committee of the Red Cross, the guardians of international humanitarian law, have reached this determination. As the occupying power, Israel remains bound to provide residents of Gaza the rights and protections afforded to them by the law of occupation. Israeli authorities continue to control Gaza’s territorial waters and airspace, and the movement of people and goods, except at Gaza’s border with Egypt. Israel also controls the Palestinian population registry and the infrastructure upon which Gaza relies.

Israel has an obligation to respect the human rights of Palestinians living in Gaza, including their right to freedom of movement throughout the Occupied Palestinian Territory and abroad, which affects both the right to leave a country and the right to enter their own country. Israel is also obligated to respect Palestinians’ rights for which freedom of movement is a precondition, for example the rights to education, work, and health. The UN Human Rights Committee has said that while states can restrict freedom of movement for security reasons or to protect public health, public order, and the rights of others, any such restrictions must be proportional and “the restrictions must not impair the essence of the right; the relation between the right and restriction, between norm and exception, must not be reversed.”

While the law of occupation permits occupying powers to impose security restrictions on civilians, it also requires them to restore public life for the occupied population. That obligation increases in a prolonged occupation, in which the occupier has more time and opportunity to develop more narrowly tailored responses to security threats that minimize restrictions on rights. In addition, the needs of the occupied population increase over time. Suspending virtually all freedom of movement for a short period interrupts temporarily normal public life, but long-term, indefinite suspension in Gaza has had a much more debilitating impact, fragmentating populations, fraying familial and social ties, compounding discrimination against women, and blocking people from pursuing opportunities to improve their lives.

The impact is particularly damaging given the denial of freedom of movement to people who are confined to a sliver of the occupied territory, unable to interact in person with the majority of the occupied population that lives in the West Bank, including East Jerusalem, and its rich assortment of educational, cultural, religious, and commercial institutions.

After 55 years of occupation and 15 years of closure in Gaza with no end in sight, Israel should fully respect the human rights of Palestinians, using as a benchmark the rights it grants Israeli citizens. Israel should abandon an approach that bars movement absent exceptional individual humanitarian circumstances it defines, in favor of an approach that permits free movement absent exceptional individual security circumstances.

Israel’s Closure

Most Palestinians who grew up in Gaza under this closure have never left the 40-by-11 kilometer (25-by-7 mile) Gaza Strip. For the last 25 years, Israel has increasingly restricted the movement of Gaza residents. Since June 2007, when Hamas seized control over Gaza from the Fatah-led Palestinian Authority (PA), Gaza has been mostly closed.

Israeli authorities justify this closure on security grounds, in light of “Hamas’ rise to power in the Gaza Strip,” as they lay out in a December 2019 court filing. Authorities highlight in particular the risk that Hamas and armed Palestinian groups will recruit or coerce Gaza residents who have permits to travel via Erez “for the commission of terrorist acts and the transfer of operatives, knowledge, intelligence, funds or equipment for terrorist activists.” Their policy, though, amounts to a blanket denial with rare exceptions, rather than a generalized respect for the right of Palestinians to freedom of movement, to be denied only on the basis of individualized security reasons.  

The Israeli army has since 2007 limited travel through the Erez crossing except in what it deems “exceptional humanitarian circumstances,” mainly encompassing those needing vital medical treatment outside Gaza and their companions, although the authorities also make exceptions for hundreds of businesspeople and laborers and some others. Israel has restricted movement even for those seeking to travel under these narrow exceptions, affecting their rights to health and life, among others, as Human Rights Watch and other groups have documented. Most Gaza residents do not fit within these exemptions to travel through Erez, even if it is to reach the West Bank.

Between January 2015 and December 2019, before the onset of Covid-19 restrictions, an average of about 373 Palestinians left Gaza via Erez each day, less than 1.5 percent of the daily average of 26,000 in September 2000, before the closure, according to the Israeli rights group Gisha. Israeli authorities tightened the closure further during the Covid-19 pandemic – between March 2020 and December 2021, an average of about 143 Palestinians left Gaza via Erez each day, according to Gisha.

Israeli authorities announced in March 2022 that they would authorize 20,000 permits for Palestinians in Gaza to work in Israel in construction and agriculture, though Gisha reports that the actual number of valid permits in this category stood at 9,424, as of May 22.

Israeli authorities have also for more than two decades sharply restricted the use by Palestinians of Gaza’s airspace and territorial waters. They blocked the reopening of the airport that Israeli forces made inoperable in January 2002, and prevented the Palestinian authorities from building a seaport, leaving Palestinians dependent on leaving Gaza by land to travel abroad. The few Palestinians permitted to cross at Erez are generally barred from traveling abroad via Israel’s international airport and must instead travel abroad via Jordan. Palestinians wishing to leave Gaza via Erez, either to the West Bank or abroad, submit requests through the Palestinian Civil Affairs Committee in Gaza, which forwards applications to Israeli authorities who decide on whether to grant a permit.

Separation Between Gaza and the West Bank

As part of the closure, Israeli authorities have sought to “differentiate” between their policy approaches to Gaza and the West Bank, such as imposing more sweeping restrictions on the movement of people and goods from Gaza to the West Bank, and promote separation between these two parts of the Occupied Palestinian Territory. The army’s “Procedure for Settlement in the Gaza Strip by Residents of Judea and Samaria,” published in 2018, states that “in 2006, a decision was made to introduce a policy of separation between the Judea and Samaria Area [the West Bank] and the Gaza Strip in light of Hamas’ rise to power in the Gaza Strip. The policy currently in effect is explicitly aimed at reducing travel between the areas.”

In each of the 11 cases Human Rights Watch reviewed of people seeking to reach the West Bank, including East Jerusalem, for professional and educational opportunities not available in Gaza, Israeli authorities did not respond to requests for permits or denied them, either for security reasons or because they did not conform to the closure policy. Human Rights Watch also reviewed permit applications on the website of the Palestinian Civil Affairs Committee, or screenshots of it, including the status of the permit applications, when they were sent on to the Israeli authorities and the response received, if any.

Raed Issa, a 42-year-old artist, said that the Israeli authorities did not respond to his application for a permit in early December 2015, to attend an exhibit of his art at a Ramallah art gallery between December 27 and January 16, 2016.

The “Beyond the Dream” exhibit sought to highlight the situation in Gaza after the 2014 war. Issa said that the Palestinian Civil Affairs committee continued to identify the status of his application as “sent and waiting for response” and he ended up having to attend the opening of the exhibit virtually. Issa felt that not being physically present hampered his ability to engage with audiences, and to network and promote his work, which he believes limited his reach and hurt sales of his artwork. He described feeling pained “that I am doing my own art exhibit in my homeland and not able to attend it, not able to move freely.”

Ashraf Sahweel, 47, chairman of the Board of Directors of the Gaza Center for Art and Culture, said that Gaza-based artists routinely do not hear back after applying for Israeli permits, forcing them to miss opportunities to attend exhibitions and other cultural events. A painter himself, he applied for seven permits between 2013 and 2022, but Israeli authorities either did not respond or denied each application, he said. Sahweel said that he has “given up hope on the possibility to travel via Erez.”

Palestinian athletes in Gaza face similar restrictions when seeking to compete with their counterparts in the West Bank, even though the Israeli army guidelines specifically identify “entry of sportspeople” as among the permissible exemptions to the closure. The guidelines, updated in February 2022, set out that “all Gaza Strip residents who are members of the national and local sports teams may enter Israel in transit to the Judea and Samaria area [West Bank] or abroad for official activities of the teams.”

Hilal al-Ghawash, 25, told Human Rights Watch that his football team, Khadamat Rafah, had a match in July 2019 with a rival West Bank team, the Balata Youth Center, in the finals of Palestine Club, with the winner entitled to represent Palestine in the Asian Cup. The Palestinian Football Federation applied for permits for the entire 22-person team and 13-person staff, but Israeli authorities, without explanation, granted permits to only 4 people, only one of whom was a player. The game was postponed as a result.

After Gisha appealed the decision in the Jerusalem District Court, Israeli authorities granted 11 people permits, including six players, saying the other 24 were denied on security grounds that were not specified. Al-Ghawash was among the players who did not receive a permit. The Jerusalem district court upheld the denials. With Khadamat Rafah prevented from reaching the West Bank, the Palestine Football Federation canceled the Palestine Cup finals match.

Al-Ghawash said that West Bank matches hold particular importance for Gaza football players, since they offer the opportunity to showcase their talents for West Bank clubs, which are widely considered superior to those in Gaza and pay better. Despite the cancellation, al-Ghawash said, the Balata Youth Center later that year offered him a contract to play for them. The Palestinian Football Federation again applied for a permit on al-Ghawash’s behalf, but he said he did not receive a response and was unable to join the team.

In 2021, al-Ghawash signed a contract with a different West Bank team, the Hilal al-Quds club. The Palestinian Football Federation again applied, but this time, the Israeli army denied the permit on unspecified security grounds. Al-Ghawash said he does not belong to any armed group or political movement and has no idea on what basis Israeli authorities denied him a permit.

Missing these opportunities has forced al-Ghawash to forgo not only higher pay, but also the chance to play for more competitive West Bank teams, which could have brought him closer to his goal of joining the Palestinian national team. “There’s a future in the West Bank, but, here in Gaza, there’s only a death sentence,” he said. “The closure devastates players’ future. Gaza is full of talented people, but it’s so difficult to leave.”

Palestinian students and professionals are frequently unable to obtain permits to study or train in the West Bank. In 2016, Augusta Victoria Hospital in East Jerusalem agreed to have 10 physics students from Al-Azhar University in Gaza come to the hospital for a six-month training program. Israeli authorities denied five students permits without providing a rationale, two of the students said.

The five other students initially received permits valid for only 14 days, and then encountered difficulties receiving subsequent permits. None were able to complete the full program, the two students said. One, Mahmoud Dabour, 28, said that when he applied for a second permit, he received no response. Two months later, he applied again and managed to get a permit valid for one week. He received one other permit, valid for 10 days, but then, when he returned and applied for the fifth time, Israeli authorities rejected his permit request without providing a reason. As a result, he could not finish the training program, and, without the certification participants receive upon completion, he said, he cannot apply for jobs or attend conferences or workshops abroad in the field.

Dabour said that the training cannot be offered in Gaza, since the necessary radiation material required expires too quickly for it to be functional after passing through the time-consuming Israeli inspections of materials entering the Gaza Strip. There are no functioning devices of the kind that students need for the training in Gaza, Dabour said.

One of the students whose permit was denied said, “I feel I studied for five years for nothing, that my life has stopped.” The student asked that his name be withheld for his security.

Two employees of Zimam, a Ramallah-based organization focused on youth empowerment and conflict resolution, said that the Israeli authorities repeatedly denied them permits to attend organizational training and strategy meetings. Atta al-Masri, the 31-year-old Gaza regional director, said he has applied four times for permits, but never received one. Israeli authorities did not respond the first three times and, the last time in 2021, denied him a permit on the grounds that it was “not in conformity” with the permissible exemptions to the closure. He has worked for Zimam since 2009, but only met his colleagues in person for the first time in Egypt in March 2022.

Ahed Abdullah, 29, Zimam’s youth programs coordinator in Gaza, said she applied twice for permits in 2021, but Israeli authorities denied both applications on grounds of “nonconformity:”

This is supposed to be my right. My simplest right. Why did they reject me? My colleagues who are outside Palestine managed to make it, while I am inside Palestine, I wasn’t able to go to the other part of Palestine … it’s only 2-3 hours from Gaza to Ramallah, why should I get the training online? Why am I deprived of being with my colleagues and doing activities with them instead of doing them in dull breakout rooms on Zoom?


Human Rights Watch has previously documented that the closure has prevented specialists in the use of assistive devices for people with disabilities from opportunities for hands-on training on the latest methods of evaluation, device maintenance, and rehabilitation. Human Rights Watch also documented restrictions on the movement of human rights workers. Gisha, the Israeli human rights group, has reported that Israel has blocked health workers in Gaza from attending training in the West Bank on how to operate new equipment and hampered the work of civil society organizations operating in Gaza.

Israeli authorities have also made it effectively impossible for Palestinians from Gaza to relocate to the West Bank. Because of Israeli restrictions, thousands of Gaza residents who arrived on temporary permits and now live in the West Bank are unable to gain legal residency. Although Israel claims that these restrictions are related to maintaining security, evidence Human Rights Watch collected suggests the main motivation is to control Palestinian demography across the West Bank, whose land Israel seeks to retain, in contrast to the Gaza Strip.

Egypt

With most Gaza residents unable to travel via Erez, the Egyptian-administered Rafah crossing has become Gaza’s primary outlet to the outside world, particularly in recent years. Egyptian authorities kept Rafah mostly closed for nearly five years following the July 2013 military coup in Egypt that toppled President Mohamed Morsy, whom the military accused of receiving support from Hamas. Egypt, though, eased restrictions in May 2018, amid the Great March of Return, the recurring Palestinian protests at the time near the fences separating Gaza and Israel.

Despite keeping Rafah open more regularly since May 2018, movement via Rafah is a fraction of what it was before the 2013 coup in Egypt. Whereas an average of 40,000 crossed monthly in both directions before the coup, the monthly average was 12,172 in 2019 and 15,077 in 2021, according to Gisha.

Human Rights Watch spoke with 16 Gaza residents who sought to travel via Rafah. Almost all said they opted for this route because of the near impossibility of receiving an Israeli permit to travel via Erez.

Gaza residents hoping to leave via Rafah are required to register in advance via a process the UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) has deemed “confusing” and “obscure.” Gaza residents can either register via the formal registration process administered by Gaza’s Interior Ministry or informally via what is known as tanseeq, or travel coordination with Egyptian authorities, paying travel companies or mediators for a place on a separate list coordinated by Egyptian authorities. Having two distinct lists of permitted travelers coordinated by different authorities has fueled “allegations of the payment of bribes in Gaza and in Egypt to ensure travel and a faster response,” according to OCHA.

The formal process often takes two to three months, except for those traveling for medical reasons, whose requests are processed faster, said Gaza residents who sought to leave Gaza via Rafah. Egyptian authorities have at times rejected those seeking to cross Rafah into Egypt on the grounds that they did not meet specific criteria for travel. The criteria lack transparency, but Gisha reported that they include having a referral for a medical appointment in Egypt or valid documents to enter a third country.

To avoid the wait and risk of denial, many choose instead the tanseeq route. Several interviewees said that they paid large sums of money to Palestinian brokers or Gaza-based travel companies that work directly with Egyptian authorities to expedite people’s movement via Rafah. On social media, some of these companies advertise that they can assure travel within days to those who provide payment and a copy of their passport. The cost of tanseeq has fluctuated from several hundred US dollars to several thousand dollars over the last decade, based in part on how frequently Rafah is open.

In recent years, travel companies have offered an additional “VIP” tanseeq, which expedites travel without delays in transit between Rafah and Cairo, offers flexibility on travel date, and ensures better treatment by authorities. The cost was $700, as of January 2022.

The Cairo-based company offering the VIP tanseeq services, Hala Consulting and Tourism Services, has strong links with Egypt’s security establishment and is staffed largely by former Egyptian military officers, a human rights activist and a journalist who have investigated these issues told Human Rights Watch. This allows the company to reduce processing times and delays at checkpoints during the journey between Rafah and Cairo. The activist and journalist both asked that their names be withheld for security reasons.  

The company is linked to prominent Egyptian businessman Ibrahim El-Argani, who has close ties with Egypt’s president, Abdel-Fattah al-Sisi. Ergany heads the Union of Sinai Tribes, which works hand-in-hand with the Egyptian military and intelligence agencies against militants operating in North Sinai. Ergany, one of Egypt’s few businessmen able to export products to Gaza from Egypt, owns the Sinai Sons company, which has an exclusive contract to handle all contracts related to Gaza reconstruction efforts. Human Rights Watch wrote to El-Argani to solicit his perspectives on these issues, but had received no response at this writing.

A 34-year-old computer engineer and entrepreneur said that he sought to travel in 2019 to Saudi Arabia to meet an investor to discuss a potential project to sell car parts online. He chose not to apply to travel via Erez, as he had applied for permits eight times between 2016 and 2018 and had either been rejected or not heard back.

He initially registered via the formal Ministry of Interior process and received approval to travel after three months. However, on the day assigned for his exit via Rafah, an Egyptian officer there said he found his reason for travel not sufficiently “convincing” and denied him passage. A few months later, he tried to travel again for the same purpose, this time opting for tanseeq and paying $400, and, this time, he successfully reached Saudi Arabia within a week of seeking to travel.

He said that he would like to go on vacation with his wife, but worries that Egyptian authorities will not consider vacation a sufficiently compelling reason for travel and that his only option will be to pay hundreds or thousands of dollars to do tanseeq.

A 73-year-old man sought to travel via Rafah in February 2021, with his 46-year-old daughter, to get knee replacement surgery in al-Sheikh Zayed hospital in Cairo. He said Gaza lacks the capacity to provide such an operation. The man and his daughter are relatives of a Human Rights Watch staff member. They applied via the Interior Ministry process and received approval in a little over a week.

After they waited for several hours in the Egyptian hall in Rafah on the day of travel, though, Egyptian authorities included the daughter’s name among the 70 names of people who were not allowed to cross that day, the daughter said. The father showed the border officials a doctor’s note indicating that he needed someone to travel with him given his medical situation, but the officer told him, “You either travel alone or go back with her to Gaza.” She said she returned to Gaza, alongside 70 other people, and her father later traveled on his own.

Five people who did manage to travel via Rafah said that they experienced poor conditions and poor treatment, including intrusive searches, by the Egyptian authorities, with several saying that they felt Egyptian authorities treated them like “criminals.” Several people said that Egyptian officers confiscated items from them during the journey, including an expensive camera and a mobile phone, without apparent reason.

Upon leaving Rafah, Palestinians are transported by bus to Cairo’s airport. The trip takes about seven hours, but several people said that the journey took up to three days between long periods of waiting on the bus, at checkpoints and amid other delays, often in extreme weather. Many of those who traveled via Rafah said that, during this journey, Egyptian authorities prevented passengers from using their phones.

The parents of a 7-year-old boy with autism and a rare brain disease said they sought to travel for medical treatment for him in August 2021, but Egyptian authorities only allowed the boy and his mother to enter. The mother said their journey back to Gaza took four days, mostly as a result of Rafah being closed. During this time, she said, they spent hours waiting at checkpoints, in extreme heat, with her son crying nonstop. She said she felt “humiliated” and treated like “an animal,” observing that she “would rather die than travel again through Rafah.”

A 33-year-old filmmaker, who traveled via Rafah to Morocco in late 2019 to attend a film screening, said the return from Cairo to Rafah took three days, much of it spent at checkpoints amid the cold winter in the Sinai desert.

A 34-year-old man said that he planned to travel in August 2019 via Rafah to the United Arab Emirates for a job interview as an Arabic teacher. He said, on his travel date, Egyptian authorities turned him back, saying they had met their quota of travelers. He crossed the next day, but said that, as it was a Thursday and with Rafah closed on Friday, Egyptian authorities made travelers spend two nights sleeping at Rafah, without providing food or access to a clean bathroom.

The journey to Cairo airport then took two days, during which he described going through checkpoints where officers made passengers “put their hands behind their backs while they searched their suitcases.” As a result of these delays totaling four days since his assigned travel date, he missed his job interview and found out that someone else was hired. He is currently unemployed in Gaza.

Given the uncertainty of crossing at Rafah, Gaza residents said that they often wait to book their flight out of Cairo until they arrive. Booking so late often means, beyond other obstacles, having to wait until they can find a reasonably priced and suitable flight, planning extra days for travel and spending extra money on changeable or last-minute tickets. Similar dynamics prevail with regard to travel abroad via Erez to Amman.

Human Rights Watch interviewed four men under the age of 40 with visas to third countries, whom Egyptian authorities allowed entry only for the purpose of transit. The authorities transported these men to Cairo airport and made them wait in what is referred to as the “deportation room” until their flight time. The men likened the room to a “prison cell,” with limited facilities and unsanitary conditions. All described a system in which bribes are required to be able to leave the room to book a plane ticket, get food, drinks, or a cigarette, and avoid abuse. One of the men described an officer taking him outside the room, asking him, “Won’t you give anything to Egypt?” and said that others in the room told him that he then proceeded to do the same with them.

https://www.hrw.org/news/2022/06/14/gaza-israels-open-air-prison-15

Reacties uitgeschakeld voor Noten 6 en 7/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Noot 8/Astrid Essed vloert Vomar

[8]

TELEGRAAF

ISRAEL PLANT BIJNA 4500 NIEUWE HUIZEN OP

WESTELIJKE JORDAANOEVER

https://www.telegraaf.nl/nieuws/1356212673/israel-plant-bijna-4500-nieuwe-huizen-op-westelijke-jordaanoever

JERUZALEM – Israël wil bijna 4500 nieuwe woningen bouwen voor kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. De regering heeft de plannen donderdag goedgekeurd volgens Peace Now, een groep die tegen de Israëlische nederzettingen is. Wanneer de bouw van de huizen zal beginnen is nog niet bekend.

De minister van Binnenlandse Zaken Ayelet Shaked reageerde door het “een feestelijke dag voor de nederzettingen op Judea en Samaria” te noemen, de Bijbelse benamingen voor het gebied op de Westelijke Jordaanoever.

Internationale kritiek

Vorige week kondigde Shaked al aan met plannen voor nieuwe woningen te komen. Dat kwam haar op veel internationale kritiek te staan, onder anderen van de Amerikaanse president Joe Biden.

De Palestijnse autoriteiten roepen de internationale gemeenschap op “stappen tegen Israël te ondernemen om de nederzettingen en agressie tegen het Palestijnse volk te stoppen”. De meeste landen beschouwen de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever als illegaal. In de nederzettingen wonen naar schatting 470.000 Israëliërs.

EINDE BERICHT

THE RIGHTS FORUM

ISRAEL KONDIGT BOUW VAN NOG EENS 2860 WONINGEN

IN ILLEGALE NEDERZETTINGEN AAN

29 OCTOBER 2021

De overgrote meerderheid van de woningen komt diep in bezet Palestijns gebied. Het besluit volgt op de aanbesteding van 1.355 woningen voor kolonisten eerder deze week.

Israël gaat nog eens 2.860 woningen bouwen in bezet Palestijns gebied. Woensdag kregen dertig afzonderlijke uitbreidingsplannen groen licht van de autoriteiten. Dat schrijft Peace Now, de Israëlische waakhond die het illegale nederzettingenproject op de voet volgt. Met deze stap schaadt Israël opnieuw de Palestijnse rechten, de eigen belangen en de kans op vrede, concludeert de organisatie terecht.

De facto annexatie

Negentig procent van de woningen zal worden gebouwd in Israëlische kolonies (‘nederzettingen’) diep op de bezette Westelijke Jordaanoever. Peace Now spreekt van ‘een enorme expansie van geïsoleerde nederzettingen’. Zo krijgt de nederzetting Kedumim 377 nieuwe woningen, Har Bracha 286, Eli 628 en Revava 399. Daarnaast hebben vier plannen, samen goed voor 113 woningen, betrekking op Givat Ze’ev, een van de nederzettingen die Jeruzalem en Ramallah van elkaar scheiden.

Opvallend is verder dat woensdag twee zogenoemde ‘buitenposten’ met terugwerkende kracht werden ‘geregulariseerd’ – Israëlische newspeak voor het tot officiële nederzetting bevorderen van een door kolonisten gestichte gemeenschap die ook onder Israëlisch recht illegaal is. Het gaat om de buitenposten Mitzpe Danny, die voortaan als de nederzetting Michmash East door het leven gaat, en het vlakbij het met ontruiming bedreigde bedoeïenendorp Khan al-Ahmar gebouwde Haroeh Haivri, dat voor een daar gevestigd opleidingsinstituut 24 woningen mag bijbouwen, waaronder 14 voor de huisvesting van zeventig studenten.

De uitbreidingen volgen het bekende patroon van de Israëlische kolonisering, zoals door ons eerder beschreven. Vanuit aanvankelijk geïsoleerde nederzettingen op strategische locaties maakt Israël zich stapsgewijs meester van steeds meer Palestijns land, ten koste van de rechtmatige bewoners. Om deze de facto annexatie nog schrijnender te maken zijn veel van de inwoners van de nederzettingen Amerikanen, Nederlanders en andere buitenlanders, niet zelden christenen die tot het jodendom zijn overgegaan om zich met een Israëlisch paspoort in bezet gebied te kunnen vestigen.

Aanbesteding 1.355 woningen

Afgelopen zondag besteedde Israël al de bouw van 1.355 woningen aan, zoals wij eerder meldden. Aannemers die geïnteresseerd zijn om de woningen te bouwen kunnen inschrijven op dertien goedgekeurde plannen. Ook in dit geval zal ruim negentig procent van de woningen verrijzen in nederzettingen diep in Palestijns gebied.

Daarnaast werd de bouw van 83 woningen in Givat Hamatos aanbesteed, de nederzetting in het zuiden van bezet Oost-Jeruzalem waar Europese diplomaten eind vorig jaar door kolonisten werden verjaagd. De diplomaten protesteerden tegen de door Israël aangekondigde uitbreiding van Givat Hamatos met circa 2.600 woningen, een uitbreiding die volgens de EU een definitieve nagel aan de doodskist van de tweestatenoplossing zou vormen. De protesten hadden geen resultaat, evenmin als de harde kritiek van de VN, afgelopen zomer, op goedgekeurde plannen voor de uitbreiding van andere nederzettingen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever.

Wie mocht hebben gehoopt dat de in juni aangetreden regering van Naftali Bennett, naar eigen zeggen een ‘regering van verandering’, een minder agressieve Palestinapolitiek zou voeren dan de voorafgaande kabinetten-Netanyahu, kwam bedrogen uit. Het beleid van Bennett is minstens zo grimmig, zoals afgelopen week ook bleek uit het op de Israëlische terrorismelijst plaatsen van zes Palestijnse maatschappelijke organisaties.

‘Zionistische onderneming’

De komende weken en maanden krijgen nog meer plannen voor grote bouwprojecten in Palestijns gebied definitief vorm. Daaronder plannen voor 3.500 woningen in het E1-gebied, alsmede voor een nieuwe nederzetting met duizenden woningen in het E2-gebied en een nieuwe nederzetting met negenduizend woningen in de wijk Atarot in Oost-Jeruzalem.

Zondag maakte minister van Huisvesting en Woningbouw Ze’ev Elkin bovendien bekend de komende vijf jaar 1.500 woningen te willen bouwen in 21 nederzettingen in de Jordaanvallei. Voor het project heeft zijn ministerie een budget van ruim zestig miljoen euro vrijgemaakt. In navolging van zijn collega van Binnenlandse Zaken Ayelet Shaked plaatste Elkin de illegale kolonisering – onder het oprichtingsverdrag van het Internationaal Strafhof een oorlogsmisdaad – in het kader van het zionisme: ‘Het versterken en uitbouwen van de nederzettingen in Judea and Samaria [de bijbelse benaming voor de Westelijke Jordaanoever] is een noodzakelijk en uiterst belangrijk deel van de zionistische onderneming.’

De ‘vervolmaking van het zionistische project’ is ook de drijfveer van Naftali Bennett, de kolonistenvoorman die het tot premier schopte. Bennett is een fanatiek tegenstander van een Palestijnse staat en wil van vredesbesprekingen met de Palestijnen niets weten. Twee weken geleden kondigde hij aan ook de illegale Israëlische kolonies op de bezette Syrische Hoogvlakte van Golan (Jawlan) te zullen uitbreiden en het aantal kolonisten te zullen verviervoudigen.

Europees en Amerikaans protest

Donderdag veroordeelden twaalf EU-lidstaten, waaronder Nederland, de aangekondigde bouw van de 2.860 woningen in een gezamenlijke verklaring. Met zijn nederzettingen­politiek schendt Israël het internationaal recht en ondermijnt het pogingen om tot de tweestatenoplossing te komen, stellen de twaalf. Zij manen Israël de bindende resolutie 2334 van de VN-Veiligheidsraad uit 2016 alsnog te gehoorzamen. Daarin wordt onder meer van Israël geëist dat het de vestiging van kolonisten en de bouw en uitbreiding van nederzettingen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever direct staakt, en een eind maakt aan de confiscatie van Palestijns land, de sloop van Palestijnse woningen en de verdrijving van Palestijnen.

Ook de Britse minister voor het Midden-Oosten en Afrika kwam donderdag met een verklaring waarin Israël wordt gemaand de kolonisering te staken. Een dag eerder al reageerden de Amerikanen in harde bewoordingen. Nog voor de vergadering waarin de Israëlische autoriteiten groen licht voor de nieuwbouw gaven, maande minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken Israëls minister van Defensie Benny Gantz telefonisch de bijeenkomst af te gelasten, schrijft de krant Haaretz. Zet Israël de bouw toch door, dan kan het op ‘een harde Amerikaanse reactie’ rekenen, aldus Blinken.

Gantz geloofde het wel en liet de vergadering doorgaan, met dezelfde zorgeloosheid waarmee hij een week eerder de zes Palestijnse maatschappelijke organisaties op de terrorismelijst plaatste. Israël weet dat het kritiek op dergelijke maatregelen krijgt en er een enkele keer met consequenties wordt gedreigd, maar heeft geleerd dat de buitenwereld alleen blaft en nooit bijt.

Medeplichtig

Israël weet dat het een hele reeks bindende VN-resoluties aan de laars kan blijven lappen omdat het door de internationale gemeenschap consequent wordt uitgezonderd van sancties. Keer op keer heeft die gemeenschap Israël nieuwe grenzen laten overschrijden en zich bereid getoond de eigen verplichtingen – om de internationale rechtsorde te handhaven en de Palestijnen in bescherming te nemen – te negeren. Met die opstelling heeft de internationale gemeenschap zich medeplichtig gemaakt aan de kolonisering en de militaire bezetting, het apartheidsregime en de grootschalige schendingen van de mensenrechten waarmee die gepaard gaat.

Het internationale beleid is hypocriet, betoogden wij onlangs, en als dat ergens duidelijk valt te zien is het in Den Haag. Nederland is wereldkampioen bezorgdheid uitspreken en waarschuwen voor de gevaren die de kolonisering inhoudt voor de tweestatenoplossing, de formule voor vrede die al 25 jaar door Den Haag wordt gepredikt. In de praktijk echter is straffeloosheid de norm en laat het Israël zijn gang gaan. Erger, Nederland draagt concreet bij aan de levensvatbaarheid van de illegale nederzettingen, zoals wij in ons betoog beschreven.

Geregeld hebben fracties in de Tweede Kamer gesteld dat sancties tegen Israël nu toch echt in beeld kwamen, om het daar vervolgens bij te laten. Een bekend voorbeeld is toenmalig buitenlandwoordvoerder van het CDA Pieter Omtzigt, die in juni 2013 met betrekking tot de nederzettingen sprak van een ‘rode lijn’ die Israël niet mocht passeren zonder sancties over zich af te roepen. Een ander voorbeeld is de motie die het CDA in juni 2016 samen met de PvdA en D66 indiende, waarin de regering werd opgeroepen om, ‘wanneer partijen afzien van constructieve deelname aan vredesbesprekingen en ondermijnend beleid blijven voeren, concrete maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door opschorting van bilaterale of Europese samenwerkingsovereenkomsten’.

Inmiddels is Omtzigts ‘rode lijn’ uit 2013 met circa 150 duizend kolonisten overschreden en heeft Israël opnieuw een toonbeeld van ondermijnend beleid als premier. In Den Haag is geen politicus die kan uitleggen hoe de gepropageerde tweestatenoplossing nog gerealiseerd zou kunnen worden. De Palestijnen op de Westoever en in Oost-Jeruzalem en Gaza leven inmiddels 54 jaar onder een wrede bezetting – een bezetting waaronder geen van onze politici ook maar een dag zou willen leven, en waaronder geen van hen de Israëli’s 54 jaar zou laten leven. Maar voor Palestijnen gelden andere regels. Hun rechten doen er niet toe. Niet alleen in Israël, ook in Den Haag worden zij beschouwd als children of a lesser God.

Kruispunt

In Brussel staan de Palestijnse rechten evenmin op de agenda. Riep het Europees Parlement onlangs nog op tot harde maatregelen tegen de Verenigde Arabische Emiraten – onder meer een internationale boycot van de wereldtentoonstelling Expo Dubai – vanwege systematische schendingen van de mensenrechten, als het om de aanzienlijk zwaardere en langduriger schendingen van Israël gaat is het stil. Liever bijt Brussel zich vast in de vraag of het taalgebruik in Palestijnse schoolboeken wel vredelievend genoeg is. O wee als daar lelijke dingen in staan over de Israëlische overheersing, dan zal de EU toch echt genoodzaakt zijn subsidie in te houden. Israël daarentegen werd eerder deze week toegelaten tot het prestigieuze Europese onderzoeksprogramma Horizon Europe 2021-2027, dat het land naar verwachting 360 miljoen euro meer oplevert dan het bedrag dat het er zelf aan bijdraagt.

Met de nieuwe Israëlische uitbreiding van de nederzettingen en het op de terrorismelijst plaatsen van de zes Palestijnse organisaties staan Den Haag en Brussel voor de zoveelste keer op een kruispunt. Treffen zij nu wél sancties tegen Israël, of volharden zij in hun medeplichtigheid aan een wrede overheersing die iedere hoop op vrede tot een utopie maakt?

EINDE BERICHT

Reacties uitgeschakeld voor Noot 8/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Noten 9 en 10/Astrid Essed vloert Vomar

[9]

”En zoals u zult weten, zijn kolonisten bewoners van in bezet gebied gestichtenederzettingen, die illegaal zijn volgens het Internationaal Recht [4] EN regelrechte landdiefstal, omdat zij worden gebouwd op gestolenPalestijns land of, zoals in het geval van Oost-Jeruzalem bij die uitgezettePalestijnse families, gestolen Palestijnse huizen.Waarbij Israelische kolonisten vaak ook nog eens verantwoordelijk zijnvoor bijna dagelijks geweld tegen de bezette Palestijnse bevolking! [5]”

SUPERMARKT VOMAR, STOP MET DE VERKOOP VAN ISRAELISCHE

PRODUCTEN!

ASTRID ESSED

4 SEPTEMBER 2021

[10]

ISRAELISCHE NEDERZETTINGEN, ILLEGAAL VOLGENS HET INTERNATIONAAL RECHT

”It is unlawful under the Fourth Geneva Convention for an occupying power to transfer parts of its own population into the territory it occupies. This means that international humanitarian law prohibits the establishment of settlements, as these are a form of population transfer into occupied territory”

ICRC.ORG [INTERNATIONALE RODE KRUIS]

WHAT DOES THE LAW SAY ABOUT THE ESTABLISHMENT OF SETTLEMENTS

https://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/faq/occupation-faq-051010.htm#:~:text=It%20is%20unlawful%20under%20the,population%20transfer%20into%20occupied%20territory.

05-10-2010 FAQ

When a territory is placed under the authority of a hostile army, the rules of international humanitarian law dealing with occupation apply. Occupation confers certain rights and obligations on the occupying power.

Prohibited actions include forcibly transferring protected persons from the occupied territories to the territory of the occupying power. 
It is unlawful under the Fourth Geneva Convention for an occupying power to transfer parts of its own population into the territory it occupies. This means that international humanitarian law prohibits the establishment of settlements, as these are a form of population transfer into occupied territory. Any measure designed to expand or consolidate settlements is also illegal. Confiscation of land to build or expand settlements is similarly prohibited. 

Reacties uitgeschakeld voor Noten 9 en 10/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Noten 11, 12 en 13/Astrid Essed vloert Vomar

[11]

BTSELEM.ORG

SETTLER VIOLENCE =STATE VIOLENCE

https://www.btselem.org/settler_violence_updates_overview

[12]

THE RIGHTS FORUM

HOE EEN VN COMMISSIE 75 JAAR GELEDEN HET LOT

VAN PALESTINA BEPAALDE

12 SEPTEMBER 2022

Precies 75 jaar geleden deed een door de VN aangestelde commissie de aanbeveling tot de opdeling van Palestina. Michael Lynk beschrijft hoe een Westers-koloniale attitude ten grondslag lag aan het voorstel dat rampzalige gevolgen zou krijgen voor de Palestijnen.

Het jaar 1947 was een vruchtbaar jaar wat betreft de opsplitsing (partitie) van staten. Eerst werd op 15 augustus Brits-Indië gesplitst in India en Pakistan. De grenzen tussen de nieuwe landen werden vastgesteld door een Britse imperialistische commissie onder voorzitterschap van een Engelse advocaat die daarvoor nog nooit op het Indiase subcontinent was geweest.

Op 31 augustus bracht de Speciale Commissie voor Palestina van de Verenigde Naties (UNSCOP) haar rapport uit aan de Algemene Vergadering van de VN, waarin unaniem werd opgeroepen tot een einde aan het Britse mandaat in Palestina. Een meerderheid van de commissieleden steunde de opdeling van Palestina in afzonderlijke Joodse en Arabische staten, naast een internationale status voor Jeruzalem. Met dat ‘Verdelingsplan voor Palestina’ werd op 29 november ingestemd door een meerderheid van de Algemene Vergadering. Geen van de elf leden van de VN-commissie was voorafgaand aan zijn functie ooit in Palestina geweest of beschikte over specifieke kennis van het gebied.

De opdeling van Brits-Indië en Palestina zou leiden tot wrede en bloedige oorlogen en de massale verdrijving van bevolkingsgroepen, zowel in 1947-49 als in de decennia erna. Het voorlopige resultaat is een gespannen, kille vrede tussen India en Pakistan, en een permanente Israëlische bezetting van Palestina. De Amerikaanse schrijfster en criticus Marya Mannes beschreef dit proces treffend in een gedicht (1959):

Borders are scratched across the hearts of men,
By strangers with a calm, judicial pen,
And when the borders bleed we watch with dread,
The lines of ink across the map turn red.

Eerste misstap van VN

Het Britse Rijk had plenty ervaring met partitie. In 1921 legde het Ierland kunstmatige grenzen op. Eind 19e eeuw bepaalden de koloniale regering van Brits-Indië en de door de Britten gesteunde Emir van Afghanistan hun gemeenschappelijke grens (de zogenoemde Durandlijn), die het leefgebied van de Pathanen (Pashtun) en de Baluchi’s – horend tot de belangrijkste etnische groepen in de regio – in tweeën splitste. De uit imperialistische motieven getrokken grens leidt zelfs nu nog tot conflict tussen Pakistan en Afghanistan.

In 1916 sloten Groot-Brittannië en Frankrijk de geheime Sykes-Picot-overeenkomst, waarin zij het Midden-Oosten langs nieuwe grenzen op- en verdeelden – in strijd met Arabische aspiraties voor onafhankelijkheid en met eerder gemaakte afspraken over Arabische onafhankelijkheid (Hoessein-MacMahon, 1915-1916). Voortbouwend op deze blauwdruk zouden Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en andere grootmachten later de partitie van Duitsland, Korea, Vietnam en Cyprus realiseren.

Maar tot de partitie van Palestina werd besloten door de in 1945 opgerichte VN. Het was het eerste grote besluit, de eerste grote crisis en – goed verdedigbaar – de eerste grote misstap van de prille organisatie. Brian Urquhart, de Britse diplomaat die betrokken was bij de oprichting van de VN en later toezicht hield op alle vredesmissies, schreef in zijn memoires dat ‘Het probleem-Palestina de Verenigde Naties sinds 1948 als een spook achtervolgt’. ‘De betrokkenheid van de VN bij Palestina’, klaagde hij, ‘heeft als geen ander onderwerp het imago van de organisatie beschadigd en haar reputatie en prestige gefragmenteerd’.

Demografische transformatie

Toen de Britten rond het einde van de Eerste Wereldoorlog Palestina veroverden op de Ottomanen en vervolgens een mandaat van de Volkenbond, de voorganger van de VN, op zich namen om het – in theorie – naar onafhankelijkheid te leiden, was het land voor 93 procent Arabisch. De Europese zionistische beweging – ook al vertegenwoordigde die in het begin van de twintigste eeuw slechts een minderheid van de Europese joodse opinie – had in 1917 de Balfour-verklaring van de Britse regering weten los te krijgen. Daarin betuigde die steun voor ‘de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk’. Zionistische leiders slaagden erin de verklaring opgenomen te krijgen in het Mandaat voor Palestina van de Volkenbond.

In wezen was het doel van het zionisme om van een Arabisch land een Joods land te maken.

In wezen was het doel van het zionisme om van een Arabisch land een Joods land te maken. Met de opkomst van het fascisme in Europa trokken verschillende grote golven Joodse vluchtelingen en kolonisten naar Palestina. Dat leidde tot verzet van Palestijnse Arabieren tegen de dreigende demografische transformatie van hun land. Tegen het einde van de jaren dertig was de Arabische meerderheid in Palestina geslonken tot 70 procent. De zionistische leider David Ben-Gurion erkende de Palestijnse angsten. ‘Welke Arabier kan niet berekenen en begrijpen dat de immigratie van 60 duizend [Joden] per jaar een Joodse staat in heel Palestina betekent?’ schreef hij destijds in een brief.

Palestijnse boycot van UNSCOP

Een uitgeputte Britse regering kondigde begin 1947 aan dat het de Palestijnse kwestie aan de Verenigde Naties zou overdragen. Daarop richtte de Algemene Vergadering UNSCOP op om de situatie in Palestina te onderzoeken en aanbevelingen te doen voor een duurzaam plan voor de toekomst. De elf leden van de commissie waren merendeels juristen of diplomaten, afkomstig uit Europa (Nederland, Zweden, Joegoslavië en Tsjechoslowakije), het Britse Gemenebest (Canada en Australië), Latijns-Amerika (Guatemala, Peru en Uruguay) en Zuid-Azië (Iran en India). De Amerikaan Ralph Bunche, die in 1950 de Nobelprijs voor de Vrede zou winnen, werd door VN-secretaris-generaal Trygve Lie aangesteld als speciale assistent van de commissie. In een sarcastische brief aan zijn vrouw schreef Bunche dat dit ‘zo ongeveer de slechtste groep was waarmee ik ooit heb moeten werken. Als ze goed werk leveren is dat een wonder’.

De commissie bracht in juni en juli 1947 zes weken door in Palestina en hield daar zowel openbare als besloten vergaderingen. Het Arabisch Hoger Comité, dat de verschillende Palestijnse organisaties vertegenwoordigde, boycotte de commissie. In de ogen van het Comité was het de taak van de VN om het einde van het Britse mandaat en de onmiddellijke onafhankelijkheid van Palestina af te kondigen. In 1947 vormden de Palestijnse Arabieren met 66 procent nog steeds een grote meerderheid van de bevolking, met een uitgesproken wens voor een onverdeelde onafhankelijke staat. Of de Palestijnse boycot een beslissende invloed heeft gehad op de commissieleden is de vraag. Doordrenkt met een afkeer van de onderontwikkelde en grotendeels agrarische Palestijnse economie, en gevormd door een romantische kijk op het kolonialisme, beschouwden de Europese, Canadese en Latijns-Amerikaanse leden van UNSCOP Palestina als een achtergebleven samenleving die gemoderniseerd moest worden.

Beïnvloeding van UNSCOP

Het Joods Agentschap, de proto-regering van de Joodse gemeenschap in Palestina, voerde een andere strategie. Het stelde hoge en bekwame vertegenwoordigers aan om contact te onderhouden met de commissie en was zeer succesvol in het beïnvloeden van de standpunten van veel commissieleden. De commissie had niet alleen een ontmoeting met Ben-Gurion en Chaim Weizmann, maar ook met Menachem Begin, het hoofd van de Irgun-militie. Op hem werd destijds door de Britten gejaagd vanwege het leiden van de Joodse opstand in Palestina.

Verschillende commissieleden waren met het Joods Agentschap aanwezig bij de aankomst van de Exodus bij Haifa. Het schip bracht 4.500 Joodse immigranten uit Frankrijk naar Palestina, onder wie veel overlevenden van de Holocaust. Later werden enkele commissieleden rondgeleid in ontheemdenkampen voor Joodse vluchtelingen en Holocaustoverlevenden in Duitsland en Oostenrijk. Beide ervaringen, gecombineerd met het heersende gevoel dat de Joodse kolonistenmaatschappij in Palestina dynamisch en bewonderenswaardig was, hadden grote invloed op veel commissieleden.

Opdeling van Palestina

De Palestijnen waren fel tegen de opdeling van Palestina, terwijl het Joods Agentschap er juist krachtig op aandrong. Toen de leden van de commissie in augustus naar Genève reisden om hun rapport te schrijven, kwamen er zes opties naar voren. De commissie verwierp de concepten van een Joodse eenheidsstaat, een Palestijnse eenheidsstaat, een binationale staat en een Palestina op basis van kantons. Drie leden van de commissie steunden een federale staat, met autonome politieke bevoegdheden voor Joden en Palestijnse Arabieren, een federale wetgevende macht en Jeruzalem als hoofdstad. Volgens hen was opdeling een kunstmatige oplossing die ‘onmogelijk kon voorzien in twee redelijk levensvatbare staten’. (Opmerkelijk genoeg kwamen deze drie leden uit landen – Joegoslavië, Iran en India – met een aanzienlijke of grotendeels islamitische bevolking).

Volgens drie leden van UNSCOP was opdeling een kunstmatige oplossing die ‘onmogelijk kon voorzien in twee redelijk levensvatbare staten’.

Zeven leden steunden de opdeling van Palestina in afzonderlijke Joodse en Arabische staten, met een overkoepelende economische unie – inclusief een gemeenschappelijke munteenheid, douane-unie en transport- en communicatiesystemen – die de twee staten en de internationale stad Jeruzalem met elkaar zou verbinden. Als rechtvaardiging stelden ze dat verdeling vanwege ‘de twee intense nationalismen […] de meest realistische en levensvatbare regeling’ is. (Eén commissielid, de Australische vertegenwoordiger, onthield zich van stemming.) De Palestijnse leiders verwierpen dit meerderheidsplan vrijwel onmiddellijk, terwijl de Zionistische Algemene Raad, die leiding gaf aan de zionistische beweging, er op 3 september 1947 in overweldigende meerderheid voor stemde.

‘Onrechtvaardig en onwerkbaar’

In zijn gedetailleerde berichtgeving over het UNSCOP-rapport noemde The Economist het meerderheidsplan in september 1947 ‘zowel onrechtvaardig als onwerkbaar’. Onder het plan zou de Yishuv – de pre-state Joodse gemeenschap in Palestina die slechts zeven procent van het land bezat en 34 procent van de bevolking uitmaakte – bijna tweederde van het landoppervlak, beide havens, de meeste primaire waterbronnen en de meeste van de waardevolle citrus­plantages in handen krijgen. Bijna alle Palestijnse industrieën – Arabische, Joodse en buitenlandse – zouden in de nieuwe Joodse staat terechtkomen.

Die Joodse staat zou demografisch gezien overigens nog steeds een binationale staat zijn, met een bijna gelijktallige Joodse en Palestijns Arabische bevolking. Van de Palestijnen werd gevraagd een quasi-staatje te accepteren, dat beschikte over weinig van de economische rijkdommen en in grote mate afhankelijk was van de goede wil van de nieuwe Joodse staat om de voorgestelde economische unie te doen slagen.

Het UNSCOP-meerderheidsplan werd desondanks met enkele aanpassingen op 29 november 1947 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen in resolutie 181. De stemming van de Algemene Vergadering werd verschillende keren uitgesteld omdat de vertegenwoordigers van de Verenigde Staten en het Joods Agentschap niet zeker waren van de steun van de vereiste tweederde van de VN-lidstaten. Pas na aanzienlijke diplomatieke druk en nadat verschillende ontwikkelingslanden plots van mening veranderden werd de finale stemming gehouden. Hoewel de Algemene Vergadering iets meer grondgebied toewees aan de voorgestelde Arabische staat, bleven de onevenwichtige kenmerken van het UNSCOP-meerderheidsplan grotendeels intact.

Partitie heeft afgedaan

Wat volgde is een rampzalige geschiedenis voor de Palestijnen. Terugkijkend op het UNSCOP-rapport en de door de Algemene Vergadering aanvaarde verdelingsresolutie steekt één les met kop en schouders boven alles uit: de opsplitsing van een land, tegen de uitgesproken wil van de meerderheid van de bevolking, ten gunste van een kolonistenbevolking, is tegenwoordig ondenkbaar.

De Verenigde Naties waren in 1947 grotendeels een club van Europese landen, Engelse witte kolonistenstaten en Latijns-Amerikaanse landen geregeerd door koloniale elites van Spaanse afkomst. Sindsdien is het aantal leden van de VN ruim verdrievoudigd; tegen­woordig vormen voormalige gekoloniseerde landen uit de Derde Wereld een stevige meerderheid in de Algemene Vergadering. In de tussenliggende decennia heeft partitie in politieke en academische kringen bovendien afgedaan als aanvaardbare oplossing voor imperialistische of grootmachtelijke problemen.

‘Ik heb daar geen antwoord op.’

Ernest Bevin, Brits minister van Buitenlandse Zaken, in 1947

In openhartige buien erkenden zelfs de Britten deze realiteit. ‘De beste verdelings­regeling, en de gunstigste die ik tot nog toe heb gezien, heeft tot gevolg dat er 450 duizend Joden en 380 duizend Arabieren in die Joodse staat zouden leven’, merkte Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, in 1947 op. ‘Ik heb dat eerlijk tegen de Arabieren gezegd, en wat was hun antwoord? De Arabieren zeiden: “Als het onaanvaardbaar wordt geacht dat Joden een minderheid van 33,5 of 40 procent vormen in een onverdeeld Palestina, wat is dan de rechtvaardiging om 380 duizend Arabieren onder een Joodse meerderheid te brengen? Wat is uw antwoord daarop?” Ik heb daar geen antwoord op.’

[13]

ZIE NOOT 12

Reacties uitgeschakeld voor Noten 11, 12 en 13/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Noten 14 en 15/Astrid Essed vloert Vomar

[14]

BTSELEM.ORG

TORTURE AND ABUSE IN INTERROGATION

https://www.btselem.org/topic/torture

[15]

EERDERE BRIEVEN AAN VOMAR

Reacties uitgeschakeld voor Noten 14 en 15/Astrid Essed vloert Vomar

Opgeslagen onder Divers

Sinterklaasavond/Zomaar een Poppenhuis…..

Expositie Streekmuseum Speelgoed poppenhuis

SINTERKLAASAVOND/ZOMAAR EEN POPPENHUIS….

HERINNERINGEN AAN SINTERKLAAS/ZOMAAR EEN POPPENHUIS

Over de strijd tegen de racistische karikatuur Zwarte Piet heb ik genoeg gezegd

en geschreven [1], waarbij ik overigens niemand’s fijne herinneringen aan

het Sinterklaasfeest wil wegnemen

Ook zal ik nooit beweren, dat mensen, die Zwarte Piet toch in ere willen

houden, per definitie racisten zouden zijn.

Het VERSCHIJNSEL Zwarte Piet is een racistisch karikatuur [2], maar of

de mensen, die aan Zwarte Piet willen vasthouden, racisten zijn,

hangt af van hun reacties op de protesten tegen Zwarte Piet.

Zijn die racistisch [3], dan is het duidelijk, maar ook mensen,

die niet racistisch zijn [en dat zijn de aanspreekbaren] moeten

zich realiseren, dat zij met de promoting van Zwarte Piet, die langzamerhand 

toch wel verdwijnt [4] een racistisch fenomeen in stand houden

Maar daarover wilde ik het vandaag niet hebben

Ik wil, lezers, met jullie een Jeugdherinnering delen:

HERINNERING AAN SINTERKLAAS

Het was weer Sinterklaas en voor mij werd dat [zoals die

Goede Oude Opvoeding voorschreef, waarvan mi best

weer wat mag terugkomen], heel spannend gemaakt:

”Wie zoet is krijgt lekkers en wie stout is….GEEN cadeau van

Sinterklaas”

Dat hield mij [die al ”redelijk braaf” was, maar wel een Spring in’t Veld] af van al te dolle

apestreken, zoals kinderen soms uithalen

Die heerlijke ”vol verwachting klopt ons hart” stemming, volgens

mij kennen hedendaagse kinderen, overspoeld door Internet

en Social Media [nuttige dingen, maar soms wel irritant,

veel te veel bemoeienis met elkaars leven en vaak weinig respect voor elkaar…], dat niet meer

Jammer

Misschien komt het ooit terug

MAAR GOED:

En als Sinterklaas dan op school kwam….spannend hoor

Dat Sinterklaas ook tegelijkertijd bij de kersverse Supermarkt

 kwam, deerde ons niet

Daarvoor waren wij veel te onnozel en naief

Dat hoort bij kinderen, vind ik, die tegenwoordig

veel te veel worden lastiggevallen met

problematiek, die ze nog even niet hoeven te weten

Laten ze toch dromen en in Sprookjes geloven!

Maar dat ben ik, die wil, dat kinderen Kind zijn………

In ieder geval:

De Goedheiligman kwam, de cadeautjes kwamen toch wel

en bij mij thuis werd met pepernoten gestrooid en tot

de Dag van Vandaag weet ik niet, wie dat deed

Ik hou het op PakjesPiet!

EN,,,,en dat is die mooie jeudgherinnering:

Daar stond, voor mijn ogen, het mooiste Poppenhuis ter

wereld

En onvergetelijk Moment……

Dat ben ik nooit vergeten

Als ik nu aan het Sinterklaasfeest denk, zal dat altijd

verbonden zijn met dat Poppenhuis

Op die Avond

Helaas….dat Poppenhuis heb ik niet meer

Maar de Herinnering gaat nooit weg

ASTRID ESSED

NOTEN

Reacties uitgeschakeld voor Sinterklaasavond/Zomaar een Poppenhuis…..

Opgeslagen onder Divers

Noten 1 t/m 4/Sinterklaasherinnering

[1]

AFSCHAFFING ZWARTE PIET EEN MUST/ZWARTE PIET ALS

RACISTISCH FENOMEEN

ASTRID ESSED

19 OCTOBER 2013

ZWARTE PIET ON WEBSITE ASTRID ESSED

https://www.astridessed.nl/tag/zwarte-piet/

BLACK PETE/GOODBYE TO A RACIST CARICATURE

ASTRID ESSED

5 DECEMBER 2020

[2]

ZIE NOOT 1

[3]

BNN VARA

KICK OUT ZWARTE PIET DOET AANGIFTE WEGENS RACISME

15 NOVEMBER 2015

https://www.bnnvara.nl/joop/artikelen/kick-out-zwarte-piet-doet-aangifte-wegens-racisme

Duizenden racistische reacties op Facebook: ‘Social media maakt niet dat je gevrijwaard bent van de wet.’

Actiegroep Kick Out Zwarte Piet (KOZP) doet aangifte tegen een grote groep mensen die zich racistisch hebben uitgelaten onder een foto op Facebook.

De foto werd gemaakt in een van de bussen onderweg vanaf de landelijke intocht van Sinterklaas in Meppel. De reacties onder de foto zijn stuitend.

En in Amsterdam gelijk op het vliegtuig stappen en terug naar je land van afkomst gaan

Dacht dat “zwarte pieten”niet meer welkom waren bij het Sinterklaas feest sturen ze er zelfs 4 volle bussen naartoe!! Klopt volgens mij niet helemaal

Ik zie een domme Piet,een luie Piet,een uitkerings Piet,een inbrekers Piet….

Zwarte piet weg ermee schreeuwt ze. Hele bus is zwart. De chauffeur mooi een enkeltje naar timboektoe laten jagen!! Zwartjoekel op de voorgrond is de sumbalippenpiet

De lijst met verwensingen gaat door, duizenden opmerkingen voorzien van duizenden likes. Woordvoerder Jerry Afriyie van KOZP: ‘Negentig procent beledigend, en de helft ervan racistisch.’

Met de aangifte wil KOZP een signaal afgeven, namelijk: ‘Social media maakt niet dat je gevrijwaard bent van de wet.’

De leden van KOZP verzamelen op dit moment alle racistische reacties. Maandag zal de groep in gesprek gaan met een jurist, waarna zo snel mogelijk een angifte zal volgen. 

‘We hebben dit al veel te lang laten doorgaan. Als we allemaal zo verontwaardigd reageren op de commentaren onder de foto van het Nederlands elftal, dan moeten we net zo reageren op de reacties onder deze foto.’

[4]

[4]

DE CORRESPONDENT

HOE ZWARTE PIET LANGZAAM MAAR ZEKER VAN KLEUR VERANDERT

5 DECEMBER 2015

https://decorrespondent.nl/3724/hoe-zwarte-piet-langzaam-maar-zeker-van-kleur-verandert/142052460396-81ddb64d

Of je het nu toejuicht of betreurt, het zwartepietendebat heeft het Sinterklaasfeest op zijn kop gezet. Wat begon met een verhitte discussie in een kunstenaarshol in de hoofdstad leidde via enkele veelbesproken arrestaties uiteindelijk tot een heuse lobby, met goed ontvangen lespakketten en de gestage transformatie van een traditie. Samen met andere betrokkenen blik ik terug op vijf veelbewogen jaren.

De Groene Amsterdammer was er – voor zover ik kan nagaan – als eerste bij. Al in 1930 kraakte het weekblad een kritische noot Lees hier de aanklacht die De Groene Amsterdammer in 1930 publiceerde.over Zwarte Piet.

En wie in 1987 als kind naar Sesamstraat keek, had het ook al kunnen zien. Gerda Havertong zei toen tegen Pino: ‘Sinterklaas is nog niet eens in het land of zwarte mensen, grote mensen en kinderen, worden voor Zwarte Piet uitgescholden…  Voor veel zwarte mensen, grote mensen en kinderen, is het helemaal geen feest.’

In 1997 leidde Sonja Barend op televisie een heftige discussie, Bekijk hier de heftige discussie bij Sonja Barend terug.en in 1998 schreef een aantal activisten het boek Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht.

Ook de kritiek op de Piet-critici, waar we de laatste jaren getuige van konden zijn via bijvoorbeeld de Facebookpagina ‘Pietitie,’ is niet nieuw.

Het Nieuwsblad van het Noorden signaleerde Lees hier wat het Nieuwsblad van het Noorden over in 1985 schreef over Zwarte Piet.dit sentiment al in 1985:

‘De stereotiepe reactie van ‘blank’ Nederland is het probleem te bagatelliseren. Sinterklaas is een leuk kinderfeest, dat je niet met oneigenlijke acties moet proberen te bederven. De figuur van Zwarte Piet is niet bedoeld als discriminatie. Het is gewoon historisch zo gegroeid. Je kunt kleine kindertjes toch niet verwijten dat ze Sinterklaasliedjes zingen?’

Het artikel leest als een staalkaart van alle argumenten die tegen Zwarte Piet-activisten in stelling worden ‘gebracht.

‘‘We zijn allemaal tegen racisme, maar daarbij gaat het om schandalige gevallen waarin echt gediscrimineerd wordt. Maar wij gaan ons niet kunstmatig opwinden over zoiets onschuldigs als Zwarte Piet, nota bene een kindervriend bij de gratie Gods. Zulke acties maken slapende honden wakker. Onze mensen pikken het niet dat peuters die toch niets van discriminatie weten, voor juniorfascisten worden uitgemaakt.’

Het zou toen nog bijna dertig jaar duren tot de strijd tegen Zwarte Piet landelijk zijn eerste vruchten begon af te werpen. Hoe is dit debat in zo’n stroomversnelling geraakt? En: wat heeft ervoor gezorgd dat de ophef nu wel landelijke gevolgen heeft gekregen?

Het nieuwe pietendebat begon in december 2010, tijdens een bijeenkomst Lees hier een verslag van de bijeenkomst waarmee het allemaal begon.van een diverse groep twintigers en dertigers in Amsterdam. Op initiatief van schrijfster Simone Zeefuik en Bamba Nazar stelden zij zich de vraag die later voor zo veel maatschappelijke beroering zou zorgen: is Zwarte Piet racistisch? Een deel van de aanwezigen wist het antwoord al (ja!) en gebruikte de avond vooral om contact met elkaar te leggen.

De avond was niks nieuws: kleine discussies als deze vonden al veel langer plaats. Toch groeiden ze nooit uit tot iets met landelijke impact. Ieder jaar na 5 december viel de discussie weer stil. Zou het ditmaal wel standhouden?

Ja, zo bleek al snel.

Bij die bijeenkomst in Amsterdam stond een groep activisten op die zich niet alleen in november, maar het hele jaar met Zwarte Piet zou gaan bezighouden.

Het prille begin: een actielijst én het eerste schisma

Een maand na de bijeenkomst kwamen in een andere zaal in Amsterdam de mensen samen die de hoofdrolspelers zouden worden van een nieuwe beweging. Kunstenaar Quinsy Gario bijvoorbeeld, maar ook dichter en blogger Jerry Afriyie en acteur Patrick Mathurin. Ze stelden een actielijst op met manieren waarop ze het racisme dat Zwarte Piet belichaamde aan de kaak konden stellen. Ze zouden politiek gaan lobbyen, besloten ze. En bedrijven wijzen op hun verantwoordelijkheid.

Op grote lijnen was iedereen het eens. Maar wat er precies moest gebeuren en welke toon ze zouden aanslaan, daarover waren de meningen verdeeld. Zo leidde de naam van de beweging tot stevige discussie. Gario stelde ‘Zwarte Piet is Racisme’ voor. Een duidelijk signaal, vonden sommigen. Anderen waren bang dat die wel erg stellig was, dat hij defensieve reacties zou oproepen en juist contraproductief zou werken.

Na nog maar een maand was het eerste schisma dus al een feit.

De Sintintocht die eindigde in de cel

Nog een zwak punt: de discussie speelde zich nog vooral af in Amsterdamse kunstenaarskringen. Dat veranderde echter toen ze de straat op gingen. In de zomer van 2011 knoopten Gario en collega-kunstenaar Jerry Afriyie bijvoorbeeld op het Keti Koti-festival  in Amsterdam gesprekken aan met bezoekers. Hun conversation starter: het T-shirt ‘Zwarte Piet is Racisme’. Een klein begin, maar een begin niettemin.

Bij die bijeenkomst in Amsterdam stond een groep activisten op die zich niet alleen in november, maar het hele jaar met Zwarte Piet zou gaan bezighouden.

Het prille begin: een actielijst én het eerste schisma

Een maand na de bijeenkomst kwamen in een andere zaal in Amsterdam de mensen samen die de hoofdrolspelers zouden worden van een nieuwe beweging. Kunstenaar Quinsy Gario bijvoorbeeld, maar ook dichter en blogger Jerry Afriyie en acteur Patrick Mathurin. Ze stelden een actielijst op met manieren waarop ze het racisme dat Zwarte Piet belichaamde aan de kaak konden stellen. Ze zouden politiek gaan lobbyen, besloten ze. En bedrijven wijzen op hun verantwoordelijkheid.

Op grote lijnen was iedereen het eens. Maar wat er precies moest gebeuren en welke toon ze zouden aanslaan, daarover waren de meningen verdeeld. Zo leidde de naam van de beweging tot stevige discussie. Gario stelde ‘Zwarte Piet is Racisme’ voor. Een duidelijk signaal, vonden sommigen. Anderen waren bang dat die wel erg stellig was, dat hij defensieve reacties zou oproepen en juist contraproductief zou werken.

Na nog maar een maand was het eerste schisma dus al een feit.

De Sintintocht die eindigde in de cel

Nog een zwak punt: de discussie speelde zich nog vooral af in Amsterdamse kunstenaarskringen. Dat veranderde echter toen ze de straat op gingen. In de zomer van 2011 knoopten Gario en collega-kunstenaar Jerry Afriyie bijvoorbeeld op het Keti Koti-festival  in Amsterdam gesprekken aan met bezoekers. Hun conversation starter: het T-shirt ‘Zwarte Piet is Racisme’. Een klein begin, maar een begin niettemin.

Als de politie ze niet had gearresteerd had het protest nooit zo veel aandacht getrokken. Dan was de beweging nu niet zo groot geweest

In november van dat jaar speelden Gario en Afriyie zich pas echt in de kijker. Bij de tv-intocht in Dordrecht begroetten ze de Sint met hun ‘Zwarte Piet is Racisme’-shirts. Ze werden er een stuk minder vriendelijk ontvangen dan op het Amsterdamse festival: de politie pakte hen op omdat ze de orde verstoord zouden hebben en zonder toestemming zouden hebben betoogd.

Een filmpje Bekijk hier het filmpje van de arrestatie van anti-Zwarte-Piet-betogers in Dordrecht.dat iemand daarvan maakte ging viral. Want waarom werden deze twee jongemannen zo hardhandig opgepakt? Ze hadden toch alleen een T-shirt met een prikkelende tekst aan? Een belangrijk moment, vindt kunstenaar en initiatiefnemer Raul Balai. ‘Als de politie dat niet had gedaan, had het protest nooit zo veel aandacht getrokken. Dan was de beweging nu niet zo groot geweest.’

Bijval, maar ook forse tegenstand

In de jaren daarna professionaliseerde de beweging: de demonstraties op straat werden groter  en beter georganiseerd. Een grote betoging op het Amsterdamse Beursplein bijvoorbeeld, trok in 2013 zo’n 800 zielen. Tegelijk nam de weerstand toe. De Facebookgroep Pietitie wist een kleine twee miljoen Nederlanders te verenigen rond een gemeenschappelijk ideaal: ‘kom niet aan Zwarte Piet.’

Zulke reacties horen erbij, weet hoogleraar Transitiekunde  Jan Rotmans.  . ‘Je ziet altijd heftige weerstand,’ zegt hij. ‘Dat de beweging die weerstand opriep is al een teken van succes, van pijn, afscheid, verandering. Zonder weerstand word je niet gezien en gehoord en heb je geen impact. Er zijn wetenschappelijke theorieën over, dat het niet slim is om er frontaal tegenin te gaan. Hoe slimmer en subtieler je het aanpakt, hoe groter de kans is dat het beklijft.’

Op gesprek bij de burgemeester

Ondertussen sloeg de groep die uit de Amsterdamse meetings was voortgekomen aan het lobbyen. Ze voerde gesprekken met onder meer politici, intochtorganisaties, antidiscriminatiebureaus en scholen.

Politici en bedrijven zich afzijdig: ze negeerden de kritiek liever

Dat de activisten gesprekken voerden met de Amsterdamse burgemeester Van der Laan was voor de buitenwereld een belangrijk signaal, vindt initiatiefnemer Balai. ‘Tot dat moment hielden politici en bedrijven zich afzijdig: ze negeerden de kritiek liever.’

De beweging mocht dan een luisterend oor hebben gevonden, toch wilde Van der Laan Zwarte Piet niet uit de Amsterdamse intocht weren. Jammer, vindt Balai. ‘De burgemeester had bijvoorbeeld ook kunnen zeggen: ik zie in dat dit racistisch is, dus gooi de intocht maar om. Die macht had hij, want de gemeente betaalde mee aan de intocht.’

Piet belandt in het beklaagdenbankje

Ook in de rechtszaal en bij de Nationale Ombudsman begon Piet voor beroering te zorgen. Die aanhouding van Gario en Afriyie in Dordrecht was onrechtmatig, oordeelde de Ombudsman in 2014. Hij noemde de arrestatie disproportioneel gewelddadig en in strijd met mensenrechten.’ (Toch ging het in 2014 bij de nationale intocht in Gouda weer mis: Afriyie werd toen opnieuw hardhandig gearresteerd.)

Gario liet het er niet bij zitten. In 2013 maakte hij bezwaar tegen de vergunning van de Amsterdamse Sinterklaasintocht en werd hij in het gelijk gesteld door de rechter. Zwarte Piet was een negatief en schadelijk stereotype, vond die. Maar tot een echte overwinning kwam het niet: burgemeester Van der Laan ging in beroep en kreeg voor elkaar dat het vonnis vernietigd werd.

Een Utrechtse moeder die een zaak aanspande tegen de school van haar kind had meer succes. Zij stapte naar het College van de Rechten van de Mens (de vroegere Commissie Gelijke Behandeling) en hoorde: scholen die Sinterklaas met traditionele Zwarte Pieten vieren, bieden geen discriminatievrije omgeving. En dus moeten ze het anders aanpakken.

Discussie in de klas en op tv

Inmiddels begonnen scholen Zwarte Piet ook op de agenda te zetten. Zij werden een handje geholpen door de stichting Nederland Wordt Beter (die uit de actiegroep Zwarte Piet is Racisme is voortgekomen). Nederland Wordt Beter bracht het lespakket Sinterklaas & Zwarte Piet uit: een handleiding voor scholen, docenten en ouders om de oorsprong van het Sinterklaasfeest en de discussie rondom de figuur Zwarte Piet in de klas te behandelen.

‘De media hebben over dit lespakket eindelijk neutraal, soms zelfs positief bericht,’ vertelt Devika Partiman van Nederland Wordt Beter. ‘En dat ondanks het feit dat de media Zwarte Piet-critici al jarenlang negatief neerzetten. Stomverbaasd was ik. Dat gaf voor mij aan dat er nu éíndelijk geluisterd wordt naar de bezwaren tegen Zwarte Piet, dat ze begrepen worden.’

En dan waren er nog de films over het racisme van Zwarte Piet, zoals de docu Zwart van Roet van Sunny Bergman. En de Pietmakeover-campagne  van onder meer tv-maker Anousha Nzume. (Dit jaar kwam daar het PIET-magazine  bij. Nzume vindt het geweldig dat ook Diewertje Blok van het Sinterklaasjournaal het dit jaar in een interview had over ‘Blackface.’ ‘Dat ze die term gebruikt.’)

Inmiddels was Zwarte Piet is Racisme lang niet meer de enige protestgroep. Zo was er bijvoorbeeld de actiegroep MAD Mothers, die zich via internet vooral richtte op (zwarte) ouders. Het doel: zorgen dat zij Zwarte Piet zouden aankaarten bij besturen van scholen en kinderdagverblijven.

Fabrikanten en winkels onder druk

Ook het bedrijfsleven kreeg met activisten te maken. Zo startte MAD Mothers de actie Drie Dwaze Weken, De website van de Drie Dwaze Weken.gericht op de Amsterdamse Bijenkorf. In december 2014 etaleerde die winkel nog grote mechanische zwarte ‘klimpieten’: poppen die in de hal van het warenhuis over touwen heen en weer klommen. De groep besloot een omweg te nemen: ze richtte zich niet op de Bijenkorf zelf, maar op de grote kledingmerken waarmee die samenwerkte.

De aanvliegroute voor die actie hadden ze snel gevonden. Er was net online een filmpje opgedoken waarin Kim Kardashian klaagde over ‘blackface’. Saillant, want Kims zus Khloe zou vlak voor 5 december in de Bijenkorf een nieuwe kledinglijn lanceren. De activisten waren er snel uit: ze gingen zich via Twitter en e-mail richten op de Kardashians en op de CEO’s van modemerken Louis Vuitton en Benneton. De actie had succes: een half jaar later maakte de Bijenkorf bekend haar Zwarte Pieten in te ruilen voor ‘gouden pieten’.

Ook speelgoedfabrikant Fisher-Price, dat Zwarte Piet-poppetjes verkocht, werd het mikpunt van een MAD Mothers-campagne. De groep riep via sociale media haar aanhangers op bij het bedrijf over de poppetjes te klagen. Of dat Fisher-Price op andere gedachten heeft gebracht is moeilijk te zeggen, maar het bedrijf is wel gestopt de poppetjes te produceren.

Andere groepen zetten op een vergelijkbare manier het Amerikaanse moederbedrijf van Sesamstraat en televisiezender Nickelodeon onder druk. Inmiddels is Zwarte Piet niet meer in Sesamstraat en Nickelodeon-programma’s te bekennen. Via MAD Mothers haakte trouwens ook de Amerikaanse documentairemaker Roger Ross Williams aan. Hij maakte dit jaar voor CNN een documentaire over ‘Blackface.’ Zwarte Piet, uitgelegd voor Amerikanen.

Nederland is verdeeld, maar dat is deel van het succes

Opiniepeilingen Lees meer over de opiniepeilingen over Zwarte Piet.doen vermoeden dat steeds meer mensen openstaan voor verandering, en steeds meer organisaties voeren die veranderingen ook daadwerkelijk door. Anti-Piet-activisten prijzen zich (voorzichtig) gelukkig.

Maar tegelijk houdt een andere groep zich steeds krampachtiger vast aan de traditionele Zwarte Piet. Zo schreef de pro-Piet-Facebookpagina Pietitie eind november dit jaar:

‘Gelukkig! Voor het eerst in een aantal jaar lijkt de pietendiscussie verzwakt. Zwarte Piet is terug, EN HOE! Louter Zwarte Pieten gezien bij diverse intochten door heel Nederland. (…) Met jullie als volgers hebben wij een duidelijk signaal afgegeven! BEDANKT!’

Zowel de voor- als de tegenstanders claimen dus aan de winnende hand te zijn in dit debat. En misschien hebben ze allebei ook op een bepaalde manier wel gelijk. Die spagaat hoort bij de overgangsfase waarin de kwestie zich nu bevindt, stelt transitiedeskundige Jan Rotmans.

‘In de overgangsfases ontstaat er chaos, een zoektocht naar nieuwe waarden. Het oude werkt niet meer, maar het nieuwe moet zich nog vormen. In de zwartepietendiscussie gaat dat om vragen als: hoe moet Zwarte Piet er dán uitzien? Moeten we mengpieten krijgen? De komende jaren ontstaat er waarschijnlijk een nieuwe status quo.’

Zwarte Piet gaat hoe dan ook verdwijnen

‘Het is veel mensen intussen wel duidelijk dat Zwarte Piet symbool staat voor veel meer dan een onschuldig figuur in een kinderfeest,’ vindt Anousha Nzume. ‘Hij staat echt symbool voor het racismedebat, voor hoe we in Nederland omgaan met donkere mensen.’

‘En dat hebben we helemaal voor elkaar gekregen zonder geld, zonder een kantoor of werknemers of tijd,’ vertelt Devika Partiman van Nederland Wordt Beter. ‘We vergaderen nauwelijks, zien elkaar maar heel weinig. En toch kunnen we, mede dankzij een lullige Facebookgroepschat en WhatsAppgroep, dit samen succesvol doen.’

Zwarte Piet gaat hoe dan ook verdwijnen, voorspelt Partiman. ‘Ik kan niet zeggen hoelang dat nog duurt, maar het gaat gebeuren. Van de politiek zal het niet komen: die gaat geen excuses maken of Zwarte Piet verbieden. We moeten het hebben van de commercie: winkels en televisiezenders die overstag gaan. En van scholen natuurlijk.’

En als die missie geslaagd is?

‘Dan gaan we het hebben over Nederlands’ koloniale verleden,’ zegt Partiman. ‘En over het effect dat dit tot op de dag van vandaag heeft op de wereld en op Nederland. En ik hoop dat de afschaffing van de slavernij écht nationaal herdacht en gevierd gaat worden.’

Voor dit stuk heb ik gesproken met Jerry Afriyie, Roelof Jan Minneboo, Raul Balai, Anousha Nzume, Sunny Bergman, Barryl Biekman, Marlyn Mimi Mau-Asam, Mercedes Zandwijken, Mitchell Esajas, Devika Partiman, Simone Zeefuik en Jan Rotmans.

REEDS IN DE 30ER JAREN VAN DE VORIGE EEUW VERZET TEGEN ZWARTE PIET!

DE GROENE AMSTERDAMMER

IN DE GROENE VAN 1930 VERSCHEEN AL EEN AANKLACHT TEGEN

ZWARTE PIET

2 DECEMBER 2014

https://www.groene.nl/artikel/in-de-groene-van-1930-verscheen-al-een-aanklacht-tegen-zwarte-piet

In april 1930 bracht De Groene een heus Neger-nummer uit – ‘En negers, niets dan negers op de verdere bladzijden. Schrik niet, lezer!’ Een fascinerende read, niet in de laatste plaats omdat er een van de eerste artikelen in staat waarin stelling wordt genomen tegen zwarte piet, De negers in ons huiselijk verkeer.

‘Inderdaad, het debat lijkt ieder jaar steeds eerder te beginnen, maar begon het ooit zo vroeg als in 2012?’ Zo opent het Groene-artikel waarin twee prominente anti-racisme-activisten – Quinsy Gario en Zihni Özdil – worden geportretteerd.

2012 staat, voorzover ik kan nagaan, nog steeds aan kop. Maar een goede tweede lijkt het jaar 1930. In april van dat jaar brengt De Groene een heus Neger-nummer uit – ‘En negers, niets dan negers op de verdere bladzijden. Schrik niet, lezer!’ Ik kwam twee jaar geleden op Twitter ook al wat verwijzingen naar dit nummer tegen, maar realiseerde me toen niet dat het in z’n geheel te downloaden is via het koloniaal archief van de Universiteit van Leiden. Afgelopen weekend kwam het nummer opnieuw onder de aandacht toen schrijfster Usha Marhe erover schreef op haar blog.

Wat de precieze aanleiding is voor het themanummer heb ik niet kunnen achterhalen. Ik hoor het graag als iemand meer weet. Het is in ieder geval een fascinerende read, niet in de laatste plaats omdat er een van de eerste artikelen in staat waarin stelling wordt genomen tegen zwarte piet, De negers in ons huiselijk verkeer. Auteur is Melis Stoke, een pseudoniem waarachter de joodse auteur Herman Salomonson schuilging. In het artikel maakt hij zich tot ‘tolk van vele negers’ en constateert dat zijn tijdgenoten ‘in gebreke zijn gebleven ze (negers) op te nemen in ons huiselijk verkeer’. Het is een heerlijk fel artikel met nog altijd geldige kritiek op de behandeling en representatie van zwarte mensen. Halverwege het stuk haalt Stoke een literair foefje uit en laat hij zogenaamd een Haïtiaanse vriend aan het woord: ‘Stel u voor – schrijft mij een kennis uit Haïti – dat wij de blanke eens met gelijke munt gingen terugbetalen….?’ Hier wordt Stoke niet alleen een ‘tolk van vele negers’, hij wordt er – in literaire zin – daadwerkelijk eentje. En vanuit dat perspectief gaat Stoke nog dieper en feller in op de (racistische) botheid en onnadenkendheid die zo vanzelfsprekend waren in alle geledingen van het Nederland van destijds.

Toevallig herlas ik gisteren een artikel van Anil Ramdas – Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers (1997) – waarin hij Nederlandse literaire auteurs de maat neemt die zwarte Surinamers nog altijd verbeelden als primitieve zinnelijke wezens: ‘Het verre land is niet meer dan een akelig decor waartegen de Nederlander zijn verloren liefdes beweent. Maar wat zijn de tropen zonder sensualiteit, wat heb je aan zwarten zonder erotiek? (…) Juist degenen van wie men mag eisen dat zij over de vaardigheid en het talent beschikken om de onzichtbaren zichtbaar te maken, blijken niet meer te kunnen zien dan wat variaties op hun zelfbeeld. Ze herkennen uitsluitend wat ze al kennen en verbannen het vreemde en het onbekende naar de oorden van vage schimmen of exotische objecten van de lust.’

Vergelijk dat met wat Melis Stoke in 1930 schrijft: ‘O, zeker, er is een strooming in uwe letterkunde die zich meer speciaal richt op de intimiteiten van ons liefdesleven, maar onder deze nieuwsgierigheid kan ik geen hartelijke belangstelling vinden. Wij vormen dus om zoo te zeggen een decor voor u, en aan de tegenstelling van ons uiterlijk en het uwe ontleent ge een kleinzielige en belachelijke superioriteitswaan.’

Aan het slot belandt Stoke bij de passage die hem de afgelopen dagen viral deed gaan op internet: ‘En het behoeft nimmer tot verwezenlijking te komen wanneer ge tijdig van uwe dwalingen mocht terugkeeren, door den neger, een eervoller plaats in uwe belangstelling in te ruimen. En aangezien elk opvoedingssysteem zich richt op een komende generatie, moet u met de kinderen beginnen, door bijvoorbeeld op 5 december a.s. een zwarten Sinterklaas te laten optreden, gediend door een wit knechtje…’

Wat waren de consequenties voor Stoke? Stroomden de hatelijkheden binnen op de redactie van De Groene? Werd hij van oikofobie beticht? Ook dat valt niet meer te achterhalen. Ik ben geneigd te denken dat het in die tijd vooral als een zonderlinge overtuiging werd beschouwd. Er moest iets meer dan tachtig jaar overheen gaan voordat dat soort oproepen meer dan een marginaal tegengeluid werden.

EINDE ARTIKEL

Reacties uitgeschakeld voor Noten 1 t/m 4/Sinterklaasherinnering

Opgeslagen onder Divers