Maandelijks archief: juni 2021

Historicus Piet Emmer, wegpoetser van het Bloed, dat aan de Westerse slavernij kleeft

HISTORICUS PIET EMMER, WEGPOETSER VAN HET BLOED, DAT AANDE WESTERSE SLAVERNIJ KLEEFT

De aankomst van een Nederlands schip met Afrikaanse totslaafgemaakten voor de verkoop, Jamestown, Virginia, 1619. (Hulton Archive/Getty Images) Beeld Getty ImagesDe aankomst van een Nederlands schip met Afrikaanse totslaafgemaakten voor de verkoop, Jamestown, Virginia, 1619. (Hulton Archive/Getty Images)Beeld Getty Images

Foto

De indeling op het schip, iedereen zat ontzettend dicht op elkaar

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-bij-piet-emmer-hadden-de-slaven-een-prima-gelijkwaardig-bestaan-in-de-kolonies~b1338777/

De indeling op het schip, iedereen zat ontzettend dicht op elkaar
https://slavernijnederland.weebly.com/de-reis.html

Geschreven naar aanleiding van zijn artikel:”WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM”

[Vooraf:OPMERKING SCHRIJFSTER ASTRID ESSED Genoemd artikel ”WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM” is gepubliceerd in hetDagblad De Volkskrant, NIET in het Dagblad Trouw, zoals abusievelijk in hetnotenapparaat is vermeldDaarover zal ik in een komende post het Dagblad Trouw mijn excuses aanbieden]


””Alle reukwerken van Arabie kunnen deze misdaden niet uitwissen”Vrij vertaald naar Shakespeare’s Macbeth [slaapwandelende Lady Macbeth,Act 5, Scene 1]
http://www.shakespeare-online.com/plays/macbeth_5_1.html

Vrijwel ieder zinnig mens is het erover eens, dat de transatlantische slavenhandel en de daaruit voortvloeiende slavernij in de Amerika’s [1] een misdaad tegen de menselijkheid is [2], als zodanig genoemd in het Statuut van Rome [3] en in nietmisverstane bewoordingen veroordeeld in de Universele Verklaring voor deRechten van de Mens [4], alsmede in Internationale Verdragen. [5]Nu zullen mijn trouwe en minder trouwe lezers opmerken:Waarom komt Astrid Essed daar nu mee, anno 2021, nu deze MIsdaad ookvan Staatswege officieel is omgezet in jaarlijkse herdenkingen in aanwezigheidvan de Koningin of Koning, ministers, de burgemeester? [6]
Omdat ik recentelijk een artikel heb gelezen, zo ongelooflijk, dat de oren vaneen normaal denkend 21ste eeuws mens daarvan gaan wapperen!Het artikel luidt: ”Wie een beperkte blik op de slavernij wil, spoede zichnaar het Rijksmuseum” Lees zelf lezers, onder noot 7!
Ik moet u wel bekennen, dat ik, als druk schrijvend Bloggertje, mij heb afgevraagd, of ik wel op dergelijke bij elkaar geraapte 17e eeuwse gevaarlijke nonsens[onderstaande een uitleg, waarom ik het gevaarlijke nonsens vind], moetingaan, maar heb tenslotte besloten, dit toch te doen.
In de eerste plaats:
Omdat historicus Piet Emmer er al jarenlang alles aan doet om een van de Zwartste Bladzijden in de Weserse Geschiedenis, te bagatelliseren en vooral in2020 [slim, Coronatijd, mensen hadden wel iets anders aan hun hoofd, dan deze apologeet te attacqueren, met vooral een verwijt naar de media, die hem de ruimte gaven!], actief blijkt te zijn geweest,[8], tot aan het indienen van eenklacht tegen een journalist, die het mijns inziens gerechtvaardigd tegen hem opnam! [9]
In de tweede plaats:Omdat in deze Tijden, nu het fascisme in Nederland helaas steeds meer salonfahig lijkt te worden [10], slavernij en kolonialisme apologeten steeds meer de kans lijken te krijgen [11]Dat is gevaarlijk voor het maatschappelijke denkklimaat, het politieke klimaat, de verhoudingen tussen mensen.
In de derde plaats:Omdat ik het vermoeden heb, dat weinig mensen uit het anti-racistische veldnog de moeite zullen nemen, in te gaan op Emmer’s Gevaarlijke Onzin, hoewel ik wel twee goede en strijdbare stukken ben tegengekomen. [12]Ook in het verleden heeft hij stevige tikken gehad! [13]
Maar goed:
Daarom heb ik toch besloten, op deze wat nevelachtige en toch zonnigeZondagmiddag, de Handschoen op te nemen en Emmer, via zijn artikel, vanrepliek te dienen.Daar zal het niet bij blijven:Ook het Dagblad de Volkskrant ontvangt van mij een Brief op Poten over het geven van  ruimte aan dergelijke kwaadaardige schrijfsels.
TEN AANVAL DUS:
Mijn aanval zal eruit bestaan, dat ik delen uit het artikel [14], die ik relevant vind, citeer, waarna ik er nader op in ga.
WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM [15]

VOORAF:
Ik heb het grootste respect voor het feit, dat steeds meer Nederlandse musea ”dekoloniseren!”Daarmee bedoel iik:Meer aandacht voor het slavernijverleden, het plaatsen van bordjes bijschilderijen van al dan niet ”beroemde” mensen, die een aandeel hadden inde slavernij, het niet meer gebruiken van misleidende historische termen als”Gouden Eeuw” [16]Kortom:Het rechttrekken van de geschiedenis.Ik juich in dit verband de Slavernij tentoonstelling van het Rijksmuseum toe [17], waartegen Emmer in zijn artikel tekeer gaat.
OP NAAR HET ARTIKEL:”Wie een beperkte blik op de slavernij wil, spoede zich naar het Rijksmuseum” [18]
CITAAT 1 HISTORICUS PIET EMMER
”De met veel tamtam aangekondigde en inmiddels geopende tentoonstelling ‘Slavernij’ in het Rijksmuseum typeert de slaven vrijwel zonder uitzondering als zielige underdogs, terwijl veel wetenschappelijke studies van de laatste vijftig jaar keer op keer laten zien dat die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten, nooit heeft bestaan.” [19]
MIJN COMMENTAAR:
Ja en NeeInderdaad:In zoverre geef ik historicus Piet Emmer gelijk, dat wat hij noemt ” die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten” [20] een niet correct Beeldvan de Werkelijkheid zou zijn.Integendeel!Zoals hij als historisch onderzoeker dient te weten [en natuurlijk ook wel weet], is dat er in de Amerika’s en op slavenschepen tal vanslavenopstanden geweest zijn [21], die meer dan duidelijk laten zien, dat de slaven die extreme situatie van onvrijheid en de-humanisering niet over hunkant lieten gaan!Maar wat betreft het ongenuanceerde karakter van de uitspraak van Emmer:”…… terwijl veel wetenschappelijke studies van de laatste vijftig jaar keer op keer laten zien dat die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten, nooit heeft bestaan.” [22]Met het woord ”nooit” gaat hij in de fout.Sowieso moet je oppassen met woorden als ”altijd”en ”nooit”In dit geval is het onzin, omdat wel degelijk situatiesbestonden, waarbij slaven, gede-humaniseerd en gehersenspoeld door de onmenselijke en repressieve behandeling, zich niet zozeer ”naar believen lietenstraffen, vernederen en uitbuiten” [23], maar omdat zij, heel vaak, geen andere keuze hebben.Bovendien bestaat het gevaar, dat bij ontkenning vanhet beeld van de ík citeer Emmer] ”zielige underdog” [24], het onterechte Beeld ontstaat, dat de slaven minderrepressief werden behandeld.Dat is nonsens!Quod erat demonstrandum! [25]Want ware de behandeling ”draaglijk”, vanwaar dan aldie slavenopstanden, getuigenissen zoals van Stedman [26] en ga zo maar door?Maar moet ik dat betogen, anno 2021?Iedereen met een normaal verstand en zeker gezien debeschikbare kennis begrijpt, hoe het leven er moethebben uitgezien van geroofde mensen, als vee verhandeld en gedwongen, zonder loon of vooruitzichtop invrijheidsstelling [manumissies kwamen pas later, vooral vanaf  de 18e eeuw voor] [27], te werken voorde rijkdom van een ander, in casu de witte plantage eigenaar!
CITAAT 2 HISTORICUS PIET EMMER
”De tentoonstelling documenteert slechts een aantal levensgeschiedenissen van slaven en die beperking verhindert dat er een aantal fundamentele problemen aan de orde komen, zoals de vraag waarom de Europeanen voor hun koloniën slaven uit Afrika en Azië haalden en niet uit hun eigen continent en waarom Afrika en Azië in staat bleken in de loop der eeuwen steeds meer slaven te leveren.”
MIJN COMMENTAAR
Met deze uitspraak suggereert historicus Piet Emmer,dat de tentoonstelling een ”eenzijdig beeld” zou geven en de geschiedenis zou scheeftrekken.Niets is minder waar!In de eerste plaats begrijpt de bezoeker ook, dat hier sprake is van een aantal levensgeschiedenissen vanslaven en dat zo licht wordt geworpen ophet slavernijverleden.Maar belangrijker:Hoezo eenzijdig, zoals Emmer suggereertJuist in het VERLEDEN werd er een eenzijdig beeld geschapen!Zo kwam onderwijs over slavernij, in Nederland, zeker op de Lagere School [voorloper van de term ”basisschool] niet of nauwelijks voor [28], standbeeldenvan koloniale moordenaars [kolonisatie ten tijde of na de slavernij] prijkten op pleinen etc, zonder enig kritisch commentaar voorzien, wegbereiders van de slavenhandelzoals Michiel de Ruyter werden als ”helden” vereerd [29] en ga zo maar door!DAT is het scheeftrekken van de geschiedenis meneer Emmer!En dat is decennialang het geval geweest!
En nu er eindelijk aandacht is voor authentieke verhalenvan tot slaafgemaakten zelf, nu er een einde komt aan de Verheerlijking van de Gouden Eeuw, zou dat ineens een”beperking’ zijn? [30]
Het rechttrekken van de geschiedenis, DAT wat het Rijksmuseum terecht doet!Wat het Amsterdam Museum doet, door de term ”Gouden Eeuw” niet meer te gebruiken! [31]
Maar we lezen de rest van het Citaat [2] van Emmer:”De tentoonstelling documenteert slechts een aantal levensgeschiedenissen van slaven en die beperking verhindert dat er een aantal fundamentele problemen aan de orde komen, zoals de vraag waarom de Europeanen voor hun koloniën slaven uit Afrika en Azië haalden en niet uit hun eigen continent en waarom Afrika en Azië in staat bleken in de loop der eeuwen steeds meer slaven te leveren.”Hiermee tracht Emmer de aandacht af te leiden van hetverwerpelijke karakter van de slavernij:Want wat maakt het voor de juiste beoordeling van de slavernijuit. wat voor problemen de slavenhalers, de Europeanendus wat de transatlantische slavernij betreft, hadden bijhet halen van slaven, die in hun kolonieen als wettelijkals Ding werden beschouwd [32], werden geroofd, werden gedehumaniseerd.Of om het groffer te zeggen:Wie kan het ene M schelen, althans bij de belichtingvan de slavernij, waarom niet de ”eigen” ”witte mensen”,die trouwens ook eeuwenlang lijfeigenen geweest zijn [33]niet voor dit beulswerk werden gereserveerd? Ik beschouw trouwens deze Vraagstelling van Emmer alseen manier om de aandacht af te leiden van waar hetwerkelijk om gaat:Het vertellen, vanuit slave narrative oogpunt [34]wat slavernij werkelijk betekende, zodat mensen,van wie het ver staat, zich beter kunnen inleven.
CITAAT 3 HISTORICUS PIET EMMER

Morele oordelen

Bovendien worden zowel de bezoekers van de tentoonstelling als de lezers van de daarbij behorende bundel opstellen voortdurend geconfronteerd met hedendaagse morele oordelen zoals de verontwaardiging over het feit dat de slaven af en toe op zaterdag moesten werken. Pardon, een vrije zaterdag in de 18de en 19de eeuw?” [35]

MIJN COMMENTAAR:

Ik merk, dat ik nu wel nijdig begin te worden.

Want nog los van het wel zeer merkwaardige feit, dat Emmer bezwaar zou hebben tegen het feit, dat in de tentoonstelling gewezen wordt op het verderfelijke

karakter van de slavernij, is er een nog belangrijker punt, dat van de ”hedendaagse morele oordelen” [36]

Want los van het feit, dat het natuurlijk niet ging, om een 

”vrije zaterdag in de 18e en 19e eeuw” [37] [hoe dom

denkt Emmer, dat zijn lezers zijn?], klopt zijn

weergave van de zogenaamde ”hedendaagse morele oordelen” van geen kanten, zoals hij zelf

trouwens toegeeft in een AD interview dd 22 augustus 2020! [38] 

Ook moet hij daarin wel toegeven, dat slavernij ”verschrikkelijk” was [39], al haast hij zich in datzelfde interview te zeggen, dat ”niet iedere plantage een hel 

op aarde was” [40]

Alsof iemand dat ooit gezegd heeft en alsof dat iets afdoet aan het feit, dat je als slaaf de uiterste vorm van 

rechteloosheid had!

Maar terug naar dit artikel:

Emmer heeft het over ”hedendaagse morele oordelen”

[dat Verhaal over die vrije zaterdag neem ik niet serieus].

terwijl hij wijselijk dus niet vermeldt, dat dat, nogmaals,

klinkklare onzin is:

Een aantal predikanten heeft zich in de 17e eeuw,  Eeuw van de Slavernij, actief verzet tegen slavernij en slavenhandel! [41]

Sterker nog:

In de beginperiode van de WIC [West Indische Compagnie] werd de slavernij zelfs op

calvinistische gronden afgewezen! [42]

Over ”hedendaagse morele oordelen” gesproken

CITAAT 4 HISTORICUS PIET EMMER

”Dat slavernij overal in de wereld voorkwam lijkt het Rijksmuseum niet te interesseren, waardoor de bezoeker de indruk krijgt dat de slavenhandel en slavernij voornamelijk Europese erfzonden zijn: ‘In Afrika leefden mensen in de koloniale tijd met de realiteit van mensenhandelaren, nomaden op paarden, die nachtelijke rooftochten organiseerden om mensen te ontvoeren.’ [43]

MIJN COMMENTAAR:

Het Rijksmuseum geeft helemaal geen verkeerde voorstelling van zaken, Emmer doet dat!

Nergens is beweerd, dat slavenhandel en slavernij ”voornamelijk Europese erfzonden zijn”  [44]

Het enige, dat het Rijksmuseum doet, is meer inzicht

geven over de praktijk en de bestialiteit van het systeem

slavernij.

En nergens wordt beweerd, dat slavernij niet ook in Afrika voorkwam.

Maar dat gezegd hebbende:

Is het simpele feit, dat slavernij ook in Afrika en andere

delen van de wereld voorkwam [45] een excuus voor de bestiale mensenroof, de-humanisering, foltering, ontheemding, onteigening en verkrachting van  miljoenen Afrikanen? [46]

Lees over excuses van hele en halve slavernijapologeten

als Emmer ook dit inzichtelijke artikel: ”Twaalf vragen over slavernij, die je maar beter niet had kunnen stellen” [47]

CITAAT 5 HISTORICUS PIET EMMER

Niet gekoloniseerd

Het Rijksmuseum verzwijgt echter dat Afrika ten tijde van de Atlantische slavenhandel helemaal nog niet gekoloniseerd was en dat de ‘rooftochten’ en ‘ontvoeringen’ dus onmogelijk de Europeanen in de schoenen kunnen worden geschoven.

 [48]

MIJN COMMENTAAR

Dat wordt ook niet gedaan, meneer Emmer het ”ontvoeringen” ”in de schoenen van Europeanen schuiven”

Het klopt, inderdaad, dat bij de rooftochten naar slaven, Afrikaanse

slavenhalers een belangrijke rol speelden [49]

Zij kenden het gebied en deden vaak het vuile werk voor de Europese slavenhandelaren.

Maar dat ontstaat de Europese slavenhandelaren absoluut niet van hun misdadige schuld!

Want hoewel aangeleverd door Afrikanen, was dat in

het directe, economische belang van de Europese mensenrovers, die de tot slaaf gemaakten gevangennamen, massaal ontvoerden, de-humaniseerden en onder extreme repressie lieten werken op de respectievelijke plantages!

Of om het te zeggen met de kernachtige bewoordingen van Sander Philipse in zijn artikel ” ”Twaalf vragen over slavernij, die je maar beter niet had kunnen stellen”:

AFRIKANEN WERDEN VAAK VERKOCHT DOOR ANDERE AFRIKANEN.

Correct. Dus?

DUS KUNNEN WE EUROPEANEN NIET SCHULDIG HOUDEN VOOR TRANS-ATLANTISCHE SLAVERNIJ!

Oeh, die ga ik de volgende keer in de rechtszaal gebruiken. “Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan brandstichting want Pietje Bell gaf me de benzine.” Daarnaast valt er nogal wat te zeggen over de rol die Europees kapitaal speelde in het aansporen, uitbreiden en in stand houden van de West-Afrikaanse slavernij.” [50]

CITAAT 6 HISTORICUS PIET EMMER

”Tegen alle logica beweert de directeur van het Rijks, Taco Dibbits in het voorwoord van het magazine voor scholieren Slavernij en nu? dat ‘de arbeiders op de plantages niet betaald’ kregen. Zou hij werkelijk geloven dat de plantagebezitters hun voor veel geld gekochte slaven lieten verhongeren?” [51]

MIJN COMMENTAAR

Moet ik op deze opmerking van Emmer ingaan?

Ik doe het toch maar.

Ik dacht, dat het toch wel algemeen bekend is-en hij als

historicus weet dat natuurlijk dondersgoed, dat de belangrijkste kenmerken van slavernij waren, het feit, dat een slaaf niet als ”mens” werd beschouwd, maar als een

Ding, dat kon worden gekocht, verkocht etc, handelswaar dus [52] EN daaruit voortvloeiende:

Het feit, dat de SLAVEN [Geen ARBEIDERS meneer Emmer, want die worden WEL betaald] NIET werden betaald! [53]

Natuurlijk kregen zij wel te eten, anders konden zij

niet werken!

Maar sinds wanneer is het voeden van slaven, hetzelfde als betaling?

Zie onder noot 54 nog wat extra informatie over de door

Emmer zo verfoeide en door mij toegejuichte tentoonstelling in het Rijksmuseum.

CITAAT 7 HISTORICUS PIET EMMER

Beloning

Niets is minder waar. Zo kregen de slaven van de Surinaamse plantage ‘Catharina Sophia’ in de 19de eeuw weliswaar geen geld, maar gemiddeld 94,57 gulden per jaar aan voedsel en 13,58 gulden aan kleding en huishoudelijke artikelen alsmede huisvesting, het gebruik van een moestuin en medische zorg. [55]

MIJN COMMENTAAR

Emmer spreekt zichzelf tegen

In het citaat 6 schrijft hij

”Tegen alle logica beweert de directeur van het Rijks, Taco Dibbits in het voorwoord van het magazine voor scholieren Slavernij en nu? dat ‘de arbeiders op de plantages niet betaald’ kregen” [56]

Om in citaat 7 te vermelden

”Niets is minder waar. Zo kregen de slaven van de Surinaamse plantage ‘Catharina Sophia’ in de 19de eeuw weliswaar geen geld, maar gemiddeld 94,57 gulden per jaar aan voedsel en 13,58 gulden aan kleding en huishoudelijke artikelen alsmede huisvesting, het gebruik van een moestuin en medische zorg.” [57]

Ontroerend

Maar hiermee geeft Emmer dus toe, wat ieder weldenkend mens al wist, dat de slaven NIET werden betaald.

En ja, hun kleding en voeding kosten nu eenmaal geld he!

Het is zo moeilijk, uitgehongerde slaven en/of slaven, die half de hongerdood sterven, hard te laten werken

En zonder kleding in de verzengende zon werken, wordt ook zo lastig……

CITAAT 8 HISTORICUS PIET EMMER

”In dezelfde tijd verdienden de landarbeiders in Drenthe ongeveer 150 gulden per jaar zonder huisvesting, moestuin en doktershulp. Bovendien wijst de directeur op de Nachtwacht van Rembrandt met daarop een jong kind met een donkere huidskleur en vraagt: ‘En waarom moest hij als kind al werken?’. Is hij niet op de hoogte van het feit dat in Rembrandts tijd en nog velen eeuwen daarna kinderarbeid heel normaal was?” [58]

Ronduit laag vind ik, dat Emmer twee vormen van flagrant onrecht, slavernij en extreme armoede, op

onethische wijze als het ware tegen elkaar uit tracht te spelen.

Wil hij nu beweren, dat de slaven beter af waren dan landarbeiders in Drente, in diezelfde periode!

Verbijsterend.

En dat voor een historicus!

Want hoe gruwelijk ook het uitbuitingssysteem van

landarbeiders in die tijd [trouwens, zowel zij als

slaven waren het slachtoffer van het zelfde roof en uitbuitingsysteem], landarbeiders konden niet gekocht of verkocht worden, ze konden niet verscheept en verhandeld worden, ze werden niet gebrandmerkt, geketend, noem maar op.

Wat onverlet laat, dat hun positie verre van benijdenswaardig was.

Maar Dingen waren zij niet!

En ja, kinderarbeid was gruwelijk en daar stonden zowel

landarbeiderskinderen als slavenkinderen aan bloot, maar een landarbeiderskind kon niet weg van de ouders worden verkocht en verhandeld, hoe gruwelijk ook

de omstandigheden!

CITAAT 9 HISTORICUS PIET EMMER

Bezit

Zonder enig bewijs meldt de tentoonstellingsbundel dat slaven geen bezit mochten hebben. Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan? Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd? ” [59]

MIJN COMMENTAAR [IN TWEE DELEN UITGESPLITST]

DEEL 1

Emmer schrijft:

”Zonder enig bewijs meldt de tentoonstellingsbundel dat slaven geen bezit mochten hebben. Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan?” [60]

[COMMENTAAR ASTRID ESSED]

Er even van uitgaande, dat de informatie van Emmer klopt [ik heb het zo gauw niet kunnen checken], dat er

in de tentoonstellingsbundel wordt beweerd, dat slaven 

geen bezit mochten hebben, het volgende:

In zoverre geef ik Emmer gelijk, dat het niet hebben

van bezit niet in alle tijden en in alle gevallen absoluut was:

Slavernij als systeem sloot het ontvangen van loon 

uit [61], maar er waren inderdaad gevallen bekend, waarbij slaven producten konden verkopen of voor

zichzelf konden werken, waarmee zij inderdaad een 

bescheiden bedrag konden opbouwen. [62]

En inderdaad kon het voorkomen, dat slaven zich zo 

konden vrijkopen [63].

Wat Emmer er echter NIET bij vermeldt in zijn betoog [64], is dat zowel het zichzelf vrijkopen als het hebben van bezit, verkregen door het werken voor zichzelf, alleen mogelijk was met toestemming van de meester. [65], wat natuurlijk voortvloeide door de in wezen

rechteloze positie van een slaaf. [66]

DEEL 2

Emmer schrijft:

”Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd?” [67]

[COMMENTAAR ASTRID ESSED]

Hier denkt Emmer slim te zijn, maar hij is niet

slim genoeg!

Want de bundel ”beweert” niet alleen, dat slaven niet mochten lezen en schrijven [68], dit vrij algemeen bekende feit [onder deskundigen, maar

ook uit overleveringen door nazaten van de slaven],

is door bronnen gestaafd [69], zoals Emmer ongetwijfeld weet, als hij zijn onderzoek tenminste 

goed gedaan heeft [en ik heb geen reden, daaraan te

twijfelen] [70]

Dat dit verbod niet ten allen tijden, en in alle

omstandigheden werd gehandhaafd, is een andere zaak. [71]

De quasi slimme redenatie van Emmer [72] [zie

ook bovenstaande, DEEL 2], schuilt hierin, dat hij

het verbod op lezen en schrijven voor de slaven in

twijfel trekt [73], door ernaar te verwijzen, dat de

zwarte abolitionist Equiano [74], het toch als slaaf geleerd zou moeten hebben.

Ik citeer Emmer, nogmaals:

”Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd?” [75]

Maar wat Emmer hierbij, bewust of niet, uit het oog lijkt te verliezen is, dat er op iedere regel natuurlijk uitzonderingen zijn.

Met andere woorden:

Dat uiteindelijk de meester bepaalt, wat hij wel of

niet met zijn slaven wil doen.

En er zijn nu eenmaal meesters geweest, zoals in

geval van Equiano, maar ook de latere zwarte dichteres,

de eerste poezie publiciste, Phillis Wheatley en Ukawsaw

Gronniosaw, de eerste zwarte publicist in Groot-Britannie, die dit Verbod aan hun laars hebben gelapt. [76]

Dat maakt dat verbod niet minder waar, dat zegt vooral iets

over die meesters.

CITAAT 10 HISTORICUS PIET EMMER

” De slaven waren het eigendom van een ander en ‘daarom kon er juridisch gezien geen sprake van mishandeling of verkrachting zijn’ door de eigenaar.

Waarom zijn er dan processen gevoerd tegen planters, die een slaaf hadden gemarteld of gedood?” [77]

MIJN COMMENTAAR

Hierin heeft Emmer ja en nee gelijk.

Ja, wat betreft de processen tegen planters [slavenhouders]

Er is inderdaad sprake [en dan beperk ik mij hier tot Suriname] van tegen planters [slavenhouders dus] gevoerde processen wegens mishandeling van slaven.

Zo was er een proces tegen een juffrouw Pieterson en

een mevrouw Mauricius. [78]

Ook tegen anderen zijn processen gevoerd [79]

Maar daar moet WEL bij gezegd worden, dat de mishandelingen byzonder extreem waren en overweging was natuurlijk onrust in de kolonie

en de vrees, dat de slaven zouden ontvluchten.

Ik citeer uit ”Wij, Slaven van Suriname” van onafhankelijkheidsstrijder en verzetsman Anton de Kom [80]:

” De slaven van mevrouw Mauricius deelden nu aan het Koloniale Hof mede, dat zij weg zouden loopen wanneer de gouverneursweduwe niet uit het beheer der plantage ontzet werd. Inderdaad probeerde het Hof haar over te halen om de plantage voortaan door een administrateur te doen beheeren, ‘omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde’, maar mevrouw

  Mauricius gaf te kennen, dat de heerschappij over haar eigendom door niemand beter gevoerd kon worden dan door haar zelve.” [81]  

Nee

Wat Emmer er echter NIET bij vertelt [vandaar dat ”nee”

hier] is, dat aan dergelijke processen nauwelijks consequenties voor de planters [slavenhouders] waren

verbonden:

Zo kreeg genoemde juffrouw Pieterson volop gelegenheid de kolonie Suriname te ontvluchten, voordat er uberhaupt sprake was van een veroordeling [82]

en was er in geval van genoemde mevrouw Mauricius slechts sprake van een ”vermaning”, haar plantage door een administrateur te laten beheren. [83]

Dus Ja en Nee, meneer Emmer, er werden inderdaad processen tegen slavenhouders gevoerd [84], maar bij zeer extreme gevallen, waarbij kans op oproer en ontvluchting van slaven een rol speelden [85], en zonder

noemenswaardige consequenties voor de slavenhouders. [86]

CITAAT 11 HISTORICUS PIET EMMER

”Dat de tentoonstelling geen wetenschappelijk, maar een activistisch karakter draagt blijkt ook uit de constatering dat de Europese slavenhandelaren slaven ‘tot object’ maakten. Deden hun Afrikaanse en Arabische collega’s dat dan niet? Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?”

MIJN COMMENTAAR

Meneer Emmer, uw ”Afrikaanse/Arabische slavenhandelaars” mantra valt mij tegen!

Van een wetenschapper mag toch verwacht worden,

dat hij is uitgegroeid boven het niveau van ”zij deden het ook” [87], wat velen het laatst op de kleuterschool zeiden.

Want WAS er Afrikaanse en Arabische slavenhandel?

JA, dat is een algemeen bekend feit. [88]

Ik wil zelfs zo ver gaan om te beweren, dat zonder hulp

van Afrikaanse slavenophalers en het verschijnsel

van Afrikaanse slavernij [89], het voor Europese handelaren heel moeilijk geworden zou zijn, een verderfelijk succesvolle onderneming als de transatlantische slavenhandel op te zetten! [90]

Het is dan in dit verband ronduit verbijsterend, de laatste zin van Citaat 11 te lezen:

”Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?”” [91]

Ieder zinnig, rationeel denkend mens, dat uitgaat

van de eigen verantwoordelijkheid voor de eigen daden en misdaden op conto van de daders schuift, waar ze thuishoren,  zal deze wijze van redeneren niet alleen

belachelijk vinden, maar ronduit verachten!

Schrijfster dezes uiteraard dus ook!

CITAAT 11 HISTORICUS PIET EMMER

”Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat alleen Afrikaanse handelaren bepaalden hoeveel man-, vrouw- en kindslaven te koop werden aangeboden. Zelfs de plantageklok, die ’s morgens het begin van de werkdag aankondigde, is volgens het Rijksmuseum een symbool van uitbuiting en geweld. Maar zou dat instrument net als in Europa geen middel zijn geweest om de efficiency en daarmee de winst te verhogen, waardoor de slaven meer loon konden afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?” [92]

MIJN COMMENTAAR

Zoals schrijfster dezes reeds opmerkte, is het wat betreft de Westerse verantwoordelijkheid voor de misdaad, die transatlantische slavenhandel en slavernij

was, van geen enkele betekenis, of alleen Afrikaanse handelaren bepaalden hoeveel man-, vrouw- en kindslaven te koop werden aangeboden, of niet.

Hun aandeel is kwalijk, zonder meer, zoals iedere vorm

van slavenhandel en slavernij  [noot 93 met een artikel van Emmer, laten we fair zijn], maar kan niet als vergoeilijking, bagatellisering of welke vorm van 

apologie gebruikt worden voor de Westerse misdaad:

Transatlantische slavenhandel en slavernij.

De Westerse handelaren waren geen passieve actoren,

die alles overkwam, maar hadden een duidelijke VRAAG, zoveel mogelijk gezonde slaven om in

de meest maximale zin uit te buiten, en kregen het AANBOD geleverd van Afrikaanse en ook Arabische handelaren. [94]

Het is dus belachelijk, hen [de Europese handelaren]

op deze rare Emmer manier te ontslaan van hun verantwoordelijkheid.

En dan de laatste zin van Citaat 11

”Maar zou dat instrument [de plantageklok, zie bovenstaande gehele Citaat 11] net als in Europa geen middel zijn geweest om de efficiency en daarmee de winst te verhogen, waardoor de slaven meer loon konden afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?’ [95]

Net als in Europa, meneer Emmer?

Er was geen slavernij meer in Europa, na de late Middeleeuwen. [96]

Een ”middel om de efficiency en daarmee de winst te verhogen, waardoor de slaven meer loon konden afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?”

In de eerste plaats ONTVANGEN de slaven geen loon, dat is het kenmerk van slavernij immers [97]

In de tweede plaats:

“loon afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?”

Eten, medische verzorging en betere huisvesting IS geen loon.

In de derde plaats:

Tijdens de slavernijperiode werd er maar zeer weinig ”afgedwongen” tenzij de slavenhouders/het

koloniale Bestuur bang was voor oproer en opstand.

CITAAT 12 HISTORICUS PIET EMMER

”Wie hoopt dat de tentoonstelling hem of haar op de hoogte brengt van de laatste wetenschappelijke inzichten hoeft het Rijksmuseum niet te bezoeken, maar wie zijn stereotiepe opvatting over de slavenhandel en slavernij bevestigd wil zien, komt in het Rijksmuseum ruimschoots aan zijn trekken.” [98]

MIJN COMMENTAAR

Het getuigt van morele moed, dat het Rijksmuseum, evenals het Amsterdam Museum [99] heeft besloten

niet meer weg te kijken, waarmee onbedoeld het slavernijverleden werd gebagatelliseerd, maar de misdaad van de slavernij te benoemen en te

beschrijven in een tentoonstelling, waarbij 10 slave narratives centraal staan. [100]

Degene, die hier een beperkte, verdraaide en gebagatelliseerde kijk heeft op Neerlands slavernijverleden is historicus Piet Emmer zelf.

En vrijwel iedereen, die mijn bovengenoemde weerlegging

van Emmer’s ”argumenten” met aandacht heeft gelezen [en de noten heeft geraadpleegd] zal dat met schrijfster dezes eens zijn.

Maar nog een bewijs van de apologetische en bijna bizarre wijze van redeneren van Emmer:

EMIGRATIE:

LAATSTE CITAAT HISTORICUS PIET EMMER

[ARTIKEL IN AD]

”’Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is. Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten. Toch verweten mijn critici dat ik slavernij gelijk stelde aan een vakantiereis. Onzin. Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.” [101]

MIJN COMMENTAAR

Ja lezers, u leest het goed.

Dit heb ik niet verzonnen.

Emmer zegt dit in een interview in het AD, getiteld ” ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS” [102]
Hoewel iedere zin gevaarlijke en verderfelijke nonsens uitademt, neem ik toch de moeite, hierop in te gaan.Want Emmer vergelijkt:Geroofde en ontvoerde Afrikanen met vrije migranten, wat de ruimte, die zij op de respectieve vervoersmiddelen [slavenschip versus vliegtuig] hebben.Dat al is een GOTSPE, omdat het qua situatie een absurde vergelijking is.Emmer vergelijkt ook:De situatie van geroofde en ontvoerde Afrikanen opeen slavenschip met die van [pauper]Europese  landverhuizers naar veelal de Verenigde Staten.Qua ruimte dan.
Ik hoef niemand uit te leggen, dat iedere vergelijking tussen geroofde tot slaaf gemaakten enerzijds en vrije migranten en vrije landverhuizers, hoe verpauperd ook, verderfelijk mank gaat.
Toch doe ik het:
Eerst de vrije migranten:
[Citaat Emmer herhaald]
”’Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is” [103]
[COMMENTAAR ASTRID ESSED]
Ten eerste gaat het om de tegenstelling tot slaaf gemaakten en vrije migranten
Dat is een wereld van verschil en Joost mag weten,waarom Emmer een vrije en onvrije situatie in een vergelijking betrekt.Ten tweede:Het vervoer in een economy class mag krap zijn, opeen slavenschip onmenselijk:Welke slaaf werd door een stewardess bediend, met eenselectie aan eten, kranten, films?Welke vrije migrant werd of wordt geketend vervoerd,wordt het vliegtuig uitgesmeten, als hij/zij ziek is, welke vrouwelijke migrante wordt aan boord van het vliegtuig verkracht door de bemanning? [104]Want DAT was de realiteit op een slavenschip,Slaven waren immers koopwaar, ”dingen”, en aanzieke koopwaar had je niets!
De landarbeiders:
Weer citeer ik Emmer
”Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.” [105]En weer zeg ik tegen Emmer:Waren die landverhuizers geroofd, werden ze geketendvervoerd, werden hun vrouwen door de bemanningverkracht, werden ze overboord gegooid, als ze ziek waren? [106]Natuurlijk waren hun reisomstandigheden bepaald niet ideaal [107], maar hoe durft u, meneer Emmer, hen en hun reisomstandigheden in een adem te noemenmet geroofde Afrikanen?
Welke migrant werd verkocht bij aankomst?Welke landverhuizer werd verkocht?
Dit citaat van Emmer getuigt wel van weerzinwekkende lef:
”Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten” [108]Is dit het enige verschil, dat Emmer wenst te noemen?
En dat voor een historicus, een wetenschapper, die heel goed weet, hoe de omstandigheden op een slavenschip waren, dat slaven werden geketend, verkracht, overboord gegooid, als Dingen werden behandeld…. [109]
Het zegt wel genoeg over Emmer….

Epiloog:
De Mantra’s van historicus Emmer hoeven nietherhaald te worden:
Niet iedere plantage was een Hel op Aarde [110]Er was ook Afrikaanse en Arabische slavernij enslavenhandel [111]Landarbeiders in Drenthe hadden het ook slechten kinderarbeid kwam niet alleen bij slaven voor, maarook in Drenthe en de rest van Nederland [112]Slaven kregen weliswaar geen geld, maar kleding en voedsel [113] En tenslotte vergelijkt hij de overtocht vanslaven met die van vrije migranten [wat zit je krap in deeconomy class…] en Europese landverhuizers… [114]
Al zijn apologetische en vergoeilijkingsredenen heeftschrijfster dezes in bovenstaand Betoog ontkracht.
Want het belangrijkste wordt door Emmer genegeerd:Ook al zullen er weleens slavenhouders geweest zijn,die hun slaven relatief beter behandelden, of toestonden te leren lezen en schrijven [115], de essentie was en bleef, dat slaven EIGENDOM waren.Een redelijke slavenhouder vandaag kon de slaaf, zonderenige controle over zijn lot, morgen verkopen aan eenmeester, die hem doodwerkte, mishandelde, etc.Vrouwen en kinderen konden verkocht worden, samen ofapart, met of zonder man en vader, etc.
Het niet kunnen beschikken over je eigen lichaam, leven, toekomst etc, DAT was het misdadige en daaruit kwam alle andere onderdrukking en misdadigheid voort.
Dus meneer Emmer, hoezeer u het ook wiltverbloemen:”Alle reukwerken van Arabie kunnen deze misdadenniet uitwissen. ” [116]
Astrid Essed
ZIE VOOR NOTEN
1 T/M 116
https://www.astridessed.nl/noten-1-t-m-116-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

OF

NOTEN 1 T/M 15
https://www.astridessed.nl/noten-1-t-m-15-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 16 T/M 30
https://www.astridessed.nl/noten-16-t-m-30-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 31 T/M 50

NOTEN 51 T/M 70
https://www.astridessed.nl/noten-51-t-m-70-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 71 T/M 90

NOTEN 91 T/M 116

Reacties uitgeschakeld voor Historicus Piet Emmer, wegpoetser van het Bloed, dat aan de Westerse slavernij kleeft

Opgeslagen onder Divers

Noten 1 t/m 116 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

NOTEN 1 T/M 15
https://www.astridessed.nl/noten-1-t-m-15-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 16 T/M 30
https://www.astridessed.nl/noten-16-t-m-30-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 31 T/M 50
https://www.astridessed.nl/noten-31-t-m-50-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 51 T/M 70
https://www.astridessed.nl/noten-51-t-m-70-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 71 T/M 90
https://www.astridessed.nl/noten-71-t-m-90-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

NOTEN 91 T/M 116
https://www.astridessed.nl/noten-91-t-m-116-bij-historicus-piet-emmer-en-de-westerse-slavernij/

Reacties uitgeschakeld voor Noten 1 t/m 116 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 91 t/m 116 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[91]
 ”Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[92]

””Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat alleen Afrikaanse handelaren bepaalden hoeveel man-, vrouw- en kindslaven te koop werden aangeboden. Zelfs de plantageklok, die ’s morgens het begin van de werkdag aankondigde, is volgens het Rijksmuseum een symbool van uitbuiting en geweld. Maar zou dat instrument net als in Europa geen middel zijn geweest om de efficiency en daarmee de winst te verhogen, waardoor de slaven meer loon konden afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?’

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[93]

HISTORIEK

WAAR HAALDEN NEDERLANDERS HUN SLAVEN VANDAAN?

GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVENHANDEL 

PIET EMMER

14 DECEMBER 2019

WAAR KWAMEN DE SLAVEN VANDAAN?

De meeste Nederlanders waren helemaal niet geïnteresseerd in de vraag waar de slaven in Afrika precies vandaan kwamen. De Afrikaanse handelaren leverden slaven, punt uit. Geen van de Nederlandse slavenhalers heeft ooit geprobeerd zelf Afrikanen tot slaaf te maken. Incidenteel kidnapten ze wel eens een vrije Afrikaan, maar de gevolgen daarvan waren meestal rampzalig. Om die reden werden de Nederlandse slavenschepen soms maandenlang geboycot door de Afrikaanse makelaars, als er een van hun collega’s verdwenen was. Een keer werd zo’n gekidnapte Afrikaan zelfs op een plantage in de West achterhaald, vrijgekocht en naar Afrika teruggebracht om de slavenhandel in hemelsnaam niet in gevaar te brengen. Gallandat, een Zeeuwse scheepsarts, sloeg met zijn beschrijving de spijker op de kop:

“Vele menschen zijn van gedachten dat onder de negers de ouders hunne kinderen, de mannen hunne vrouwen verkoopen en ook de eene broeder den anderen; doch dit zijn enkel verdichtselen en vertellingen, welke van alle waarheid ontbloot zijn. Men kan immers licht begrijpen dat steden, koninkrijken of gemenebesten, waarin soortgelijke handel plaats zoude hebben onmogelijk bestaan kunnen, doch men laat zelden zijne gedachten zoo verre gaan; men is meer genegen om deze vertellingen blindelings voor waarheid aan te nemen dan zich moeite te geven om de bestaanbaarheid daarvan te onderzoeken.”

Hoe een Afrikaan slaaf kon worden is pas in de loop van de negentiende eeuw onderzocht. De Duitse taalkundige Kölle kreeg van de Engelse autoriteiten toestemming onderzoek te doen onder de slaven die waren aangetroffen op illegale slavenschepen en die door de Engelse marine naar Sierra Leone waren gebracht. Uit zijn onderzoek bleek dat ongeveer 35 procent van de slaven vroeger krijgsgevangen was geweest, 30 procent was gekidnapt, ongeveer 5 tot 10 procent was door de familie als slaaf verkocht en iets meer dan 10 procent was door een rechtbank tot slaaf veroordeeld.

Onze Zeeuwse scheepsarts had het dus aardig bij het rechte eind toen hij zijn lezers in Nederland uitlegde

Bij de Guineesche negeren worden de voornaamste misdaden met boeten gestraft; doch bij gebrek aan betalinge worden de misdadigers aan de schepen tot slaven verkocht. De onvermogende schuldenaars of die niet betalen willen, worden ook volgens hunne wetten tot slaven verklaard. Echter worden deze zelden aan de Europeanen verkocht, zij houden ze tot hun eigen gebruik of worden in ’t land bewaard op hope dat zij door hunne vrienden gelost [vrijgekocht] worden. Het grootste aantal der negeren, welke aan de schepen worden verkocht, zijn geboren slaven of die in de oorlog gevangen zijnde, vervolgens alle tot slaven gemaakt worden. Eertijds waren zij gewoon een aanmerkelijk getal dezer laatsten te dooden doch sedert de slavenhandel plaats heeft is het een algemeen gebruik geworden om allen, zodra mogelijk, tot voordeel te verkoopen.”

Op de belangrijkste vraag wist Gallandat echter geen antwoord te geven: waarom lieten de Afrikanen zoveel slaven gaan? Was Afrika overbevolkt? Had Afrika deze gedwongen emigranten niet beter zelf kunnen gebruiken? De gemiddelde Nederlandse slavenhandelaar was niet geïnteresseerd in zulke vragen zolang de slavenstroom maar bleef vloeien. Kwam hij aan op de Afrikaanse kust en was het aanbod wat minder, dan lag dat aan de buitenlandse concurrentie. Tegen het einde van de achttiende eeuw wezen de tegenstanders erop dat het aanbod van slaven wel eens uitgelokt kon worden door de vraag en dat bovendien het aantal oorlogen tussen de Afrikanen onderling was toegenomen om zo aan meer slaven te komen. De Europeanen zouden zulke oorlogen graag aanwakkeren door onbeperkt vuurwapens en buskruit te leveren.

Het is niet makkelijk al deze opmerkingen naar waarde te schatten, omdat elk argument gebruikt is voor een politiek doel en niet om de historische werkelijkheid te achterhalen. Bekend is dat Gallandat z’n Nederlandse lezers gerust wilde stellen en er daarom de nadruk op legde dat de slavenhandel en de slavernij in Afrika een lange geschiedenis hadden, die in ieder geval terugging tot ver vóór de tijd waarop de Europeanen op het toneel verschenen. Volgens de dokter hield de verkoop van slaven aan de Europeanen voor de betrokkenen een verbetering in, want in Afrika zouden de meeste slaven toch gedood worden. Precies andersom redeneerden de tegenstanders van de slavenhandel. Zij wilden het publiek niet geruststellen, maar juist aansporen tot actie. Vandaar hun bewering dat de Europese slavenhalers eigenlijk oorlogshitsers waren, die Afrika in het verderf stortten en dat de slavenhandel zonder de plantages in de Nieuwe Wereld niet zou hebben bestaan.

De waarheid ligt, zoals gebruikelijk, ergens in het midden, hoewel er tot op de dag van vandaag nog steeds enige onzekerheid heerst over deze kwesties. In Afrika bestaan er immers geen archieven vol met informatie zoals in Europa. Daardoor weten we vrijwel alles over de Europese kant van de slavenhandel en over de slavernij in de Europese koloniën, maar blijft de Afrikaanse kant in nevelen gehuld. Wel is duidelijk dat er in Afrika vele miljoenen slaven waren en dat de omvang van de slavernij per gebied sterk verschilde. West-Afrika was een regio met zeer veel slaven, misschien maakten zij wel een derde tot de helft van de bevolking uit! Sociaal gezien was het bezit van slaven zeer ongelijk verdeeld. Arme Afrikanen hadden geen slaven, maar koningen, edelen en rijke handelaren bezaten er soms vele duizenden. Hoe meer slaven, hoe belangrijker de eigenaar. Net als in Europa werden koninklijke en adellijke huishoudens niet alleen gemeten naar de omvang en pracht van hun behuizing, maar ook naar het aantal bedienden.

Naast huisslaven telde Afrika ook veel slaven in de landbouw. Ze bewerkten het land, maar zij konden de opbrengst van hun werk niet zelf houden en dienden een deel daarvan af te dragen aan hun meester. Verder was er in Afrika geen emplooi voor slaven. Er bestonden nauwelijks ondernemingen in de landbouw, de mijnbouw of de nijverheid, waar de massale inzet van slaven zou renderen. In Afrika produceerden de slaven min of meer de waarde van hun eigen levensonderhoud, veel meer zat er niet in. Geen wonder dat de Afrikanen zelf niet bereid waren veel voor slaven te betalen.

Deze situatie verklaart waarom het voor de Afrikaanse slavenbezitters al snel aantrekkelijk was om slaven te verkopen aan Arabische en Europese slavenhandelaren. Die boden veel hogere prijzen dan de Afrikaanse handelaren. Natuurlijk bleef de interne Afrikaanse slavenhandel wel bestaan. Een groot deel van Afrika was nu eenmaal te ver van de kust gelegen om slaven te leveren voor de export. Dit alles wijst erop dat de Nederlanders en de andere Europese handelsnaties de slavenhandel in Afrika niet hebben uitgevonden, maar dat zij de omvang van die handel wel hebben vergroot. Toch maakten de tien of twaalf miljoen Afrikanen die met Europese schepen werden weggehaald, niet eens de helft uit van het aantal slaven dat in diezelfde periode binnen Afrika werd verhandeld en dat via de Arabische karavaan- en scheepvaartroutes Oost-Afrika verliet.

De economie mag dan verklaren waarom er slaven uit Afrika werden geëxporteerd, deze wetenschap geeft ons echter geen antwoord op de morele vraag: waarom maakten de Afrikanen elkaar tot slaaf en waarom verkochten ze elkaar? Een deel van het antwoord op deze vraag is simpel: er bestonden geen ‘Afrikanen’ evenmin als ‘Europeanen’ trouwens. Afrikanen verkochten elkaar niet, maar de ene natie verkocht onder bepaalde voorwaarden leden van een andere natie. In die tijd (en niet alleen toen) hadden de Europeanen evenmin het gevoel als Europeanen onderling oorlog te voeren. De Fransen vochten met de Engelsen en de Pruisen met de Russen en ga zo maar door. Net als de Afrikanen waren de Europeanen er heilig van overtuigd dat ze hemelsbreed van elkaar verschilden.

Nu echter de moeilijkste vraag: waarom waren er in Afrika slaven? Om die vraag te beantwoorden moeten we buiten ons culturele kader treden. Overal, behalve in West-Europa, was slavernij letterlijk de gewoonste zaak van de wereld. In Oost-Europa bestond er ook nog volop slavernij, zelfs nog anderhalve eeuw geleden. West-Europa vormde een rare uitzondering, een slavenloze enclave in een wereld vol slaven. De slavernij en de slavenhandel in Afrika waren dus gewone instituties en geen exotische ontsporingen van de Afrikaanse moraal. Zo gezien is het beter te vragen waarom er in West-Europa geen slaven waren dan ons steeds te verbazen over de slavernij in Afrika. Vergelijken we West-Europa met andere delen van de wereld, dan is juist de vrije arbeidsmarkt exotisch, niet het ontbreken ervan. In Afrika, Indiaans Amerika en Azië konden vele belangrijke economische activiteiten alleen met slaven worden uitgevoerd. Havens, schepen, mijnen en plantages werden in die werelddelen alle door slaven bemand. Gek genoeg gebeurde dat in West-Europa niet. Meestal was dat geen probleem, omdat er voldoende aanbod was van jonge, arme mannen en vrouwen. Soms waren er echter onvoldoende vrijwilligers zoals de planters in tropisch Amerika moesten ervaren. In zo’n geval hadden de West-Europese landen er in economisch opzicht verstandig aan gedaan de slavernij in te voeren; armen, landlopers, krijgsgevangenen en strafgevangenen waren er genoeg. De West-Europese cultuur verbood nu eenmaal dat de ‘eigen soort’ tot slaaf werd gemaakt. De daarmee verbonden economische nadelen nam men op de koop toe.

Met de bevolkingsdichtheid heeft het verschijnsel slavernij niets te maken, zoals wel eens is gesuggereerd. Delen van Azië waren net zo dichtbevolkt als West-Europa en toch bestond daar volop slavernij. Het slavenloze West-Europa was in de toenmalige wereld uniek. Net zo uniek als de keuze van de westerse wereld om op den duur af te zien van kinderarbeid en lijfstraffen. Vandaag de dag noemen we zo’n keuze ‘culturele voorkeur’. Dat lijkt mooi, nobel en fijngevoelig, maar het verbod Europeanen tot slaaf te maken was dat niet, want daardoor haalden de Europeanen zonder veel gewetenswroeging vele miljoenen slaven uit Afrika. Van begin af aan heeft het Europese racisme de slavenhandel met Afrika mogelijk gemaakt en het is niet zo dat de slavenhandel op den duur dat racisme in Europa heeft doen ontstaan.

Dit alles maakt duidelijk dat de verkoop van krijgsgevangenen in Afrika niet het gevolg was van de Europese slavenhandel. Die praktijk bestond al lang voordat de Europeanen naar Afrika kwamen en ze bleef bestaan nadat de Atlantische slavenhandel was afgeschaft. Onduidelijk is of de komst van de Europese slavenhalers en de daardoor gestegen vraag naar slaven het aantal oorlogen in Afrika nu echt heeft doen toenemen. Er zijn uit de Afrikaanse geschiedenis geen oorlogen bekend waarbij het de aanvallende partij er uitsluitend om te doen was om slaven te maken voor verkoop aan de Europeanen. Het uitbreken van conflicten in Afrika berustte steeds op een veelvoud van factoren. De uit Europa afkomstige vuurwapens speelden daarbij in ieder geval geen doorslaggevende rol. Ondanks al die schepen vol met wapens bleef het aantal geweren in Afrika relatief klein in vergelijking met West-Europa en Noord-Amerika, terwijl de kwaliteit vaak bijzonder slecht was. Veel van de geweren die naar Afrika werden geëxporteerd, waren trouwens tweede- of derdehands afleggertjes. Er is al op gewezen dat we ons geen overdreven voorstelling moeten maken van het gebruik van de geweren en buskruit in de tropen. Afrikanen wilden hun slaven wel graag ruilen voor Europese vuurwapens, maar dat was omdat die geweren allereerst als statussymbool dienden zoals een mooi gepoetst, maar volstrekt nutteloos steekzwaardje nog steeds tot het galatenue van een Nederlandse marineofficier behoort.

Al deze argumenten, tegenargumenten en nuanceringen maken de historicus moedeloos. Het blijkt vrijwel onmogelijk de nadelige gevolgen van Europese slavenhandel klip-en-klaar vast te stellen. De Afrikanen hebben geen geschreven overheidsadministraties, kronieken, memoires of dagboeken, waaruit eindelijk duidelijke conclusies kunnen worden getrokken. Het enige wat met zekerheid valt te zeggen is dat zonder Europese slavenhandel het aantal slaven in tropisch Afrika nog wat groter zou zijn geweest dan al het geval was en dat ook de slavenhandel binnen Afrika en naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten dan omvangrijker zou zijn geweest. Uitspraken over andere effecten zijn speculaties.

Datzelfde geldt ook voor alle beweringen over de precieze geografische herkomst van de slaven. De Europese en dus ook Nederlandse slavenhalers kochten de slaven in op bepaalde kustgedeelten. Dat betekende helemaal niet dat de daar gekochte slaven ook in die streek geboren en getogen waren. Vele binnenlandse regio’s in Afrika leverden slaven, die dan door de handelaren werden gedwongen naar de kust te lopen. In de begindagen van de slavenhandel was het herkomstgebied van de slaven meestal niet meer dan een paar dagmarsen van de kust verwijderd, maar in de loop van de achttiende eeuw, toen de vraag explosief toenam, werd het rekruteringsgebied steeds groter. Daardoor stegen de kosten voor de slavenhandelaren voortdurend. De slavenkaravanen konden op de lange weg naar zee overvallen worden, er moest tol worden betaald aan de vorsten door wier gebied men trok en er moesten overnachtingsplaatsen, voedsel en bewaking worden georganiseerd. Zulke kosten dreven de prijs van een slaaf op de Afrikaanse kust snel op, maar de kopers in de Nieuwe Wereld en dus ook de Nederlandse slavenhalers betaalden zonder veel protest.

Hoewel het onmogelijk is van iedere slaaf te zeggen waar hij of zij precies vandaan kwam, is het niet moeilijk aan te geven waar de Nederlandse slavenschepen hun slaven inkochten. Dat staat keurig opgetekend in de scheepsadministratie. In het begin, tot 1650, waren dat twee gebieden: de kust van Guinee en Angola. Na 1650 kwamen daar de Slavenkust en Biafra bij en in de achttiende eeuw kochten de Nederlanders ook slaven op de Goud- en Ivoorkust. De kapiteins van de slavenschepen kregen vaak uitvoerige instructies mee over de plaatsen, waar ze hun slaven moesten inkopen. De rederijdirecties hadden de indruk dat de planters bijvoorbeeld meer wilden betalen voor slaven van de Goudkust dan uit Biafra of Angola. Blijkbaar konden de Goudkustslaven harder werken dan hun lotgenoten uit andere regio’s van Afrika. Daar dienden de kapiteins bij hun inkoop rekening mee te houden. In de praktijk kochten de kapiteins echter slaven waar ze maar werden aangeboden en waar de prijs hun het beste voorkwam. Daarbij zullen ze ongetwijfeld gedacht hebben dat de planters aan de andere kant van de Atlantische Oceaan toch niet in staat waren vast te stellen waar al die slaven nu precies vandaan kwamen. Alleen in het boek van de Nederlandse opperkoopman te Elmina, Bosman, wordt een tipje van de sluieropgelicht:

‘De opkopers [van slaven] trekken soms wel driehonderd kilometer het land in, waar zij alle markten afgaan, want U moet weten dat ze hier mensenmarkten hebben, zoals bij ons met beesten het geval is.’

PIET EMMER

EINDE ARTIKEL

[94]

”De Europeanen sloten dan ook aan bij een al zeker zes eeuwen bestaand netwerk van Arabische slavenhandel. De slaven werden aangeleverd door Afrikaanse en Arabische handelaren en door de Europeanen naar Amerika gebracht.”

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL/AANVANGSCONDITIES

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel#Aanvangscondities

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel

[95]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[96]

”Slavernij zou blijven bestaan tot in de late middeleeuwen, toen pauselijke decreten het tot slaaf maken van christenen verboden.”

WIKIPEDIA

GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ/SLAVERNIJ IN

DE LAGE LANDEN

https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij#Slavernij_in_de_Lage_Landen

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij

”In 1315, Louis X issued an edict effectively abolishing slavery within the Kingdom of France,[16] having proclaimed that “France signifies freedom”, that “as soon as a slave breathes the air of France, he breathes freedom”[17] and therefore that any slave setting foot on French soil should be freed”

WIKIPEDIA

LOUIS X OF FRANCE/ABOLITION OF SLAVERY AND SERFDOM

https://en.wikipedia.org/wiki/Louis_X_of_France#Abolition_of_slavery_and_serfdom

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

LOUIS X OF FRANCE

https://en.wikipedia.org/wiki/Louis_X_of_France

[97]

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[98]

”Wie hoopt dat de tentoonstelling hem of haar op de hoogte brengt van de laatste wetenschappelijke inzichten hoeft het Rijksmuseum niet te bezoeken, maar wie zijn stereotiepe opvatting over de slavenhandel en slavernij bevestigd wil zien, komt in het Rijksmuseum ruimschoots aan zijn trekken.”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[99]
ADAMSTERDAM MUSEUM DOET TERM ”GOUDE EEUW” IN DE BAN13 SEPTEMBER 2019
https://www.ad.nl/binnenland/amsterdam-museum-doet-term-gouden-eeuw-in-de-ban~af311bb8/#:~:text=Het%20Amsterdam%20Museum%20gebruikt%20de,waar%20de%20collectie%20wordt%20getoond.

Het Amsterdam Museum gebruikt de term ‘Gouden Eeuw’ niet meer omdat die de lading niet dekt. De komende tijd gaat het museum de aanduiding verwijderen van alle uitingen en op alle locaties waar de collectie wordt getoond. 

Zo verandert het Amsterdam Museum bijvoorbeeld de titel van de permanente tentoonstelling die het verzorgt in de Hermitage. Hollanders van de Gouden Eeuw wordt dan Groepsportretten van de zeventiende eeuw.

Volgens Tom van der Molen, conservator van het museum, is de term ‘Gouden Eeuw gekoppeld aan nationale trots en worden ,,de vele negatieve kanten van de zeventiende eeuw als armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel’’ genegeerd.

Het Amsterdam Museum geeft aan dat het een plek wil zijn die voor iedereen relevant is en waar alle mensen zich welkom voelen. ,,Daarom geeft het Amsterdam Museum ruimte aan mensen en verhalen die nog niet of onvoldoende gehoord worden.’’ 

Andere kanten

Minister Ingrid van Engelshoven vindt het goed om alle kanten van de Nederlandse geschiedenis te belichten, maar de geschiedenis kan niet worden herschreven. De minister lijkt weinig te voelen voor het veranderen van de naam, maar onthoudt zich van een ferm oordeel. ,,Ik vind niet dat de minister van Cultuur zich moet bemoeien met hoe een museum iets benoemt”, aldus Van Engelshoven. Ze vindt het wel goed dat ook de “andere kanten van de Gouden Eeuw” worden beschreven.

Op 29 september is er een symposium over welke verhalen er over de zeventiende eeuw – de tijd dat Nederland economisch en militair een wereldmacht was en internationaal meetelde in de handel – zouden moeten worden verteld, door wie en hoe.

EINDE ARTIKEL
MUSEUM DOET TERM GOUDEN EEUW IN DE BAN/GOED ZO!/AFREKENINGBAGATELLISERING SLAVERNIJ/EERSTE STAP!ASTRID ESSED13 SEPTEMBER 2019
https://www.astridessed.nl/museum-doet-term-gouden-eeuw-in-de-ban-goed-zo-afrekening-bagatellisering-slavernij-eerste-stap/

[100]
RIJKSMUSEUMZIEN EN DOEN/TENTOONSTELLING SLAVERNIJ
https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/slavernij

Een tentoonstelling over slavernij. Niet als abstract begrip, maar in de vorm van persoonlijke en waargebeurde verhalen. Verhalen uit zowel Brazilië, Suriname en het Caribisch gebied, als uit Zuid-Afrika en Azië.Lees minder 

Voor het eerst richten we onze blik op slavernij in de Nederlandse koloniale periode. Een periode van 250 jaar die een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van onze geschiedenis. Een periode waarin mensen tot bezit en objecten in administraties werden gemaakt. In de tentoonstelling vertellen we tien waargebeurde verhalen van mensen die hierbij betrokken waren. Tien persoonlijke verhalen over mensen die bijvoorbeeld tot slaaf waren gemaakt of slavenhouder waren. Of over mensen die zich verzetten en mensen die in slavernij naar Nederland zijn gehaald. Hoe zagen hun levens eruit? Hoe verhielden zij zich tot het systeem van slavernij? Konden zij eigen keuzes maken?

OBJECTEN EN AUDIOVERHALEN

Op de tentoonstelling zie je objecten uit nationale en internationale musea, archieven en particuliere collecties. Naast de objecten, schilderijen en bijzondere archiefstukken krijg je mondelinge bronnen, gedichten en muziek te horen. De audioverhalen zijn ingesproken door o.a. Joy Delima, Remy Bonjasky en Reza Kartosen-Wong, die vanuit hun eigen achtergrond, elk een band hebben met één van de tien personen.

Om een completer verhaal te vertellen laten we objecten zien die niet eerder in het Rijksmuseum te zien zijn geweest. Zoals objecten die door mensen in slavernij werden gekoesterd, maar ook werktuigen die op de plantages werden gebruikt.

LOOK AT ME NOW

Aansluitend op de tentoonstelling nodigen kunstenaars David Bade en Tirzo Martha van Instituto Buena Bista uit Curaçao alle bezoekers uit om tien nieuwe kunstwerken te maken, gebaseerd op de verhalen uit de tentoonstelling. Dit project heet Look at me now.Meer over Look at me now

VIER CONTINENTEN

De tentoonstelling beslaat de Nederlandse koloniale periode van de 17de tot en met de 19de eeuw. Zowel de slavernij in Suriname, Brazilië en het Caribisch gebied (trans-Atlantisch), met de rol van de West-Indische Compagnie (WIC), als de Nederlandse koloniale slavernij in Zuid-Afrika en Azië waar de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC) actief was, komen aan bod. Ook de effecten van het systeem in Nederland zelf in die periode worden belicht. Het levert een brede geografische, en tegelijk tevens specifiek Nederlandse blik op, die niet eerder in een nationaal museum is getoond.

RIJKSMUSEUM & SLAVERNIJ

Ook op andere plekken in het museum belichten we de relatie met slavernij. Bij rond de 77 objecten in de vaste opstelling vind je een jaar lang een tweede tekstbordje. Hierop gaan we in op de tot nu toe onzichtbare relatie met slavernij.
EINDE BERICHT
RIJKSMUSEUM EN SLAVERNIJ
https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/rijksmuseum-en-slavernij

Met Rijksmuseum & Slavernij voegt het Rijksmuseum een jaar lang 77 extra tekstbordjes toe aan schilderijen en objecten in de vaste collectie van een extra tekstbordje dat ingaat op de relatie met slavernij.Lees minder 

EEN ONZICHTBARE RELATIE

Van in slavernij geoogste nootmuskaat tot een tot slaaf gemaakte vrouw die naar Nederland werd verscheept. En van een dansfeest op een Surinaamse plantage met verstopte kritische boodschappen over de slavenhouder tot het spreekgestoelte van waar een 18de-eeuwse Nederlandse rechtsfilosoof pleitte voor de afschaffing van slavernij. In de vaste collectie van het Rijksmuseum zijn veel werken die een relatie hebben met het Nederlandse slavernijverleden. Een relatie die je op het eerste gezicht niet ziet of waarover je niet leest op het bordje dat ernaast hangt.

EXTRA TEKSTBORDJES

Vanaf de opening van de tentoonstelling Slavernij, hangen we een jaar lang 77 extra tekstbordjes naast schilderijen en objecten. Deze nieuwe bordjes vertellen over de koloniale macht van Nederland die vanaf de 17de eeuw onlosmakelijk is verbonden met het systeem waar slavernij onderdeel van uitmaakte. Ze vertellen verhalen van mensen die onder Nederlands gezag tot slaaf gemaakt, te werk gesteld en tot object gereduceerd zijn. Maar ook van mensen die juist profiteerden van slavernij of zich hiertegen uitspraken.

Na afloop van de tentoonstelling Slavernij en van Rijksmuseum & Slavernij worden zowel de bestaande als de nieuwe tekstbordjes in het museum geëvalueerd. Waar mogelijk zullen we de nieuwe informatie integreren in ons museum, zodat er meer recht gedaan wordt aan de complexe Nederlandse geschiedenis.

BOEKJE EN VERZAMELINGEN

De tekstbordjes zijn ook gebundeld in een boekje, dat gratis verkrijgbaar is in het museum of te downloaden. Daarnaast zijn de werken beschikbaar als verzameling in Rijksstudio.

[101]
”’Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is. Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten. Toch verweten mijn critici dat ik slavernij gelijk stelde aan een vakantiereis. Onzin. Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.”

AD
ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

SLAVERNIJPiet Emmer is de kop van Jut bij nog al wat Black Lives Matter-sympathisanten. De historicus vindt dat ten onrechte wordt gedaan alsof het slavernijverleden de oorzaak is van alle racismeproblemen. ,,We moeten niet de Verenigde Staten kopiëren.’’
,,Geschiedenis is als wetenschap – meer dan bijvoorbeeld wiskunde – gevoelig voor modegrillen. Zo waren er veel historici die het communisme ophemelden, terwijl toch duidelijk is dat dat tot vreselijke dingen heeft geleid. Dat zie je nu ook in het debat over slavernij en racisme: er wordt selectief met feiten omgegaan.’’

Aan het woord is historicus Piet Emmer (75). Hij schreef twintig jaar geleden het standaardwerk Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. Collega-historici verwijten hem de ernst van de slavenhandel en de rol van Nederland te bagatelliseren. Zelf verwijt hij zijn tegenstanders juist ‘activistisch’ om te gaan met geschiedenis. ,,Daardoor is er geen ruimte meer voor nuance in het huidige racismedebat’’, zegt hij.

U wordt zelf verweten de geschiedenis te verdraaien om de rol van Nederland in de slavenhandel te verfraaien. Vorige week nog op deze site door uw collega Fatah-Black. Begrijpt u dat?,,Ik begrijp dat het erop lijkt dat ik dingen bagatelliseer. Maar dat is niet zo. Alleen ben je al snel fout als je niet in elke zin benadrukt dat de slavernij verschrikkelijk was. Natuurlijk was het dat, daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben. Als historicus ben je er niet om morele oordelen te vellen, maar om dingen in perspectief te zetten zodat je de geschiedenis beter begrijpt. En om te snappen waarom Europeanen zich met slavenhandel inlieten, is het dus belangrijk te kijken hoe er in Europa in die tijd tegen onvrije arbeid werd aangekeken. Veel Engelse mijnwerkers waren bijvoorbeeld min of meer eigendom van de eigenaar van de mijn. Wie geen werk had, kon als landloper gedwongen worden elders te werken, net als weeskinderen en strafgevangenen, desnoods in een verre kolonie. En de omstandigheden waaronder veel volwassenen en kinderen hier tot in de 19de eeuw moesten leven, waren echt niet altijd beter dan die van slaven in Suriname en op de Antillen.’’

Slavernij is toch niet hetzelfde als armoede?,,Ik stel het een niet gelijk aan het ander, ik probeer alleen dingen inzichtelijk te maken. Hoe kon het dat een continent dat slavernij had afgezworen, het wel accepteerde dat slaven in andere landen werden gehouden? Daarbij moet je vergelijken. Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is. Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten. Toch verweten mijn critici dat ik slavernij gelijk stelde aan een vakantiereis. Onzin. Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.

Overigens waren er ook toen al dominees in Zeeland die zich keerden tegen de slavernij. Maar door anderen werd de slavernij goedgepraat met een verwijzing naar het Bijbelboek Genesis, waarin Noachs zoon Cham werd gestraft en voortaan zijn broers moest dienen. Cham zou donkerder zijn geweest dan zijn broers.’’

Waarom is vergelijken zo belangrijk?,,Om een beter beeld te kunnen krijgen van wat er écht gebeurd is vroeger. Bijvoorbeeld: na de oorlog had iedereen het gevoel dat we ons fel hadden verzet tegen de Duitse Jodenvervolging. Totdat iemand eens ging vergelijken hoeveel joden er na de oorlog eigenlijk nog in leven waren en dat vergeleek met andere bezette landen. Toen bleek dat er nergens zo’n groot percentage joden is vermoord als hier. Dat zegt iets over ons. Iedereen snapt zo’n vergelijking. Maar toen mijn Franse collega Olivier Grenouilleau onderzocht hoe groot de trans-Atlantische slavenhandel door Europeanen was ten opzichte van de slavenhandel door Arabieren en de slavenhandel in Afrika zelf, werd hij voor de rechter gesleept omdat hij westerse slavenhandel zou bagatelliseren. Gelukkig is die aanklacht ingetrokken.’’

Hoe verklaart u die woede over dergelijke vergelijkingen?,,Zeker slavernij is in de geschiedenis vaak anders voorgesteld dan het was. Slavenhouders deden alsof het allemaal wel meeviel om hun verdienmodel te rechtvaardigen. Voorstanders van afschaffing overdreven de gruweldaden op plantages om hun pleidooi kracht bij te zetten. Een historicus moet proberen het in perspectief te zetten. In de jaren zeventig ontstond in de Verenigde Staten het idee dat de economische achterstelling van de zwarte Amerikanen een gevolg was van de slavernij. Sindsdien is het hele onderwerp speelbal geworden van een politieke agenda.’’

Speelt slavernij dan niet door in het heden?,,Racisme en discriminatie zijn vreselijk en moeten worden bestreden. Maar het komt overal voor, in alle tijden. Ook in landen die nooit koloniën hadden. Als je kijkt wie in Nederland onderaan de sociaaleconomische ladder staan, dan zijn dat veelal Marokkanen. Die stammen niet af van slaven, in sommige gevallen eerder van slavenhouders, want de Berbers hielden slaven. Het is te simpel om net te doen alsof iedereen die zwart is slachtoffer is en iedereen die wit is daar schuldig aan is. Na 1800 waren de meeste Surinaamse slaveneigenaren niet blank. Door zwart-wit te denken ga je bijvoorbeeld voorbij aan de ergste vorm van racisme die we kennen: antisemitisme. Jodenhaat heeft niets met slavernij, huidskleur of koloniën te maken.’’

Wat klopt er volgens u niet aan het beeld van slavernij?,,Er wordt gedaan alsof elke plantage een hel op aarde was. Dat behoeft nuance. Er is een groot verschil tussen de plantages in het zuiden van de Verenigde Staten en die in bijvoorbeeld Suriname, waar soms meer dan honderd slaven samenleefden met soms maar twee of drie Europeanen. De slaven daar hadden een veel grotere mate van zelfstandigheid dan wel eens wordt gedacht. Zonder dat ik probeer goed te praten wat er aan vreselijks is gebeurd! De slavernij in Afrika zelf was al heel lang gemeengoed voordat Europese handelaren bij lokale koningen slaven kwamen kopen. Zij werden niet allemaal gedwongen slaven te verkopen. De Europeanen moesten de Afrikaanse koningen en makelaars stroop om de mond smeren om handel te kunnen drijven. En ook het beeld alsof de succesvolle slavenopstand op Haïti het einde van de slavernij inluidde, klopt niet. Die had nauwelijks invloed. Daarna ging de slavenhandel nog lang door en stegen de prijzen alleen maar. De beweging om slavernij overal ter wereld duit te bannen ontstond in Engeland. Maar dat past niet in het populaire beeld dat de zwarte slaaf het juk van de witte slavenhouder heeft afgeworpen.’’

Waarom maakt u zich zo druk over dit onderwerp?,,Doordat de slavernij nu als een soort van stormram wordt gebruikt om allerlei misstanden aan de kaart te stellen en om politieke doelen te bereiken zoals excuses en herstelbetalingen, doe je niet alleen de geschiedenis onrecht aan. Je polariseert ook de samenleving, omdat het leidt tot allerlei tegenreacties. En die zijn soms onfris. Ik word ook tegen mijn zin in een rechts kamp geduwd omdat ik op basis van onderzoek zeg dat sommige beweringen over de slavernij niet kloppen. Ik heb in de Verenigde Staten gewerkt en gezien hoe het debat daar is ontspoord. Dat moeten we echt niet hier kopiëren. We leven in een van de rijkste, gelukkigste en meest egalitaire landen ter wereld. Dat verliezen we nu uit het oog.’’

Hoe groot was de rol van Nederland in de slavenhandel?,,Om en nabij de 5 procent van de slaven die vanuit Afrika naar Noord- en Zuid-Amerika zijn gebracht, zijn door Nederlanders vervoerd. Dat staat overigens los van de slavenhandel in Indonesië, waar veel mensen uit India en Madagaskar het slachtoffer van waren. Maar daar is nooit goed onderzoek naar gedaan. Verder droeg de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij in het topjaar 1770 maar zo’n 5 procent bij aan onze welvaart. Natuurlijk was het bizar dat onze voorvaderen dit onmenselijke systeem optuigden om hier goedkoop suiker, tabak en koffie te kunnen gebruiken. Maar door sommige historici wordt net gedaan alsof het de kurk was waar onze economie op dreef. Dat is aantoonbaar niet waar. De meeste grachtenpanden in Amsterdam stonden er al vóórdat Nederland Suriname veroverde en waren gebouwd door kooplieden, die hun geld verdienden in ons land zoals met bankieren en de graan- wijn en houthandel met de Oostzee, Spanje en Scandinavië.’’

EINDE ARTIKEL

[102]ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 101

[103]

””’Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is”ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

[104]

De andere kant van het verhaal

Zo’n 1600 Nederlandse schepen transporteren in de 17de en 18de eeuw ruim 550.000 mannen, vrouwen en kinderen naar Amerika. In benauwde kelders in de forten aan de West Afrikaanse kust wachten de tot slaaf gemaakten tot ze aan boord gaan. Voor vertrek worden ze gekeurd en gebrandmerkt. De reis duurt enkele maanden. Ze liggen opeengepakt en aan elkaar geketend. Zieke slaven worden overboord gegooid. Vrouwen zijn weerloos als bemanningsleden hen verkrachten.”

HART.AMSTERDAM

DE GEUR VAN EEN SLAVENSCHIP

https://hart.amsterdam/nl/page/28207/de-geur-van-een-slavenschip?gclid=CjwKCAjwrPCGBhALEiwAUl9X08_POSh-eZCq8ReeZiWks4Nh5NY_13z686Pjd-I8ohWIaBTa_yRYcBoCAqUQAvD_BwE

De beurs van Amsterdam is het centrale punt van handel. Aandelen van de VOC en WIC worden gekocht en verkocht. De scheepvaart is de motor van de Nederlandse handel: wat is de andere kant van het verhaal?

Het schip vervult in de 17de eeuw de rol van tanker, trein en vliegtuig. In de Republiek zijn scheepswerven de grootste en meest geavanceerde fabrieken van hun tijd. Duizenden schepen gaan ter haringvangst. De graan-, hout- en ijzerhandel op de Oostzee is lang de kurk waar de Nederlandse economie op drijft. Honderden schepen, efficiënte ‘vrachtwagens’ met weinig personeel, varen jaarlijks heen en weer. Ook in Nederland zelf gaat veel per schip: turf en groenten naar de stad of mensen die, met de reisplanner in de hand, per trekschuit en beurtschip naar stad en dorp varen. De scheepvaart, eerst beperkt tot Noordwest-Europa, breidt zich omstreeks 1600 razendsnel uit over de hele wereld. Iedereen pikt een graantje mee in handel en scheepvaart.

De andere kant van het verhaal

Zo’n 1600 Nederlandse schepen transporteren in de 17de en 18de eeuw ruim 550.000 mannen, vrouwen en kinderen naar Amerika. In benauwde kelders in de forten aan de West Afrikaanse kust wachten de tot slaaf gemaakten tot ze aan boord gaan. Voor vertrek worden ze gekeurd en gebrandmerkt. De reis duurt enkele maanden. Ze liggen opeengepakt en aan elkaar geketend. Zieke slaven worden overboord gegooid. Vrouwen zijn weerloos als bemanningsleden hen verkrachten. Er is onderlinge strijd tussen gevangenen van verschillende stammen, die elkaars taal niet spreken. Het sterftecijfer aan boord bedraagt zo’n 15%. Onder de bemanning is het sterftecijfer net zo hoog vanwege de slechte hygiëne en voedsel. Inwoners van Paramaribo en Willemstad ruiken een slavenschip dat de haven binnenvaart: honderden opeengepakte mensen, soms lijdend aan besmettelijke ziektes.

EINDE ARTIKEL

ZEEUWSE ANKERS

AAN BOORD VAN DE SLAVENSCHEPEN

https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/aan-boord-van-de-slavenschepen
Verhaal Redactie Zeeuwse Ankers

Zeeuwen hadden een actief aandeel in de slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw. Handelscompagnieën en particuliere kooplieden rustten schepen uit om aan de Afrikaanse westkust tot slaaf gemaakte mensen te kopen en ze van daaruit met honderden tegelijk naar Amerika te vervoeren. Daar werden de slaafgemaakten aan plantagehouders verkocht.

Aantallen slaafgemaakten op een schip

De meeste Nederlandse slavenschepen gingen richting West-Indië (Zuid-Amerika). Er werden ook slaafgemaakten naar Noord-Amerika gebracht. Afhankelijk van de afmetingen van het schip konden er honderd tot vijfhonderd slaafgemaakten op. Vaak namen schepen nog veel meer slaafgemaakten mee. Op een Amsterdams WIC-schip zaten zelfs eens 952 slaafgemaakten. Dat is het grootste aantal dat een Nederlands schip ooit vervoerde. Van deze slaafgemaakten werden er uiteindelijk 853 verkocht. Het kleinste aantal was 67 op een schip van de MCC. Van hen overleden er 22 tijdens de reis.

Slavendek

Al tijdens de reis naar Afrika maakte de bemanning de schepen geschikt voor het vervoer van slaafgemaakten. Op schepen van de MCC begon men pas met het vertimmeren van het schip nadat de eerste contacten met de Afrikanen waren gelegd. Bemanningsleden bouwden het dek net boven het ruim, het ‘verdek’, met behulp van schotten en bedden om. In het midden van dit slavendek kwam een schot te staan, zodat mannen en vrouwen gescheiden vervoerd konden worden. Verder bouwde de bemanning onder leiding van de scheepstimmerman stellingen van twee verdiepingen waarop de slaafgemaakten moesten slapen. Ook werden er soms enkele ‘huisjes’ (latrines) neergezet.

Behandeling van slaafgemaakten

Sinds het eind van de zeventiende eeuw ontvingen de kapiteins van de slavenschepen van de WIC en MCC bij hun vertrek uit de Nederlanden richtlijnen voor de behandeling van hun levende lading. Het was belangrijk dat zoveel mogelijk slaafgemaakten in leven bleven. Ze werden immers als handelswaar beschouwd. Hoe meer slaafgemaakten de overtocht overleefden, des te beter de opbrengst zou zijn.

In de richtlijnen stonden bepalingen over het voedsel dat verstrekt moest worden, de medische verzorging van de slaafgemaakten (aan boord gingen zelfs speciale medicijnen voor hen mee) en de hygiëne op het slavendek. Ook stond in deze richtlijnen dat de bemanning de slaafgemaakten niet mocht verleiden of mishandelen, dat het slavendek regelmatig moest worden schoongemaakt en dat de slaafgemaakten regelmatig in de buitenlucht lichaamsbeweging moesten krijgen. Daartoe waren trommels aan boord om de slaafgemaakten te laten dansen.

David Henri Gallandat

In 1769 verscheen in Middelburg het boekje Noodige onderrichtingen voor de Slaafhandelaren. De Vlissingse chirurgijn David Henri Gallandat (1732-1782) gaf hierin richtlijnen voor de behandeling van slaafgemaakten aan boord van de slavenschepen. Hoewel hij begaan was met het lot van de slaafgemaakten, pleitte hij niet voor afschaffing van de slavenhandel. Integendeel zelfs. Na een bezoek aan West-Afrika schreef hij dat deze handel alleen geoorloofd was omdat er zoveel voordeel mee te behalen was.

“Getuige zy hier van de Slavenhandel, dien men alleen al door het voordeel, ‘t welke dezelve aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheid kan vryspreken.”

Gallandat pleitte wel voor een betere behandeling van de slaafgemaakten aan boord: “Door buskruit in den brand te steken: door rooking van wierook, jeneverbessen, enz. en door de besproeying met azijn of limoenzap. [..] opdat zij [de slaven] daarna hunne slaapplaatsen weder kunnen betrekken, om er de verkwikking van een frisse lucht en aangenaamen reuk te genieten.”

Hel

Ondanks de richtlijnen was de reis naar Amerika voor de slaafgemaakten een hel. Op het slavendek hadden ze nauwelijks ruimte om zich te bewegen. De lucht was er bedompt. De slaafgemaakten zaten vastgeketend met kettingen en kregen eenzijdig eten en drinken. Ze werden af en toe in kleine groepjes gelucht. Vaak braken er ziekten uit, zoals scheurbuik, dysenterie, tuberculose, pokken of tering. Veel slaven overleefden de reis dan ook niet. Gemiddeld stierf tijdens een reis tien tot twaalf procent van hen. Ze overleden aan ziektes en ontberingen. Anderen sprongen uit wanhoop overboord.

Literatuur

P.C. Emmer, De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, Amsterdam/Antwerpen 2000.
R. Paesie, Lorrendrayen op Afrika: De illegale goederen- en slavenhandel op West-Afrika tijdens het achttiende-eeuwse handelsmonopolie van de West-Indische Compagnie, 1700-1734, Amsterdam 2008.
Johannes Menne Postma, The Dutch in the Atlantic slave trade 1600-1815, Cambridge 1992.
C. Reinders Folmer-van Prooijen, Van goederenhandel naar slavenhandel; de Middelburgse Commercie Compagnie 1720-1755, Middelburg 2000.

Archieven MCC
Het archief van de MCC, dat berust in het Zeeuws Archief te Middelburg, is volledig gedigitaliseerd en kan online worden geraadpleegd. In mei 2011 is het archief opgenomen in ‘het Geheugen van de Wereld-register’. Dit is de werelderfgoedlijst Memory of the World van UNESCO, de VN-organisatie voor cultuur.

EINDE ARTIKEL

FOLIA

SLAVENSCHEPEN GEEN OMGEBOUWDE KOOPVAARDIJSCHEPEN

18 OCTOBER 2011

https://www.folia.nl/wetenschap/4044/slavenschepen-geen-omgebouwde-koopvaardijschepen

‘In tegenstelling tot waar men altijd van uitgegaan is, werd er door de West-Indische Compagnie wel degelijk expliciet opdracht gegeven tot het bouwen van slavenschepen. Tot nu toe dacht men altijd dat slavenschepen omgebouwde koopvaardijschepen waren, maar dat is niet zo. Het slavenschip Leusden is daarvan een voorbeeld. Het heeft een in twee lagen opgedeeld tussendek, elk van ongeveer tachtig centimeter hoogte, dat speciaal bedoeld was voor het vervoer van Afrikaanse slaven.’

Dit is een van de conclusies van het promotieonderzoek Het slavenschip Leusden. Slavenschepen en de West-Indische Compagnie 1720-1738, waarop jurist Leo Balai op 21 oktober promoveert. Om tot zijn conclusies te komen heeft Balai — zelf een nakomeling van Creoolse slaven uit Suriname — de archieven van de West-Indische Compagnie (WIC) doorgespit. ‘Dat was nog niet zo makkelijk, want een deel van dat archief is in de negentiende eeuw door een lompenhandelaar verkocht en een ander deel ooit door een brand op een ministerie verwoest. Maar uiteindelijk heb ik toch nog de gegevens van tien reizen van het slavenschip kunnen achterhalen.’

Drie voet, vijf duim
Het slavenschip Leusden, een van de laatste slavenschepen van de WIC, verging op 1 januari 1738 voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname. Van de 716 in Afrika ingescheepte gevangenen overleefden er slechts zestien de ramp. In zijn proefschrift beschrijft Balai de tien slaventochten die het schip maakte. Tijdens deze slaventochten verscheepte de Leusden in totaal 6564 Afrikaanse gevangenen, waarvan 1741 de dood vonden. Meer dan een kwart van de mensen overleefde de tocht dus niet. De slaven werden in de regel afgeleverd in het ‘slavendepot’ van de WIC op Sint Eustasius om vandaar uit te worden verkocht. ‘Een meisje van drie voet en vijf duim hoog (ongeveer 98 centimeter) deed in die tijd 71 gulden, een jongen 75.’

Bomba’s
Bijzonder aan de Nederlandse slavenschepen, zo ontdekte Balai, is dat er speciale toezichthouders, zogenoemde bomba’s, op de schepen waren aangesteld om de gevangenen te instrueren tijdens de overtocht. Balai: ‘Bijzonder was dat deze bomba’s vrije Afrikanen waren. In andere landen die zich bezighielden met de slavenhandel, zoals Engeland en Denemarken, werden slaven op het schip aangewezen als toezichthouder en na aankomst zelf ook verkocht. Dat kwam op Nederlandse schepen niet voor. De toezichthouders waren na aankomst vrij om te gaan en te staan waar ze wilden en bleven soms maanden hangen in Amerika of Nederland.’

EINDE ARTIKEL

[105]

”Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.”
ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 101

[106]

ZIE NOOT 104

[107]
[107]
“De hygiënische omstandigheden laten veel te wensen over. Mensen slapen in de kelder, toiletten worden niet schoongemaakt. Er is sprake van afpersing en willekeur.

HISTORIEKRED STAR LINE-NAAR AMERIKA!19 OCTOBER 2019
https://historiek.net/red-star-line-naar-amerika/19007/

Nog dit jaar start de opbouw van het Red Star Line Museum in de historische gebouwen van de rederij aan de Antwerpse Rijnkaai. In 2013 volgt de officiële opening. Het nieuwe museum vertelt de geschiedenis van de migratie van zo’n twee miljoen mensen via Antwerpen naar Amerika tussen 1873 en 1934.

Een groot deel van die landverhuizers kwam uit Oosten Centraal-Europa. Maar ook Belgen emigreerden destijds naar Amerika, ook vóór de Red Star Line. In Vlaanderen moet de huisnijverheid het vanaf 1840 afleggen tegen de industrie in het buitenland. Slechte graanoogsten en de aardappelziekte botrytis zorgen vanaf 1844 voor hongersnood. Velen besluiten te emigreren naar het beloofde land. De ontdekking van goud in Californië sterkt heel wat mensen in dat voornemen.

Goudland

Dat de uitwijkelingen met velen zijn, blijkt uit het feit dat de schrijver Hendrik Conscience (zie ook pag. 64) het in 1863 nodig vindt om tegen de ‘gevaren’ van de emigratie te waarschuwen met zijn roman Het Goudland. De goudkoorts is dan al voorbij, maar de uittocht naar Amerika niet. Na de Amerikaanse burgeroorlog zijn er in de VS arbeidskrachten nodig. De lonen zijn er relatief hoog en de overheid maakt het ingeweken Europeanen gemakkelijk om aan een stuk grond te komen.

Antwerpen is aantrekkelijk als vertrekhaven omdat het sinds 1843 met de trein bereikbaar is vanuit Keulen. De stad profiteert dan ook mee van de eerste grote migratiestroom die duurt van 1835 tot 1855.

Weldra worden rederijen in het leven geroepen die tussen Antwerpen en Amerika op geregelde tijdstippen stoomschepen kunnen laten varen. Dat zijn meteen grotere vaartuigen, zodat veel meer passagiers kunnen meevaren. Bovendien maken ze de reis veel korter: twee weken in plaats van 45 dagen. Dat drukt de prijs van de overtocht. Tien tot veertig dollar (naargelang de koers van de Belgische frank) betalen de landverhuizers.

Red Star Line

Red Star Line is niet de naam van de rederij, maar een handelsmerk. De boten zijn het eigendom van de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine, een Belgische dochter van de International Navigation Company uit Philadelphia. Het Amerikaanse bedrijf wordt opgericht in 1871 om aardolie van de pas ontdekte velden in Pennsylvania naar Antwerpen te brengen. Dat is dan op weg om de belangrijkste petroleumhaven van Europa te worden. Als retourvracht kunnen de schepen immigranten naar Amerika brengen, zo wordt gedacht. Maar dat vindt de Amerikaanse overheid te gortig: ze verbiedt reizigers te vervoeren met olieschepen, ook als die leeg zijn. Daarom gooit de maatschappij het definitief over een andere boeg en legt ze zich toe op het verschepen van landverhuizers.

Het eerste stoomschip dat ze in de vaart neemt, is de Vaderland. Alle boten van de lijn krijgen een naam op ‘-land’ om de herkenbaarheid van het merk te vergroten. De Westernland van 1883 blinkt uit in spitstechnologie: het schip is helemaal van staal. Het kan zo’n 800 ‘tussendekpassagiers’ of landverhuizers meenemen. Maar er zijn ook 30 tot 70 plaatsen voor passagiers die eerste klas reizen. De emigratie via de Scheldestad wordt big business. In 1885 leggen al twaalf rederijen zich erop toe. De schepen van de Red Star Line vertrekken aan de Rijnkaai, waar volgens de overlevering in vierentwintig huizen vijfentwintig kroegen zijn gevestigd. De maatschappij onderhoudt goede contacten met het stadsbestuur en krijgt allerlei voordelen, zoals een monopolie voor het vervoer van poststukken naar de VS.

JODEN

In Rusland wordt de Joodse bevolking geregeld het slachtoffer van pogroms, uitbarstingen van antisemitisch geweld. In 1893 reizen zo’n 5.000 Joden via Antwerpen naar Amerika, in 1914 zijn het er al 20.000. Aanvankelijk komen ze vooral uit Nederland en Duitsland, maar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is de helft afkomstig uit Rusland en Oostenrijk-Hongarije. De landverhuizers bereiken Antwerpen in treinwagons zonder enig comfort of slaapplaatsen. Ze moeten hun intrek nemen in krappe logementshuizen bij de haven. De hygiënische omstandigheden laten veel te wensen over. Mensen slapen in de kelder, toiletten worden niet schoongemaakt. Er is sprake van afpersing en willekeur. Vanaf 1880 komen er speciale hotels in de buurt van het station, waar tot 200 landverhuizers kunnen overnachten. De Red Star Line zal zelf huizen kopen opdat zij er kunnen overnachten. Maar dat maakt geen eind aan de wantoestanden elders in de stad.

Tussen 1880 en 1899 reizen jaarlijks gemiddeld een kleine 30.000 emigranten via Antwerpen naar Amerika. Tussen 1900 en 1913 verdubbelt dat aantal. Bij oppervlakkige medische controles in de openlucht (!), in een hangar of aan boord van het schip, wordt uitgemaakt of de kandidaatpassagiers al dan niet aan een besmettelijke ziekte lijden. Het is de Amerikaanse Quarantine Act van 1892 – de Amerikanen zijn als de dood voor cholera – die de Europse overheden wakker doet schrikken. Vanaf 1908 spoort een sanitaire dienst zieke landverhuizers al op in het Centraal Station. Toch vraagt de Red Star Line zelf in 1893 toelating voor de bouw van een behoorlijk verwarmd lokaal voor de ‘berooking van het reisgoed en de geneeskundige schouwing der tusschendekpassagiers’. De landverhuizers mogen zich niet mengen onder de bevolking, net om de verspreiding van ziektes te voorkomen. Maar ze vallen op in het stadsbeeld. Dat blijkt uit de talrijke schilderijen met migranten van Eugeen Van Mieghem (1875- 1930), die hen met veel empathie afbeeldt in hun armoedige en exotische kledij. De doeken van Van Mieghem vormen een noodzakelijke aanvulling bij de fraaie, maar bijzonder optimistische affiches die Henri Cassiers (1859-1944) vanaf 1898 voor de Red Star Line ontwerpt.

Buufstekken’

De schrijver Marnix Gijsen (1899-1984) noteert vele decennia later: ‘Het was een fascinerend schouwspel in mijn jeugd de landverhuizers door Antwerpen te zien opstappen naar de haven of ze te zien rondslenteren in de buurt van hun zogenaamde hotels. Ze gaven steeds de indruk van een grote gehaastheid, alsof de engel der wraak hen op de hielen zat.’ En in 1903 gaat Het gezin Van Paemel van Cyriel Buysse (1859-1932) in première. Het toneelstuk is een rauwe aanklacht tegen de sociale wantoestanden op het Oost-Vlaamse platteland. Hoop is er alleen voor de twee zonen die uitwijken naar de VS. Kamiel Van Paemel schrijft aan zijn ouders dat zij zijn vrienden moeten vertellen ‘dat zij maar spoedig naar Amerika moeten komen en dat zij hier buufstekken zullen eten in plaats van kernemelkpap.’ Buysse wist wat hij vertelde – hij had als jongeman zelf in de VS gereisd en kon de levensomstandigheden daar vergelijken met die in zijn vaderland.

QUOTA

Van 1850 tot 1930 emigreren naar de VS alleen zo’n 150.000 Belgen. Ook Canada en Zuid-Amerika zijn populair als bestemming. In haar topjaar 1912 vervoert de Red Star Line 121.000 reizigers. De Eerste Wereldoorlog maakt echter een abrupt einde aan haar activiteiten. De schepen van de Red Star Line komen op tijd weg. Zolang de Duitse bezetting duurt, varen ze vanuit Engeland, maar niet met landverhuizers. De gloednieuwe Belgenland II doet dienst als troepentransportschip.

n 1918 hervatten de schepen van de Red Star Line hun dienst van Antwerpen naar New York. Kandidaat- landverhuizers genoeg: de toestand in Centraal-Europa en in het revolutionaire Rusland is bepaald niet stabiel. In de VS vindt men het echter welletjes met de ongelimiteerde inwijking uit Europa. Vanaf begin jaren 1920 komen er strenge quota. Soms moeten schepen halverwege terugkeren omdat de scheepstelegrafist onderweg het nieuws krijgt dat er dat jaar geen migranten meer worden toegelaten…

Bovendien stellen de Amerikanen steeds strengere medische eisen. De Dillingham Emigration Restriction Act noopt de Red Star Line in 1921 tot de bouw van nieuwe installaties met douchecabines, steriele kleedhokjes, een ruimte voor medisch onderzoek en het geven van vaccinaties. Tussen 1921 en 1924 daalt het aantal migranten drastisch. Het dwingt de Red Star Line een nieuw publiek aan te trekken: toeristen. De Belgenland II wordt omgebouwd tot luxecruiser en loopt in 1923 voor het eerst de Antwerpse haven binnen. Het indrukwekkende vaartuig van bijna 30.000 ton met drie schoorstenen (waarvan één just for show) kan meer dan 2.500 passagiers aan boord nemen, onder wie toch nog een heleboel landverhuizers. De mastodont rendeert echter niet op de lijn Antwerpen-New York en wordt weldra ingezet voor cruises vanuit New York naar het Caribische gebied. Maar het mag niet baten – de beurscrash van 1929 ontwricht de wereldeconomie. In 1935 komt er een eind aan de activiteit van de Red Star Line.

Vergetelheid

Het medisch en administratief centrum voor de landverhuizers komt in handen van de stad Antwerpen, en staat lange tijd leeg. In families waarvan leden uitweken naar de VS wordt nog wel eens over de Red Star Line gepraat. Het Nationaal Scheepvaartmuseum in het Steen toont een model van de legendarische Belgenland II. Maar daar blijft het bij.

Pas vanaf de jaren 1990 begint er iets te veranderen. Collectioneur Robert Vervoort legt een indrukwekkende verzameling objecten aan die aan de Red Star Line herinneren. Erwin Joos ontfermt zich over het oeuvre van Eugeen Van Mieghem en sticht later zelfs het Eugeen van Mieghem Museum, waar hij nog steeds curator is. In 2001 erkent de Vlaamse Gemeenschap een deel van het Red Star Line-complex als monument. Er wordt contact gelegd met de Ellis Island Foundation en het Ellis Island Immigration Museum in New York. De stad beslist te onderzoeken hoe de gebouwen tot een herdenkingsplek met een ‘museaal-educatieve functie’ omgebouwd kunnen worden.

De stad besluit de Red Star Line-gebouwen over te nemen van het Havenbedrijf. Het New Yorkse architectuurbureau Beyer Blinder Belle Architects & Planners LLP krijgt de opdracht om de gebouwen in te richten. In 2007 gaat een team aan de slag met de invulling van het museum. Drie jaar later beginnen de werken. Het museum opent zijn deuren in september 2013.

~ Eos Memo – Jan Lampo
Dit artikel is afkomstig uit Memo, de geschiedenisspecial van Eos. De derde editie van deze special staat in het teken van migratie.
EINDE ARTIKEL

ELSEVIER WEEKBLADHOE LANDVERHUIZERS NAAR DE NIEUWE WERELD VERTROKKEN
https://www.ewmagazine.nl/nederland/article/2015/07/hoe-landverhuizers-naar-de-nieuwe-wereld-vertrokken-1788255W/

Sinds eind zeventiende eeuw zijn via Rotterdam honderddui­zenden landverhuizers met de boot naar de Nieuwe Wereld vertrokken.
Over de verschillen en overeenkomsten met de bootvluchtelingen van nu.

Het is misschien vreemd om de bootvluchtelingen die nu Europa proberen te bereiken, te vergelijken met de landverhuizers die sinds de zeventiende eeuw via Rotterdam en andere Europese havens naar Amerika vertrokken.

Per slot van rekening zijn de landen waar de bootvluchtelingen naartoe willen tamelijk dichtbevolkt. De woningen en landerijen zijn hier allang verdeeld en ook zitten de bevolking en de politieke partijen niet te wachten op vreemdelingen die langer blijven dan het aspergeseizoen.

Het beloofde land waarvan de landverhuizers van weleer droomden, was

dunbevolkt en zat te springen om mannen en vrouwen die bereid waren de handen uit de mouwen  te steken.

Een ander verschil tussen vroeger en nu is dat de transporteurs niet clandestien waren. Ze heetten geen mensensmokkelaars, het waren keurige bedrijven die inspeelden op geopolitieke omstandigheden en klanten wierven waar de nood het hoogst was.

Engelse, Schotse en Amerikaanse verschepers zoals Archibald en Isaac Hope, John Goddard en James Crawfurd verdienden aan de trans-Atlantische emigratie vanuit Rotterdam. Ze verspreidden in de eerste helft van de achttiende eeuw in de Palts (nu de Duitse deelstaat Rijnland-Palts) folders waarin de doopsgezinden die door de katholieke keurvorst Karl Philipp werden vervolgd, erop werd gewezen dat het in Penn­sylvania altijd lekker weer was en dat andersdenkenden er welkom

waren.

De Statendam in Rotterdam, 1936

Antisemitisme

Toen aan het begin van de twintigste eeuw het al eeuwen sluimerende antisemitisme in Rusland, Roemenië, Hongarije en het toenmalige Galicië (later verdeeld tussen Polen en Rusland) tot uitbarsting kwam in pogroms, informeerde de Holland Amerika Lijn de Joden aldaar via posters dat ze vanaf Rotterdam naar New York konden en waar ze zich bij het Weense kantoor van de HAL moesten vervoegen.

Het woord ‘landverhuizen’ heeft een andere lading dan de termen die we nu hanteren: economische en politieke vluchtelingen, asielzoekers, gelukzoekers en bootvluchtelingen. Maar de gebeurtenis blijft hetzelfde: het eigen land verlaten in

de hoop op een betere toekomst.

Ook de aanleidingen zijn vergelijkbaar. We weten inmiddels dat er onder de bootvluchtelingen die Griekenland en Italië proberen te bereiken, niet alleen mensen zijn die uit het Midden-Oosten vluchten omdat ze een naam, geloof dan wel uiterlijk hebben dat hun buren niet aanstaat, maar ook veel Afrikaanse gelukzoekers.

Ook dat is niet nieuw. Er waren vroeger ook landverhuizers die niet om religieuze maar om financiële redenen naar Amerika wilden. Die kennen we als geen ander: de Nederlanders.

Waar de Engelse, Duitse en Zwitserse landverhuizers al in de zestiende en zeventiende eeuw vertrokken, gingen de Nederlanders pas halverwege de negentiende eeuw. In het boek dat het Rotterdamse Maritiem Museum in 1995 uitgaf ter begeleiding van een tentoonstelling over de landverhuizers – toen zij uit Rotterdam vertrokken – wordt 1846 genoemd als begin van de grootschalige Nederlandse emigratie.

BRAM TUSCHINSKI, ROTTERDAMMER

Sommige landverhuizers dachten: Amerika mag dan het beloofde land zijn, maar Rotterdam is ook niet onaardig. Abram Icek Tuschinski werd in 1886 in het Poolse Brzezin geboren, besloot op zeventienjarige leeftijd naar Amerika te emigreren, kwam in 1904 in Rotterdam en wachtte daar op zijn jonge bruid. Eerst werkte hij als kleermaker, later begon hij Hotel ­Polski, een pension voor Poolse landverhuizers, en daarna werd hij de ongekroonde koning van de Rotterdamse cinema.

Hij opende zeven bioscopen, met Thalia als bekendste, die tijdens het bombardement van 1940 ­allemaal zijn vernietigd. Alleen de bioscoop die hij met zijn zwagers Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz (betovergrootvader van tv-presentator Winston) in Amsterdam bouwde, overleefde de oorlog. Daardoor wordt Tuschinski – zo gek op Rotterdam dat hij Amerika links liet liggen – vaak als Amsterdammer beschouwd. Tuschinski was een van de eerste Nederlandse miljonairs en weigerde om Rotterdam te ontvluchten. ‘Ik ben in dit land groot geworden en ik wil geen deserteur zijn. Bram Tuschinski is in 1942 in Auschwitz vermoord.

Aardappel

Dat is niet zomaar een jaartal. In 1846 begon ook de Ierse exodus: in de tweede helft van de negentiende eeuw emigreerden bijna vijf miljoen Ieren (evenveel als er nu in Ierland wonen) naar de Verenigde Staten. De oorzaak daarvan was –

naast het brute Britse koloniale bewind – de aardappelziekte phytophthera.

Dat is een zogeheten pseudoschimmel, die in 1845 toesloeg. Normaliter is dat geen probleem: iedere boer bewaart een deel van zijn oogst om daarmee het jaar daarop verder te kweken. Maar een  jaar later, in 1846, was het weer raak.

Voor andere koude en vochtige landen in het noordwesten van Europa hadden mislukkende aardappeloogsten eveneens grote gevolgen. Veel Friese en Groningse boerengezinnen vertrokken via Rotterdam naar Amerika en Canada. In totaal zijn toen ongeveer 250.000 Nederlanders naar de Verenigde Staten geëmigreerd.

Aangekomen in Amerika gingen immigranten vaak op een kluitje zitten. De Duitsers uit de zeventiende eeuw trokken naar Pennsylvania, de Ieren gingen naar Boston en de Nederlandse boerengezinnen uit de tweede helft van de negentiende

eeuw naar Michigan, waar vooral in Ottawa County tientallen naar Nederland verwijzende plaatsnamen zijn.

Ook de Belgische landverhuizers – eveneens getroffen door de phytophtera-crisis – zochten elkaar op. In Moline, Illinois, is een hechte Belgische gemeenschap. Daar bevinden ze zich net als in Europa vlak ‘onder’ de Nederlanders: Illinois grenst in het noorden aan Michigan.

De huidige tocht over de Middellandse Zee in nauwelijks zeewaardige en gammele schuiten is oneindig veel gevaarlijker dan het oversteken van de Atlantische Oceaan in aanzienlijk steviger schepen. Toch was het landverhuizen vroeger ook riskant.
Zelfs nadat halverwege de negentiende eeuw de zeilschepen werden vervangen door stoomschepen, kon het misgaan.

Niet alleen verging in 1912 de vanuit Southampton vertrokken Titanic; een jaar later zonk ook de vanuit Rotterdam vertrokken Volturno van de Uranium Steamship Company, een concurrent van de Holland Amerika Lijn. Halverwege de oversteek brak brand uit en ruim honderd landverhuizers en dertig bemanningsleden verdronken.

PRESIDENT DWIGHT D. EISENHOWER

In 1741 zeilde de Europa de haven van Rotterdam uit met aan boord zo’n 150 doopsgezinde landverhuizers uit Zwitserland en de Duitse Rijnlanden, die in hun overwegend katholieke omgeving te maken hadden met vervolging en discriminatie. In november was de kust van het beloofde land in zicht toen schipbreuk werd geleden. Bij de ramp kwamen kapitein Robert Lumsdaine en een

scheepsjongen om het leven. De schipbreuk werd geregistreerd omdat de eerste en tweede matroos in de zomer van 1742 een verklaring aflegden bij een notaris, die nog bij het Gemeente­archief in Rotterdam ligt.
De meeste landverhuizers op de Europa konden worden gered. Onder hen bevond zich Hans Niclas Eisenhauer, uit de Palts. Hij was de betovergrootvader van Dwight David Eisenhower (1890-1969), die in de Tweede Wereldoorlog bevelhebber was van het geallieerde leger en van 1953 tot 1961 president van de Verenigde Staten.

Overboord

De oversteek met zeilschepen duurde veel langer en was aanzienlijk gevaarlijker. De Duitser Gottlieb Mittelberger heeft in 1756 een reisverhaal geschreven over zijn

tocht vanuit Duitsland via Rotterdam naar Amerika en meldde daarin dat er onderweg 32 kinderen door ziekte overleden en vervolgens overboord gingen.

De Rotterdamsche Courant berichtte op 24 augustus 1752: ‘Het schip de Good Intent, waarop kapitein Wilson gecommandeerd heeft, is van Antigoa hier aangekomen. Het was in den voorleden herfst met Paltsers van Rotterdam herwaarts gezeild, maar eindelijk op de kust komende en tot den 21 of 22 januari heen en weer zwervende, was het genoodzaakt zijn koers naar West-Indië te nemen en bereikte Antigoa na 24 weken op zee gezworven te hebben, in welken tijd het volk zeer veel door ziekte en gebrek aan provisie geleden heeft. Toen zij hier aankwamen was de stuurman alleen van de officieren, en twee van de matrozen en maar weinig van de passagiers overgebleven.’

Logementen

Rotterdam was bepaald niet de belangrijkste haven voor landverhuizers: Southampton, Londen, Dublin, Hamburg, Bremen, Le Havre en Antwerpen namen een groter aandeel voor hun rekening. Toch zijn er vanuit Rotterdam bijna een miljoen landverhuizers vertrokken.

Tussen 1683 – toen de eerste Duitsers vanuit Rotterdam vertrokken – en halverwege de twintigste eeuw is er veel geld aan hen verdiend. Er waren tientallen verschepers en cargadoors bij betrokken en tientallen logementen en hotels waar de landverhuizers enkele dagen of weken verbleven.

De stelling kan zelfs worden verdedigd dat het kleine Rotterdam (dat lang in de schaduw stond van Delft, Gouda en Dordrecht) nooit een wereldhaven had kunnen worden als niet in de zeventiende en achttiende eeuw tienduizenden Duitse en Zwitserse landverhuizers vanuit Rotterdam naar Pennsylvania hadden gewild. Uit de havenregisters van Philadelphia blijkt dat van de 319 immigrantenschepen die tussen 1727 en 1775 zijn geregistreerd, er 253 uit Rotterdam kwamen.

Rotterdam heeft niets over het landverhuizersverleden. Een paar flintertjes in Hotel New York, dat is alles. De stad heeft zelfs niet bijgehouden wie er ooit zijn vertrokken en welke Amerikanen dus ‘Rotterdamse roots’ hebben. Gelukkig is er op minder dan een uur rijden een mooi migratiemuseum. In de vertrek­loodsen van de Red Star Line in Antwerpen – vanwaar natuurkundige Albert Einstein en

componist Irving Berlin vertrokken – is te zien hoe de reis vanuit Oost-Europa via Antwerpen verliep en hoe de landverhuizers werden ontsmet. Emigranten vertellen op video hoe het was en soms waarom ze na een tijdje toch weer terug wilden.
Red Star Line Museum, redstarline.be

Toch keken veel Rotterdammers met afschuw naar de rare snuiters. Dat was al zo in de achttiende eeuw. Veelal waren de Duitse doopsgezinden en protestanten arm en probeerden ze het benodigde geld (tussen 11 en 60 gulden) voor de overtocht bijeen te bedelen bij Rotterdamse geloofsgenoten.

Als het er te veel waren, mochten ze de stad pas binnen als ze een ticket hadden en de inscheping binnen enkele dagen zou volgen. In 1764 was het weer zover en kampeerden er op een gegeven moment zelfs meer dan duizend Paltsers vlak buiten de stad – in Kralingen – tot ergernis van de grondeigenaren in de buurt die klaagden over de overlast.

Plunje

De Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland Amerika Lijn, heette ook wel Neem Alleen Schurken Mee. De Katholieke Illustratie beschreef in 1898 hoe de (katholieke) Duitse, Poolse en Oostenrijkse landverhuizers door Rotterdamse arbeiders werden bespot toen ze op

het Stieltjesplein (vlak bij de Wilhelminakade, waar de schepen vandaan vertrokken) in het openbaar een dienst hielden.

De 700.000 Russische en Oost-Europese Joden die aan het begin van de twintigste eeuw via Rotterdam wegvluchtten voor het antisemitisme, brachten veel geld in het laatje, maar waren bepaald niet geliefd. Een journalist van het Rotterdamsch Nieuwsblad mocht in 1893 de overtocht met de Spaarndam van de NASM meemaken.

Af en toe mocht hij even onder begeleiding naar de derde klas. ‘De Friezen zitten het best in hun plunje, dan volgen de Duitschers, de Franschen, de schilderachtige morsige Italianen, de smerige Poolsche joden, de Arabieren en de Syriërs.

Elsevier nummer 28, 11 juli 2015

EINDE ARTIKEL
[108]
””Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten”
ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 101

[109]

ZIE NOOT 104]

  [110]

ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 101
[111]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[112]


TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[113]


TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[114]ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 101

[115]
ZIE NOOT 76

[116]

”Alle reukwerken van Arabie kunnen deze misdaden niet uitwissen”Vrij vertaald naar Shakespeare’s Macbeth [slaapwandelende Lady Macbeth,Act 5, Scene 1]
http://www.shakespeare-online.com/plays/macbeth_5_1.html

EINDE NOTEN

Reacties uitgeschakeld voor Noten 91 t/m 116 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 71 t/m 90 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[71]
”On arrival in Boston, she was enslaved by John Wheatley, a wealthy Boston merchant and tailor, who bought the young girl as a slave for his wife Susanna. John and Susanna Wheatley named her Phillis, after the ship that had transported her to America. She was given their last name of Wheatley, as was a common custom if any surname was used for enslaved people.[10]

The Wheatleys’ 18-year-old daughter, Mary, was Phillis’s first tutor in reading and writing. Their son, Nathaniel, also helped her. John Wheatley was known as a progressive throughout New England; his family afforded Phillis an unprecedented education for an enslaved person, and one unusual for a woman of any race”

WIKIPEDIA

PHILLIS WHEATLEY/EARLY LIFE

https://en.wikipedia.org/wiki/Phillis_Wheatley#Early_life

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

PHILLIS WHEATLEY

https://en.wikipedia.org/wiki/Phillis_Wheatley

”Gronniosaw was born in Bornu (now north-eastern Nigeria) in 1705. He said that he was doted on as the grandson of the king of Zaara. At the age of 15, he was taken by a Gold Coast ivory merchant and sold to a Dutch captain for two yards of check cloth.[2] He was bought by an American in Barbados, who took him to New York and resold him to a Calvinist minister, Theodorus Frelinghuysen, based in New Jersey.[2][3]

There Gronniosaw was taught to read and was brought up as a Christian”

WIKIPEDIA

UKAWSAW GRONNIOSAW/LIFE

https://en.wikipedia.org/wiki/Ukawsaw_Gronniosaw#Life

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

UKAWSAW GRONNIOSAW

https://en.wikipedia.org/wiki/Ukawsaw_Gronniosaw

[72]

””Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[73]

ZIE NOOT 72

[74]

WIKIPEDIA

OLAUDAH EQUIANO

https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano

[75]

‘Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[76]

”Pascal favoured Equiano and sent him to his sister-in-law in Great Britain so that he could attend school and learn to read and write.”

WIKIPEDIA

OULAUDAH EQUIANO//EARLY LIFE AND ENSLAVEMENT

https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano#Early_life_and_enslavement

”Robert King set Equiano to work on his shipping routes and in his stores. In 1765, when Equiano was about 20 years old, King promised that for his purchase price of 40 pounds (equivalent to £5,500 in 2019) he could buy his freedom.[15] King taught him to read and write more fluently, guided him along the path of religion, and allowed Equiano to engage in profitable trading for his own account, as well as on his owner’s behalf.”

WIKIPEDIA

OLAUDAH EQUIANO/RELEASE

https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano#Release

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

OLAUDAH EQUIANO

https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano

”On arrival in Boston, she was enslaved by John Wheatley, a wealthy Boston merchant and tailor, who bought the young girl as a slave for his wife Susanna. John and Susanna Wheatley named her Phillis, after the ship that had transported her to America. She was given their last name of Wheatley, as was a common custom if any surname was used for enslaved people.[10]

The Wheatleys’ 18-year-old daughter, Mary, was Phillis’s first tutor in reading and writing. Their son, Nathaniel, also helped her. John Wheatley was known as a progressive throughout New England; his family afforded Phillis an unprecedented education for an enslaved person, and one unusual for a woman of any race”

WIKIPEDIA

PHILLIS WHEATLEY/EARLY LIFE

https://en.wikipedia.org/wiki/Phillis_Wheatley#Early_life

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

PHILLIS WHEATLEY

https://en.wikipedia.org/wiki/Phillis_Wheatley

”Gronniosaw was born in Bornu (now north-eastern Nigeria) in 1705. He said that he was doted on as the grandson of the king of Zaara. At the age of 15, he was taken by a Gold Coast ivory merchant and sold to a Dutch captain for two yards of check cloth.[2] He was bought by an American in Barbados, who took him to New York and resold him to a Calvinist minister, Theodorus Frelinghuysen, based in New Jersey.[2][3]

There Gronniosaw was taught to read and was brought up as a Christian”

WIKIPEDIA

UKAWSAW GRONNIOSAW/LIFE

https://en.wikipedia.org/wiki/Ukawsaw_Gronniosaw#Life

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

UKAWSAW GRONNIOSAW

https://en.wikipedia.org/wiki/Ukawsaw_Gronniosaw

[77]

”” De slaven waren het eigendom van een ander en ‘daarom kon er juridisch gezien geen sprake van mishandeling of verkrachting zijn’ door de eigenaar.

Waarom zijn er dan processen gevoerd tegen planters, die een slaaf hadden gemarteld of gedood?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[78]

”’ Onder het régime van Gouverneur Mauricius lezen wij, hoe op aanklacht van den Raad-Fiscaal huiszoeking gedaan werd bij een zekere juffrouw Pieterson, die als onmenschelijk wreed bekend stond. Het onderzoek bracht aan het licht, dat zij ‘eene menigte harer slaven om het leven heeft doen brengen op tyrannique en barbaarse manieren’. Zij dacht er ook niet aan deze daden te ontkennen, maar sprak tegenover de commissie van onderzoek de fiere woorden: ‘dat sy haer eigen goed, voor haer geld gekogt, destrueeren mogt’15) . De koloniale justitie heeft haar echter niet gestraft: – zij vond intusschen tijd om te ontvluchten.”
Wij Slaven van Suriname, Bladzijde 31 [Online versie][In het fysieke boek, bladzijde 33]A. De Kom1971 [Tweede Druk]
https://www.dbnl.org/tekst/kom_001wijs01_01/kom_001wijs01_01.pdf
EN
  De weduwe Mauricius, een dame uit de hoogste kringen van Suriname, had een oude slavin aan een boom laten vastbinden en doodslaan. Zij verklaarde zelf, dat zij dit uit een gril toestond, want ze wilde gaarne haar oude verzorgster pijn zien lijden. Verscheidene harer slaven hadden ditzelfde lot ondergaan, ja zelfs de kleine kinderen op haar plantage werden vaak gestraft met een ‘Spaansche bok’ (een zeer geraffineerde geeseling, waarover wij nog zullen schrijven). De slaven van mevrouw Mauricius deelden nu aan het Koloniale Hof mede, dat zij weg zouden loopen wanneer de gouverneursweduwe niet uit het beheer der plantage ontzet werd. Inderdaad probeerde het Hof haar over te halen om de plantage voortaan door een administrateur te doen beheeren, ‘omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde’, maar mevrouw  Mauricius gaf te kennen, dat de heerschappij over haar eigendom door niemand beter gevoerd kon worden dan door haar zelve. En een anderen keer verklaarde zij: ‘ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel zal rondloopen op mijn plantage’. Inderdaad had zij een efficiënte vermageringskuur uitgedacht, die zijn resultaat zelden miste. Zij liet nl. soms al haar slaven gedurende den tijd van 24 uur onafgebroken geeselen en ‘half afschinden of villen’. Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze behandeling. De later uitgezonden commissie, die verslag over den toestand op haar plantage doen moest, verklaarde dan ook ‘dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen’16) . 

Wij Slaven van Suriname, Bladzijde 31 en 32 [Online versie][In het fysieke boek, bladzijde 33 en 34]A. De Kom1971 [Tweede Druk]
https://www.dbnl.org/tekst/kom_001wijs01_01/kom_001wijs01_01.pdf
[79]
[79]

Het verder verminken of dooden van den slaaf was den meester, volgens de wet, niet geoorloofd; maar deze beperking van de magt des meesters werd op afgelegene plantaadjes dikwijls niet nageleefd; ja zelfs niet in de stad, gelijk meermalen uit de notulen van Gouverneur en Raden, uit de Journalen der Gouverneurs en uit de »brieven en pampieren” van Suriname blijkt. Om niet in te groote uitvoerigheid te vervallen, zullen wij slechts enkele feiten daarvan mededeelen: Notulen Gouverneur en Raden, 2 Mei 1731. »Ter occasie van het proces jegens Cornelia Mulder, huisvrouw van W. Celis (zie notulen 23 Januarij 1731), is door den Raad Fiscaal den Hove in bedenking gegeven, »dat eenige der inwoners alhier seer euvel en onmenschelijk met hunne slaven handelen, als deselve om cleyne fouten en misdrijven zoodanig castigeerende en straffende, dat [131]sy kort oft immediaet daarop door de Extravagante slagen koomen te sterven”, om dit voortaan strengelijk te verbieden en de overtreders te straffen.

»Notulen enz.” 4 Julij 1733. De Gouverneur berigt dat 15 negers, zoo mannen als vrouwen, bij hem zijn komen klagen over de wreede behandeling, hun door hun meester Hendrik Bisschoff aangedaan; zij bragten het hoofd mede van een neger, dat Bisschoff op een staak had laten zetten; uit het op de plaats ingestelde onderzoek bleek, dat hun meester verscheidene slaven doodgeschoten of doodgeslagen had en daarbij van drie de hoofden had laten afkappen en op staken doen stellen, anderen had hij om kleinigheden zeer zwaar en streng laten geesselen, o. a. eene Mulattin, die zoo geslagen was, dat er stukken vleesch uit haar ligchaam vielen (brief van den Gouv. aan de Direct. der Sociëteit), daarbij had hij zijne slaven gedurende 5 jaren weinig of geen kost gegeven. Bisschoff werd gearresteerd, doch overleed vóór hij veroordeeld werd.

Notulen enz. 21 Nov. 1742. Zekere P. Hotzz, pontevaarder, had een zijner slaven den 15den Augustus »seer strengelijk met zweepslagen van den hals af tot aan de beenen doen straffen, zoodat het vleesch van zijn ligchaam tusschen de lendenen ganschelijk door geronnen bloed was opgezet en het ingewand op verscheidene plaatsen geïnflameerd; uit wanhoop heeft die arme man een half uur daarna door het dubbeld draaijen van de tong in zijne keel zich zelven gesmoord.”

Notulen, 24 Oct. 1734. Eenige slaven van Sinabo komen klagen over de wreede behandeling van de Administrateur en Directeur, Pousset; zij brengen mede het hoofd van een neger, voor eenige dagen door Pousset gedood en van eene negerin, die hij eerst wreedelijk mishandeld en daarna vermoord heeft—een nader onderzoek bevestigt deze gruwelen enz.

Journaal van Mauricius, 29 December 1745. Op aanklagt van den Raad-Fiscaal is huiszoeking gedaan bij jufvrouw Pieterson, van ouds bekend voor dol en wreed, en is hieruit gebleken, dat zij soms hare slaven vermoordde en in haar huis liet begraven, de lijken werden gevonden en zij ontkende ook de daad niet, maar sustineerde, »dat sy haar eigen goed, [132]voor haar geld gekogt, destrueeren mogt.”—Men liet de schuldige tijd om te ontvlugten.95

DERDE HOOFDSTUK

Overzigt van den toestand en de behandeling der slaven, van den strijd met de wegloopers en van den met hen gesloten vrede 1761. (63.)

UIT

GESCHIEDENIS VAN SURINAME

J. WOLBERS

1861

[Gedateerd, maar zeer de moeite waard]

https://www.gutenberg.org/files/56257/56257-h/56257-h.htm

ZIE OOK

BUKU/BIBLIOTHECA SURINAMICA

GESCHIEDENIS VAN SURINAME. WOLBERS [1861]

Julien Wolbers (1819-1889) was een Nederlands letterkundige die onder invloed raakte van Nicolaas Beets, de predikant/schrijver die pleitte voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën. Wolbers nam samen met zijn broer het schildersbedrijf over van zijn vader. Op 37 jarige leeftijd stapte hij uit bedrijf en ging hij zich als rentenier toeleggen op de bestudering van de geschiedenis van Suriname. In 1861 verscheen zijn publicatie Geschiedenis van Suriname.

Wolbers is kritisch over het Nederlandse bestuur in Suriname en hij hekelt de wreedheid van planters en hun onzedelijk gedrag. De dagelijkse werkelijkheid van het harde en bijzonder wrede klimaat waarin slaven moesten werken was volgens Wolbers erger dan een romanschrijver zou kunnen verzinnen. Zo vertelt Wolbers over de ‘neger’ Darius die bij de fiskaal zijn beklag kwam doen over de wrede straffen op de plantage Sinabo. De directeur van deze plantage, Jan Jakob Bongaard, had een slaaf die verdacht werd van gifmengen laten afranselen en had hem de Spaanse bok laten geven. Vervolgens werd hij in de timmerloods opgesloten en verbood hij de slaaf te laten verplegen of  hem water dan wel voedsel te geven. Toen de man stierf werd hij in opdracht van de directeur in het struikgewas geworpen waar hij onbegraven bleef liggen.

De zeden in Suriname stonden volgens Wolbers op een zeer laag peil. Er was weliswaar officieel een verbod voor witte Europeanen om geslachtsverkeer te hebben met slavinnen. Maar, zo schrijft Wolbers, dit was niet meer dan een dode wet want zelfs de bestuurders van de kolonie, die op naleving van de wet moesten toezien, maakten zich er zelf schuldig aan. Een sterk groeiende groep kleurlingen was het gevolg hier van. De lichtgekleurde kinderen die bij een slavin verwekt werden waren automatisch ook slaven.

Hoe verdorven de koloniale samenleving was maakt Wolbers duidelijk door te beweren dat de echtgenotes van de overspel plegende manen vaak hun slavinnen aan vrienden en bekenden aanboden voor een bepaalde prijs in de week. Dit ontleende hij aan het boek van Stedman. Wolbers had niet alleen archieven in Nederland en Engeland uitvoerig doorgespit, hij had ook alle literatuur die voorhanden was goed bestudeerd. Hij was bijzonder goed geïnformeerd maar was zelf nooit in Suriname geweest. Hij kan in vele opzichten de Hartsinck van de 19e eeuw genoemd worden. Zijn meer dan 850 pagina’s tellende boek is nog steeds de meest omvangrijke  historische studie over Suriname. Het geldt nog steeds als één van de belangrijkste 19e eeuwse werken over Suriname.

EINDE ARTIKEL[80]

WIKIPEDIAANTON DE KOM
https://nl.wikipedia.org/wiki/Anton_de_Kom

[81]

” De slaven van mevrouw Mauricius deelden nu aan het Koloniale Hof mede, dat zij weg zouden loopen wanneer de gouverneursweduwe niet uit het beheer der plantage ontzet werd. Inderdaad probeerde het Hof haar over te halen om de plantage voortaan door een administrateur te doen beheeren, ‘omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde’, maar mevrouw

  Mauricius gaf te kennen, dat de heerschappij over haar eigendom door niemand beter gevoerd kon worden dan door haar zelve.”
Wij Slaven van Suriname, Bladzijde 31 en 32 [Online versie][In het fysieke boek, bladzijde 33 en 34]A. De Kom1971 [Tweede Druk]
https://www.dbnl.org/tekst/kom_001wijs01_01/kom_001wijs01_01.pdf

[82]

”’ Onder het régime van Gouverneur Mauricius lezen wij, hoe op aanklacht van den Raad-Fiscaal huiszoeking gedaan werd bij een zekere juffrouw Pieterson, die als onmenschelijk wreed bekend stond. Het onderzoek bracht aan het licht, dat zij ‘eene menigte harer slaven om het leven heeft doen brengen op tyrannique en barbaarse manieren’. Zij dacht er ook niet aan deze daden te ontkennen, maar sprak tegenover de commissie van onderzoek de fiere woorden: ‘dat sy haer eigen goed, voor haer geld gekogt, destrueeren mogt’15) . De koloniale justitie heeft haar echter niet gestraft: – zij vond intusschen tijd om te ontvluchten.”

Wij Slaven van Suriname, Bladzijde 31 [Online versie][In het fysieke boek, bladzijde 33]A. De Kom1971 [Tweede Druk]
https://www.dbnl.org/tekst/kom_001wijs01_01/kom_001wijs01_01.pdf
[83]

”De slaven van mevrouw Mauricius deelden nu aan het Koloniale Hof mede, dat zij weg zouden loopen wanneer de gouverneursweduwe niet uit het beheer der plantage ontzet werd. Inderdaad probeerde het Hof haar over te halen om de plantage voortaan door een administrateur te doen beheeren, ‘omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde’, maar mevrouw  Mauricius gaf te kennen, dat de heerschappij over haar eigendom door niemand beter gevoerd kon worden dan door haar zelve.”
Wij Slaven van Suriname, Bladzijde 31 en 32 [Online versie][In het fysieke boek, bladzijde 33 en 34]A. De Kom1971 [Tweede Druk]
https://www.dbnl.org/tekst/kom_001wijs01_01/kom_001wijs01_01.pdf

[84]
ZIE NOTEN 78, 79, 81, 82 EN 83
[85]
ZIE NOOT 81

[86]

ZIE NOOT 82

[87]

AFRIKANEN WERDEN VAAK VERKOCHT DOOR ANDERE AFRIKANEN.

Correct. Dus?

DUS KUNNEN WE EUROPEANEN NIET SCHULDIG HOUDEN VOOR TRANS-ATLANTISCHE SLAVERNIJ!

Oeh, die ga ik de volgende keer in de rechtszaal gebruiken. “Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan brandstichting want Pietje Bell gaf me de benzine.” Daarnaast valt er nogal wat te zeggen over de rol die Europees kapitaal speelde in het aansporen, uitbreiden en in stand houden van de West-Afrikaanse slavernij.

OKE MAAR DE ARABISCHE SLAVENHANDEL DAN?

“Ja maar hullie doen ‘t ook” had je al af moeten leren in groep 3.”

ONE WORLD

TWAALF VRAGEN OVER SLAVERNIJ, DIE JE MAAR BETER NIET HAD KUNNEN STELLEN

SANDER PHILIPSE

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 47

[88]

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ/NABIJE OOSTEN EN NOORD-AFRIKA

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij#Nabije_Oosten_en_Noord-Afrika

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[89]

ZIE NOOT 88

[90]

” De Europeanen sloten dan ook aan bij een al zeker zes eeuwen bestaand netwerk van Arabische slavenhandel. De slaven werden aangeleverd door Afrikaanse en Arabische handelaren en door de Europeanen naar Amerika gebracht”

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL/AANVANGSCONDITIES

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel#Aanvangscondities

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel

Reacties uitgeschakeld voor Noten 71 t/m 90 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 51 t/m 70 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[51]
TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7
[52]
WIKIPEDIASLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[53]
WIKIPEDIASLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[54]
HET PAROOLDIRECTEUR TACO DIBBITS IN DE SLAVERNIJ-EXPO VAN HETRIJKSMUSEUM: ”MET SCHULD EN SCHAAMTE KOM JE NIET VERDER”3 JUNI 2021
https://www.parool.nl/kunst-media/directeur-taco-dibbits-over-de-slavernij-expo-in-het-rijksmuseum-met-schuld-en-schaamte-kom-je-niet-verder~bc2f3d54/

Sinds hij in 2016 hoofddirecteur werd van het Rijksmuseum heeft Taco Dibbits gewerkt aan een tentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden. Vanaf zaterdag is de tentoonstelling eindelijk open.

Zaterdag opent het Rijks voor het eerst sinds 15 december 2020 weer zijn deuren. Wat betekent dat voor u?

“Het is fantastisch dat we weer open kunnen; dat is prachtig. Maar de 1,5 metermaatregel geldt nog, dus er kunnen helaas minder mensen naar binnen dan we zouden wensen. Dit is een onderwerp waar we juist van willen dat zoveel mogelijk mensen er kennis van nemen. Daarom zijn we ook blij dat we de afgelopen weken al schoolklassen hebben mogen ontvangen – dat liep direct storm, en die scholieren zijn de toekomst, dus dat is heel belangrijk. We hebben daarbij ook al kunnen zien hoe mensen worden geraakt als ze de tentoonstelling zien.”

Amsterdam heeft een belangrijke rol gespeeld in het Nederlandse slavernijverleden; (hoe) komt dat naar voren in de tentoonstelling?

“We hebben ervoor gekozen een tentoonstelling te maken over de levens van tien mensen, van wie een aantal een band heeft met Amsterdam. De stad heeft sowieso een belangrijke rol gespeeld in de koloniale slavernij. Zo is het leven van de tot slaaf gemaakte Wally verbonden met de 17de eeuwse Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen. En Oopjen is een telg uit een Amsterdamse familie. Na de verwerving van Rembrandts huwelijksportretten van Marten en Oopjen, in 2016, hebben we veel onderzoek ­gedaan, maar als je de portretten vanuit een ander perspectief benadert, komen er weer andere dingen naar boven. Martens vader bleek een suikerraffinaderij te hebben gehad en de tweede man van Oopjen heeft in Brazilië gewoond en daar een tot slaaf gemaakte vrouw verkracht.”

“Er wordt mij wel gevraagd of we dit soort moeilijke ­zaken wel een plek moeten geven in het museum. Het gekke, vind ik, is dat je die vraag nooit hoort bij een boek of een film; daar heb je ook altijd moeilijke of pijnlijke stukken. Het laat op een zeer treffende wijze de spanning zien tussen esthetiek en ethiek: iets kan heel mooi zijn en tegelijkertijd een schaduwzijde hebben. Het zijn nog steeds fantastische portretten; ze zijn ongelooflijk knap geschilderd, maar ze zijn er echter door geworden. In mensenlevens is het niet allemaal rozengeur en maneschijn, mensen doen elkaar ook verschrikkelijke dingen aan. De geschiedenis is niet eendimensionaal, en de ­complexiteit van de geschiedenis is completer gemaakt doordat we ook dit stuk van het verhaal kennen.”

Recensie tentoonstelling Slavernij

De langverwachte tentoonstelling over de slavernij­geschiedenis is indrukwekkend en veelzijdig, schrijft Kees Keijer in zijn recensie. ‘De boodschap is duidelijk, dit wordt geen gezellige tentoonstelling.’ Lees de volledige recensie.

In Ida Does’ documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling zit een prikkelende scène waaruit blijkt dat sommige oudere, veelal witte Vrienden van het Rijksmuseum er nog aan moeten wennen dat termen als ‘slaaf’ en ‘blank’ niet meer in het museum thuishoren. Gaat dat intussen beter?

“Het is een proces. Ik heb dat proces zelf ook doorgemaakt. Toen ik in 2016 hoofddirecteur werd van het Rijksmuseum vond ik slavernij een belangrijk onderwerp om te agenderen en heb ik meteen gezegd dat we er een tentoonstelling over zouden gaan maken. Maar ik ben gaandeweg gaan inzien dat ik zelf ook tal van vooroordelen had. Ik heb er veel van geleerd en het als een heel positief proces ervaren en dat proces is nog lang niet afgelopen, ik blijf nog steeds leren.”

“Vaak wordt me de vraag gesteld: moet ik me dan schuldig voelen, of moet ik me schamen? Ik denk van niet; ik denk dat je met schuld en schaamte niet veel verder komt. Waar het om gaat, is dat we ons rekenschap geven van de geschiedenis. Dat we kennis nemen van de geschiedenis. Daardoor kunnen we onze gemeenschappelijke toekomst op een betere manier vormgeven. Schuldig voelen zorgt er ook voor dat je er liever niks van wilt weten. Ik vind het mooi om te zien bij onze Vrienden; je gaat samen een proces in en daar kom je alleen maar sterker uit. Door er niet bang voor te zijn. Door de geschiedenis te erkennen.”

Het publiek dat al naar Slavernij is geweest, is zeer divers, van koning Willem-Alexander tot Amsterdamse scholieren. Voor wie is de tentoonstelling ­eigenlijk bedoeld?

“Door de tentoonstelling te openen heeft de koning aangegeven dat het niet alleen een tentoonstelling is voor alle Nederlanders, maar dat de tentoonstelling ook buiten Nederland van groot belang is. De trans-Atlantische slavernij is een onderwerp dat de hele wereld aangaat en dat de hele wereld over gaat. Er is enorm veel aandacht voor de tentoonstelling vanuit de hele wereld; in meer dan honderd landen is er al over geschreven.”

“Het is een tentoonstelling voor iedereen. We hebben ook een familiegids gemaakt, want we hopen dat er ook veel kinderen komen. Nee, ik ben niet bang dat dat een traumatische ervaring oplevert. Als je ziet wat kinderen allemaal zien op YouTube en op televisie… Er worden afschuwelijke verhalen verteld in de slavernijtentoonstelling, want er zijn afschuwelijke dingen gebeurd. Mensen is groot onrecht aangedaan. Ik denk dat alleen maar goed is dat je daar op jonge leeftijd al van op de hoogte bent en meer inzicht in krijgt. Het is een tentoonstelling over mensen, voor mensen. En kinderen zijn ook mensen.”

Slavernij, t/m 29 augustus in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum. De tentoonstelling is ook elke vrijdagavond geopend. Tijdens de tentoonstelling presenteert Jörgen Raymann maandelijks een talkshow over het thema slavernij en de doorwerking daarvan. Meer ­informatie en kaartverkoop op rijksmuseum.nl. Op de museumsite zijn ook de tien verhalen uit de ­tentoonstelling te horen.

In cijfers

De tentoonstelling is opgebouwd rond 10 persoonlijke en waargebeurde verhalen

Slavevoyages.com becijferde het aantal in Afrika ingescheepte slaven op 12.521.337. Het aantal dat op de plaats van bestemming is ontscheept, wordt berekend op 10.702.653. Voor de Nederlandse slavenhandel zijn de getallen respectievelijk 554.336 ingescheepte slaven en 475.240 slaven die levend op hun bestemming zijn aangekomen.

Rembrandt schilderde de huwelijksportretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit in 1634.

Kralen en een voetblok nemen het op tegen power paintings

De slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum vertelt persoonlijke verhalen met behulp van gebruiksvoorwerpen en kunstwerken, maar ook met kleuren, spiegels, rechte vormen en cirkels. Het is een sterk staaltje museale scenografie, schrijft Edo Dijksterhuis.

Een tentoonstelling maken over slavernij is geen sinecure. Vanwege de beladen geschiedenis van het onderwerp natuurlijk, maar ook vanwege praktische beperkingen. “Want hoe doe je recht aan de geschiedenis van mensen die geen bezit hadden dat kan worden tentoongesteld, mensen die zelf bezit waren?” Dat zegt conservator ­Eveline Sint Nicolaas, die samen met Valika Smeulders, hoofd geschiedenis, en twee andere conservatoren de ­tentoonstelling samenstelde.

In Slavernij zijn de verhalen over tien uiteenlopende ­levens daarom belangrijker dan de voorwerpen, waarvan er ook minder te zien zijn dan in tentoonstellingen van vergelijkbare omvang. Die verhalen worden verteld in zaalteksten, die bewust beperkt zijn gehouden tot maximaal 150 woorden om er geen ‘leestentoonstelling’ van te maken, en die tot leven komen in de audiotour. De voorwerpen die er zijn, worden gepresenteerd in een bijna ­theatrale setting: een scenografie die ook voelbaar maakt wat niet kan worden getoond. “Van de Curaçaose vrijheidsstrijder Tula vonden we teksten in het Nationaal ­Archief, maar een portret van hem ontbreekt,” geeft Sint Nicolaas als voorbeeld. “Dan zou je een hedendaags portret kunnen laten maken, maar het feit dat zo’n portret er niet is, heeft betekenis op zich.”

Van andere mensen die in slavernij naar Nederland ­werden gehaald, bestaan wel afbeeldingen, vaak als figuranten naast witte meesters. “Het imposante portret van Maurits graaf van Nassau la Lecq te paard hebben we ­bewust lager gehangen dan normaal, zodat de kijker op ooghoogte contact maakt met de zwarte jongen links in beeld,” vertelt Smeulders. “Hetzelfde geldt voor de ­halsband die we juist op een extra hoge sokkel hebben geplaatst.”

Passend in de verzameltraditie van het Rijksmuseum, dat ook het pistool waarmee Pim Fortuyn is vermoord in de collectie heeft en het oudst bewaard gebleven vliegtuig van Nederland, spelen gebruiksvoorwerpen een belangrijke rol in de tentoonstelling. Zo staat een tronco, een voetblok dat eigenlijk niets minder is dan een martelwerktuig, pontificaal middenin een zaal. De kunst­historische topstukken hebben juist een bescheidener plekje. Of zoals Afaina de Jong, de architect verantwoordelijk voor het tentoonstellingsontwerp, het zegt: “We hebben de power paintings, die dominante portretten van rijke patriciërs als Oopjen en Marten, zo opgehangen dat je ze niet meteen ziet.”

Architectuur van slavernij

De meeste tentoonstellingen over slavernij zijn te zien op historische locaties als voormalige plantages en West-Afrikaanse forten. Of in nieuwe, speciaal hiervoor ontworpen gebouwen als het National Museum of African American History and Culture in Washington. Het ­Rijksmuseum valt in geen van beide categorieën. De Jong: “Het Rijksmuseum gaat over de nationale identiteit en vertelt de verhalen over de elite die het land heeft gevormd. Ik wilde binnen die context een nieuwe ruimte creëren voor de mensen en verhalen die hier afwezig zijn. Ik heb daarvoor de architectuur van de slavernij gebruikt, waarin hoogteverschillen een belangrijke rol spelen. Plantagehouders woonden in huizen op palen en slavenhandelaren sliepen in vertrekken boven de kerkers. Tot slaaf gemaakten woonden echter in hutjes met lage ingangen, waardoor ze altijd moesten bukken. In de eerste helft van de tentoonstelling heb ik dat gevoel van compressie proberen over te brengen.”

De Jong deed dat met architectonische ingrepen, waarvan gefragmenteerde spiegelwanden het meest in het oog springen. Ze worden soms verticaal onderbroken, waardoor een soort traliewerk ontstaat. En als de spiegelbanen horizontaal lopen, is dat nooit op ooghoogte, waardoor de bezoeker telkens met zichzelf wordt geconfronteerd, maar gezichtsloos blijft, als een tot slaaf gemaakte wiens identiteit is afgepakt.

In de zaal waarin de verhalen van de opstandige ­Surinaamse Wally en de hardvochtige Amsterdamse plantagehouder Jonas Witzen worden gecombineerd, plaatste De Jong een diagonale scheidswand. “Daar heb ik vitrines in gemaakt, zodat je van de ene belevings­wereld naar de andere kijkt. Er liggen bijvoorbeeld kapmessen in, die vanuit Nederland werden geëxporteerd naar de koloniën voor het oogsten van suikerriet.”

De zaal gewijd aan tot slaaf gemaakten uit Bengalen wordt gedomineerd door een half transparante tunnel in het midden. “De schilderijen hangen aan de buitenwanden. Als je die bekijkt, ben je je steeds bewust van de ­bezoekersstroom in die tunnel en voel je de massaliteit die kenmerkend is voor de Aziatische slavenhandel. ­Andere bezoekers worden figuranten in jouw ervaring.”

De laatste helft van de tentoonstelling gaat over vrijheidsstrijders en het einde van de slavernij. Hier verandert ook de vormgeving. Rechte lijnen en korte zichtlijnen maken plaats voor open ruimtes met cirkels in wand of plafond. De Jong: “Cirkels staan voor solidariteit, maar je kunt er ook een raam of doorgang in zien.”

Kroonluchter van kralen

Afgezien van Look at me Now, het publieksparticipatieproject op de benedenverdieping, bevat Slavernij één hedendaags kunstwerk: La Bouche du Roi van Romuald Hazoumé. Het stelt de plattegrond van een slavenschip voor, gemaakt van jerrycans die in hedendaags Benin worden gebruikt voor benzinesmokkel en die door de kunstenaar zijn bewerkt tot maskers. “We kiezen in deze tentoonstelling voor de persoonlijke insteek,” zegt Sint Nicolaas, “maar dit kunstwerk laat zien hoe mensen ­werden gereduceerd tot anonieme handelswaar.”

De zaal van La Bouche du Roi is 6 meter hoog. De Jong bracht op de helft daarvan een lijn aan en schilderde alles daaronder dieprood. “Dat versterkt het idee dat je in het ruim van een schip zit,” licht de architect toe. “In de daaropvolgende zaal is juist het bovenste deel van de wand ­geschilderd, in blauw: het licht en de lucht die de tot slaaf gemaakten zagen na de Atlantische overtocht. Het blauw verwijst ook naar indigo, een kleur die we te danken hebben aan de plantages, of de blues, de muzieksoort die is ontstaan uit de plantagecultuur.”

Een ander theatraal hoogtepunt vormt de op één na laatste zaal. Hier liggen de wetsteksten die een eind maakten aan 250 jaar slavernij. Ze vallen in het niet bij een installatie van kralen die als een kroonluchter middenin de zaal hangt. Smeulders: “Tot slaaf gemaakten werden op Sint Eustatius soms uitbetaald in kralen, zodat ze ­alleen onderling ruilhandel konden bedrijven en niet konden meedoen aan de reguliere economie. Bij de afschaffing van de slavernij zijn die kralen massaal in zee geworpen, een krachtig gebaar van bevrijding. De kralen zijn maar 1 centimeter in doorsnede, maar in deze ­installatie zijn ze voelbaar in de hele zaal. Ze zijn belangrijker dan die stapel papier.”

EINDE ARTIKEL

NU.NL

RIJKSMUSEUM BIEDT SCHOLIEREN PROGRAMMA OVER SLAVERNIJ AAN

23 MAART 2021

https://www.nu.nl/cultuur-overig/6123002/rijksmuseum-biedt-scholieren-lesprogramma-over-slavernij-aan.html

Het Rijksmuseum heeft samen met uitgeverij ThiemeMeulenhoff een digitaal lesprogramma en een magazine over het Nederlandse slavernijverleden ontwikkeld, meldt het best bezochte museum van Nederland dinsdag aan NU.nl.

Zelfs nadat Nederland de slavernij in 1863 officieel afschafte, wist het land de praktijk waaraan het mede de rijkdommen uit de Gouden Eeuw dankt via een wrange en misdadige omweg tien jaar te rekken. Volgens hoofddirecteur van het Rijksmuseum Taco Dibbits in het voorwoord van het magazine Slavernij en nu? voelen mensen het onrecht van de slavernij tegenwoordig nog steeds.

Vanaf dinsdag ontvangen alle scholieren van groep zeven en acht van de basisschool en de onderbouw van het middelbaar onderwijs in Nederland en op Curaçao een van de 250.000 exemplaren van het magazine. Ze krijgen ook de mogelijkheid om via school gratis acht digitale lessen over slavernij en racisme te volgen.

Slavernij en nu? behandelt de geschiedenis van de slavernij in Nederland en legt het verband met hedendaags racisme. “Je weet pas waar je naartoe gaat als je weet waar je vandaan komt”, valt onder meer te lezen in het magazine

‘Leraren kregen zelf geen les over slavernij’

“We vinden het belangrijk dat geschiedenis dichtbij komt”, vertelt Annemiek Spronk, hoofd onderwijs van het Rijksmuseum in gesprek met NU.nl. “De slavernij is onderdeel van onze geschiedenis, maar staat nog niet zo lang in de geschiedenisboeken. Ook de huidige docenten hebben er als scholier zelf geen les over gehad.”

Het Rijksmuseum kreeg reacties vanuit het onderwijs dat slavernij buiten de Randstad niet relevant zou zijn, omdat daar in de klassen minder zwarte leerlingen zitten. Het Amsterdamse museum bestrijdt die gedachte.

“Slavernij is de geschiedenis van ons allemaal”, vindt Spronk. Het hoofd onderwijs van het Rijksmuseum laat weten dat bijvoorbeeld ook in de provincie Drenthe nog sporen van het Nederlandse slavernijverleden te zien zijn.

Spronk hoopt dat kinderen door het lezen van het magazine verder leren kijken dan hun neus lang is. “Natuurlijk draait slavernij om onrecht, maar we vertellen in Slavernij en nu? ook verhalen over verzet. Die laten de kracht van mensen zien.” Het magazine besteedt onder meer aandacht aan vrijheidsstrijder en verzetsheld Anton de Kom, die als eerste Surinamer is opgenomen in de Canon van Nederland.

Lesmateriaal is gebaseerd op magazine en documentaire

Eric Razenberg, algemeen directeur van ThiemeMeulenhoff, laat in gesprek met NU.nl weten dat de educatieve uitgeverij zeker een jaar aan het lesmateriaal heeft gewerkt. “Ons motto is ‘Samen leren vernieuwen’. We willen leraren helpen om lastige onderwerpen zoals slavernij en racisme bespreekbaar te maken in de klas.”

Elk van de acht artikelen in Slavernij en nu? bevat volgens Razenberg uitdagende werkvormen, zoals het schrijven van een spoken-wordzelfportret en het in briefvorm beantwoorden van een van de personen uit het magazine.

Met de makers van de documentaire Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij heeft ThiemeMeulenhoff acht fragmenten uit de documentaire geselecteerd. Ook die zullen volgens de educatieve uitgeverij op termijn onderdeel vormen van gratis lesmateriaal.

In 2021 organiseert het Rijksmuseum voor het eerst sinds de oprichting in 1800 een tentoonstelling over slavernij, die te bezoeken is zodra de geldende coronamaatregelen dat toelaten. Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij van regisseur Ida Does laat de soms pijnlijk confronterende totstandkoming van die tentoonstelling met de naam Slavernij zien.

EINDE ARTIKEL

[55]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[56]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[57]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[58]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[59]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[60]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[61]

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[62]HEBBEN SLAVEN GELD?
Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester. De opbrengsten mogen ze dus gedeeltelijk in hun eigen zak steken. Zelfstandige ambachtsslaven krijgen van hun meester de gelegenheid zelf slaven in dienst te nemen of te kopen. Soms mogen slavinnen een klein handeltje opzetten, wat hun een redelijk inkomen kan verschaffen.

SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD
https://www.slavernijenjij.nl/leven-in-slavernij/slaven-en-geld-2/

Het staat in de wet

Een wet uit 1684: niemand in Suriname mag goederen van slaven kopen, omdat ze daardoor alleen maar de neiging zouden krijgen om te stelen.

Plakkaat 111, 112 en 185 uit de zeventiende eeuw: witte mensen in Suriname mogen slaven geen drank verkopen, geen handel met hen drijven en geen dobbel- of andere geldspelen met hen doen. Van dat laatste, bijvoorbeeld, zouden slaven alleen maar het idee kunnen krijgen om op verboden manieren aan geld te proberen te komen.

Een wet uit 1771: slaven mogen geen goud en juwelen aan anderen verkopen. Anders zullen ze sieraden stelen van hun meesters.

Een verbod uit 1762: slaven mogen geen ‘negerspijzen’ meer verhandelen. De verrotte vlees- en viswaren die ze te koop aanbieden zouden een gevaar vormen voor de volksgezondheid.

Hebben slaven geld?

Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester. De opbrengsten mogen ze dus gedeeltelijk in hun eigen zak steken. Zelfstandige ambachtsslaven krijgen van hun meester de gelegenheid zelf slaven in dienst te nemen of te kopen. Soms mogen slavinnen een klein handeltje opzetten, wat hun een redelijk inkomen kan verschaffen.

Vooral de stadsslaven, die in Suriname twintig procent van de slavengemeenschap uitmaken, hebben meer toegang tot geld. Omdat het eigenlijk niet mag, grijpen koloniale autoriteiten in wanneer zulke economische bezigheden de openbare orde, gezondheid of welzijn in gevaar brengen.

HEBBEN SLAVEN WAARDEVOLLE SPULLEN?

Uit de levenswijze van de slaven blijkt dat ze beschikken over waardevolle spullen. Over ceremoniële dansfeesten zoals de doe staat in getuigenissen van Europeanen te lezen dat de slaven elkaar proberen te overtreffen met ‘bizarre opsmuk’. Verder worden bij zulke gelegenheden kostbare snuisterijen verkocht. De koloniale overheid legt de doe aan banden om de openbare orde te handhaven en om ‘dieveryen’ te voorkomen. Tijdens zulke festijnen worden namelijk dure etenswaren verkocht die de slaven eigenlijk niet kunnen betalen.

KAN EEN SLAAF MET GELD ZICHZELF VRIJKOPEN?

Als een slaaf genoeg geld bijelkaar weet te krijgen, kan hij of zij zichzelf vrijkopen. Dat heet manumissie.

EINDE BERICHT

[63]

‘KAN EEN SLAAF MET GELD ZICH VRIJKOPEN?

Als een slaaf genoeg geld bijelkaar weet te krijgen, kan hij of zij zichzelf vrijkopen. Dat heet manumissie.
SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD
https://www.slavernijenjij.nl/leven-in-slavernij/slaven-en-geld-2/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 62
”King allowed Equiano to buy his freedom, which he achieved in 1766.”
WIKIPEDIAOLAUDAH EQUIANO/FREEDOM
https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano#Freedom

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAOLAUDAH EQUIANO
https://en.wikipedia.org/wiki/Olaudah_Equiano

[64]
”Zonder enig bewijs meldt de tentoonstellingsbundel dat slaven geen bezit mochten hebben. Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[65]

”Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester.”SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD
https://www.slavernijenjij.nl/leven-in-slavernij/slaven-en-geld-2/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 62
[66]
WIKIPEDIASLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[67]

”Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd? ”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7
[68]
””Ik begrijp nu beter wat we aan andere objecten, maar ook aan mondelinge bronnen nodig hebben om een verhaal vanuit verschillende perspectieven te vertellen”, zegt Sint Nicolaas. “Tot slaaf gemaakten mochten niet lezen en schrijven, er zijn dus weinig getuigenissen uit de eerste hand overgebleven, maar er zijn wel verhalen van generatie op generatie doorverteld. Door nieuwe bronnen en objecten toe te voegen aan onze collectie, brengen we de verhalen beter in balans.”
NOS250 JAAR SLAVERNIJGESCHIEDENIS KOMTTOT LEVEN IN RIJKSMUSEUM18 MEI 2021
https://nos.nl/artikel/2381240-250-jaar-slavernijgeschiedenis-komt-tot-leven-in-rijksmuseum

Koning Willem-Alexander opent vanmiddag de overzichtstentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden in het Rijksmuseum in Amsterdam. Musea zijn vanwege de coronamaatregelen nog dicht, maar de koning geeft voor deze tentoonstelling het startsein voor de opening in fases.

De tentoonstelling, waaraan vier jaar gewerkt is, brengt met tien persoonlijke verhalen vanuit verschillende perspectieven 250 jaar slavernijgeschiedenis tot leven. Het zijn waargebeurde verhalen van mensen die destijds tot slaaf werden gemaakt, mensen die daartegen in verzet kwamen en vluchtten, plantagehouders en regenten. Niet alleen de trans-Atlantische slavernij in Suriname, het Caribisch gebied en Brazilië, waarover in het algemeen meer bekend is, maar ook de slavernij in Azië en Zuid-Afrika komt aan bod.

De verhalen worden verteld aan de hand van schilderijen en archiefstukken, gebruiksvoorwerpen, maar ook mondelinge bronnen, zoals liederen die van generatie op generatie zijn doorgegeven. In de bijbehorende audiotour lichten mensen die elk een connectie hebben met een hoofdpersoon de verhalen toe.

Massaliteit en anonimiteit van de slavenhandel

Een van de eerste zalen is helemaal gewijd aan een hedendaags kunstwerk, ‘La Bouche du Roi’ van de Beninse kunstenaar Romuald Hazoumé. Die installatie laat de massaliteit en anonimiteit van de slavenhandel zien, gebaseerd op de plattegrond van een slavenschip. Hazoumé verbeeldt met jerrycans de gezichten van de mensen wiens naam en bezit werd afgenomen, en die tot slaaf werden gemaakt.

“Naast de persoonlijke verhalen wilden we ook recht doen aan de miljoenen namen en mensen wiens gezichten we niet kennen”, zegt hoofdconservator Eveline Sint Nicolaas. “De grote anonieme massa die vanuit de westkust van Afrika, maar ook uit Azië, werd weggerukt van familie, cultuur en taal. Dat is wat deze installatie laat zien.”

“De ruim 300 jerrycans zijn eigenlijk maskers met unieke kenmerken, waar je gezichten in kunt zien van mannen, vrouwen en kinderen die aan boord van het schip waren. Dat maakt het weer een geschiedenis van mensen. De kunstenaar prikkelt de zintuigen bovendien door ook met stemmen en geuren te werken, waardoor het kunstwerk echt onder je huid gaat zitten.”

“Door het werken aan deze tentoonstelling ben ik me er meer van bewust dat er achter onze collectie nog allerlei verhalen schuilgaan die we niet kenden. Dat er nog een veel completer verhaal te vertellen is. Je ziet hoe verweven de koloniale geschiedenis is met onze nationale geschiedenis. Je vindt het overal in het Rijksmuseum”, zegt Sint Nicolaas.

Oopjen

Een voorbeeld daarvan is het portret van Oopjen Coppit, geschilderd door Rembrandt en samen met het portret van haar echtgenoot Marten Soolmans in 2015 door Frankrijk en Nederland gezamenlijk aangekocht. Oopjen is nu een van de tien hoofdpersonen in de expositie. Bij nader onderzoek bleek zij veel verbindingen te hebben met de geschiedenis van de slavernij.

Oopjes schoonfamilie is bijvoorbeeld rijk geworden door de verwerking van suikerriet dat door tot slaaf gemaakten op de plantages in Brazilië was geteeld en geoogst. Haar tweede man Maerten Daey vocht in Brazilië en maakte van dichtbij mee hoe het er op de plantages aan toeging.

“Ik begrijp nu beter wat we aan andere objecten, maar ook aan mondelinge bronnen nodig hebben om een verhaal vanuit verschillende perspectieven te vertellen”, zegt Sint Nicolaas. “Tot slaaf gemaakten mochten niet lezen en schrijven, er zijn dus weinig getuigenissen uit de eerste hand overgebleven, maar er zijn wel verhalen van generatie op generatie doorverteld. Door nieuwe bronnen en objecten toe te voegen aan onze collectie, brengen we de verhalen beter in balans.”

EINDE ARTIKEL

[69]”Tot het midden van de negentiende eeuw, dus tot vlak voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863, werd er bijna geen aandacht besteed aan missie of onderwijs; er was zelfs een verbod om te leren lezen of schrijven”
WERKGROEP CARAIBISCHE LETTERENSLAVENKINDEREN EN KINDSLAVEN
https://werkgroepcaraibischeletteren.nl/slavenkinderen-en-kindslaven/

Kind aan de ketting, opgroeien in slavernij toen en nu is van groot formaat, kleurig, prachtig geïllustreerd, met uitvoerige verwijzingen in voetnoten en naar bronnen, luxe uitgegeven en naar verhouding goedkoop. Na de verantwoording en de inleiding van de redactrice bevat het negen artikelen over kinderen van de trans-Atlantische slavenhandel en drie over kinderen in op slavernij lijkende omstandigheden tegenwoordig.

Het gedwongen transport van arbeidskrachten van Afrika naar de Amerika’s speelde van de zeventiende tot het begin van de negentiende eeuw. Tijdens het vervoer naar Suriname stierf een op de zeven van het kwart miljoen aangevoerde slaven. Bij deze vroege barbaarse vorm van mondialisering waren meer kinderen betrokken dan tot dusver werd aangenomen. Het waren niet alleen veel kinderen maar hun aandeel nam in de loop der tijden ook nog toe, tot ongeveer een derde. De prijs van jongeren was lager, ze namen minder ruimte in tijdens het transport, hadden ook minder voeding nodig en waren minder opstandig, gemakkelijker te beheersen. Na aankomst, verzwakt, moesten de slaven zware arbeid verrichten, ze kregen slechte voeding en weinig nachtrust. Tegen veel tropische ziekten bestonden geen effectieve geneesmiddelen. Bovendien kregen slavinnen op de Surinaamse plantages weinig kinderen en was er – zoals destijds trouwens bijna overal – een hoge kindersterfte. Dus was er in Suriname een voortdurend sterfte-overschot, vooral op de suikerrietplantages, waardoor er steeds nieuwe slaven moesten worden aangevoerd.

Tussen Suriname en de Nederlandse Antillen waren wel verschillen. Op de Antillen bestond geen plantage-economie en daarmee was het zwarte deel van de bevolking veel kleiner dan in Suriname. Er is op de eilanden een veel droger klimaat en er was daar in de tijd van de slavernij wél een natuurlijke bevolkingsaanwas. Bovendien valt dit pijnlijk verleden op de Antillen, en zeker op Aruba, nog steeds moeilijk te bespreken.

Bronnen
Over de situatie en omstandigheden van de kindslaven en slavenkinderen bestaan weinig bronnen. En de wel bestaande bronnen zijn zeer onevenwichtig; ze stammen eenzijdig van Europese mannen. Verslagen van slavenhalers, van plantagebazen, van rechtbanken, van reizigers, en schilderijen. In historische romans, zowel als in hedendaagse Antilliaanse romans, komen trouwens ook zeer zelden slavenkinderen voor. Een uitzondering vormt het bekende kinderboek Marijn bij de Lorredraaiers uit 1965, van Miep Diekmann die haar jeugd op Curacao doorbracht. In het verhaal verliest Marijn in 1861 in Willemstad zijn ouders tijdens een orkaan. Om zijn onmogelijke liefde voor het zwarte meisje Knikkertje -zo genoemd vanwege haar grote ronde ogen- te verbergen, gaat hij als chirurgijn (dokter) varen. Op weg naar Afrika wordt hij gevangen genomen en komt als blanke slaaf op een eenzaam eiland terecht. Hij weet te ontsnappen met de lorrendraaier (smokkelaar). Knikkertje is inmiddels gekidnapt en verkocht naar Berbice, een streek in het tegenwoordige Guyana, buurland van Suriname. Daar was het lot van slaven spreekwoordelijk slecht, getuige de nog bestaande uitdrukking ‘naar de barrebiesjes gaan’. Marijn gaat Knikkertje redden. Ze is verkracht en heeft een kind gekregen. Ze keren samen naar Curaçao terug maar onderweg breekt op het schip muiterij uit. Geboeid springt Knikkertje met haar kind in zee; ze verkiest de dood boven de (seksuele) slavernij.

Twee werelden
De slavenkinderen leefden in twee werelden, die van hun bazen en die van hun moeders. De bazen waren de planters, de eigenaars, de bestuurlijke autoriteiten en later wat zendelingen. Voordat kinderen tien werden moesten ze niet echt werken, maar vernederingen en lijfstraffen waren aan de orde van de dag. Kinderen kregen – afhankelijk van hun leeftijd – wel minder slaag met de zweep, de kat, de bullepees, de garde of de roede, dan volwassenen. Tot het midden van de negentiende eeuw, dus tot vlak voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863, werd er bijna geen aandacht besteed aan missie of onderwijs; er was zelfs een verbod om te leren lezen of schrijven. Gezaghebbers zagen dat als een gevaar voor de rust en orde, want door “de beschaving van het verstand zou de slaaf een eigenwaarde krijgen en moeilijker zijn juk willen dragen.” Voorzover de Christelijke kerken zich er tenslotte mee gingen bemoeien leek het hun bedoeling om de slaven van hun oorspronkelijke identiteit te ontdoen.

De autoriteiten erkenden alleen de verwantschap tussen het kind en de moeder, wat niet wegneemt dat moeder en kinderen bij de verkoop van slaven bij aankomst of vererving soms wel van elkaar gescheiden werden. Op Aruba moest nog in 1839 een moeder van haar vier kinderen afscheid nemen. Emotionele banden werden daardoor ernstig verstoord. Afrikaanse moeders gaven hun kinderen twee jaar of langer borstvoeding maar werden kort na de bevalling weer aan het werk gezet. De wereld van de moeders was dan ook de wereld van grootmoeders die op de kinderen pasten als de moeders moesten werken. Het was de wereld van de verhalen na het avondeten, de liederen, de spreekwoorden, de spelletjes, de dansen en van de – gedeeltelijk door de bazen verboden – rituelen. De culturen van de vele volkeren uit de Afrikaanse landen van herkomst mengden zich in de koloniale samenlevingen, ze creoliseerden.

Vaders
Vaders die zelf slaaf waren werkten in Suriname vaak op een andere plantage. De helft van de relaties hield niet langer dan vijf jaar stand, een op de tien mannen hield er trouwens twee of meer vrouwen op na. Er waren in Suriname dus veel eenoudergezinnen. Maar soms bestond er ook een hechte band tussen kinderen en hun vader. Op de Antillen was de vader vaak afwezig, “de rol en positie van de vaders, vrij dan wel slaaf, bij de opvoeding van slavenkinderen (is) vooralsnog onduidelijk”, wordt opgemerkt in het slot van het stuk over slavenkinderen op Aruba.

Door een relatie met hun eigenaar hadden slavinnen kansen om hun lot te verbeteren en aan het slavenbestaan te ontsnappen. Op schilderijen uit die tijd staan ook veel lichter gekleurde kinderen wat erop wijst dat ze door witte mannen bij donkerder vrouwen zijn verwekt. Een licht kind kreeg lichter werk en meer kansen. De graad van pigmentatie was deel van de extreme ongelijkheden in deze samenlevingen en laat tot de dag van vandaag nog diepe sporen na. Zwarte vaders wilden wel de eer van hun dochters beschermen maar kwamen in conflict als de slavenhouder andere plannen had. Hun machteloze woede richtte zich soms op hun vrouwen. Dit soort dingen lijken mij tot de grootste triestheden van de tropen te behoren.

Beeldvorming
In de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst komen veel jonge zwarte bedienden voor. Ze serveren meestal iets te eten of te drinken. Bediendes benadrukken op die schilderijen de rijkdom en rang van hun werkgevers. Zowel witte als zwarte jonge bedienden waren een decoratie, een ornament, en verschillen daarin niet veel van elkaar. Zwarte bediendes waren wel een exotisch element dat verwees naar successen op het gebied van de handel. Over deze zwarte jongens in de rol van bedienden bestaan nog veel raadselen.

Tekeningen en schilderijen uit Suriname tussen 1707 en 1871 zijn eerder schilderachtig dan feitelijk. Ze leggen de nadruk op de economische activiteiten. Kinderen spelen op deze afbeeldingen een marginale rol. Terwijl de slaven op één schilderij net van de boot kwamen en er als skeletten moeten hebben uitgezien, worden ze niet somber afgebeeld. Ze zijn naakt maar bevallig, dartel zelfs, de mannen atletisch, de vrouwen met strakke borsten en volle heupen.

Hoewel het grote aandeel van kinderen in de trans-Atlantische slavernij lang onbekend bleef, speelde de zogenaamde kinderlijkheid van negers in de Europese beeldvorming een hardnekkige rol. Ik ga de vooroordelen niet herhalen maar kinderlijkheid was er eeuwenlang een vast onderdeel van. De invloedrijke negentiende-eeuwse Duitse filosoof Hegel vond heel Afrika een kinderland en dat viel toen niemand op. Het toen toch ook al weinig reactionnaire weekblad ‘de Groene Amsterdammer’ raadde in april 1930 zijn lezers nog aan om met zwarte mensen “als met kinderen” om te gaan. “Hitler gave racism a bad name”, zo wordt een cynicus aangehaald. De postkoloniale migratie uit ‘de West’ betekende een ‘doorbraak in de ontmoetingskansen, een impuls voor de beeldvorming en een kans tot correctie van oude stereotiepen’, zo wordt aan het eind van het hoofdstuk over beperkte contacten en hardnekkige beelden opgemerkt. Maar ja, u weet het vast wel, tegenwoordig moet een andere groep het weer ontgelden als zogenaamd minderwaardig, als groot gevaar en algemene zondebok. Het schijnt nu niet meer aan fysieke raskenmerken te liggen, maar aan cultuur en geloof, een enorme vooruitgang natuurlijk

Kinderen nu
Het deel van het boek dat over tegenwoordige kindslaven gaat, neemt het ongeveer een kwart van het geheel in beslag; drie artikelen. Naar aanleiding van een televisiedocumentaire wordt op grond van allerlei rapporten betoogd dat het gebruik van slavenkinderen bij de verbouw van cacao, grondstof voor onze chocola uit Ghana en Ivoorkust, erg meevalt. Er is een stuk over gebonden arbeid in Nepal waarbij kinderen in feite lijfeigenen zijn omdat ze schulden van hun ouders moeten afbetalen.

Het derde artikel bevat een algemeen overzicht van hedendaagse kindslavernij. Afhankelijk van de definitie lopen schattingen over het huidige aantal kindslaven uiteen van 10 tot 100 miljoen. Eén omschrijving is: “slavernij betekent tegenwoordig dat iemand door economische noodzaak werk aanneemt dat zijn of haar vrijheid van keuze of beweging beperkt.” Bij “onaanvaardbaar gevaarlijk werk” wordt een aantal van 74 miljoen kinderen tussen de 5 en 14 jaar genoemd. Bij “ergste vormen van kinderarbeid, gelijk aan slavernij”, wordt gesproken over kinderhandel, gedrogeerde kindsoldaten, gebonden arbeid, gedwongen arbeid, lijfeigenschap en het gebruik van kinderen voor prostitutie, pornografie, of bij de productie van en handel in illegale drugs. Dit soort misstanden komen vooral in Azië, Afrika en Zuid- en Midden-Amerika voor. Of ze ook in Nederland optreden -waar ik toch wel eens wat over hoor- komt niet ter sprake.

Tussen de trans-Atlantische en de hedendaagse slavenkinderen of kindslaven vallen twee verschillen op. Hedendaagse slavernij wordt veel minder gerechtvaardigd met een beroep op raciale stereotiepen. Het andere verschil is pijnlijk en doet me denken aan de politieke econoom Adam Smith. Die merkte in 1776 op dat loonarbeid voor ondernemers goedkoper was dan slavernij omdat je arbeiders kan ontslaan, en slaven niet. In de vroegere slavernij had de slavenhouder er belang bij dat een kind bleef leven, zodat de eigenaar later gebruik kon maken van de arbeidskracht als het kind was opgegroeid. Tegenwoordig worden de kindslaven afgeschaft, gedumpt, weggestuurd, als ze groter worden. Ze komen dan meestal op straat terecht.

Het boek valt me tegen, ook al is het nog zo mooi, zo relevant en zo chicque uitgevoerd. Veel artikelen zijn erg beschrijvend, soms ontbreekt ook een conclusie. Bij de gebruikte literatuur mis ik – zoals wel vaker – Albert Helman en Eric Williams.

Gezien de omvang van de hedendaagse (kind)slavernij steekt de aandacht daarvoor mager af bij die voor het kind van onze koloniale rekening. Maar ook de historische verhalen hebben beperkingen. Ze gaan eigenlijk allemaal over Suriname en de Nederlandse Antillen. Dit boek kon volgens mij alleen in deze tijd bij het (Nederlandse) Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) verschijnen. Over slavenkinderen in het zuiden van de Verenigde Staten of op andere Caraïbische eilanden of kusten lezen we niet veel. Afgezien van één foto, uit 1868 (!), wordt er niets gezegd over de tien eeuwen durende en veel later (officieel) afgeschafte slavenhandel van de Oost-Afrikaanse kust naar Arabische gebieden ten noorden daarvan. Ook wordt er zeer weinig gemeld over de pogingen om slaven te maken van de -vrijwel uitgestorven- inheemse bewoners van de Antillen, ook wel Indianen genoemd.

Kind aan de ketting, opgroeien in slavernij toen en nu
Redactie Aspha Bijnaar
KIT publishers, Amsterdam 2010
29,50 Euro

EINDE ARTIKEL
”Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen.”
BUKUBOOKS.WORDPRESS.COMSLAVEN AAN HET WOORD
https://bukubooks.wordpress.com/boekenwereld/

Slaven en ex-slaven aan het woord; een ander geluid

Teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw over slavernij en het leven in de koloniën zijn over het algemeen geschreven door blanke Europeanen. Het merendeel van deze ‘koloniale literatuur’ volstaat ermee ‘de Ander’ of de slaaf weer te geven in racistische stereotypen. Ondanks deze blanke overheersing in de letteren zijn er wel degelijk voorbeelden van geschriften waarin slaven of ex-slaven aan het woord komen. Enkele voormalige slaven uit de Engelse koloniën die de pen ter hand hebben genomen zijn zelfs beroemd geworden, zoals Olaudah Equiano, Phillis Wheatley en Frederick Douglass.

Recentelijk is in het slavernij-onderzoek meer belangstelling ontstaan voor het perspectief van de ‘ander’, mensen die slavernij aan den lijve ondervonden hebben. Want, zoals de naar Canada gevluchte Amerikaanse slaaf John Little zei:

‘Tisn’t he who has stood and looked on, that can tell you what slavery is – ’tis he who has endured.’[1]

De dagelijkse praktijk van de slavernij kan het beste worden beschreven door degene die haar aan den lijve heeft ervaren. In de Verenigde Staten zijn de afgelopen decennia honderden ‘slave narratives’ gepubliceerd. The Library of Congress is in 1936 begonnen met het vastleggen van interviews met voormalige slaven. In dit ‘Federal Writers’ Project’ werden binnen twee jaar meer dan 2300 verslagen vastgelegd van mensen die de slavernij in de Verenigde Staten nog hadden meegemaakt. De ‘oral history’ van een verdwijnende generatie werd op de valreep geregistreerd.

Noord-Amerika: de eerste zwarte stemmen

Het oudst bekende gedicht van Afro-Amerikaanse origine is van Lucy Terry Prince (ca. 1730-1821) en dateert van 1746. Lucy Terry werd als kind gestolen in Afrika en verkocht aan een plantagehouder in Massachusetts. Later werd ze vrijgekocht door een vrije zwarte man die met haar trouwde. In haar jeugd werd het dorp in Massachusets waar ze woonde overvallen door Indianen, wat aan verscheidene inwoners het leven kostte. Ze schreef over die gebeurtenis het gedicht ‘Bars Fight’, dat mondeling werd overgeleverd en pas in 1855 in druk zou verschijnen.

Jupiter Hammon (1711-1806) wordt beschouwd als de eerste zwarte schrijver in de Verenigde Staten. In 1761 werd zijn gedicht ‘An Evening Thought: Salvation by Christ with Penitential Cries’ gepubliceerd – het eerste werk van een zwarte auteur dat in Noord-Amerika werd gedrukt. Naderhand verschenen van zijn hand meer christelijke gedichten en preken. Hammon was voorstander van een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Hij was de overtuiging toegedaan dat zwarte slaven aanspraak konden maken op een plaats in de hemel, omdat ze op aarde al zo veel hadden geleden.

Bekender dan Terry en Hammon is de dichteres Phillis Wheatley (1753-1784), die in 1773 de bundel Poems on Various Subjects publiceerde. Wheatley was geboren in Senegal, gevangen genomen en op zevenjarige leeftijd als slavin verkocht aan een rijke koopman in Boston. Zij was de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die een boek publiceerde en daarmee bekendheid verwierf in binnen- en buitenland. In 1775 schreef ze het gedicht ‘To His Excellency, George Washington’, opgedragen aan de zojuist benoemde bevelhebber van de Amerikaanse opstandelingen, die in 1789 de eerste president van de Verenigde Staten zou worden. Phillis Wheatley werd in 1776 door Washington bij hem thuis uitgenodigd als dank voor het gedicht.

Omdat blanke kolonisten betwijfelden of een Afrikaanse slavin zulke goede poëzie kon schrijven, moest ze zich in 1772 voor een rechtbank verdedigen. Het literaire tribunaal achtte bewezen dat zij inderdaad de auteur was van de gedichten die op haar naam stonden. In 1773 vergezelde zij de zoon van haar meester John Wheatley naar Londen, waar ze werd gefêteerd in het gezelschapsleven en waar haar dichtbundel werd gepubliceerd. In 1778, na de dood van haar meester, verkreeg Phillis Wheatley haar manumissie en was voortaan een vrije vrouw. Drie maanden later trouwde ze met een eveneens vrije zwarte man, die een winkel dreef. Het echtpaar verloor twee kinderen en raakte tot overmaat van ramp in financiële moeilijkheden. Phillis Wheatley overleed in 1784 op 31-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden.

Engeland: ‘Black Britons’

De meest fameuze schrijvende (ex-)slaaf is Olaudah Equiano, die rond 1745 werd geboren in het huidige Nigeria.[2] Op elfjarige leeftijd werd hij gevangen genomen en aan Europese slavenhandelaren verkocht. Via Barbados kwam hij terecht in de toenmalige Britse kolonie Virginia in Noord-Amerika. In 1754 werd hij verkocht aan een kapitein bij de Britse marine, die hem voorzag van de fantasienaam ‘Gustavus Vassa’, naar de gelijknamige Zweedse koning uit de zestiende eeuw. Equiano bekeerde zich op aandringen van zijn meester tot het christendom en leerde lezen en schrijven. Uiteindelijk werd hij verkocht aan Robert King, een koopman uit Philadelphia die tot de Quakers behoorde. King bood Equiano in 1765 de mogelijkheid om voor £ 40 zijn vrijheid te kopen. Equiano vertrok rond 1770 als vrij man naar Londen en raakte daar bevriend met leden van de beginnende abolitionistische beweging.

In het begin van de jaren tachtig voorzag hij abolitionisten zoals Granville Sharp van informatie over de slavenhandel. De drijvende krachten van de beweging tegen slavernij en slavenhandel moedigden hem aan zijn levensverhaal op papier te zetten. Met financiële steun van rijke abolitionisten verscheen in 1789 The Interesting Narrative of the Life of Olaudah Equiano, or Gustavus Vassa, the African. Er volgde verschillende drukken en vertalingen. Reeds in 1790 verscheen een Nederlandse editie bij uitgever P. Holsteyn in Amsterdam: Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan. Door hem zelven beschreeven.

Equiano’s levensverhaal is één van de invloedrijkste ‘slave narratives’. Zijn levendige beschrijvingen van de wreedheid jegens slaven in het Caribisch gebied en Virginia leidden tot verontwaardiging en protesten tegen de slavernij. Hij gaf lezingen in Engeland, Schotland en Ierland. Naar verluidt was Equiano’s relaas ook van invloed op de totstandkoming van de ‘Act for the Abolition of the Slave Trade’ (1807), die de slavenhandel verbood.

Ignatius Sancho (± 1729-1780) maakte in Engeland deel uit van de culturele elite van zijn tijd. Hij was niet alleen schrijver, maar ook componist en acteur. Hij was onder meer bevriend met Laurence Sterne, die in een ander artikel in deze Boekenwereld aan de orde komt. Mede dankzij zijn briefwisseling met de beroemde auteur van Tristram Shandy stond Sancho in literaire kringen te boek als de ‘African man of Letters’. Evenals Equiano was hij betrokken bij de abolitionistische beweging in Engeland.

Sancho was geboren aan boord van een slavenschip. Na de dood van zijn moeder en de zelfmoord van zijn vader werd hij op tweejarige leeftijd naar Engeland gebracht. Hij kwam later als bediende terecht in de huishouding van de hertog van Montagu en deze bevoorrechte omgeving stelde hem in staat onderwijs te volgen. Toen de hertogin in 1751 overleed, ontving Sancho een erfenis van £ 70 en een jaarlijkse toelage van £ 30. In 1774 begon hij een kruidenierswinkel in Mayfair in Londen, die een trefpunt werd voor zijn literaire, kunstzinnige en abolitionistische vrienden.

Hij publiceerde een Theory of Music en twee toneelstukken, correspondeerde met de kopstukken van zijn tijd en schreef ingezonden stukken in de kranten. Voor zover bekend is hij de eerste zwarte Engelsman die in parlementsverkiezingen zijn stem uitbracht. In 1782, twee jaar na zijn dood, verscheen een bundeling van 160 van zijn brieven onder de titel The Letters of the Late Ignatius Sancho, an African.

Een andere schrijvende zwarte Engelsman bezocht Nederland halverwege de achttiende eeuw. Ukawsaw Gronniosaw, ook bekend als James Albert, was rond 1705 geboren in het noordoosten van het huidige Nigeria. Naar eigen zeggen was hij de kleinzoon van de koning van Zaara. Op vijftienjarige leeftijd werd hij verkocht aan een Nederlandse scheepskapitein, die hem doorverkocht aan een Amerikaan in Barbados. Deze verkocht hem op zijn beurt aan een dominee in New York. Na diens overlijden raakte Gronniosaw op drift als kok op een kaperschip en soldaat in het Engelse leger. Hij diende op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied, maar kreeg genoeg van het soldatenleven en besloot naar Engeland te vertrekken.

Daar publiceerde hij in 1772 zijn Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince. Uit de avontuurlijke autobiografie blijkt dat Gronniosaw rond 1750 enige tijd in Amsterdam heeft gewoond. Hij werkte daar als butler bij een rijke koopman, die hem meer als een vriend dan als een bediende behandelde. De familie probeerde Gronniosaw over te halen langer in Amsterdam te blijven, maar het verlangen naar zijn geliefde in Londen was te sterk.

Suriname: brieven van (ex-)slaven

Ook voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis geldt dat de meeste schriftelijke bronnen afkomstig zijn van de blanke koloniale elite. Wel vinden we in verslagen van de Evangelische Broedergemeente regelmatig beschrijvingen van individuele slaven of bosnegers.[3] Er zijn echter weinig verhalen bekend van slaven of voormalige slaven die zelf de pen ter hand hebben genomen. De eerste echte aanklacht tegen slavernij door een Afro-Surinamer is Wij Slaven van Surinamevan Anton de Kom (1898-1945). Dit boek werd in 1934 in Nederland uitgegeven, meer dan zeventig jaar na de afschaffing van de slavernij. De Kom was weliswaar een nazaat van slaven, maar had de slavernij niet meer aan den lijve ervaren.

Pas de afgelopen jaren komen dankzij wetenschappelijk onderzoek bronnen aan het licht die zijn geschreven door (ex-)slaven. Een van hen is Boston Band, die rond 1750 vanuit Jamaica naar Suriname kwam en daar in 1766 overleed.[4]Waarschijnlijk kwam hij mee met David Dandiran, die directeur werd van de houtplantage Beerenburg. De slaaf Boston Band moet een geprivilegieerde positie hebben ingenomen in het bedrijf van Dandiran, want hij kon lezen en schrijven. Toch ontvluchte hij in 1757 de plantage en ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders van de rebellerende slaven in de grote Tempati-opstand in Oost-Suriname.

Direct na zijn vlucht schreef Boston Band verscheidene Engelstalige brieven aan het gouvernement in Paramaribo. Helaas zijn de originele brieven – minstens achttien stuks – niet bewaard gebleven, maar van elf zijn Nederlandse vertalingen teruggevonden. Bands brieven waren erop gericht om vrede te bewerkstelligen tussen de Marrons en de troepen van het koloniale gezag die jacht op hen maakten.

Hij was niet de enige Marron die via brieven van zich deed horen. Een andere Marronleider die zijn visie op de slavernij aan het papier toevertrouwde was Quakoe van Sara de la Para (zijn achternaam geeft aan dat hij een slaaf was van de joodse Sara de la Para). Quakoe had een goede reden om naar de ‘Boschnegers’ te vluchten – zijn meesteres Sara was van plan hem de neus en oren af te snijden.[5]

Niet alle schrijvende (ex-)slaven in Suriname streefden naar afschaffing van de slavernij of een betere behandeling van slaven. Sommige briefschrijvers kozen (ook) de kant van het koloniale gezag, zoals Quassie van Nieuw Timotibo (met het voorbehoud dat hij wellicht zijn brieven dicteerde omdat hijzelf niet kon schrijven). Quassie werd geboren rond 1692 in West-Afrika,  en als slaaf naar Suriname gebracht. Hij nam deel aan de strijd tegen de weggevluchte slaven en werd als beloning daarvoor in 1755 vrijgemaakt. In 1776 ging hij op audiëntie bij stadhouder Willem V. Het bezoek aan de Republiek leverde de gezagsgetrouwe ex-slaaf vele eerbewijzen op: een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een degen en een zware vergulde plaat met de toepasselijke inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’.[6]

Er waren ook slaven die zich om religieuze redenen wilden onttrekken aan de slavernij. Kwakoe – niet dezelfde als de eerder genoemde Quakoe – was een slaaf die zich tot het christendom had bekeerd en als kok voor het gouvernement werkte. Dankzij zijn bekering had hij de gelegenheid gehad te leren lezen en schrijven. In 1740 schreef hij drie brieven naar de ‘Edele Grootachtbare heren van de Sociëteit van Suriname’. Hij verzocht daarin om zijn vrijlating, omdat hij het als christen niet verdroeg nog langer tussen de heidense slaven te verkeren. Een jaar later verkreeg hij inderdaad zijn vrijheid en vanaf dat moment ging hij door het leven als Cornelis van Maarssen.

Onlangs kwam een bijzondere brief aan het licht. Op 14 maart 1795 schreef Wilhelmina van Kelderman uit Paramaribo een brief aan Engelbertus Kelderman in Amsterdam. De bejaarde Wilhelmina was vermoedelijk een (voormalige) slavin van Kelderman. Zij schrijft: ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan, verhoort teevens ook mijn smeeken, verwerpt mij niet […].’ Ze ontvangt een toelage van haar meester en heeft de beschikking over een slavinnetje dat haar moet verzorgen. Kelderman zelf woont in Amsterdam en laat zijn zaken in Suriname beheren door een zekere Wijne.

Wilhelmina heeft het verzoek gekregen de zorg op zich te nemen voor de zuigeling van een nicht van Kelderman, die in het kraambed is gestorven. Zij heeft daarin toegestemd en is ingetrokken bij de weduwnaar, die na verloop van tijd hertrouwt. Dan blijkt Wijne opeens van mening dat zijn zorgplicht voor Wilhelmina is afgelopen: zij heeft zolang bij haar nieuwe meester verkeerd, dat deze maar voor haar moet zorgen. Hij weigert Wilhelmina onderdak te verschaffen en stuurt haar slavinnetje terug naar de plantage. Wilhelmina heeft geen inkomsten meer en staat op straat. In haar brief verzoekt ze Kelderman ervoor te zorgen dat ze haar huisje en toelage terugkrijgt. Haar jammerklacht heeft Amsterdam nooit bereikt, want hij is onlangs gevonden in de Britse National Archives in Kew bij Londen. Hier liggen ca. 38.000 Nederlandse brieven en documenten die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Engelsen werden buitgemaakt bij het kapen van Nederlandse schepen.[7]

Gelaagdheid

Het zoeken naar uitingen van zwarte of halfbloed (ex-)slaven wordt bemoeilijkt doordat – in tegenstelling tot de gangbare opvatting – huidskleur niet in alle opzichten bepalend was voor de koloniale samenleving. Al in de achttiende eeuw kende Suriname vele ‘vrije zwarten en kleurlingen’, die in het onderzoek vaak worden verwaarloosd. In 1811 overstijgen ze de blanke Europese kolonisten in aantal. Van beroep zijn ze kantoorklerk, ambtenaar, koopman, onderwijzer of vervullen ze administratieve functies op de plantages en in het koloniaal bestuur. Van veel mensen die documenten hebben nagelaten in de archieven weten we eenvoudig niet welke huidskleur ze hadden.

Soms kunnen we dat door genealogisch onderzoek vaststellen. Zo is Albertus Craamer een mulat, want zijn moeder wordt omschreven als de ‘christene neegerin’ Albertina Maria.[8] Albertus is een slaaf van de Sociëtiet van Suriname en werkzaam bij de ‘guarnisoenschrijverij’. In 1783 verkrijgt hij zijn vrijheid. Daartoe leent de raad-fiscaal Cornelis Karsseboom hem het geld om twee slaven te kopen, die hij in ruil voor zijn eigen vrijheid aan de Sociëteit overhandigt. Craamer, die in dienst treedt bij Karsseboom, schrijft in een brief aan de directeuren van de Sociëteit dat het een schande is voor het ‘gansch christelijke geslachte’ dat slaven als beesten verkocht worden. Zijn pogingen om zijn eveneens gedoopte broers in 1784 vrij te krijgen mislukken.

Om een juist beeld te krijgen van de slavensamenleving en het slavenleven zijn zulke verhalen van (voormalige) slaven onontbeerlijk. En wat te denken van zwarte of gekleurde plantagedirecteuren? Die waren er in de negentiende eeuw namelijk volop. Een van hen was Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), die bovendien schreef. In 1914, op tachtigjarige leeftijd, publiceerde hij Hoe de tijden veranderen: herinneringen van een ouden planter.[9] Bartelink had de periode vóór de afschaffing van de slavernij meegemaakt. Interessant voor ons is natuurlijk dat hij het leven op de plantage en de slavernij van nabij kende. Hij was, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’.

Tot voor kort was er weinig belangstelling voor het zwarte perspectief op de slavernij. Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen. Nu blijkt uit recent onderzoek dat schrijvende (ex-)slaven vaker voorkwamen dan we tot nu toe aannamen. Het maakt nieuwsgierig naar meer. Voor wie de complexiteit en de gelaagdheid van de slavernij wilt begrijpen zijn deze ooggetuigen, die de slavernij aan den lijve ondervonden, van onschatbare waarde.

Carl Haarnack

(Dit artikel verscheen eerder onder de titel Schrijvende (ex-) slaven in het Themanummer Slavernij Verbeeld van De Boekenwereld, jaargang 29,  nr 4, 2013)

Noten

[1] Library of Congress, Federal Writers´ Project 1936-1938.

[2] Equiano’s geboorteplaats is onderwerp van discussie. Vincent Carretta heeft gesuggereerd dat hij in Carolina geboren is en niet in Afrika. Dan zou het eerste deel van zijn autobiografie gebaseerd zijn op verhalen die hij heeft gehoord of op boeken die hij heeft gelezen. Vanaf 1754 zijn de gebeurtenissen verifieerbaar en kunnen we aannemen dat zijn levensverhaal waar en accuraat is. Mogelijk dat hij zijn strijd voor afschaffing van de slavernij kracht wilde bijzetten door Nigeria te kiezen als geboorteland. Het doet m.i. ook weinig af aan de overtuigende wijze waarop hij de ontberingen en de onmenselijkheid van de slavernij blootlegt. Brycchan Carey gaat in op de discussie rond de geboorteplaats van Equiano: http://www.brycchancarey.com/equiano/nativity.htm.

[3] Johannes King (1830-1898) schreef tussen 1864 en 1895 ruim duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons, zijn familie en zijn ervaringen als zendeling van de Evangelische Broedergemeente: dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die hij kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven met behulp van bijbelvertalingen en liedboeken, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. King behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. Zie: https://bukubooks.wordpress.com/2012/05/27/king.

[4] Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 (Amsterdam/Den Haag 2010).

[5] Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust… (Amsterdam 1770), p. 795.

[6] Frank Dragtenstein, ‘Trouw aan de blanken’ Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18de eeuw in Suriname (Amsterdam 2004).

[7] Dirk Tang vond deze brief. Zie idem en Jean Jacques Vrij, ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan….’, in: Geschiedenis Magazine 44/5, juli-augustus 2009. Een transcriptie is te lezen op www.sailingletters.nl.

[8] Jean Jacques Vrij, ‘Suriname. Archiefervaring 9’. In: De Bovenkamer, magazine van het Algemeen Rijksarchief (1998), nr. 2.

[9] Zie https://bukubooks.wordpress.com/2012/01/09/bartelink.

EINDE ARTIKEL[70]
WIKIPEDIAPIET EMMER
https://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Emmer

UNIVERSITEIT VAN LEIDENPIET EMMERPROFESSOR EMERITUS OF HISTORY
https://www.universiteitleiden.nl/en/staffmembers/pieter-emmer#tab-1

Piet Emmer is Professor Emeritus in the History of European expansion and migration at the Leiden University Institute for History (chair from 1991 to 2009). As he is no longer working at the Institute, you can best contact him by email.

Fields of interest

The History of European Expansion; Migration history

Major publications

Bade, K.J., Emmer, P.C., Lucassen, L. en Oltmer, J. (eds.), Enzyklopädie Migration in Europa vom 17. Jahrhundert bis zur Gegenwart (München, 2007)

P.C. Emmer, O. Petre-Grenouilleau, and J.V. Roitman, A Deus ex Machina Revisited: Atlantic Colonial Trade and European Economic Development, (Leiden: Brill, 2006).  

  • P.C.Emmer, De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (Amsterdam, 2000) 
  • P.C.Emmer (ed), General History of the Caribbean, vol II, New Societies: The Caribbean in the Long Sixteenth Century (Macmillan, 1999). 
  • P.C.Emmer, The Dutch in the Atlantic Economy (Aldershot, 1998) 
  • P.C. Emmer, “Die Karibische Gebiete”, in: Horst Pietschmann (ed.), Handbuch der Geschichte Lateinamerikas (Stuttgart, 1994), pp. 720-750. 
  • P.C. Emmer & Magnus Mörner eds. European Expansion and Migration (Oxford, 1992) 
  • P.C. Emmer, Europa’s expansie in het Atlantisch gebied: wandaad of weldaad? (Leiden, 1991)

EINDE BERICHT

Reacties uitgeschakeld voor Noten 51 t/m 70 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 31 t/m 50 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[31]

MUSEUM DOET TERM GOUDEN EEUW IN DE BAN/GOED ZO!/AFREKENINGBAGATELLISERING SLAVERNIJ/EERSTE STAP!ASTRID ESSED13 SEPTEMBER 2019
https://www.astridessed.nl/museum-doet-term-gouden-eeuw-in-de-ban-goed-zo-afrekening-bagatellisering-slavernij-eerste-stap/

[32]

Slavernij is een maatschappelijk verschijnsel waarbij personen eigendom zijn van een ander persoon. Slaven vallen dus onder het eigendomsrecht. Uiteraard heeft niet iedere samenleving dat eigendomsrecht op eenzelfde manier vastgelegd, maar de benadering is hetzelfde.”
WIKIPEDIAGESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ/JURIDISCHEKWESTIE
https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij#Juridische_kwestie

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIAGESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij

Slavernij is een toestand waarin een mens eigendom is van een ander[1] of als zodanig wordt behandeld en daardoor geen rechten heeft of kan uitoefenen”
WIKIPEDIASLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[33]

Lijfeigenschap is de situatie dat iemands lichaam wordt beschouwd als het eigendom van de heer (landsheer, heerser) van een bepaald gebied. Het is een vorm van horigheid die de slavernij dicht benadert. Het kwam in de Europese middeleeuwen veel voor.”
WIKIPEDIALIJFEIGENSCHAP
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijfeigenschap

[34]

SLAVE NARRATIVESA FOLK HISTORY OF SLAVERY IN THE UNITED STATESFROM INTERVIEWS WITH FORMER SLAVES
https://memory.loc.gov/mss/mesn/111/111.pdf

ENCYCLOPAEDIA BRITANNICASLAVE NARRATIVEAMERICAN LITERATURE
https://www.britannica.com/art/slave-narrative

WIKIPEDIASLAVE NARRATIVE
https://en.wikipedia.org/wiki/Slave_narrative

[35]

Morele oordelen

Bovendien worden zowel de bezoekers van de tentoonstelling als de lezers van de daarbij behorende bundel opstellen voortdurend geconfronteerd met hedendaagse morele oordelen zoals de verontwaardiging over het feit dat de slaven af en toe op zaterdag moesten werken. Pardon, een vrije zaterdag in de 18de en 19de eeuw?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[36]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[37]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[38]Overigens waren er ook toen al dominees in Zeeland die zich keerden tegen de slavernij.”
ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGE EEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

ZIE VOOR GEHELE ARTIKEL, NOOT 7
[39]
U wordt zelf verweten de geschiedenis te verdraaien om de rol van Nederland in de slavenhandel te verfraaien. Vorige week nog op deze site door uw collega Fatah-Black. Begrijpt u dat?,,Ik begrijp dat het erop lijkt dat ik dingen bagatelliseer. Maar dat is niet zo. Alleen ben je al snel fout als je niet in elke zin benadrukt dat de slavernij verschrikkelijk was. Natuurlijk was het dat, daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben”
ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGE EEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

ZIE VOOR GEHELE ARTIKEL, NOOT 7
[40]
Wat klopt er volgens u niet aan het beeld van slavernij?,,Er wordt gedaan alsof elke plantage een hel op aarde was. Dat behoeft nuance.

ADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGE EEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

ZIE VOOR GEHELE ARTIKEL, NOOT 7

[41]
”Over de uitspraken van de Nederlandse predikanten over de slavenhandel is veel gediscussieerd. Brakel, de Teellincks, Smijtegelt, Poudroyen, De Raad en Voetius zijn genoemd als predikanten die de slavenhandel afwezen, en Jacobus Hondius nam deze mensendiefstal op in zijn ”Swart Register van duysent Sonden”.

REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

TEKST

Cham. Die naam werd vaak genoemd als christelijke Europeanen de slavenhandel probeerden te rechtvaardigen. Ook predikanten namen niet altijd een ondubbelzinnig standpunt in. Uiteindelijk was het mede aan pleidooien vanuit kerkelijke kring te danken dat de mensonterende praktijken werden afgeschaft.

Veel slaven werden van Afrika naar Amerika verhandeld. In 1728 kwam een van hen echter naar Nederland: een elfjarige jongen, Capitein, genoemd naar de kapitein van wie zijn eigenaar hem kreeg. Deze zwarte jongeman, afkomstig van de Goudkust, werd predikant. Ondanks zijn afkomst verdedigde Jacobus Joannes Eliza Capitein in zijn oratie op 10 maart 1742 de ”Slaverny.” Hij vond de slavenhandel niet strijdig met de christelijke vrijheid: geestelijke vrijheid kan samengaan met lichamelijke onvrijheid.

Vol idealen keerde hij nog in datzelfde jaar terug naar zijn geboortegrond: „Mij, die een blinde Heyde! een arme slaave was, laat de Heere nu uitsenden in dien grooten ruymen en ryken oogst der Mooren om mynen broederen Christus Jezus aan te bieden.” Maar zijn blanke collega’s keken op hem neer en zijn volksgenoten zagen hem als een verrader. Nauwelijks dertig was ds. Capitein toen hij op raadselachtige wijze stierf.

De slavenhandel was door velen geaccepteerd, en dat heeft kennelijk zelfs deze ex-slaaf beïnvloed. Gepensioneerde kapiteins van slavenschepen waren gerespecteerde burgers. Slavernij werd nogal eens gezien als een middel om heidenen met het Evangelie in aanraking te brengen. Daar kwam echter weinig van terecht. Anderen wezen op slavernij als mogelijkheid om mensen tijdens een oorlog in leven te laten die anders zouden worden gedood.

Discussie

Over de uitspraken van de Nederlandse predikanten over de slavenhandel is veel gediscussieerd. Brakel, de Teellincks, Smijtegelt, Poudroyen, De Raad en Voetius zijn genoemd als predikanten die de slavenhandel afwezen, en Jacobus Hondius nam deze mensendiefstal op in zijn ”Swart Register van duysent Sonden”.

Classisvergaderingen in Amsterdam en op Walcheren schreven in 1628 al dat het „niet christelyck was lyffeygene te hebben.” De Middelburgse pastor Smijtegelt noemde het „grove dieverij” om een mens te stelen. „Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die enen mens steelt, zegt God, zal zekerlijk gedood worden. Ex. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een negotie van gemaakt. Ach! mochten die menschen die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph: ik ben dieffelyk ontstoolen uit myn land?”

Ook Justus Vermeer verwees naar Exodus 21:16, toen hij schreef over „den onbehoorlijken slavenhandel, in vreemde landen; als men daar mensen (met ons uit enen bloede) als beesten drijft, koopt en verkoopt, daarover de ongunste Gods zeer te vrezen is.”

Poudroyen vond „dat het den christenen niet en betaemt haer in desen rouwen, onsekeren, verwarden, periculeusen ende onbillicken handel te steken, ende daerdoor yemant sijn quaet vermeerderen ende executeur te zijn van yemants quellinge ende ellende.”

Kritiek op Udemans

Udemans stelde in ”’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip” (1638) –handboek voor de christen-koopman-zeevaarder– dat slaven mochten weglopen. Hij noemde de mogelijkheid om slaven na een bepaalde tijd vrij te laten: zeven jaar nadat ze zich tot het christelijk geloof hadden bekeerd. Tegenover historici die er de vinger bij legden dat Udemans de slavenhandel niet ondubbelzinnig afwees, stelde dr. L. J. Joosse dat de Zierikzeese predikant „vanuit de Bijbel trefzeker kooplieden tot een negatieve koers” tegenover deze handel wilde brengen, „al accepteerde hij volkenrechtelijk kortstondig uitzonderingen van slavernij.”

Andere predikanten –„coccejaans gekleurde kerkleiders” (Joosse)– rechtvaardigden de slavenhandel wel, onder meer met Chams vervloeking als argumentatie. Voetiaanse predikanten lieten het tegenovergestelde geluid horen, maar het ontbrak aan politieke of juridische actie. De slavenhandel bleef nog lang bestaan.

Kerkslaven

Tot de jaren 1820 was de trans-Atlantische stroom van Afrikaanse slaven ten minste viermaal groter dan de totale stroom van blanke emigranten naar Amerika. De Rooms-Katholieke Kerk nam eeuwenlang deel aan de slavernij. Deze kerk hield op grote schaal negerslaven op suikerplantages en als huisslaven. Dat gebeurde niet alleen in Zuid-Amerika, maar ook in Azië en Afrika. Het Vaticaan bood later ook maar minimaal steun aan het abolitionisme, de pogingen om de slavernij af te schaffen.

Die pogingen kwamen onder meer voort uit protestantse groepen in Amerika en Engeland: de quakers in het midden van de achttiende eeuw, de baptisten en methodisten niet lang daarna. Het was een van de thema’s waarmee ze zich afzetten tegen gevestigde kerken zoals de anglicaanse Church of England.

Anderen sloten zich bij de antislavernijbeweging aan. De christelijke inslag bleek uit de vele tekeningen die werden vervaardigd van geknielde zwarten die met gevouwen handen en de ogen ten hemel geslagen om vrijheid en een menswaardige behandeling smeekten.

John Newton (1725-1807), een tot bekering gekomen slavenhandelaar die predikant werd, had invloed op William Wilberforce (1759-1833), die als parlementariër een van de leiders van de antislavernijbeweging werd.

Reveil

In Nederland werd het verzet tegen de slavernij sterk door Engeland beïnvloed. Dat land zette Nederland onder druk om de slavenhandel te stoppen. Daarmee was de slavernij in de Nederlandse koloniën echter nog niet afgeschaft.

De Utrechtse hoogleraar J. J. G. Jansen heeft erop gewezen dat er slechts één cultuur is geweest die de slavernij afschafte: de christelijke. De verlichting heeft daaraan volgens hem geen bijdrage geleverd.

De mannen van het vroege Reveil waren aanvankelijk echter beducht voor het abolitionisme. In zijn ”Bezwaren tegen den geest der eeuw” (1823) duidde Isaäc da Costa de beweging nog als een gevaarlijk symptoom van de tijdgeest. Hij hekelde het feit dat medelijden met de slaven gepaard ging met „gevoelloosheid voor de geestelijke nood van de halve wereld”, geestelijke slavernij onder „liberale dwingelanden.” Willem Bilderdijk was dezelfde mening toegedaan.

Da Costa vond dat slavernij in de Bijbel niet werd veroordeeld. Van dat standpunt kwam hij echter terug. Wat bekend werd van de wreedheden en misstanden op de slavenplantages, was niet met christelijke uitgangspunten te verenigen. Da Costa was onder de indruk van het vlammende betoog tegen de slavernij dat Elizabeth Fry, overgekomen uit Engeland, begin 1840 hield op Reveilbijeenkomsten in Den Haag en Amsterdam: „Wij zagen en hoorden haar. Zulke kennismakingen zijn époques in het leven.”

Drie petities

Fry pleitte voor de oprichting van een landelijke antislavernijvereniging. Vooral mr. G. Groen van Prinsterer zette zich ervoor in om de bestaande comités te bundelen. Hij probeerde wel te bewerkstelligen dat de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) een protestants-christelijke grondslag kreeg. In de statuten die hij opstelde, stond dat iedere vergadering met gebed zou worden geopend. De liberalen liepen dan ook boos weg.

Het gevolg was dat koning Willem II drie verschillende petities tegen slavernij ontving: één ondertekend door 56 Reveilmannen –onder wie Groen van Prinsterer en Da Costa–, een van 125 liberalen en de derde was afkomstig van 128 Rotterdamse vrouwen met voornamelijk Engelse achternamen.

De koning wees de adressen in 1842 af. Hij onthield ook zijn goedkeuring aan de statuten van de antislavernijvereniging die vanuit het Reveil was opgericht. De regering vond dat de slavernij op termijn wel zou moeten worden afgeschaft, maar dit moest geleidelijk verlopen. De actievoerders legden zich er voorlopig bij neer. Het thema werd soms door andere strijdpunten naar de achtergrond gedrongen.

Zwarten hebben harten

De antislavernijgevoelens werden door ds. N. Beets in een gedicht verwoord:

Och Neêrlands machtigen en braven!
Verbreekt ons juk;
Brengt, brengt uwe arme negerslaven
Toch eindlijk, eindlijk uit den druk.
Wij zijn wel zwarten,
Maar hebben harten,
Zoo goed als gij.
En zoo uw harten beter zijn,
Verlost dan de onzen van de pijn!
Veel lijden wij.

Voor de Reveilvrienden leidde de actie tegen de slavernij overigens tot blijvende samenwerking tussen gelijkgezinden in verschillende steden. Zo schreef J. W. Gefken in 1842 aan H. J. Koenen: „Wat ook van de Zaak worde, gij zult het met mij verblijdend vinden, dat hier vereeniging en verlangen om vereenigd te werken onder de broeders ontstaat.”

Nadat Gefken in 1851 tevergeefs de slavernij ter sprake had gebracht, stelde hij op 6 april 1853 tijdens de zestiende bijeenkomst van de Christelijke Vrienden met succes voor om de in 1842 opgerichte maatschappij die de slavernij wilde afschaffen (NMBAS) te revitaliseren. De overgebleven bestuursleden, Groen van Prinsterer, Elout van Soeterwoude en Gefken, stuurden een circulaire rond en op 25 juli 1853 had een eerste vergadering plaats. Daar werden de statuten uit 1842 ongewijzigd overgenomen.

Uitstel

De maatschappij streefde haar doelstellingen na door de uitgave van een blad, het indienen van adressen (petities) bij koning en parlement en het vrijkopen van slaven in Suriname. De leden van de beweging die in de Tweede Kamer zaten, lieten daar van zich horen.

Nog in datzelfde jaar 1853 werd er een staatscommissie ingesteld die over het slavernijbeleid moest adviseren. Groen van Prinsterer verliet de commissie overigens binnen een jaar, omdat hij van haar omslachtige werkwijze een onaanvaardbaar lang uitstel van de slavenemancipatie verwachtte.

Dat uitstel kwam er toch, als gevolg van de verdeeldheid binnen de politiek en de verflauwende belangstelling van het publiek voor het onderwerp. Net als in Engeland stonden liberalen en orthodoxe christenen met hun streven naar afschaffing van de slavernij tegenover conservatieve politici, al lagen de tegenstellingen in Nederland minder scherp.

De planters in Suriname betoogden in anonieme pamfletten dat emancipatie niet alleen de koloniën zou bedreigen. Door het verlies van de koloniale handel waarop ieders welvaart gebaseerd was, zou het voortbestaan van het moederland zelf groot gevaar lopen.

Uiteindelijk schafte Nederland de slavernij in 1863 toch af. Dat gebeurde in hetzelfde jaar als in Verenigde Staten, maar pas 68 jaar na Denemarken, 30 jaar na Engeland en 15 jaar na Frankrijk.

De NMBAS had zich in 1862 al opgeheven. De leden kregen het verzoek voortaan de Maatschappij tot bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere heidensche bevolking in de kolonie Suriname te steunen.

EINDE ARTIKEL

Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die enen mens steelt, zegt God, zal zekerlijk gedood worden. Ex. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een negotie van gemaakt. Ach! mochten die menschen die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph: ik ben dieffelyk ontstoolen uit myn land?” 


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

REFORMATORISCH DAGBLAD

HISTORICUS: VERZET SMIJTEGELT TEGEN SLAVERNIJ VERDIENT PLAQUETTE

https://www.rd.nl/artikel/806177-historicus-verzet-smijtegelt-tegen-slavernij-verdient-plaquette

Volgens drs. Peter Sijnke is de Middelburgse predikant Bernardus Smijtegelt een voorloper van de anti-slavernijbeweging. Smijtegelt verdient daarom een herinneringsplaquette, vindt de historicus.

Slavenhandel was in de zeventiende en achttiende eeuw breed geaccepteerd, vertelt de gepensioneerde stadsarchivaris van Middelburg. „De zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde Hugo de Groot zag die zelfs als gewone handel.”

In Smijtegelts dagen had de slavenhandel een flinke vlucht genomen. „De Middelburgse Commercie Compagnie richtte zich vanaf 1732 op het vervoeren van slaven van Afrika naar Amerika toen het monopolie van de West-Indische Compagnie op de driehoekshandel verviel. Schepen namen goederen als fluweel, geweren en brandewijn mee, en verhandelden die met Afrikaanse vorsten in ruil voor slaven. Die werden vervolgens verscheept naar Amerika. Op de terugreis namen zij cacao en suiker mee naar Zeeland.”

Smijtegelt was in zijn verzet tegen slavenhandel een uitzondering, stelt Sijnke. „Veel collega’s van hem vonden met een beroep op de Bijbel slavernij legitiem.”

Zelfs de zwarte predikant Jacobus Capitein (1717-1747) verdedigde de slavernij. „Vaak verdedigde men die met een beroep op de vervloeking van Cham in het Bijbelboek Genesis. Zwarte mensen zouden zijn nazaten zijn.”

Al voor 1740 fulmineerde Smijtegelt in zijn preken tegen de slavernij, met de handelaren onder zijn gehoor. „Vanaf de kansel noemde Smijtegelt de handel in mensen een grove en vreselijke zonde. De verhandelde Afrikanen waren „diefelijk ontstolen” uit hun vaderland. Hij preekte: „Die een mens steelt, zegt God, zal zeker gedood worden. Dat soort dieverij wordt begaan in de slavenhandel. Is het niet droevig, dat christenen daarvan een handel hebben gemaakt?””

Volgens Sijnke zou een steen of plaquette bij Smijtegelts huis aan de Herengracht in Middelburg het mooiste zijn geweest. „Maar helaas weten we niet meer in welk huis hij precies woonde. Daarom is een plaquette bij het monument voor de afschaffing van de slavernij een passende plek.”

Bij dit monument werd maandag herdacht dat 156 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft.

Afkeer

Bij dat voorstel sluit dr. Huib Uil, stadshistoricus van Zierikzee, zich aan. „Zo’n herinnering laat zien dat er ook tegengeluiden waren tegen de slavenhandel.”

De ouderling van de oud gereformeerde gemeente in Nederland in Zierikzee nuanceert wel het beeld van Smijtegelt als een uitzondering in het verzet tegen slavernij. „Dan zou er ook kritiek hebben geklonken van andere predikanten op zijn standpunten.”

Volgens Uil is Smijtegelt meer een overgangsfiguur op weg naar een verbod op slavernij. „De zeventiende-eeuwse predikant Godefridus Udemans had al voor die tijd een genuanceerde opvatting over slavernij. Slaven die christen werden, moesten van hem na zeven jaar vrijgelaten worden. Bovendien kweekte deze Zierikzeese predikant afkeer tegen slavernij. De zeventiende-eeuwse predikanten Georgius de Raad in Vlissingen en Johannes de Mey in Middelburg sloten zich daarbij aan. Smijtegelt scherpte dat standpunt verder aan door slavernij beslist af te keuren. De volgende stap was het verbieden van slavernij.”

Kan een plaquette over Smijtegelts verzet tegen slavernij ook aandacht vragen voor zijn bevindelijk-gereformeerde prediking? Dat idee spreekt Uil niet aan. „We mogen hem zeker in achting houden, maar laten we de persoon niet verheerlijken. De beste manier om Smijtegelt in herinnering te houden, is door zijn preken te lezen.”

EINDE ARTIKEL OVER SMIJTEGELT

NOORDHOLLANDS DAGBLAD

”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154?utm_medium=organic&utm_source=google

De zeventiende-eeuwse dominee Jacobus Hondius uit Hoorn is sinds kort herontdekt. Want hij en zijn orthodoxe collega-predikanten spraken zich wel degelijk tegen de slavenhandel uit.

Gisteren, 1 juli, is weer herdacht hoe Nederland in 1863 de slavernij afschafte. Die had toen zo’n 250 jaar bestaan, sinds ’we’ rond 1600 de wereldzeeën waren gaan bevaren. In de veroverde gebieden werden Aziaten en Afrikanen op grote schaal gekocht, te werk gesteld en gemarteld als ze zich verzetten.

’Je moet het in de tijd zien’, wordt vaak gezegd. Inderdaad, in Azië en Afrika was slavernij een bekend verschijnsel. De Nederlanders deden niet veel anders dan flink gebruik maken van een bestaande praktijk in een verre vreemde wereld. Toch waren er vanaf het begin mannen van gezag die de vinger op de wonde plek legden.

Zoals Jacob de Hond, meer bekend als Jacobus Hondius, die jarenlang predikant was in Hoorn. Terwijl de havenstad groeide en bloeide, schepen van de VOC en de WIC de haven verlieten en volgeladen met exotische waar terugkeerden, preekte hij twee keer per zondag in de Grote Kerk.

En hij schreef. In het Zwart Register van Duizend Zonden somde hij alle zonden op waar een kerkganger zich verre van diende te houden. De slavenhandel hoorde daarbij. Dat andere volkeren zich hier wel mee bezighielden, was voor hem geen argument. ’Leden van onze kerk horen zich niet te besmetten met zulke onbarmhartige handel’, waarschuwde hij. Zij begaan een grove zonde als ze ’slaven kopen om weer te verkopen en met die ongelukkige mensen handel te drijven, net als met andere waren en goederen, alsof het maar beesten waren.’ Want, schreef hij, ’Het zijn immers mensen van een en dezelfde aard als zij zelf zijn’.

Hondius is herontdekt. Hij heeft een ereplekje in de kortgeleden verschenen Gids Nederlands Slavernijverleden en wordt de laatste jaren vaker genoemd als lichtend voorbeeld. Dat heeft iets grappigs, want veel van zijn andere uitspraken zou men niet zo prijzen. Hij beschouwde bijvoorbeeld ook het kerkorgel en het Sinterklaasfeest als zondig, en vond dat een vrouw haar hoofd moest bedekken.

Hondius behoorde tot de orthodoxe stroming in de protestantse staatskerk. Die predikanten – zo heeft de kerkhistoricus G.J. Schutte vastgesteld – waren behoorlijk kritisch tegenover slavenhandel en slavernij. Zodat ze in de 21e eeuw opeens weer een kleine heldenrol hebben gekregen. Want ze doen heel herkenbare uitspraken.

Zo schreef dominee Festus Hommius uit Leiden in 1617 dat slavenhandel een grove zonde was. Omdat je mensen daarmee ’berooft van hun kostbaarste goed: de vrijheid’. In 1653 schreef de Zuid-Hollandse predikant Cornelius van Poudroyen: ’Het betaamt christenen niet zich in deze harde, onzekere, verwarde, gevaarlijke en oneerlijke handel te mengen, en zo iemands ongeluk te vergroten en de uitvoerder te zijn van iemands kwelling en ellende.’

De Zeeuwse predikant Georgius de Raad nam in 1665 helemaal geen blad voor de mond: ’Men lokt ze in onze schepen, rooft ze, voert ze tegen hun wil weg, scheidt de ouders van de kinderen, de kinderen van de ouders, de mannen van de vrouwen, de vrouwen van de mannen’, schreef hij. ’Ik zwijg nog maar van de ongehoorde en heidense wreedheid die de christenen plegen tegenover de heidense slaven in de schepen, en van de manier waarop de slaven op onze plantages worden ontvangen.’ Hij besluit: ’Ons land is aan het zinken, en de zonden die dagelijks in de slavenhandel worden gepleegd, zouden wel eens de zwaarste ballast kunnen wezen, die het schip ten gronde doet gaan.’

Het bleef bij woorden. Slavernij was nu eenmaal economisch erg interessant en in de praktijk werd slavenhandelaren en plantage-eigenaren dus weinig in de weg gelegd. Er waren zelfs predikanten die het verschijnsel verdedigden. Afrikaanse krijgsgevangenen werden via de slavenhandel van de dood gered en wellicht zelfs tot bekering gebracht, zeiden ze. Of: stond er niet al in de Bijbel dat de zwarte zonen van Cham, de zoon van Noach, waren vervloekt om eeuwig andere volkeren te dienen?

Zo werd slavernij ’gewoon’ en zou tot in de negentiende eeuw voortduren. Maar toch, er zijn altijd mensen geweest die beter wisten. Het verleden is ook weer niet zó’n vreemd land als wel eens wordt gezegd.

EINDE ARTIKEL

Classisvergaderingen in Amsterdam en op Walcheren schreven in 1628 al dat het „niet christelyck was lyffeygene te hebben  


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

”Ook Justus Vermeer verwees naar Exodus 21:16, toen hij schreef over „den onbehoorlijken slavenhandel, in vreemde landen; als men daar mensen (met ons uit enen bloede) als beesten drijft, koopt en verkoopt, daarover de ongunste Gods zeer te vrezen is.”

REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

”Zo stelde hij in ”’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip” (1638) –handboek voor de christen-koopman-zeevaarder– dat slaven mochten weglopen.Ook noemde hij de mogelijkheid,  om slaven na een bepaalde tijd vrij te laten: zeven jaar nadat ze zich tot het christelijk geloof hadden bekeerd.”


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

”dat het den christenen niet en betaemt haer in desen rouwen, onsekeren, verwarden, periculeusen ende onbillicken handel te steken, ende daerdoor yemant sijn quaet vermeerderen ende executeur te zijn van yemants quellinge ende ellende.” 


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/artikel/512321-preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel

”Zeventiende eeuwse dominee Festus Hommius uit Leiden schreef, in 1617 dat slavenhandel een grove zonde was. Omdat je mensen daarmee ’berooft van hun kostbaarste goed: de vrijheid’.

NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154?utm_medium=organic&utm_source=google

[42]

De overstap van kaapvaart naar slavenhandel lag in eerste instantie niet echt voor de hand. Het werd zelfs in de beginjaren der compagnie op calvinistische gronden verworpen  

HISTORIENDE NEDERLANDSE SLAVENHANDEL IN DE 17E EN18E EEUW

27 JUNI 2013

http://www.historien.nl/geschiedenis-van-de-nederlandse-slavenhandel/

TEKST

De Nederlandse slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw wordt over het algemeen als zeer winstgevend omschreven. Maar klopt die stelling ook? Een onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel.

Het Nederlandse handelsverleden wordt dikwijls geassocieerd met de successen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Vuistdikke handboeken zijn verschenen over dit onderwerp en de publicatiestroom over deze roemruchte handelsonderneming is nog lang niet ten einde. De herinnering aan de VOC is in de hedendaagse literatuur nog springlevend, maar de geschiedenis van haar wellicht even roemruchte, op “de West” varende tegenhanger wordt enigszins tekort gedaan. Misschien heeft dit tekort aan aandacht ook te maken met het feit dat deze West-Indische Compagnie (WIC), in tegenstelling tot de VOC, voornamelijk periodes van economische tegenspoed en onzekerheid kende en dat het voornaamste deel van haar handelswaar uit slaven bestond.

Slavenhandel: een winstgevend bedrijf?

De handelssuccessen van de WIC lijken paradoxaal: de slavenhandel was kennelijk niet succesvol genoeg en het lijkt dan voor de hand te liggen om over te gaan op andere “handelswaar”. De WIC deed dit echter niet; de Nederlandse slavenhandel bleef bijna twee eeuwen standhouden, tot uiteindelijk in 1818 ook in de Nederlanden de handel in slaven werd afgeschaft. Er moet dus een goede reden zijn geweest om deze verlieslijdende handel te continueren. Maritiem historicus Willem Flinkenflögel laat in zijn werk “Nederlandse slavenhandel” (1621-1803) de zeventiende eeuwse Zeeuwse arts en slavenkeurder D.H. Gallandat aan het woord. Gallandat stelt “dat er vele bedrijven plaatshebben, die ongeoorloofd zouden schijnen, indien er geen bijzonder voordeel in te vinden was. Getuige hiervan is de slavenhandel, die men alleen door het voordeel dat hij aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheden kan vrijspreken”. Maar over welk voordeel voor de kooplieden heeft Gallandat het hier? Ook Flinkenflögel stelt immers dat de koopmanslogica van Gallandat geen stand lijkt te houden tegen de hedendaagse opvatting dat de Nederlandse slavenhandel weliswaar een hardnekkig bestaan leidde, maar in termen van winst niet bijster interessant was. Om de “waarom-vraag” te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk om eerst een uiteenzetting te geven over de vroegste geschiedenis van de WIC.

Oprichting van de WIC

De Brit Jonathan Israel stelt in zijn werk “Nederland als centrum van de wereldhandel, 1585-1740” heel duidelijk dat de Nederlandse zeelieden zich in de beginfase van deze kaperoorlog afzijdig hielden. De Lage Landen waren volgens Israel tegen het einde van de vijftiende eeuw gespecialiseerd in het vervoer van bulkgoederen, zoals de graanhandel op het Oostzeegebied. Graanoverschotten werden naar het Middellandse Zeegebied getransporteerd, waar de Nederlandse zeelieden zout haalden. Dit zout was nodig voor een ander belangrijk Nederlands handelsproduct: haring. De Europese handel verliep voor deze Nederlandse handelaren dermate voortvarend dat er geen behoefte was aan de perikelen met Spanje in bijvoorbeeld het Caribisch gebied.

Rond 1590 ziet Israel een keerpunt. Vanaf die tijd spreekt hij van de hegemonie in de wereldhandel van de Nederlandse stapelmarkt. Dit zou het gevolg zijn van een belangrijke verandering in de oorlog tegen Spanje. De Spanjaarden hadden het embargo tegen de Nederlanders beëindigd omdat zij dringend door de Nederlanders moesten worden voorzien van Baltisch graan en scheepsbenodigdheden, terwijl ze het embargo tegen Engeland in stand hielden. Naast de handel met de Spanjaarden voerden de Zeven Provinciën ook een groot en succesvol offensief uit (1591). De ontstane situatie zorgde voor het aantrekken van een handelselite, waardoor de economie een enorme impuls kreeg.

In 1598 kondigde de Spaanse koning echter strenge maatregelen aan om de zoutafname van de Nederlanders een halt toe te roepen. Vanaf dit moment waren de Nederlandse handelaren genoodzaakt het zout uit het Caribisch gebied te halen. Dit werd door de Spanjaarden zoveel mogelijk bestreden, maar voordat het tot een echt conflict kon komen, zorgde het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) ervoor dat het zout weer in Spanje gehaald kon worden.

Dat de Nederlandse zouthalers na de beëindiging van het Twaalfjarig Bestand kennelijk geen vertrouwen hadden in de Spaanse gastvrijheid blijkt uit het feit dat onmiddellijk na afloop van het Bestand werd overgegaan tot de oprichting van de “Geoctroyeerde Westindische Compagnie”. Omdat de Nederlanden inmiddels weer volop in oorlog waren met Spanje en de kosten voor de vloot zoveel mogelijk gedekt moesten worden, was de WIC genoodzaakt haar inkomsten voornamelijk op oorlogsbuit en kaapvaart te baseren.

De eerste dertig jaar van haar bestaan werd de WIC vooral gekenmerkt door een zeer agressief en expansief beleid om met name het katholiek Spanje en Portugal zo hard mogelijk te treffen. Kaapvaart, in tegenstelling tot zeeroverij door de overheid toegestaan, en gebiedsverovering waren hiervoor de meest effectieve middelen. Volgens Johannes de Laet, die in zijn “Iaerlijck Verhael” de verrichtingen van de WIC beschrijft, werden de Spanjaarden en Portugezen tussen 1623 en 1636 van niet minder dan 547 schepen beroofd.

Van kaapvaart naar slavenhandel

De overstap van kaapvaart naar slavenhandel lag in eerste instantie niet echt voor de hand. Het werd zelfs in de beginjaren der compagnie op calvinistische gronden verworpen. In zijn werk “The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600-1815” haalt Johannes Menne Postma een citaat aan uit het toneelstuk “Moortje”, van de Nederlandse dichter Brederode: “Inhumane custom! Godless rascality! That people are being sold, like horselike slavery. In this city there are also those, who engage in that trade. In Farnabock, but God will know”.

Na de verovering van Recife in Brazilië vond er een ommekeer plaats en werd de slavenhandel al snel begonnen. Deze verandering was mogelijk doordat de commerciële voordelen van de slavenhandel inmiddels volledig duidelijk waren. Volgens de Leidse hoogleraar P.C. Emmer behaalden de Engelsen met hun slavenhandel gemiddelde winstpercentages van zes tot zeven procent. In deze tijd niet bijster veel, in die tijd volgens Emmer volstrekt normaal. Een tweede factor die de slavenhandel niet alleen mogelijk maakte maar zelfs legitimeerde was het feit dat belangrijke theologen de slavenvaart niet langer in strijd achtten met het calvinistische gedachtegoed. Indien er werd gehandeld in niet-christenen, werd de slavenhandel toegestaan.

Nu in principe niets de Nederlandse slavenhandel nog in de weg stond, wilden de slavenhalers zich verzekeren van een regelmatige aanvoer van slaven ten behoeve van de plantages. Om dit te bewerkstelligen werden er plaatsen aan de West-Afrikaanse kust veroverd om als “slaven-inzamelingspunt” te dienen. In 1637 werd Elmina, het grote Portugese slavenhandelbolwerk, door Nederlanders aangevallen en ingenomen. Elmina zou vanaf dit moment tot aan de opheffing van de WIC het hoofdkwartier van de compagnie in West-Afrika zijn. In 1641 volgde een andere Portugese nederzetting, Luanda. De WIC breidde haar macht aan de Afrikaanse westkust gestaag uit, waardoor de slavenhandel pas echt goed op gang kon komen. Dit was ook hard nodig, daar de Nederlanders in Brazilië de op de Portugezen veroverde suikermolens weer in gebruik wilden nemen. De meeste slaven waren echter gevlucht en de toenmalige bestuurder van Nederlands-Brazilië, Johan Maurits van Nassau (1636-1644) werd bedolven onder verzoeken om voor voldoende aanvoer van “levend ebbenhout” te zorgen. Afrikaanse slavenhandelaren haalden slaven uit Dahomey, Angola en andere West-Afrikaanse landen en ruilden ze aan de kust tegen goederen uit de Republiek. De slaven werden vervolgens naar Amerika getransporteerd alwaar ze weer geruild werden tegen tropische producten, die dan weer naar de Republiek vervoerd werden. Deze handel is beter bekend onder de naam “driehoeksvaart”.

Een belangrijke rol was voor Curaçao weggelegd. Dit eiland werd langzamerhand het Nederlandse verzamelcentrum voor slaven. Vanaf Curaçao werden slaven vervoerd naar Spaans Zuid-Amerika en de Franse en Engelse eilanden in de regio. De meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was.

Problemen voor de WIC

Voorgedrukt koopcontract voor een 18-jarige slaaf, getekend te Lima, Peru, 13 oktober 1794. Bron: wikipedia

Hoewel de slavenhandel onverminderd doorging, kwam de WIC in grote problemen. De compagnie ontketende in de eerste helft van de jaren veertig van de zeventiende eeuw een nieuwe reeks roofovervallen op Spaanse bezittingen in het Caribisch gebied, maar onttrok daarvoor manschappen aan Nederlands-Brazilië. De WIC weigerde ook in te stemmen met een voorgesteld bestand van de nieuwe Portugese koning, nadat Portugal in december 1640 tegen de Spanjaarden in opstand was gekomen en zich had losgemaakt. Een bestand zou immers de gebiedsuitbreiding in Nederlands Brazilië tot stilstand brengen en een einde maken aan de roofovervallen op Portugese schepen. Het bestand werd echter toch gesloten, met als gevolg dat de Portugese suikereconomie in Brazilië weer sterk kon opleven. De concurrentie met de Nederlandse suikerplanters nam sterk toe, waardoor ook de polarisatie tussen de Nederlandse en Portugese planters toenam. Een opstand der Portugezen was het gevolg. Nederlands-Brazilië was verloren. Nadat de rust tussen de Nederlanders en de Portugezen was teruggekeerd werden er verdragen en handelsovereenkomsten gesloten, waardoor de rust tussen deze twee groepen bestendigd werd.Heel anders was de relatie met de Engelsen. De Engelse marine slaagde er keer op keer in om de Nederlandse slavenvaart grote schade te berokkenen.

Op de Afrikaanse kust zaten Nederlanders en Engelsen elkaar enorm in de weg, maar geen van beide partijen wist het tij in het eigen voordeel te keren, wegens gebrek aan manschappen.Afgezien van de buitenlandse concurrentie lag de grootste factor die het monopolie van de WIC aantastte volgens P.C. Emmer in eigen land. Na het faillissement van de WIC in 1674 ten gevolg van het echec in Brazilië, werd in hetzelfde jaar een nieuw octrooi aan de compagnie verleend (ook wel de tweede WIC genoemd). Groot verschil was dat het handelsmonopolie van de WIC niet werd voortgezet. Iedereen die handel wilde drijven in het Atlantisch gebied, kon zijn gang gaan, op voorwaarde dat er een belasting werd betaald aan de WIC. Alleen de slavenhandel bleef een WIC-aangelegenheid. Ondanks dit slavenhandelsmonopolie slaagde de WIC er niet in om winst te maken, zelfs niet met enorme overheidssubsidies. Volgens Emmer had dit te maken met factoren die niets met slavenhandel te maken hadden. Zo werd de tweede WIC opgezadeld met schulden van de eerste WIC en werd een dure, gedecentraliseerde districtsstructuur zonder wijzigingen overgenomen. Bovendien was de tweede WIC ook geen zuivere slavenhandelsrederij. Zij verdedigde ook en aantal forten en koloniën in het Caribisch gebied en Afrika, waarmee enorme kosten gemoeid waren.

De periode van vrije slavenhandel

Ook aan het WIC-monopolie op de slavenvaart kwam een einde. Volgens Flinkenflögel was het WIC-monopolie op de slavenhandel vele planters en reders een doorn in het oog, daar zij het in strijd met de “mare liberum” gedachte achtten. Daarnaast was het in de achttiende eeuw zo dat de vraag naar slaven het aanbod overtrof. Tussen 1730 en 1738 verviel het monopolie van de WIC en werd de vrije slavenhandel een feit. Wat overbleef was dat de vrije slavenhandelaren nu “recognitiegelden” dienden te betalen aan de WIC. Het was het einde van de WIC als transatlantisch slavenexporteur.Met de geleidelijke opheffing van het WIC monopolie op de slavenhandel namen de Zeeuwen met hun “Middelburgse Commercie Compagnie” (MCC) een vooraanstaande rol in wat betreft de Nederlandse slavenhandel. In 1754 had de MCC zo”n belangrijke plaats veroverd op het gebied van de slavenhandel, dat zij niet langer verplicht was de recognitiegelden aan de WIC af te dragen.

Relatie tussen verlies en sterfte

Vanaf 1730, het aanbreken van de periode van vrije slavenhandel, kan met enige zekerheid iets worden gezegd over de rentabiliteit van de Nederlandse slavenhandel. Volgens P.C. Emmer komt dit doordat er vanaf dat moment geen vermenging meer was van overheidstaken en commerciële activiteiten. Emmer stelt echter ook dat een er slechts een beeld te geven is van winst en verlies, aangezien alleen de boekhouding van slechts één slavenhandelsrederij, de MCC, bewaard is gebleven. Zelfs van de WIC is geen enkele complete boekhouding terug gevonden. Postma voegt daaraan toe dat vergelijking moeilijk is doordat elke slavenhandelende natie zijn eigen munteenheid, gewichtseenheden en maten kende. In de Nederlanden waren zelfs twee monetaire systemen: de Zeeuwen gebruikten het Vlaamse pond, de rest van de Republiek hield vast aan de gulden. Daarnaast hanteerden de slavenhandelaren een variëteit aan maateenheden. Op basis van gegevens over de waarde van schepen, gebouwen en andere bezittingen komt Emmer tot een jaarlijks winstpercentage van twee tot drie procent, wat hij normaal acht voor die tijd. Hij stelt echter ook de vraag waarom de directeuren van de MCC hier genoegen mee namen. Immers, het geld had net zo goed simpelweg op de bank gezet kunnen worden. Emmer vermoedt dat de investeerders in de compagnie hoopten op snelle en hoge winsten. Zonder tegenslagen was dat ook vast mogelijk geweest, maar de werkelijkheid was anders. Een aantal slavenreizen van de MCC leverden inderdaad vijftig tot tachtig procent winst op, maar minstens evenveel ondernemingen eindigden met een negatief resultaat. Dit had met name te maken met de hoge sterfte onder de slaven (voor oorzaken, zie tabel 1), waardoor verliespercentages van twintig tot dertig procent vrij normaal waren.

Het is enigszins vreemd dat de Engelsen, gelet op de winstpercentages, aanzienlijk succesvoller waren in de slavenhandel. Engelse slavenhalers boekten een gemiddeld winstpercentage van zes tot zeven procent, ruim het dubbele van de Nederlanders. Hoe was dit nu mogelijk? Emmer wijst opnieuw op de sterfte onder de slaven. De Engelsen kochten over het algemeen gezondere en conditioneel beter slaven in op de welvarende delen van de Afrikaanse kusten. Ook verzorgden de Engelsen hun slaven beter. Zo hadden de Engelsen een ingenieus luchtverversingssysteem ontwikkeld, tot jaloezie van de Nederlanders.

Vrijman citeert uit een niet nader genoemde bron om de situatie op de Nederlandse slavenschepen te omschrijven:“Vochtig weer en sterken wind belet hebbende de luchtgaten te openen begonnen koortzen en roode loop de negers te plaagen: hun vertrek was zoo ondraaglijk heet, dat ik er maar een oogenblik in konde verblyven. De hitte alleen maakte dit niet onmogelyk; de planken waren zoo met bloed bevlekt dat deze arme menschen als het ware daarin zwommen. Als zy door de ziekte door hun vel en hun vleesch komen, kwynen zy nog enige tyd in die toestand; door het liggen op de planken, waardoor de uitstekende knoken, vooral by de zieken, dikwijls ontveld worden, treed dikwijls koud vuur in, totdat de barmhartige God hen den dood toezend, om dit leven van ellende te eindigen”.

De Engelse schepen beschikten ook over meer scheepsartsen met ervaring in de slavenhandel en deze artsen wisten de sterfte eveneens te beperken. In tegenstelling tot Emmer heeft Vrijman echter juist kritiek op de Engelsen en Fransen en roemt hij de Nederlanders: “Door schade en schande wijs geworden, behandelde de Loffelijke Westindische Compagnie” haar transporten buitengewoon goed, althans in vergelijking met hetgeen de zwarten op de Engelsche en Fransche schepen te verduren hadden..De Edele Compagnie huldigde een gezond koopmansprincipe; een goede behandeling van de koopwaar is de beste waarborg, dat de lading goed geconditioneerd overkomt, met de minste verliezen door sterven, ziekten en anderszins. Vooral op Engelsche schepen kon het bar toegaan. In laatere tijden voeren eenige wel een dokter, maar die was er dan ook naar!”. De beschrijvingen van Vrijman lijken de feitelijke waarheid echter geweld aan te doen.

Neergang van de slavenhandel in de achttiende eeuw

Tegen het einde van de achttiende eeuw kreeg de Nederlandse slavenhandel een enorme klap te verwerken. De planters in Suriname hadden zoveel geld in Nederland geleend, dat zij op een gegeven moment niet langer in staat waren om de rente te betalen, laat staan dat zij bij machte waren om de hoofdsom terug te betalen en velen van hen gingen failliet. De financiële crisis die in 1773 volgde zorgde voor een scherpe terugval in de afname van slaven in Suriname. De reders probeerden de Staten-Generaal te bewegen tot het afschaffen van de belasting op het “uittreden”schepen. De Staten-Generaal stemden in 1789 in, omdat de handel op de West van levensbelang was voor de Nederlandse planters in dat gebied. De Staten-Generaal meende dat de slavenhandel aangemerkt diende te worden als onafscheidelijk van de bloei en voorspoed van de koloniën in de West.

Het aantal uittredingen na 1780 was inmiddels gedaald tot slechts drie tot vier per jaar. Het lijkt dan voor de hand te liggen dat de campagne om een einde te maken aan de slavenhandel juist in Nederland succes zou hebben. Niets was echter minder waar. Juist in Nederland waren in deze tijd nauwelijks protesten te horen tegen de slavenhandel, terwijl er in Engeland vreemd genoeg een effectieve lobby voor de afschaffing van de slavenhandel ontstond. De Nederlanders wilden echter van geen wijken weten en meenden dat de winsten in de slavenhandel weliswaar laag waren, maar dat deze tak van commercie voor de Nederlandse economie van groot belang was.

Het economisch belang van de Nederlandse slavenhandel

De indruk kan ontstaan zijn dat de slavenhandel een essentieel onderdeel van de Nederlandse economie vormde en dat afschaffing van de slavernij de economisch totaal ontwricht zou worden. Volgens P.C. Emmer is die gedachte beslist niet waar. Hij stelt dat de Nederlandse slavenhalers op hun hoogtepunt jaarlijks dertig slavenschepen lieten uitvaren, maar dat deze schepen samen nog geen één procent vormde van de totale koopvaardijvloot, die toen geschat werd op ongeveer vierduizend schepen. Ook voor de werkgelegenheid vormde de slavenvaart geen absolute noodzakelijkheid. Emmer stelt het aantal zeevarenden op slavenschepen op duizend tot twaalfhonderd, en dat in de hoogtijdagen. Als er in ogenschouw wordt genomen dat de werkgelegenheid in de scheepvaart vele malen groter was (volgens Emmer ongeveer 44.700 in 1770) dan vormen de ruim duizend slavenhalers slechts een zeer kleine, haast onbetekende groep.

Vervolgens meent Emmer dat deze marginale aantallen het belang van goederen en slaven die naar West-Afrika en West-Indië werden geïmporteerd en geëxporteerd, kunnen verhullen. Op één of andere manier was dit alles van vitaal belang voor de Nederlandse economie. Hij baseert zijn stelling op een aantal interessante cijfers. Rond 1770 voerden de Nederlanden voor 60 miljoen gulden in uit de buitengebieden. Slechts 20 miljoen kwam echter voor rekening van de VOC. De overige veertig miljoen werd door Afrika en de West geleverd, waarvan de helft direct uit de Nederlandse koloniën kwam. De slavenhandel heeft indirect zo”n vijftien procent van de invoer voor haar rekening genomen. De slavenhandel was derhalve een belangrijke motor van de Nederlandse import en export.

Maar was de slavenhandel van essentieel belang voor de gehele Nederlandse economie? Met andere woorden: hadden de Nederlanden zonder slavenhandel gekund, bijvoorbeeld als zij als enigen ter wereld een verbod op slavenhandel naleefden? Emmer meent dat de Nederlanden zonder veel moeite van slavernij hadden kunnen afzien. Nederlandse plantages hebben nooit meer dan de helft van de geïmporteerde suiker en koffie geleverd, en dit zou gemakkelijk door het buitenland kunnen worden opgevangen. Daar een groot deel van de Atlantische handel en scheepvaart mogelijk werd gemaakt door de inzet van buitenlandse gastarbeiders, zou het hoogstens betekenen dat er minder gastarbeiders naar de Nederlanden waren gekomen op zoek naar werk. Maar dan nogmaals: waarom de invoering en vooral voortzetting van de slavernij, terwijl investeerders hun geld wellicht ook in andere, winstgevende projecten konden steken? Emmer verwerpt deze gedachte met de stelling dat het kapitaal dat in de slavenhandel geïnvesteerd was, niet zo simpel ergens anders onder te brengen was. Ook acht hij het niet als vanzelfsprekend dat de schepen die actief waren in de slavenhandel, dan zomaar op andere routes konden worden ingezet. “In de moderne economie gaan de experts steeds uit van de veronderstelling dat er voor elke economische activiteit wel een alternatief bestaat en dat er steeds sprake is van economische groei. Beide verschijnselen waren in het Nederland van de zeventiende en achttiende eeuw helemaal niet vanzelfsprekend”, aldus Emmer. Bovendien maakten Amsterdamse handelshuizen goede winsten bij het transport en de verkoop van plantageproducten.

Bijzondere belangen van de slavenhandelaars 

Hoewel Emmer een plausibele verklaring geeft voor de voortzetting van de slavernij, kunnen er toch kanttekeningen worden geplaatst. Slavenhandel mag dan wel een belangrijke motor voor de in- en export geweest zijn, het was volgens Emmer ook geen absolute noodzaak voor het gezond houden van de Nederlandse economie. De slavenhandelaren leden een financieel onzeker bestaan, waarbij verlies en winst elkaar snel en met grote marges afwisselden. Dat lijkt in ieder geval een weinig aantrekkelijk toekomstbeeld voor deze handelaren. Is het dan werkelijk de goede hoop die velen van hen hadden, dat de slavenhandel op en dag wel die vaste winst opleverde waar velen van hen ongetwijfeld naar verlangden? Of waren er juist andere motieven, om toch zo lang en zo hardnekkig aan de slavenhandel vast te houden. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, dienen de werken van Postma en Flinkenflögel ter hand genomen te worden.

Postma geeft in navolging van Emmer eveneens aan dat de slavenhandelaren deels werden gedreven door goede hoop. “Even if an assessment of profitability of individual slaving ventures shows erratic and low financial gains, there was always the gambling mentality to keep slave traders going; the next venture could always be better”. Aangezien zowel Postma als Emmer dit argument naar voren brengen, kan worden aangenomen dat deze ogenschijnlijke naïviteit van de slavenhandelaren een bepaalde rol speelde. Ook zegt Postma dat de slavenhandel niet op zichzelf stond. Het was een onderdeel van een veel groter systeem waartoe ook de plantages, nederzettingen en nationale economie behoorden. Maar dan slaat Postma een andere weg in. Hij stelt namelijk dat “many of the merchants involved in the slave trade also owned plantations in Surinam, and they knew that unless fresh slaves were brought from Africa, their other investment would suffer. This is illustrated by the slaving firm, Coopstad en Rochussen of Rotterdam, and also by repeated requests written by West-Indian planters”. Dit is een zeer belangrijk gegeven. Daar veel planters dus zelf eigenaar van één of meerdere plantages waren en zij dus niet als slavenhandelaren maar als planters afhankelijk waren van de slavenhandel, kan er worden gesproken van eigen belang als belangrijke reden voor het voortzetten van de slavenhandel.

Flinkenflögel voegt daaraan toe dat het niet enkel ging om slavenhandelaren die eigenaars van de plantages waren. De meeste rederijen hadden ook reusachtige kredieten aan plantage-eigenaren verstrekt, en het aanleveren van slaven was zodoende noodzaak, om te voortkomen dat hun onderpand failliet ging. Het lot van de Nederlandse West-Indische plantagekoloniën lag daardoor in handen van Nederlandse geldschieters van wie een aantal tevens slavenhandelaar was. Slavenhandel en plantagebezit waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. De handel in dienstbaren, zoals de slaven ook wel genoemd werden, stond niet op zichzelf, maar was slechts een component van de complexe handel tussen de Republiek, West-Afrika en West-Indië.

Het einde van de slavenhandel

Het begin van het einde van de slavenhandel begon in de jaren zeventig van de achttiende eeuw. Hoewel de slavenhandel eerste jaren nog een hoogtepunt bereikte, bracht de economische recessie van 1773 de activiteiten rond de slavenhandel een zware klap toe. In 1780 tenslotte koos de Republiek openlijk de kant van de Amerikaanse opstandelingen tijdens de Amerikaanse Revolutie. Hierdoor raakte de Republiek in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) verzeild. Helaas voor de Nederlanders was de Engelse Marine heer en meester op de wereldzeeën en de oorlog had dan ook rampzalige gevolgen voor de Nederlandse slaafvaart. Veel Nederlandse schepen werden door de Engelsen buitgemaakt, het aantal vervoerde slaven daalde drastisch en in 1783 kwam er zelfs geen enkele slaaf aan in West-Indië. De slavenhandel werd echter niet beëindigd. Met het einde van de oorlog met Engeland in 1784 kwam de slavenhandel weer op gang en in 1793 werd zelfs een kleine piek bereikt (tabel 2)

Het was slechts een tijdelijke opleving. In 1795 kwam de Republiek, nu de Bataafse Republiek geheten, als bondgenoot van Frankrijk opnieuw in oorlog met Engeland. Vrijwel direct kwam de volledige Nederlandse Atlantische slavenhandel stil te liggen. Na het Verdrag van Amiens (1802) volgde nog een laatste opleving, maar de hervatting van de oorlog in 1803 betekende de doodssteek voor de Nederlandse slavenhandel. Net zoals in de periode 1799-1802 kwamen de Nederlandse plantages onder Brits protectoraat en werden daardoor ook bevoorraad door Engelse slavenhandelaren in plaats van de Nederlanders.

Na de beëindiging van de oorlog in 1815 keerde de rust terug, maar niet de slavenhandel. Net als de Amerikanen hadden de Britten de handel in slaven wettelijk verboden. In principe kon dit de Nederlanders er niet van weerhouden de slavenhandel weer op te pakken. De in 1813 uit ballingschap in Engeland teruggekeerde koning Willem I stemde de Britten gunstig door geen toestemming te geven voor een voortzetting van de slavenhandel. Of dit een humanitaire overweging was, valt moeilijk na te gaan. Tactisch was het in ieder geval wel. In ruil voor het afwijzen van slavenhandel wist Willem I zich te verzekeren van Engelse steun bij de uitbreiding van het Nederlandse koninkrijk en was er grote kans dat de Nederlandse gebieden die tijdens de oorlogen onder Brits protectoraat gekomen waren, weer overgingen in Nederlandse handen.

De Nederlandse slavenhandel werd uiteindelijk in juni 1814, per koninklijk decreet, voorgoed afgeschaft.

Conclusie

De periode van de Nederlandse slavenhandel wordt gekenmerkt door complexiteit. Belangrijk is in ieder geval dat slavenhandel in eerste instantie geen doelstelling van de WIC was, terwijl de WIC vaak onlosmakelijk wordt verbonden met deze handelspraktijken. Slavenhandel ontstond pas toen de economische voordelen (met Engelse en Franse slavenhandel als voorbeeld) en economische noodzaak (arbeid voor de plantages in de West) duidelijk werden.

Duidelijk is ook dat slavenhandel geen zuiver Europese (en later ook Amerikaanse) aangelegenheid was. De Afrikaanse slaven werden immers gekocht van Afrikaanse, inheemse slavenhandelaars. De blanken waagden zich slechts in de kuststreken.

Was de slavenhandel nodig? Achteraf bekeken niet, maar tot in de hoogste regionen van de regering heerste de overtuiging dat het een absolute noodzaak was, om de plantages te voorzien van arbeidskrachten. Emmer heeft uiteengezet dat dit niet nodig was: zonder suiker en koffie van de Nederlandse plantages zou het via de Engelsen geïmporteerd kunnen worden. Ook hoefden de plantages in principe niet afhankelijk te zijn van de Nederlandse slavenhalers: immers, tijdens de perioden van Brits protectoraat werden dezelfde plantages door Britse slavenhalers bevoorraad. Postma heeft echter aangetoond dat de Nederlandse slavenhandel noodzakelijk was omdat slavenhandel en plantage-economie onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Vele slavenhandelaren bezaten plantages en derhalve bevoorraadden ze hun eigen projecten. Hetzelfde geldt voor de rederijen en de kredietverstrekkers. De plantage-eigenaren hebben diep in de schulden gezeten en om de investeringen veilig te stellen, dienden slaven te worden geleverd.

Het einde van de slavenhandel werd voor een groot deel bepaald door externe gebeurtenissen. De oorlogen met Engeland gaven echter de doodssteek. Daar de slavenhandel al lang had stilgelegen en de afschaffing gepaard ging met Britse steun voor de uitbreiding van het Nederlandse koninkrijk alsmede de teruggave van de tijdens de oorlogen verloren gebieden, was de Nederlandse slavenhandel vanaf 1814 voorgoed verleden tijd.

EINDE ARTIKEL

[43]

”Dat slavernij overal in de wereld voorkwam lijkt het Rijksmuseum niet te interesseren, waardoor de bezoeker de indruk krijgt dat de slavenhandel en slavernij voornamelijk Europese erfzonden zijn: ‘In Afrika leefden mensen in de koloniale tijd met de realiteit van mensenhandelaren, nomaden op paarden, die nachtelijke rooftochten organiseerden om mensen te ontvoeren.’

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[44]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[45]

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[46]

”Naar schatting zijn 12 miljoen slaven vervoerd.”

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel

[47]

TWAALF VRAGEN OVER SLAVERNIJ, DIE JE MAAR BETER NIET

HAD KUNNEN STELLEN

29 JUNI 2017

Weinig dingen laten witte Nederlanders zo snel in een historische reflex schieten als het slavernijverleden.

Je kent het wel: je zegt iets over het Nederlandse aandeel in het systeem van de trans-Atlantische slavenhandel, en dan begint meneer opeens over de zware onderdrukking van Brabanders.

Nee Arzu, verdiep je in de geschiedenis van Nederland. Wij Brabanders waren ook slaven van Holland. Moesten 80% belasting betalen.

— Roland J. Brouwer (@RolandBrouwer78) 18 oktober 2016

He, ik snap het, het is allemaal heel moeilijk dat mensen het hier nog over willen hebben. Waarom kunnen we niet gewoon doen alsof het nooit is gebeurd? Die vijf jaar Tweede Wereldoorlog hoor je ook nooit meer iets over, toch?

Maar goed, als we het er niet over hebben, dan blijven al je vragen en reflexen ook onbeantwoord. Hoe moet je dan besluiten dat je je helemaal niet schuldig hoeft te voelen over een racistisch systeem van slavernij dat eeuwen in stand is gehouden?
Dus hier heb je twaalf antwoorden op reflexen vragen over Atlantische slavernij die je eigenlijk maar beter niet in de mond had kunnen nemen.

AFRIKANEN WERDEN VAAK VERKOCHT DOOR ANDERE AFRIKANEN.

Correct. Dus?

DUS KUNNEN WE EUROPEANEN NIET SCHULDIG HOUDEN VOOR TRANS-ATLANTISCHE SLAVERNIJ!

Oeh, die ga ik de volgende keer in de rechtszaal gebruiken. “Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan brandstichting want Pietje Bell gaf me de benzine.” Daarnaast valt er nogal wat te zeggen over de rol die Europees kapitaal speelde in het aansporen, uitbreiden en in stand houden van de West-Afrikaanse slavernij.

OKE MAAR DE ARABISCHE SLAVENHANDEL DAN?

“Ja maar hullie doen ‘t ook” had je al af moeten leren in groep 3.

DAT BETEKENT TOCH DAT ATLANTISCHE SLAVERNIJ NIET ZO UNIEK WAS?

Ken jij een ander systeem waarbij gedurende drie eeuwen zo’n 12.5 miljoen mensen in op elkaar gepakte ruimen een oceaan over werden verscheept, onderweg ~1.5 miljoen mensen stierven, de overlevenden onderworpen werden aan een systeem dat hen en al hun kinderen behandelde als objecten, allemaal om wat geld te kunnen verdienen? En dan hebben we het nog niet eens over dat systeem als oorsprong van racisme.

De specifieke vorm van chattel slavery waar Europeanen zwarte mensen in de Amerika’s aan onderwierpen is uniek.

Slavernij is een constante in de menselijke geschiedenis, maar de specifieke vorm van chattel slavery waar Europeanen zwarte mensen in de Amerika’s aan onderwierpen is uniek. De combinatie van totale ontmenselijking van een geracialiseerde bevolkingsgroep van miljoenen mensen, absolute erfelijkheid van slavernij, social death, ontvoering uit de oorspronkelijke sociale omgeving, en op winst gerichte gewelddadige uitbuiting zien wij nergens anders.

EN DE IEREN IN AMERIKA DAN?

Dat was tijdelijke dwangarbeid, niet geracialiseerde, erfelijke slavernij. Zie ook het verschil tussen de Arbeitseinsatz van niet-Joodse Nederlanders in Duitse werkkampen, en Auschwitz.

BARBARIJSE SLAVENHANDEL WAS EEN DING!

Die maakte maximaal 1.25 miljoen Christelijke slachtoffers, en dat is bijna zeker een grove overschatting want het boek waar die cijfers op zijn gebaseerd is broddelwerk. Maar zelfs in die overschatting vallen die cijfers in het niet bij trans-Atlantische slavernij, en is er geen sprake van een geracialiseerd, erfelijk systeem van chattel slavery.

OKE HET WAS UNIEK, MAAR ZO VEEL VERDIENDEN WE ER NIET EENS MEE

Oh, dus naast dat we al die shit deden waren we ook nog eens incompetent?

(Maar zie Van Rossum & Fatah-Black die benadrukken dat slavernij vaak wel winstgevend was, en de Nederlandse economie als geheel stimuleerde)

DOE NIET ZO MOEILIJK, IEDEREEN VOND DIT TOEN NORMAAL

Als iedereen slavernij normaal vond, hoe verklaar je dan de vele opstanden van (ontsnapte) tot slaaf gemaakten? Vallen zij niet onder ‘iedereen’?

Of bedoelde je eigenlijk te zeggen dat wij West-Europeanen het heel normaal vonden? Dat spreekt niet echt voor je argument dat wij niet zo erg waren, he — maar het is ook onwaar: een actieve, witte anti-slavernijbeweging ontstond vanaf het midden van de 18e eeuw, vooral in Groot-Brittanië. Bredero vond het in 1615 ook niet zo moeilijk om een karakter slavernij af te laten keuren:

Onmenschelyck ghebruyck! Godlóóse schelmery! Datmen de menschen vent, tot paartsche slaverny! Hier zynder oock in stadt, die sulcken handel dryven,
In Farnabock: maar ‘tsal Godt niet verhoolen blyven.

SLAVERNIJ IS FOUT, MAAR NEDERLAND WAS MAAR HEEL KLEIN DAARIN

Nederland heeft zo’n 610.000 mensen over de Atlantische oceaan ontvoerd, volgens de meest recente schatting van Fatah-Black en Van Rossum. Daarnaast hebben Nederlanders meer dan twee eeuwen lang slavernijplantages gerund in de Amerika’s, voornamelijk in Suriname.

Wij vonden toen ook het systeem van suikerplantages bewerkt door Afrikaanse tot slaaf gemaakten uit

Sterker nog: in het midden van de 17e eeuw — toen het Atlantische slavernijsysteem in de kinderschoenen stond — domineerden wij de trans-Atlantische handel in mensen. Wij vonden toen ook het systeem van suikerplantages bewerkt door Afrikaanse tot slaaf gemaakten uit dat vanaf toen tot het midden van de negentiende eeuw de Caraïben zou beheersen.

En dan hebben we het nog niet over het Nederlandse aandeel in slavernij in Azië gehad.

MAAR WIJ HEBBEN SLAVERNIJ TOCH AFGESCHAFT?

Eerst eeuwenlang een systeem opzetten, en dan nog credits willen voor de afschaffing ook. Knap hoor. Nederland was een van de allerlaatste Europese landen die haar Atlantische slavernij systeem afschafte, overigens, en in het activisme en de vaak bloedige strijd om die Europese afschaffing te bewerkstelligen hebben mensen van Afrikaanse afkomst een cruciale rol gespeeld. Het is geen witte verworvenheid, wil ik maar zeggen.

MOET IK ME DAN SCHULDIG GAAN VOELEN, HET IS ZO LANG GELEDEN!

Er zijn mensen in leven wiens overgrootouders in Suriname in slavernij werden geboren. Hoe je je daarover voelt mag je zelf bepalen.

OKE, BEST, HET WAS FOUT — WAT MAAKT DAT NU DAN UIT?

Het is onderdeel van de Nederlandse geschiedenis, en alleen daarom zouden we het moeten blijven bespreken. Die geschiedenis is nog steeds zichtbaar in alle grote steden.
Maar het heeft ook effect op de huidige maatschappij. Onze ideeën over ras (en dus racisme) zijn ontstaan uit slavernij, de samenstelling van de Nederlandse bevolking en die van voormalige Nederlandse koloniën is er door vormgegeven, en de huidige raciale ongelijkheid in ons land vindt zijn oorsprong in die slavernij. Dat maakt uit.

EINDE ARTIKEL

[48]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE NOOT 7

[49]

” De Europeanen sloten dan ook aan bij een al zeker zes eeuwen bestaand netwerk van Arabische slavenhandel. De slaven werden aangeleverd door Afrikaanse en Arabische handelaren en door de Europeanen naar Amerika gebracht”

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL/AANVANGSCONDITIES

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel#Aanvangscondities

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

TRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL

https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel

[50]

AFRIKANEN WERDEN VAAK VERKOCHT DOOR ANDERE AFRIKANEN.

Correct. Dus?

DUS KUNNEN WE EUROPEANEN NIET SCHULDIG HOUDEN VOOR TRANS-ATLANTISCHE SLAVERNIJ!

Oeh, die ga ik de volgende keer in de rechtszaal gebruiken. “Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan brandstichting want Pietje Bell gaf me de benzine.” Daarnaast valt er nogal wat te zeggen over de rol die Europees kapitaal speelde in het aansporen, uitbreiden en in stand houden van de West-Afrikaanse slavernij.”

TWAALF VRAGEN OVER SLAVERNIJ, DIE JE MAAR BETER NIET

HAD KUNNEN STELLEN

29 JUNI 2017

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 47

Reacties uitgeschakeld voor Noten 31 t/m 50 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 16 t/m 30 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[16]

MUSEUM DOET TERM GOUDEN EEUW IN DE BAN/GOED ZO!/AFREKENINGBAGATELLISERING SLAVERNIJ/EERSTE STAP!ASTRID ESSED13 SEPTEMBER 2019
https://www.astridessed.nl/museum-doet-term-gouden-eeuw-in-de-ban-goed-zo-afrekening-bagatellisering-slavernij-eerste-stap/

REACTIE HEER VAN DER MOLEN [Eerst mijn antwoord op zijn reactie]
Astrid Essed To:

PR Amsterdam Museum,Tom van der Molen

Sep 15 at 4:33 AM

Geachte meneer van der Molen

Excuses voor mijn relatief verlate reactie, vanwege opgelopen drukte.Vriendelijk bedankt voor uw inspirerende en waarderende woorden ennogmaals beschouw ik het als een eer, dat ik er een bijdrage aan heb geleverd, u en uw Museum in de discussie over ”decolonizing the hearts and minds” een andere en meer ”gelijkheidskant” te tonen.Waarbij ik een bescheiden footprint gezet heb in de historische strijd om gelijkheid.En u en uw Museum nogmaals mijn waardering.En dat u bereid was om te luisteren!
Veel succes, in de toekomst.
Vriendelijke groeten/Astrid Essed

On Friday, September 13, 2019, 02:09:52 PM GMT+2, Tom van der Molen <t.vandermolen@amsterdammuseum.nl> wrote:

Geachte mevrouw Essed,

Ik herinner me u zeker, en inderdaad, u was beslist één van degenen die mij en ook het museum er van hebben overtuigd dat we meer moesten doen om andere perspectieven op die geschiedenis mogelijk te maken. U mag beslist trots zijn op u zelf dat u heeft bijgedragen aan het aanslingeren van een waardevolle discussie over hoe wij naar onze geschiedenis willen kijken.

Met vriendelijke groet,
Tom van der Molen

EINDE MAIL DE HEER VAN DER MOLEN

AMSTERDAM MUSEUM NEEMT AFSCHEID VAN GOUDEN EEUW/

REACTIE CONSERVATOR T. VAN DER MOLEN OP MIJN

ADHESIEBETUIGING

ASTRID ESSED

15 SEPTEMBER 2019

[17]

RIJKSMUSEUM

TENTOONSTELLING SLAVERNIJ

https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/slavernij?gclid=CjwKCAjww-CGBhALEiwAQzWxOkiJcojhRjd13X2OXOkRWaxd5VfDlToEF_eoHoJ-WifUm7Y0EhX-HRoCJhgQAvD_BwE

Een tentoonstelling over slavernij. Niet als abstract begrip, maar in de vorm van persoonlijke en waargebeurde verhalen. Verhalen uit zowel Brazilië, Suriname en het Caribisch gebied, als uit Zuid-Afrika en Azië.

Lees minder 

Voor het eerst richten we onze blik op slavernij in de Nederlandse koloniale periode. Een periode van 250 jaar die een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van onze geschiedenis. Een periode waarin mensen tot bezit en objecten in administraties werden gemaakt. In de tentoonstelling vertellen we tien waargebeurde verhalen van mensen die hierbij betrokken waren. Tien persoonlijke verhalen over mensen die bijvoorbeeld tot slaaf waren gemaakt of slavenhouder waren. Of over mensen die zich verzetten en mensen die in slavernij naar Nederland zijn gehaald. Hoe zagen hun levens eruit? Hoe verhielden zij zich tot het systeem van slavernij? Konden zij eigen keuzes maken?

OBJECTEN EN AUDIOVERHALEN

Op de tentoonstelling zie je objecten uit nationale en internationale musea, archieven en particuliere collecties. Naast de objecten, schilderijen en bijzondere archiefstukken krijg je mondelinge bronnen, gedichten en muziek te horen. De audioverhalen zijn ingesproken door o.a. Joy Delima, Remy Bonjasky en Reza Kartosen-Wong, die vanuit hun eigen achtergrond, elk een band hebben met één van de tien personen.

Om een completer verhaal te vertellen laten we objecten zien die niet eerder in het Rijksmuseum te zien zijn geweest. Zoals objecten die door mensen in slavernij werden gekoesterd, maar ook werktuigen die op de plantages werden gebruikt.

LOOK AT ME NOW

Aansluitend op de tentoonstelling nodigen kunstenaars David Bade en Tirzo Martha van Instituto Buena Bista uit Curaçao alle bezoekers uit om tien nieuwe kunstwerken te maken, gebaseerd op de verhalen uit de tentoonstelling. Dit project heet Look at me now.Meer over Look at me now

VIER CONTINENTEN

De tentoonstelling beslaat de Nederlandse koloniale periode van de 17de tot en met de 19de eeuw. Zowel de slavernij in Suriname, Brazilië en het Caribisch gebied (trans-Atlantisch), met de rol van de West-Indische Compagnie (WIC), als de Nederlandse koloniale slavernij in Zuid-Afrika en Azië waar de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC) actief was, komen aan bod. Ook de effecten van het systeem in Nederland zelf in die periode worden belicht. Het levert een brede geografische, en tegelijk tevens specifiek Nederlandse blik op, die niet eerder in een nationaal museum is getoond.

RIJKSMUSEUM & SLAVERNIJ

Ook op andere plekken in het museum belichten we de relatie met slavernij. Bij rond de 77 objecten in de vaste opstelling vind je een jaar lang een tweede tekstbordje. Hierop gaan we in op de tot nu toe onzichtbare relatie met slavernij.Meer informatie over Rijksmuseum & Slavernij

PUBLICATIE

Het Rijksmuseum en Uitgeverij Atlas Contact publiceren gezamenlijk het rijk geïllustreerde boek Slavernij. In deze publicatie worden de levens van tien personen beschreven die deel uitmaakten van de Nederlandse koloniale slavernijgeschiedenis. Auteurs: Eveline Sint Nicolaas, Valika Smeulders, e.a.Meer over de publicatie

VOOR HET ONDERWIJS

Wij hebben samen met educatieve partner ThiemeMeulenhoff onderwijsaanbod gecreëerd aansluitend op de Slavernij tentoonstelling. Bekijk hier bijvoorbeeld het Slavernij Magazine.

Voor een bezoek met de klas is geen onderwijsprogramma mogelijk. We vragen je daarom om individuele tickets te boeken en leerlingen in groepjes van maximaal 4 de tentoonstelling te laten bezoeken, met de audiotour. Deze kunnen ze ook op hun eigen telefoon volgen via de Rijksmuseum App. Wees er snel bij, want de capaciteit van de tentoonstelling is door huidige maatregelen zeer beperkt.

TOEGANKELIJKHEID

Tijdens de tentoonstelling Slavernij organiseren we een aantal middag- en avondopenstellingen voor specifieke groepen. Bekijk de Zien & Doen voor meer informatie over deze evenementen.

Van de audiotour is ook een prikkelarme versie zonder muziek en bijgeluiden. De verhalen in de audiotour zijn ook in de app beschikbaar in tekst.

TENTOONSTELLINGSONTWERP

Het tentoonstellingsontwerp is gemaakt door bureau AFARAI van architect Afaina de Jong.

SAMENWERKING

De tentoonstelling en programmering zijn het resultaat van vele samenwerkingen met uiteenlopende experts van buiten het museum, onder wie historici, erfgoedexperts, culturele ondernemers, kunstenaars, theatermakers en artiesten.

De experts die vanuit het museum aan de tentoonstelling werken vind je hier.

MET DANK AAN

De tentoonstelling Slavernij wordt mede mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds, Blockbusterfonds, Fonds 21, DutchCulture, Stichting Democratie & Media, Stichting Thurkowfonds, Boomerang Agency en via het Rijksmuseum Fonds: Scato Gockinga Fonds, Fonds de Zuidroute, Zusjes Nieuwbeerta Fonds, Fonds Dirk Jan van Orden, Henry M. Holterman Fonds en Bestuursfonds Hollandse Meesters.

[18]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[19]
”De met veel tamtam aangekondigde en inmiddels geopende tentoonstelling ‘Slavernij’ in het Rijksmuseum typeert de slaven vrijwel zonder uitzondering als zielige underdogs, terwijl veel wetenschappelijke studies van de laatste vijftig jaar keer op keer laten zien dat die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten, nooit heeft bestaan.” 

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[20]

”De met veel tamtam aangekondigde en inmiddels geopende tentoonstelling ‘Slavernij’ in het Rijksmuseum typeert de slaven vrijwel zonder uitzondering als zielige underdogs, terwijl veel wetenschappelijke studies van de laatste vijftig jaar keer op keer laten zien dat die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten, nooit heeft bestaan.”

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[21]
HIER VOLGT EEN LANG NIET COMPLEET OVERZICHT VAN EENAANTAL SLAVENOPSTANDEN IN DE AMERIKA’S, EN OPSTANDENOP SLAVENSCHEPEN
NOSWIJ BEN VRIJ: DE UNIEKE BRIEVEN VAN EEN SLAVENOPSTAND
21 JANUARI 2021
https://nos.nl/artikel/2365309-wij-ben-vrij-de-unieke-brieven-van-een-slavenopstand

“Als de gouverneur wil de grond hebbe van Berbice, die sal je krijgen”, luidde het aanbod dat de gezaghebber van de beruchte Nederlandse kolonie in mei 1763 kreeg. “Maar dan moet je ook sien, dat je nieuwe slaven krijgt, maar wij ben vrij.”

Aan het woord is Coffy, de vrijgevochten slaaf die een maandenlange opstand leidde in Berbice, het huidige Guyana. Zijn correspondentie is nu te zien op een tentoonstelling in het Nationaal Archief, eerst online, na de lockdown ook in het echt. Unieke stukken, omdat de stemmen van totslaafgemaakten vaak ontbreken in de officiële geschiedschrijving.

De in Suriname geboren schrijver Karin Amatmoekrim is blij dat het verhaal na 250 jaar meer aandacht krijgt in ons land. Ze schreef eerder voor De Correspondent over deze onbekende geschiedenis. “Het is zo jammer dat er zoveel geschiedenis is weggestopt.”

“Coffy is in Guyana een nationale held, het begin van de opstand is een nationale feestdag. Zijn verhaal nuanceert het bestaande beeld: het is niet zo dat mensen eeuwenlang lijdzaam in slavernij hebben geleefd. Men probeerde verzet te plegen. Alleen daarom is het al een belangrijk verhaal.”

‘Naar de barrebiesjes’

De ellende in Berbice was spreekwoordelijk. Wie “naar de barrebiesjes ging” kreeg te maken met het genadeloze klimaat en aanhoudende tropische ziektes, verergerd door de brute slavernij in het gebied. Omdat de kolonisten met ruim tien tegen een in de minderheid waren, was er een constante dreiging van geweld en werd verzet zwaar bestraft.

Op 23 februari 1763 escaleerde het totaal. Op de plantage Magdalenenburg vermoordden slaven hun witte opzichter. Bewoners van naburige landgoederen sloten zich bij de opstand aan, onder wie ook Coffy, die als kind vanuit West-Afrika was geroofd. Witte kolonisten, gedecimeerd door tropische ziektes, konden geen weerstand bieden.

De verovering van plantage Peereboom werd een slachting. Gebouwen werden in brand gestoken en de opstandelingen braken hun belofte van een vrije aftocht. Vluchtende Europeanen werden beschoten of verdronken. Achterblijvers waren er nog slechter aan toe: een werd doodgegeseld, een ander geradbraakt, nog een gevild.

Coffy had in enkele dagen bereikt wat hij wilde. De Nederlanders waren op de vlucht, Fort Nassau werd door hen in brand gestoken om te voorkomen dat de rebellen het zouden innemen. Coffy riep zichzelf uit tot de nieuwe gouverneur en opende onderhandelingen met zijn verdreven voorganger Van Hoogenheim. Zijn “Waerschouwing aen de Heer Gouverneur” is te zien op de tentoonsteling.

Van Hoogenheim kan volgens hem maar beter “met de schepen na Hollant gaan soor gou als mogelijk is”, want anders zal hij “met een groot getal volk koomen om te vegten”. In een later schrijven is hij opvallend verzoenend: hij wil de kolonie best delen. Ik “wil niet meer voor mijn behouden, als 4 plantagien met mijn volk. Wat dat overige aanbelangt, dat is voor Jouluij.”

“Het verhaal is interessant omdat het perspectief gekanteld wordt”, stelt Amatmoekrim.” De Afrikanen zeggen: we hebben jullie helemaal verslagen, maar jullie hoeven niet weg. Neem de kust, daar hebben jullie wat je verlangen, dan nemen wij de binnenlanden, waar wij ons thuis voelen. Interessant om te zien hoe iemand een onderdrukker omverwerpt en toch zegt: jullie hoeven dit land niet uit.”

“Misschien is dat wel een eigenschap van een groot leider: pragmatisch kunnen denken. Hij weet dat een gestrekt been niet wint, dat er samenwerking moet komen.”

‘Geene quade gedagten’

Coffy legt in de brieven zelfs uit dat hij de gouverneur niks kwalijk neemt, hij heeft “geene quade gedagten”. “Dat de Heer Gouverneur niet oorsak seie aan de oorlog, dat weeten wij wel”, schrijft hij. Het gaat hem om de hardvochtige meesters, die “het volk Seere mishandelt hebben, en og over de natur met schleegen en shwippen getracteert”, buitengewoon zwaar mishandeld dus.

“Die details zijn veelzeggend”, merkt Amatmoekrim op. “Door tijdgenoten werden de opstandelingen barbaren genoemd, zwarte duivels. Maar het maakt uit door wie het verhaal verteld wordt. De een zijn terrorist is de ander zijn vrijheidsstrijder. Wie nu het verhaal leest denkt misschien: ik hoop dat ik hetzelfde had gedaan.”

Coffy’s maandenlange toenaderingspogingen zouden hem fataal worden. Van Hoogenheim rekte tijd, wachtend op nieuwe troepen en hopend dat interne strijd de rebellen zou verzwakken. De gematigde Coffy legde het inderdaad af tegen zijn militantere adjudanten en pleegde zelfmoord. Enkele maanden later, in maart 1764, maakte versterking uit Nederland een eind aan de opstand.

Als je openstaat voor de verhalen om je heen, zie je dat het niet zwart-wit is.Karin Amatmoekrim, schrijfster

Tientallen blanken en 1800 slaven overleefden de strijd niet, de eerste grote slavenopstand op het Amerikaanse continent. De leiders werden door de teruggekeerde machthebbers gruwelijk gedood. Gemarteld, opgehangen, geradbraakt of verbrand op een brandstapel. Met klein vuur, zodat het lijden lang duurde.

“Het is belangrijk zulke verhalen te herinneren. Sommige Nederlanders zijn er misschien huiverig voor om die andere geschiedenis te vertellen, omdat het kan voelen als een afrekening. Alsof iemand zich schuldig zou moeten voelen. Maar het ligt genuanceerder: zelfs toen de opstand was neergeslagen waren er nog witte mannen en vrouwen die spraken over de onvoorstelbare moed van de opstandelingen.”

“Als je openstaat voor de verhalen om je heen, zie je dat het niet zwart-wit is.”

EINDE ARTIKEL

”De opstand op de Vigilante vond plaats in 1780. Dit was (voor zover bekend) de enige succesvolle opstand die ooit op een Nederlands slavenschip heeft plaatsgevonden.

De Vigilante was een Zeeuws slavenschip in de Trans-Atlantische slavenhandel. Voor de kust van Suriname kwamen de slaven in opstand en wisten ze het schip over te nemen. De bemanning vluchtte van boord. Vrij snel hierna hebben de slaven het schip ook verlaten. Ze zijn aan land gevlucht om nooit meer terug te worden gevonden.”

WIKIPEDIA

OPSTAND OP DE VIGILANTE

https://nl.wikipedia.org/wiki/Opstand_op_de_Vigilante

WIKIPEDIA

SLAVENOPSTAND VAN BERBICE

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavenopstand_van_Berbice

AMSTERDAM.NL

SLAVENOPSTANDEN

23 APRIL 2019

https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/stukken/oproer/slavenopstanden/

Het schip De Hoop van kapitein Huybert Eversz vertrok in maart 1735 vanuit Vlissingen naar de kusten van Afrika. In Gambia haalde het 309 tot slaaf gemaakte Afrikanen aan boord, om deze naar de plantages in Zuid-Amerika te vervoeren. Voor Grand-Bassa (nu in Liberia) langs de toenmalige Afrikaanse Peperkust ging het volgeladen schip nogmaals ten anker om te handelen. Een groep ‘neegers met canoos’ kwam van de wal en bevrijdde de geboeide slaven aan boord. Met de kapitein en een deel van de bemanning van het slavenschip liep het slecht af: zij werden doodgeslagen. De overgebleven opvarenden wisten met het schip terug te varen naar Vlissingen.

Assurantiekamer

Zowel de West-Indische Compagnie (WIC) als vrije handelaren verscheepten gevangen Afrikanen naar de plantages in Suriname. Het geplunderde slavenschip De Hoop was in handen van een Zeeuwse particuliere reder. Die had het schip en de lading verzekerd in Amsterdam, indertijd het centrum van de Europese assurantiemarkt. De stedelijke ‘Kamer van Assurantie en Averij’ hield toezicht op deze lucratieve bedrijfstak. Na schipbreuken of andere schade aan schip of lading lieten de betrokken verzekeraars een ‘authorisatie’ opstellen. Dit was een machtiging, bijvoorbeeld van verzekeraars aan verzekernemers om na een schipbreuk geborgen lading te mogen opeisen en bergloon overeen te komen. In de registers komen ook andere onderwerpen aan de orde, zoals zeeroverij en de genoemde muiterij op De Hoop.

Muiterijen

In de achttiende eeuw waren er bijna vierhonderd van zulke muiterijen op slavenschepen. Verslagen hiervan, zoals dat van De Hoop, zijn echter zeldzaam: kapiteins noemden de opstanden meestal niet eens in hun scheepsdagboeken. Slechts een enkele opstand trok de aandacht vanwege het hoge aantal slachtoffers. Zoals in 1741 op het slavenschip Middelburgs Welvaren, waar 213 van de 260 Afrikanen stierven tijdens de opstand. Alle bemanningsleden van het schip overleefden de rebellie.

Door haaien opgegeten

In de meeste gevallen kon de bewapende bemanning de slavenopstanden voorkomen of met veel geweld onderdrukken. Zoals in 1736, een jaar na de opstand op De Hoop. In Juda, een handelspost aan de kust van Guinea, greep dat jaar het scheepsvolk van kapitein La Valeur naar de wapens om een revolte te stillen. Verschillende slaven waren daardoor in zee gesprongen, ‘enige van dezelve verdronken en van de haijen gedoot & opgegeeten’ (authorisatie, 12-4-1736).

EINDE ARTIKEL

OPSTAND OM STIL TE STAAN

COLUMN DOOR KARWAN FATAH-BLACK

https://www.maandvandegeschiedenis.nl/page/10013/opstand-om-stil-te-staan

De ‘vergissing van Troelstra’ in 1918 was geen uitzondering in de geschiedenis. Vrijwel nooit hebben oproepen tot revolutie veel effect gehad. Ik mocht dit zelf ervaren toen we – strijdend tegen kapitalisme en oorlog – bij vergaderingen van de G8, het IMF en Wereldbank de verzamelde elite in Europese hoofdsteden de onverbiddelijke leus ‘One solution, revolution’ toeriepen. Met de geur van brandende bankgebouwen nog in onze neus zagen we om ons heen dat het effect vooral was dat politiediensten grotere bevoegdheden kregen en de samenleving stil bleef.

In zijn afscheidsrede als hoogleraar Geschiedenis van sociale bewegingen aan de Universiteit van Amsterdam legde Marcel van der Linden uit waar revolutionaire veranderingen dan wél vandaan komen:

De eerste wezens die het revolutionaire vermogen ontwikkelden om zich op land voort te bewegen, deden dat niet omdat zij naar land wilden. Ze leefden langs het strand, en steeds als zij door het terugtrekkende water in een plas vast kwamen te zitten, zochten zij, over land, een weg terug. Bewegen op land was een manier om in het water te blijven.

Bij slavenopstanden in Suriname zien we eenzelfde patroon. In 1842 werd in Paramaribo een document verspreid onder de bevolking, opgesteld in het Sranantongo, dat opriep tot niets minder dan bloedwraak voor de slavernij en om Gods recht op aarde te herstellen. Alleen het koloniale bestuur reageerde met een klopjacht op de opstellers. Een daadwerkelijke opstand bleef uit.

Er waren wel degelijk opstanden onder de slaven, maar die hadden een ander soort aanleiding. De grootste slavenopstand van Suriname was de Tempati-opstand (1757-1760). De slaven van houtgrond La Paix, een plek waar normaal gesproken hout werd gekapt, kregen de opdracht om te verkassen naar een suikerplantage. De houtgrond leverde volgens de eigenaar niet genoeg meer op. Hij had liever dat ze op zijn suikerplantage stroomafwaarts langs de Tempatikreek zouden gaan werken.

De slaven tekenden protest aan. Zij wilden dat alles bij het oude bleef, maar de eigenaar zette door. Hij liet soldaten komen en probeerde de slaven vast te laten binden en naar de plantage stroomafwaarts te verplaatsen. De reactie was bloedig en standvastig. Na een gevecht van twaalf uur sloegen de slaven de soldaten van zich af. Ze hadden de eerste slag gewonnen en zetten een briefwisseling op met het koloniale bestuur.

Op een groot aantal andere plantages sloten slaven zich bij de Tempati-opstand aan.

Hun eisen waren eenvoudig: ze wilden hout kunnen blijven leveren aan de kolonisten zoals ze dat altijd al hadden gedaan. Ze wilden op de plek blijven waar ze altijd al woonden.

Hun strijd was niet gericht op het beëindigen van de slavernij. Hun strijd was ook geen poging om weg te vluchten uit de kolonie. Het was de eenvoudige eis om niet te hoeven verhuizen en hetzelfde werk te kunnen blijven doen.

Het koloniale bestuur kon niet ingaan op deze nu schijnbaar redelijke eisen. De slavernij had een raciale logica en die vereiste dat de witte kolonisten te allen tijde de baas waren. De ‘onbeschaafde’ zwarte slaven moesten – volgens kolonisten voor hun eigen bestwil – in slavernij worden gehouden. De opstand was inmiddels echter uitgegroeid tot indrukwekkende proporties. Het antwoord van het koloniale bestuur was een tactiek van de verschroeide aarde. De koloniale legers brandden het hele Tempati-gebied plat en overstromingen zorgden er vervolgens voor dat het er volstrekt onleefbaar werd. De opstandelingen trokken zich verbitterd terug en sloten zich aan bij de marrons, gevluchte slaven in het bos achter de plantage Auka.

De opstand was van een dusdanige omvang geweest dat een aanzienlijk deel van de kolonie verloren ging en het koloniale bestuur het beleid tegen opstandelingen radicaal omgooide.

Na de opstand in Tempati sloot men in hoog tempo vredesverdragen met een groot aantal marrongemeenschappen, iets dat tot dan toe onbespreekbaar was geweest. Dit was allemaal het gevolg van een eenvoudige wens van slaven op één plantage om het eigen leven en de eigen leefomgeving in stand te houden.

Wie zich afvraagt waar opstanden en revoltes vandaan komen moet niet zoeken naar de radicalen – links en tegenwoordig juist vaak rechts – die roepen dat de kladderadatsch aanstaande is. Zij zullen, als een stilstaande klok, soms plotseling gelijk hebben zodra het moment daar is, maar anders niet. Wie de aanzetten tot opstanden wil vinden zoekt ze daar waar redelijkheid, trots en ambachtelijkheid zetelen. Getergd door veranderingsdrift zullen ze de revolutie aanvoeren.

EINDE ARTIKEL

OVER KARWAN FATAH-BLACK

Karwan Fatah-Black (1981) is historicus. In 2013 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op Suriname en de trans-Atlantische handel. Twee jaar later werd hij daar universitair docent. In 2016 ontving hij de Heineken Young Scientist Award voor zijn onderzoek naar de Nederlandse trans-Atlantische handel in de Gouden Eeuw en de rol van slavenhandel daarin.

ZIE ONDERAAN ARTIKEL

https://www.maandvandegeschiedenis.nl/page/10013/opstand-om-stil-te-staan

Boni (ongeveer 1730 – 19 februari 1793), was een vrijheidsstrijder en guerrillaleider in Suriname. Volgens de overleveringen zou zijn vader een Nederlander zijn geweest die zijn moeder, een slavin, als minnares had en daarna verstootte. Zwanger vluchtte zij het bos in, naar de Marrons. Daar, bij de Cottica-Marrons, werd Boni geboren. In 1765 volgde hij Asikan Sylvester op als leider van de groep die bekend zou worden onder zijn naam: ‘Boni’s’ (nu: Aluku). Hij trainde zijn mensen tot geduchte vijanden van de kolonisten.”
WIKIPEDIABONI (GUERILLEIDER)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Boni_(guerrillaleider)

IS GESCHIEDENISBONI (CA 1730-1793), LEIDER VAN DE SLAVENREVOLTES IN SURINAME
https://isgeschiedenis.nl/nieuws/boni-ca-1730-1793-leider-van-de-slavenrevoltes-in-suriname

De Surinaamse slavernij werd door de tot slaaf gemaakte mensen niet lijdzaam ondergaan, maar kent juist een lange geschiedenis van verzet. Daarin liep Boni voorop.

Voorgeschiedenis van de slavernij in Suriname

De Nederlandse kolonie Suriname was in de 17e en 18e eeuw een van de belangrijkste plantagegebieden ter wereld. Ongeveer 300.000 mensen werden door Nederlanders vanuit Afrika als slaaf naar Suriname verscheept. Hoewel voornamelijk Nederlandse historici dat in twijfel trekken, staat de Surinaamse slavernij in de internationale geschiedschrijving bekend als buitengewoon gruwelijk.

Het slechte imago van de slavernij in Suriname werd bevestigd in het reisverslag van de Engels-Nederlandse soldaat John Gabriel Stedman, die naar Suriname afreisde als onderdeel van een huurleger dat de slavenrevoltes moest inperken. In zijn later gepubliceerde reisdagboek, Narrative of a five years’ expedition against the revolted Negroes of Surinam (1796), doet hij op ijzingwekkende wijze verslag van brute mishandelingen. De bijgaande gravures van de hand van de beroemde Londense graveur William Blake lieten niemand die ze zag onberoerd. Het is daarom niet verassend dat de Surinaamse slaven massaal wegliepen en in opstand kwamen.

Marronage

Vrijwel overal waar slavernij heerste, hebben de tot slaaf gemaakten geprobeerd te ontsnappen om ver weg van de plantages en nieuw bestaan op te bouwen. Dat soort groepen werden ‘marrons’ genoemd, naar het Spaanse woord cimarron, voor ‘weggelopen vee’. De vele slaven die er in Suriname in slaagden te vluchten, vestigden zich in verschillende marron-stammen in de oerwouden, en werden ook wel ‘Bosnegers’ genoemd.

‘Marronage’ is vervolgens het woord voor het verzet dat dergelijke groepen tegen de koloniale macht leverden, soms tijdelijk in de vorm van werkstaking, en soms groot en georganiseerd, met het doel broeders te bevrijden en plantages te overvallen. De marroncultuur bestaat in Suriname nog steeds. De groepen die tegenwoordig nog in de Surinaamse jungle wonen stammen vaak direct af van de weggelopen slaven.

Geboren in het oerwoud

Hoewel ongeveer 90 procent van de weggelopen slaven mannelijk was, ontvluchtte de moeder van de latere marronleider Boni hoogzwanger de plantage Anna’s Burg om zich aan te sluiten bij de Cottica-Marrons. Omstreeks 1730 werd Boni in het oerwoud geboren. Zijn vader was vermoedelijk een Nederlander die zijn minnares, Boni’s moeder, verstootte toen ze zwanger bleek te zijn. Omstreeks 1760 bestond de groep die zich ten noorden van de Cottica-rivier had gevestigd uit ongeveer 350 personen. Ze hadden dorpen gesticht, huizen gebouwd en voorzagen in hun eigen voedsel. Het bewind werd gevoerd door Asikan-Sylvester, die in 1712, vrijwel direct na zijn aankomst uit Afrika, was weggelopen van zijn plantage.

Leiderschap

In 1765 nam Boni, inmiddels volwassen, het leiderschap van de Cottica-Marrons over. Hij stond bekend als rechtvaardig leider: zijn bijnaam luidde Kroetoe, wat ‘vergadering’ of ‘rechtspraak’ betekent. Hij deelde de leiding over de gemeenschap met de oudere Aluku, die zorgde voor de bescherming van de vrouwen en kinderen. Boni was op zijn plaats verantwoordelijk voor de gewapende strijd.

Hevige strijd

Na 1770 sloten twee andere Marron-groepen zich aan bij de Cottica-Marrons en ging de groep bekend staan als de Boni’s. Het koloniale bewind had in die jaren de handen vol aan het gewapende verzet dat de marrons overal leverden en had vrede of wapenstilstand gesloten met een aantal groepen. De Boni’s werden strategisch buiten die vrede gelaten.

In 1770 verhevigde Boni de strijd, om zo alsnog vrede af te dwingen. Op 8 november dat jaar werd bijvoorbeeld de plantage Mon Désir aan de Motkreek overvallen, waarbij de directeur en een officier werden gedood, zestien slaven bevrijd en negen geweren buitgemaakt. Vanaf 1771 overvielen ze bijna maandelijks een plantage, waardoor de wegloperij nog verder toenam.

Boni-oorlogen

Het gewapende verzet nam dusdanige vorm aan dat er later gesproken werd van de ‘Boni-oorlogen’. In 1770 richtte gouverneur Jan Nepveu een Corps Vrije Negers en Mulatten op om de opstand te bevechten, waarin alle bevrijde ex-slaven verplicht dienst moesten nemen. Ook vroeg hij om versterking vanuit Nederland. In 1773 arriveerde een 500-koppig huurleger onder leiding van de kolonel Fourgeoud uit de Republiek. Het in 1772 opgerichte Neeger Vrijcorps werd samengesteld uit 300 slaven die door het gouvernement werden vrijgekocht. Bijgenaamd ‘redimoesoes’ – tegenwoordig nog steeds een Surinaams synoniem voor ‘verraders’ – streden zij het meest succesvol tegen Boni.

Fort Boekoe

Boni en zijn krijgers opereerden vanuit Fort Boekoe, dat versterkt was met vijf meter hoge muren, uitgerust met kanonnen, door een moeras omgeven en diep in de jungle lag. Daarom was het moeilijk bereikbaar voor de vijand. De naam ‘Boekoe’ betekende de overtuiging dat Boni en de zijnen nog liever ‘tot stof vervielen’ dan zich over te geven aan de kolonisatoren.

Vernedering en verovering

Het huurleger en de koloniale troepen lukte het lange tijd niet om Boekoe te veroveren. De belegering van het fort was vernederend, omdat de Boni’s hen vanachter de palissaden uitscholden terwijl de soldaten door het modderige moeras dichterbij probeerden te komen. Ondertussen gingen de plunderingen op de plantages ongestoord verder. Uiteindelijk wist het Neeger Vrijcorps na zeven maanden strijd fort Boekoe in te nemen, doordat iemand het geheime toegangspad had verraden. Tijdens een schijnaanval nam een deel van de ‘redimoesoes’ het fort via die weg in.

Blijven strijden

Boni wist samen met een grote groep marrons tijdig van Boekoe te ontsnappen, en nam zijn intrek in nieuwe forten in de buurt van de grens met Frans-Guyana. Vanuit zijn nieuwe posten bleef hij nog ruim twintig jaar doorgaan met zijn strijd tegen het koloniale bewind. Rond 1780 laaide de strijd opnieuw hevig op.

Hoewel de nabij wonende Ndjuka-Marrons sympathie hadden voor zijn strijd, wilden zij hun vrede met de Nederlanders niet op het spel zetten en sloten ze een pact met de kolonisator. Op 19 februari 1793 werd Boni uiteindelijk in zijn slaap vermoord door Ndjuka-leider Bambi. De meeste Boni’s werden gevangen genomen of vluchtten naar Frans-Guyana. In de 19e eeuw vonden geen grootschalige marron-aanvallen tegen plantages meer plaats. Dat betekende geenszins het einde van het slavenverzet: tot de uiteindelijke afschaffing van de slavernij in 1863 kwamen slaven op de plantages kleinschalig in opstand en gold Boni als hun legendarische inspirator.

EINDE ARTIKEL

WIKIPEDIA AMISTAD OPSTAND
https://nl.wikipedia.org/wiki/Amistadopstand

[22]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[23]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[24]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[25]

WIKIPEDIAQ.E.D.

https://en.wikipedia.org/wiki/Q.E.D.

[26]

The first object that attracted my compassion was tied up with both arms to a tree, a truly beautiful Samboe girl of about 18, as naked as she came to the world, and lacerated in such a shocking condition by the whips of two negro drivers, that she was from her neck to her ancles literally died over with blood. It was after receiving 200 lashes that I perceived her with her head hanging downwards, a most miserable spectacle.”De Transatlantische slavenhandel was een misdaad tegen de menselijkheid en het feit alleen al, dat mensen werden verhandeld als vee, als goederen, is mensonterend. Ik heb altijd gedacht dat iedereen het daar in 21e eeuw wel over eens was. En we weten dat slaven, of tot slaaf gemaakten, afschuwelijk hebben geleden onder onmenselijke lijfstraffen, overboord werden gegooid als ze ziek waren, werden gemarteld en vermoord. Hier is een ooggetuigeverslag van John Gabriël Stedman (1744-1797), een Schotse militair in dienst van het Nederlandse leger in Suriname:”
FRONTAAL NAAKTHET LEVEN ALS SLAAF WAS EEN GROTE ZOMERVAKANTIE, VOLGENSPIET EMMERPETER BREEDVELD23 JUNI 2021
https://www.frontaalnaakt.nl/archives/het-leven-als-slaaf-was-een-grote-zomervakantie-volgens-piet-emmer.html

Het ooggetuigeverslag van Stedman, waaraan Peter Breedveld refereert, isafkomstig uit het door hem [Stedman] geschreven
NARRATIVE OF A FIVE YEARS’ EXPEDITION AGAINST THEREVOLTED NEGROES IN SURINAM

https://www.bl.uk/collection-items/john-stedmans-narrative-of-a-five-years-expedition-against-the-revolted-negroes-of-surinam-with-engravings-by-william-blake

[27]

Flagellation of a Female Samboe Slave   c.1791
 Engraving with etching by William Blake after Stedman.
With Blake’s name in the plate.
Ref: Essick XXXIII 10; Ray 2; Bentley 408a; Keynes 111
S 265 x 207 mm; I 182 x 134 mm
SOLD
  
Engraving with etching by William Blake.

Exceptionally fine impression from the first edition, as published in Narrative, of a Five Years’ Expedition, Against the Revolted Negroes of Surinam, by Captain J.G. Stedman (J.Johnson & J.Edwards, London, 1796). Scarce.

This engraving depicts an event which brought out Stedman’s compassion and which he felt “confident must inspire the most unfeeling reader with horror and resentment…… a beautiful Samboe girl of about eighteen, tied up by both arms to a tree, as naked as she came into the world, and lacerated in such a shocking manner by the whips of two negro-drivers, that she was from her neck to her ancles literally dyed over with blood. It was after she had received two hundred lashes that I perceived her, with her head hanging downwards, a most affecting spectacle.” Stedman implored that she be unbound, but due to his interference the overseer doubled the punishment and ordered the negro-drivers to whip her once more: “Thus I had no other remedy but to run to my boat, and leave the detestable monster, like a beast of prey, to enjoy his bloody feast, till he was glutted….. Upon investigating the cause of this matchless barbarity, I was credibly informed, that her only crime consisted in firmly refusing to submit to the loathsome embraces of her detestable executioner. Prompted by his jealousy and revenge, he called this the punishment of disobedience, and she was thus flead alive.”

The appalling brutality of the treatment of slaves described in Stedman’s book undoubtedly influenced William Blake’s own views on slavery. William Blake had been working on the engravings for this book during the year 1791 and later went on to express his own anti-slavery position in Visions of the daughters of Albion of 1793; more than this, William Blake adapted figures which he had used in the Surinam engravings for the illustrations to his famous America, also of that year.

On warm white antique laid paper, watermarked 1794, with wide margins beyond the image on all sides but trimmed almost on the platemark, as issued. Very fine condition.”
FLAGGELLATION OF A FEMALE SAMBOE SLAVE C. 1791
https://www.campbell-fine-art.com/items.php?id=720



WIKIPEDIAJOHN GABRIEL STEDMAN
https://en.wikipedia.org/wiki/John_Gabriel_Stedman

NARRATIVE OF A FIVE YEARS’ EXPEDITION AGAINST THEREVOLTED NEGROES IN SURINAM

https://www.bl.uk/collection-items/john-stedmans-narrative-of-a-five-years-expedition-against-the-revolted-negroes-of-surinam-with-engravings-by-william-blake

[27]

MANUMISSIE

Het vrijlaten van tot slaaf gemaakten wordt ook wel ‘manumissie’ genoemd. En dit fenomeen zie je in ieder slavernijsysteem, legt Fatah-Black uit. Naast alle fysieke en geestelijke terreur is een sprankje hoop namelijk noodzakelijk. “Zo wordt het systeem in werking gehouden en blijft het voor de eigenaren draaglijk.” Draaglijk voor de eigenaren? Ja, de eigenaren hadden namelijk ook baat bij het vrijlaten van tot slaaf gemaakten – in de vorm van dankbaarheid die zij voor de vrijlating ontvingen. In de praktijk kwam er echter bijna nooit iemand vrij, maar dat de mogelijkheid bestond, hield het systeem gaande. Dit idee achter het vrijlaten van tot slaaf gemaakten kwam veel voor, maar het aantal dat daadwerkelijk vrij kwam verschilde per slavernijsysteem, legt Fatah-Black uit. “In sommige gebieden was het normaal om tot slaafgemaakten na zeven of twintig jaar vrij te laten. In de Atlantische wereld1, waar Suriname deel van uitmaakt, was het percentage mensen die vrijgelaten werden, echter erg laag.”

  • Suriname bevatte halverwege de 18e eeuw 50.000 tot slaafgemaakten tegenover 2000 witte eigenaren. Gemiddeld hield één witte slavenhouder dus vijfentwintig slaven.
  • In 1760 bestond de vrije, niet-witte bevolking in Suriname uit niet meer dan 300 mensen. Honderd jaar later, vlak voor de afschaffing van de slavernij in 1863, was dit getal gegroeid naar 15.000.
  • In Suriname was het manumissie-percentage in de 18e eeuw niet hoger dan 0,1 procent. Ter vergelijking: in Brazilië lag dit op 1 procent.

ONE WORLDOOK NA DE SLAVERNIJ WAS JE NIET VRIJ27 SEPTEMBER 2018
https://www.oneworld.nl/lezen/kunst-cultuur/literatuur/de-vrijen-van-suriname/

Interview met historicus Karwan Fatah-Black

Karwan Fatah-Black ziet een gat in onze kennis over het Nederlandse slavernijverleden. Hij schrijft in zijn boek Eigendomsstrijd over de vergeten vrijgelaten tot slaafgemaakten. Deze ‘vrijen’ van Suriname kwamen nooit helemaal vrij van hun slavenhouders.

1 juli 1863. De dag van de afschaffing van de slavernij in Suriname. Deze dag wordt jaarlijks gevierd tijdens Ketikoti – Sranan (Surinaams) voor ‘gebroken ketens’. Toch kun je vraagtekens plaatsen bij het woord ‘afschaffing’ in deze context. Nederland was in 1863 al een van de laatste Europese landen die de afschaffing van het houden van slaven bij wet doorvoerde; bovendien duurde het daarna nog tien jaar voordat de voormalige tot slaaf gemaakten werkelijk vrij waren.

FOCUS OP PLANTAGELEVEN

Het is historicus (in 2013 gepromoveerd op een proefschrift over Paramaribo en de trans-Atlantische handel) en universitair docent aan de Universiteit Leiden Karwan Fatah-Black (1981) niet om een oordeel te doen. In Eigendomsstrijd schrijft hij: ‘Het verdelen in ‘goed’ en ‘fout’ zou ons niet helpen om het verleden te begrijpen en de nawerking van dit verleden in het heden te herkennen.’ In zijn boek gaat hij op zoek naar de blinde vlek binnen de Nederlandse slavernijkennis. Er is volgens Fatah-Black veel onderzoek gedaan naar tot slaaf gemaakten op de plantages, maar onderzoek naar de voormalige tot slaaf gemaakten die in de randen van Paramaribo leefden, blijft achter. Fatah-Black: “De focus op het plantageleven is terecht, dat is belangrijk – maar wanneer je kijkt naar hoe mensen vrij werden en wat voor levens zij daarna hadden, dan zie je welke obstakels ze toen hebben ervaren en hoe dit ook nu nog doorwerkt.”

MANUMISSIE

Het vrijlaten van tot slaaf gemaakten wordt ook wel ‘manumissie’ genoemd. En dit fenomeen zie je in ieder slavernijsysteem, legt Fatah-Black uit. Naast alle fysieke en geestelijke terreur is een sprankje hoop namelijk noodzakelijk. “Zo wordt het systeem in werking gehouden en blijft het voor de eigenaren draaglijk.” Draaglijk voor de eigenaren? Ja, de eigenaren hadden namelijk ook baat bij het vrijlaten van tot slaaf gemaakten – in de vorm van dankbaarheid die zij voor de vrijlating ontvingen. In de praktijk kwam er echter bijna nooit iemand vrij, maar dat de mogelijkheid bestond, hield het systeem gaande. Dit idee achter het vrijlaten van tot slaaf gemaakten kwam veel voor, maar het aantal dat daadwerkelijk vrij kwam verschilde per slavernijsysteem, legt Fatah-Black uit. “In sommige gebieden was het normaal om tot slaafgemaakten na zeven of twintig jaar vrij te laten. In de Atlantische wereld1, waar Suriname deel van uitmaakt, was het percentage mensen die vrijgelaten werden, echter erg laag.”

  • Suriname bevatte halverwege de 18e eeuw 50.000 tot slaafgemaakten tegenover 2000 witte eigenaren. Gemiddeld hield één witte slavenhouder dus vijfentwintig slaven.
  • In 1760 bestond de vrije, niet-witte bevolking in Suriname uit niet meer dan 300 mensen. Honderd jaar later, vlak voor de afschaffing van de slavernij in 1863, was dit getal gegroeid naar 15.000.
  • In Suriname was het manumissie-percentage in de 18e eeuw niet hoger dan 0,1 procent. Ter vergelijking: in Brazilië lag dit op 1 procent.

GEDWONGEN RELATIES

Er waren verschillende redenen waarom slaafgemaakten vrijgelaten konden worden: zoals het overlijden van de slavenhouder of als uiting van dank voor bijzondere diensten. Slaafgemaakten die in het huishouden werkten kwamen sneller in aanmerking voor vrijlating dan een ‘naamloze slaaf’ die op het veld werkte. Ook kinderen die voortkwamen uit gedwongen seksuele relaties tussen slaafgemaakte en slavenhouder, maakten vaak meer kans om vrijgelaten te worden. Bovendien speelde huidskleur een rol: hoe lichter de huid van een tot slaaf gemaakte, hoe groter de kans op manumissie – als die optie überhaupt bestond. “De raciale hiërarchie werd door het vrijlatingssysteem versterkt”, aldus Fatah-Black.

VRIJ IN EEN NIET-VRIJE SAMENLEVING

Fatah-Black maakte voor zijn boek gebruik van verschillende bronnen – een flinke klus aangezien er niet veel geschriften aanwezig zijn van die tijd. Testamenten en rechtbankverslagen gaven de meeste informatie over de levens van de ‘vrijen’ in Suriname. “Intieme documenten die lieten zien wat deze mensen dreef en wat in hun leven belangrijk voor ze was.” Nadat een tot slaaf gemaakte ‘slaaf-af’ werd gemaakt, betekende het dat die persoon werd vrijgelaten in een samenleving waar zwart en wit mijlenver van elkaar af stonden. Het leven werd daardoor bemoeilijkt, maar tegelijkertijd vormde deze kleine groep mensen uiteindelijk, zoals Fatah-Black in zijn boek beschrijft, de basis van de hedendaagse Afro-Surinaamse cultuur.

Een van de opvallendste bevindingen van Fatah-Black is dat de ‘vrijen’ vaak een (groot) deel van hun nalatenschap nalieten aan hun voormalige slavenhouder. ‘Waarom vrijgemaakten ervoor zouden kiezen om hun nalatenschap aan hun voormalige eigenaar te geven, is vanuit ons huidige perspectief misschien moeilijk te begrijpen’, schrijft Fatah-Black in Eigendomsstrijd. Hij legt uit: “Mensen vormen zich naar het systeem. Het wordt ze geleerd om op een bepaalde manier te denken over de relatie die ze hebben met hun eigenaar. Vrijlating werd gezien als een schat die niet in waarde uit te drukken was. Een geschenk, en een geschenk moet je afnemen in dank. Vrijlating is niet het einde van de relatie tussen de tot slaafgemaakte en slavenhouder. Als voormalige slaafgemaakte moest je nog steeds dankbaarheid betuigen aan je eigenaar. Wanneer je voormalige eigenaar in schulden zat of armlastig  werd, was je verplicht hem bij te staan.”

NA DE AFSCHAFFING

Al jaren voorafgaand aan 1 juli 1863 was het duidelijk dat slavernij niet meer houdbaar was. Het zou echter nog twintig jaar duren voordat een radicale verandering plaatsvond. “Er bestond veel angst voor wat er zou gebeuren als de mensen vrij zouden komen. ‘Dan gaan ze niet meer voor ons werken’, was een gedachte die veel speelde.” Fatah-Black vergelijkt deze vertraging – in ideeën over beëindiging van misstanden en het daadwerkelijk beëindigen ervan – met huidige problemen zoals kinderarbeid en klimaatverandering. “We weten allemaal dat we niet meer moeten vliegen, maar we doen het toch nog.” Bij het vrij worden als slaafgemaakte ontstond een breuk waarin mensen hun eigen route gingen kiezen, keuzes maakten en een leven buiten de slavernij gingen opbouwen. “Om te begrijpen hoe bijzonder dat was, moeten we eerst begrijpen hoe vanzelfsprekend het was om in zo’n systeem te leven.” Bevorderen van dit begrip is dan ook een hoofddoel van zijn boek Eigendomsstrijd.

Het boek Eigendomsstrijd ligt vanaf 25 september in de boekwinkels.

  1. De Atlantische wereld slaat op de Trans-Atlantische slavenhandel, of de driehoekshandel tussen Europa, Afrika en de Amerika’s waarbij Europeanen Afrikanen naar de Amerika’s vervoerden. 

EINDE ARTIKEL

WIKIPEDIA

MANUMISSIO

https://nl.wikipedia.org/wiki/Manumissio

[28]

”Ook in het onderwijs komt het onderwerp nauwelijks aan bod, stelt Plasterk vast. “Ik heb op school nooit over de slavernij geleerd.”
TROUWPLASKERK WIL MEER AANDACHT VOOR SLAVERNIJVERLEDEN1 JULI 2007
https://www.trouw.nl/nieuws/plasterk-wil-meer-aandacht-voor-slavernijverleden~bbe891e2/

(Novum) – Zo’n duizend mensen hebben zondagmiddag in het Amsterdamse Oosterpark de slavernij herdacht. Minister van Onderwijs en Cultuur Ronald Plasterk (PvdA) voerde het woord namens de Nederlandse regering. Hij vindt dat er in Nederland te weinig aandacht is voor het slavernijverleden. Hij zegde de aanwezigen toe dat dit verleden een plek krijgt in het Nationaal Historisch Museum in Arnhem.

Verder riep Plasterk op tot het maken van boeken en films over de slavernij, net zoals dat over Anne Frank wordt gedaan. “De slavernij is een van de vijftig essentiële onderdelen van onze geschiedenis en daarom ook opgenomen in de Nederlandse Canon.”

Ook in het onderwijs komt het onderwerp nauwelijks aan bod, stelt Plasterk vast. “Ik heb op school nooit over de slavernij geleerd.” Hoe dat beter moet, weet de minister niet. “De overheid schrijft de schoolboekjes niet. Maar het is raar dat leerlingen er geen les in krijgen. Het zou normaal moeten zijn.” De bewindsman onderstreepte het belang van de herdenking. “Herinneringen zijn een deel van je persoonlijke mythologie. We hebben geschiedenis nodig om te begrijpen wie we zijn.”

Bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Amsterdamse park werden zondagmiddag kransen gelegd. Het monument werd op 1 juli 2002 onthuld door koningin Beatrix. Toen liep het uit op rellen omdat alleen officiële genodigden aanwezig mochten zijn. Sindsdien wordt de slavernij jaarlijks herdacht.

Dit jaar opende cabaretière Jetty Mathurin de herdenking, gekleed in een koto: kledingdracht van haar grootmoeder, die volgens Mathurin 6 was toen de Nederlandse slavernij op 1 juli 1863 werd afgeschaft. “Het is niet iets wat lang geleden is gebeurd, het is dichtbij.” De herdenking was waardig en de sfeer goed, vond ze. Ze riep de aanwezige media op deze herdenking in de archieven te stoppen en niet steeds de beelden van de rellen uit 2002 te herhalen.

Ook de Amsterdamse burgermeester Job Cohen en de gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen Paul Comenencia waren zondag aanwezig. Twee jaar geleden werd een toespraak van de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk (VVD) tijdens de herdenking verstoord door joelend publiek. De politie had het zondag rustig: de herdenking verliep zonder incidenten. Ook uit analyse vooraf bleek volgens de politie dat de dreiging van incidenten klein was.

EINDE ARTIKEL

[29]URK WIL J.P. COENSTRAAT/MASSAMOORDENAARSOP VOETSTUKASTRID ESSED27 FEBRUARI 2018
https://www.astridessed.nl/urk-wil-j-p-coenstraat-massamoordenaars-op-voetstuk/

MICHIEL DE RUYTER, ZETBAAS VAN DE NEDERLANDSE SLAVENHANDELASTRID ESSED26 AUGUSTUS 2015
https://www.astridessed.nl/michiel-de-ruyter-zetbaas-van-de-nederlandse-slavenhandel/

BEKLADDING STANDBEELDEN PIET HEIN, WITTE DE WITH ENCONSORTEN/KOLONIALE ROVERS, MOORDENAARS EN SLAVENHANDELAREN/WEG UIT HET STRAATBEELD!ASTRID ESSED25 JUNI 2020
https://www.astridessed.nl/bekladding-standbeelden-piet-hein-witte-de-with-en-consorten-koloniale-rovers-moordenaars-en-slavenhandelaren-weg-uit-het-straatbeeld/

[30]

”De tentoonstelling documenteert slechts een aantal levensgeschiedenissen van slaven en die beperking verhindert dat er een aantal fundamentele problemen aan de orde komen, zoals de vraag waarom de Europeanen voor hun koloniën slaven uit Afrika en Azië haalden en niet uit hun eigen continent en waarom Afrika en Azië in staat bleken in de loop der eeuwen steeds meer slaven te leveren.”

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

Reacties uitgeschakeld voor Noten 16 t/m 30 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Noten 1 t/m 15 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

[1]

WIKIPEDIATRANSATLANTISCHE SLAVENHANDEL
https://nl.wikipedia.org/wiki/Trans-Atlantische_slavenhandel#:~:text=De%20trans%2DAtlantische%20slavenhandel%20was,naar%20Amerika%2C%20bedreven%20door%20Europeanen.&text=Tegen%201700%20werden%20vijftigduizend%20slaven,beter%20in%20evenwicht%20te%20krijgen.

IS GESCHIEDENISDE TRANS-ATLANTISCHE SLAVENHANDEL

Op de koloniale plantages van het Amerikaanse continent waren arbeidskrachten nodig. De oorspronkelijke bevolking bleek hiervoor niet geschikt. Slaven uit Afrika wel. De geschiedenis van de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel.

Vanaf de zestiende eeuw was de handel in Afrikaanse slaven in Portugese en Spaanse handen. Nadat de macht van deze landen afnam groeide de Nederlandse en Engelse slavenhandel.

De Nederlandse situatie in 17de en 18de eeuw

Monogram van de West-Indische-CompagnieNederland is rond 1600 in oorlog met Spanje. Er was sprake van een handelsoorlog met Spanje maar ook met Engeland. In 1621 werd de Geoctroyeerde West-Indische Compagnie opgericht. Handelsondernemingen fuseerden tot één compagnie met een monopolie (octrooi) op de Nederlandse slavenhandel.

Aanvankelijk was het laten zinken van Spaanse schepen en het inpikken van de ladingen de voornaamste bezigheid. Dit werd kaapvaart genoemd. Eén van de bekendste successen was de ‘Zilvervloot’ van Piet Hein. In 1648 werd vrede gesloten met Spanje, de vrede van Münster. De kaapvaart hield op en de West-Indische Compagnie richtte zich op de (slaven)handel.

Naast kaapvaart en handel werden ook gebieden veroverd. De door Europeanen ingepikte gebieden verwisselden regelmatig van eigenaar. In 1630 werd Brazilië veroverd op de Portugezen en in 1654 veroverden deze het gebied weer terug. In 1634 werd Curaçao ingenomen en de Spanjaarden weggestuurd. Suriname werd in 1667 van de Engelsen afgepakt.

Met de vrede van Breda op 31 juli 1667 eindigden de handelsoorlogen met Engeland. Nederland mocht Suriname houden in ruil voor Nieuw-Amsterdam.

In 1730 werd het octrooi van de West-Indische Compagnie op de slavenhandel verlengd. Er wordt fel tegen dit monopolie geprotesteerd. Vooral vanuit Zeeland is behoefte aan vrije handel. Vanaf 1713 ging het echter slechter met de Nederlandse slavenhandel. De Engelse concurrentie was te groot. De West-Indische Compagnie gaf in 1737 het monopolie op. Vanaf dan mocht iedereen in slaven handelen. De compagnie eindigt in 1791.

De slavenhandel bleef doorgaan tot de Nederlandse regering dit in 1814 verbood. Het houden van slaven werd in 1863 verboden. Voor Engeland gold dit al vanaf 1834. Denemarken schafte de slavernij af in 1803, Frankrijk in 1848, Portugal in 1869, Spanje in 1886, de Verenigde Staten in 1865 en Brazilië in 1888

De reis van een WIC-schip

Vanuit Nederland voeren de schepen met goederen naar de vele slavenforten aan de westkust van Afrika. De slavenforten waren verzamelpunten waar de Afrikaanse handelaren de slaven naar toe brachten. De Nederlanders ruilden hun wapens en goederen voor slaven. De concurrentie in deze ruilhandel was groot en de Afrikaanse handelaren waren niet snel tevreden.

Vanuit Afrika voeren de schepen met de slaven naar Amerika. Na de verovering van Curaçao werd dit eiland steeds meer de plek waar de slaven verzameld en opgelapt werden. Van daaruit werden ze verkocht en verder verscheept naar omringende gebieden. De schepen voeren naar Nederland terug met aan boord producten als suiker, koffie, tabak, kleurstoffen, goud en ivoor. Vanwege de route, een driehoek, werden deze reizen driehoeksvaart genoemd.

De slaven waren winstgevende handelswaar. Bij de inkoop keek men goed naar gezondheid en fysiek welzijn. Het was in het belang van de handelaar dat de slaven in goede staat de tocht overleefden. Om zoveel mogelijk slaven te vervoeren werd in het schip een extra dek gebouwd, de ‘koebrug’. Dit dek kon op de terugweg weer weggehaald worden om plaats te maken voor andere lading. De koebrug was laag. Men kon alleen liggen.

Op een oppervlak van 5 bij 25 meter werden ongeveer driehonderd personen gestopt. Ongeveer 15 procent overleefde de tocht niet. De omstandigheden van de bemanning was niet veel beter. Hitte en tropische ziektes eisten hun tol. Van vers voedsel was geen sprake en bedorven water werd gezeefd gedronken. De bemanning werd streng gestraft voor begane misdrijven.

De oversteek duurde zes weken, maar een schip haalde zijn slaven vaak op meerdere plekken. Voor slaven was de echte reistijd veel langer. Soms zelfs vier maanden.

~ Ymelda van Duin

EINDE ARTIKEL

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ/WESTERSE SLAVERNIJ (CA. 1500-1900)

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij#Westerse_slavernij_(ca._1500%E2%80%931900)

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

WEBSITE ASTRID ESSED OVER SLAVERNIJ

https://www.astridessed.nl/?s=Slavernij

[2]

CRIMES AGAINST HUMANITY

BACKGROUND

It is not clear in which context the term “crimes against humanity” was first developed. Some scholars[1] point to the use of this term (or very similar terms) as early as late eighteenth and early nineteenth century, particularly in the context of slavery and the slave trade, and to describe atrocities associated with European colonialism in Africa and elsewhere such as, for example, the atrocities committed by Leopold II of Belgium in the Congo Free State. Other scholars[2] point to the declaration issued in 1915 by the Allied governments (France, Great Britain and Russia) condemning the mass killing of Armenians in the Ottoman Empire, to be the origin of the use of the term as the label for a category of international crimes.

Since then, the notion of crimes against humanity has evolved under international customary law and through the jurisdictions of international courts such as the International Criminal Court, the International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia and the International Criminal Tribunal for Rwanda. Many States have also criminalized crimes against humanity in their domestic law; others have yet to do so.

Crimes against humanity have not yet been codified in a dedicated treaty of international law, unlike genocide and war crimes, although there are efforts to do so. Despite this, the prohibition of crimes against humanity, similar to the prohibition of genocide, has been considered a peremptory norm of international law, from which no derogation is permitted and which is applicable to all States.

UNITED NATIONS

OFFICE ON GENOCIDE PREVENTION AND THE RESPONSIBILITY

TO PROTECT

https://www.un.org/en/genocideprevention/crimes-against-humanity.shtml

[3]

” Article 7 

Crimes against humanity 

1. For the purpose of this Statute, “crime against humanity” means any of the following acts when committed as part of a widespread or systematic attack directed against any civilian population, with knowledge of the attack: 

(a) Murder; (b) Extermination; 

(c) Enslavement; 

(d) Deportation or forcible transfer of population;

……

…..

ROME STATUTE OF THE INTERNATIONAL CRIMINAL COURT

https://www.icc-cpi.int/resource-library/Documents/RS-Eng.pdf

[4]

Article 4

No one shall be held in slavery or servitude; slavery and the slave trade shall be prohibited in all their forms.

UNIVERSAL DECLARATION OF HUMAN RIGHTS

https://www.un.org/en/about-us/universal-declaration-of-human-rights

[5]

”Whereas the signatories of the General Act of the Brussels Conference of 1889-90 declared that they were equally animated by the firrn intention of putting an end to the traffic in African slaves,

Whereas the signatories of the Convention of Saint-Germain-en-Laye of 1919, to revise the General Act of Berlin of 1885 and the General Act and Declaration of Brussels of 1890, affirmed their intention of securing the complete suppression of slavery in all its forms and of the slave trade by land and sea,

Taking into consideration the report of the Temporary Slavery Commission appointed by the Council of the League of Nations on June 12th, 1924,

Desiring to complete and extend the work accomplished under the Brussels Act and to find a means of giving practical effect throughout the world to such intentions as were expressed in regard to slave trade and slavery by the signato ries of the Con ven tion of Sain t-Germain-en-Laye, and recognising that it is necessary to conclude to that end more detailed arrangements than are contained in that Convention,

Considering, moreover, that it is necessary to prevent forced labour from developing into conditions analogous to slavery, lIave decided to conclude a Convention and have accordingly appointed as their Plenipotentiaries [names omitted]

… have agreed as follows:

Article I

For the purpose of the present Convention, the following definitions are agreed upon:

(I) Slavery is the status or condition of a person over whom any or all of the powers attaching to the right of ownership are exercised.

(2) The slave trade includes all acts involved in the capture, acquisition or disposal of a person with intent to reduce him to slavery; all acts involved in the acquisition of a slave with a view to selling or exchanging him; all acts of disposal by sale or exchange of a slave acquired with a view to being sold or exchanged, and, in general, every act of trade or transport in slaves.

Article 2

The High Contracting Parties undertake, each in respect of the territories placed under its sovereignty, jurisdiction, protection, suzerainty or tutelage, so far as they have not already taken the necessary steps:

(a) To prevent and suppress the slave trade;

(b) To bring about, progressively and as soon as possible, the complete abolition of slavery in all its forms.

Article 3

The High Contracting Parties undertake to adopt all appropriate measures with a view to preventing and suppressing the embarkation, disembarkation and transport of slaves in their territorial waters and upon all vessels flying their respective flags.

The High Contracting Parties undertake to negotiate as soon as possible a general Convention with regard to the slave trade which wi11 give them rights and impose upon them duties of the same nature as those provided for in the Convention of June 1 7th, 1925, relative to the International Trade in Arms (Articles 12, 20, 21, 22, 23, 24 and paragraphs 3, 4 and 5 of Section II of Annex II), with the necessary adaptations, it being understood that this general Convention will not place the ships (even of small tonnage) of any High Contracting Parties in a position different from that of the other High Contracting Parties.

It is also understood that, before or after the coming into force of this general Convention, the High Contracting Parties are entirely free to conclude between themselves, without, however, derogating from the principles laid down in the preceding paragraph, such special agreements as, by reason of their peculiar situation, might appear to be suitable in order to bring about as soon as possible the complete disappearance of the slave trade.

Article 4

The High Contracting Parties shall give to one another every assistance with the object of securing the abolition of slavery and the slave trade.

Article 5

The High Contracting Parties recognise that recourse to compulsory or forced labour may have grave consequences and undertake, each in respect of the territories placed under its sovereignty, jurisdiction, protection, suzerainty or tutelage, to take all necessary measures to prevent compulsory or forced labour from developing into conditions analogous to slavery.

It is agreed that:

(1) Subject to the transitional provisions laid down in paragraph(2) below, compulsory or forced labour may only be exacted for public purposes.

(2) In territories in which compulsory or forced labour for other than public purposes still survives, the High Contracting Parties shall endeavour progressively and as soon as possible to put an end to the practice. So long as such forced or compulsory labour exists, this labour shall invariably be of an exceptional character, shall always receive adequate remuneration, and shall not involve the removal of the labourers from their usual place of residence.

(3) In all cases, the responsibility for any recourse to compulsory or forced labour shall rest with the competent central authorities of the territory concerned.

Article 6

Those of the High Contracting Parties whose laws do not at present make adquate provision for the punishment of infractions of laws and regulations enacted with a view to giving effect to the purposes of the present Convention undertake to adopt the necessary measures in order that severe penalties may be imposed in respect of such infractions.

Article 7

The High Contracting Parties undertake to communicate to each other and to the Secretary-General of the League of Nations any laws and regulations which they may enact with a view to the application of the provisions of the present Convention.

Article 8

The High Contracting Parties agree that disputes arising between them relating to the interpretation or application of this Convention shall, if they cannot be settled by direct negotiation, be referred for decision to the Permanent Court of International Justice. In case either or both of the States Parties to such a dispute should not be Parties to the Protocol of December 1 6th, 1920, relating to the Permanent Court of International Justice, the dispute shall be referred, at the choice ofthe Parties and in accordance with the constitutional procedure of each State, either to the Permanent Court of International Justice or to a court of arbitration constituted in accordance with the Convention of October 18th, 1907, for the Pacific Settlement of International Disputes, or to some other court of arbitration.

Article 9

At the time of signature or of ratification or of accession, any High Contracting Party may declare that its acceptance of the present Convention does not bind some or all of the territories placed under its sovereignty, jurisdiction, protection, suzerainty or tutelage in respect of all or any provisions of the Convention; it may subsequently accede separately on behalf of any one of them or in respect of any provision to which any one of them is not a Party.

Article 10

In the event of a High Contracting Party wishing to denounce the present Convention, the denunciation shall be notified in writing to the SecretaryGeneral of the League of Nations, who will at once communicate a certified true copy of the notification to all the other High Contracting Parties, informing them of the date on which it was received.

The denunciation shall only have effect in regard to the notifying State, and one year after the notification has reached the Secretary-General of the League of Nations.

Denunciation may also be made separately in respect of any territory placed under its sovereignty, jurisdiction, protection, suzerainty or tutelage.

Article 11

The present Convention, which will bear this day’s date and of which the French and English texts are both authentic, wi11 remain open for signature by the States Members of the League of Nations until April Ist, 1927.

The Secretary-General of the League of Nations will subsequently bring the present Convention to the notice of States which have not signed it, including States which are not Members of the League of Nations, and invite them to accede thereto.

A State desiring to accede to the Convention shall notify its intention in writing to the Secretary-General of the League of Nations and transmit to him the instrument of accession, which shall be deposited in the archives of the League.

The Secretary-General shall immediately transmit to all the other High Contracting Parties a certified true copy of the notification and of the instrument of accession, informing them of the date on which he received them.

Article 12

The present Convention will be ratified and the instruments of ratification shall be deposited in the office of the Secretary-General of the League of Nations. The Secretary-General will inform all the High Contracting Parties of such deposit.

The Convention will come into operation for each State on the date ofthe deposit of its ratification or of its accession.

IN FAITH WHEREOF the Plenipotentiaries signed the present Convention.

DONE at Geneva the twenty-fifth day of September, one thousand nine hundred and twenty-six, in one copy, which will be deposited in the archives of the League of Nations. A certified copy shall be forwarded to each signatory State.”

SLAVERY, SERVITUDE, FORED LABOUR AND SIMILAR INSTITUTIONS

AND PRACTICES CONVENTION OF 1926 (SLAVERY CONVENTION OF 

1926) 

http://hrlibrary.umn.edu/instree/f1sc.htm

[6]

WIKIPEDIA

KETIKOTI

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ketikoti

TOESPRAAK FEMKE HALSEMA TIJDENS KETI KOTI, DE NATIONALE HERDENKING VAN DE AFSCHAFFING VAN DE SLAVERNI

https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/burgemeester/speeches/toespraak-burgemeester-halsema-tijdens-0/

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt is er tot de dag van vandaag. Het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Een lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in de stad was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een slavernijmuseum in het leven te roepen. En door verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
De stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers en kunstenaars. We bouwen en breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek kunnen vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
Niet als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. Dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. Niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad wordt. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijkwaardige en werkelijk vrije mensen.

Dank u wel.

EINDE TOESPRAAK

YOUTUBE.COM

STRATEN CENTRUM EILAND WORDEN VERNOEMD NAAR STRIJDERS TEGEN SLAVERNIJ

TRANSCRIPTIE
TEKST
Excellenties, dames en heren, Geachte aanwezigen,

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt in onze samenleving is er tot de dag van vandaag. En het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Het is een  lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in Amsterdam was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een Nationaal slavernijmuseum in het leven te roepen binnen onze stadsgrenzen. En door onze verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
Onze stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers, mensen, kunstenaars. We bouwen, we  breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek gaan vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
En niet alleen als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. En dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. En niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele, vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad is. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijke en werkelijk vrije mensen.

Dank u wel

EINDE TOESPRAAK

[7]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

Dat slavernij overal in de wereld voorkwam lijkt het Rijksmuseum niet te interesseren. De bezoeker krijgt de indruk dat de slavenhandel en slavernij voornamelijk Europese erfzonden zijn.

De met veel tamtam aangekondigde en inmiddels geopende tentoonstelling ‘Slavernij’ in het Rijksmuseum typeert de slaven vrijwel zonder uitzondering als zielige underdogs, terwijl veel wetenschappelijke studies van de laatste vijftig jaar keer op keer laten zien dat die gedweeë, sullige ‘Sambo’ zonder initiatief, die alles accepteert en zich naar believen laat straffen, vernederen en uitbuiten, nooit heeft bestaan.

De tentoonstelling documenteert slechts een aantal levensgeschiedenissen van slaven en die beperking verhindert dat er een aantal fundamentele problemen aan de orde komen, zoals de vraag waarom de Europeanen voor hun koloniën slaven uit Afrika en Azië haalden en niet uit hun eigen continent en waarom Afrika en Azië in staat bleken in de loop der eeuwen steeds meer slaven te leveren.

Morele oordelen

Bovendien worden zowel de bezoekers van de tentoonstelling als de lezers van de daarbij behorende bundel opstellen voortdurend geconfronteerd met hedendaagse morele oordelen zoals de verontwaardiging over het feit dat de slaven af en toe op zaterdag moesten werken. Pardon, een vrije zaterdag in de 18de en 19de eeuw?

Dat slavernij overal in de wereld voorkwam lijkt het Rijksmuseum niet te interesseren, waardoor de bezoeker de indruk krijgt dat de slavenhandel en slavernij voornamelijk Europese erfzonden zijn: ‘In Afrika leefden mensen in de koloniale tijd met de realiteit van mensenhandelaren, nomaden op paarden, die nachtelijke rooftochten organiseerden om mensen te ontvoeren.’

Niet gekoloniseerd

Het Rijksmuseum verzwijgt echter dat Afrika ten tijde van de Atlantische slavenhandel helemaal nog niet gekoloniseerd was en dat de ‘rooftochten’ en ‘ontvoeringen’ dus onmogelijk de Europeanen in de schoenen kunnen worden geschoven.

Tegen alle logica beweert de directeur van het Rijks, Taco Dibbits in het voorwoord van het magazine voor scholieren Slavernij en nu? dat ‘de arbeiders op de plantages niet betaald’ kregen. Zou hij werkelijk geloven dat de plantagebezitters hun voor veel geld gekochte slaven lieten verhongeren?

Beloning

Niets is minder waar. Zo kregen de slaven van de Surinaamse plantage ‘Catharina Sophia’ in de 19de eeuw weliswaar geen geld, maar gemiddeld 94,57 gulden per jaar aan voedsel en 13,58 gulden aan kleding en huishoudelijke artikelen alsmede huisvesting, het gebruik van een moestuin en medische zorg.

In dezelfde tijd verdienden de landarbeiders in Drenthe ongeveer 150 gulden per jaar zonder huisvesting, moestuin en doktershulp. Bovendien wijst de directeur op de Nachtwacht van Rembrandt met daarop een jong kind met een donkere huidskleur en vraagt: ‘En waarom moest hij als kind al werken?’. Is hij niet op de hoogte van het feit dat in Rembrandts tijd en nog velen eeuwen daarna kinderarbeid heel normaal was?

Bezit

Zonder enig bewijs meldt de tentoonstellingsbundel dat slaven geen bezit mochten hebben. Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan? Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd? De slaven waren het eigendom van een ander en ‘daarom kon er juridisch gezien geen sprake van mishandeling of verkrachting zijn’ door de eigenaar.

Waarom zijn er dan processen gevoerd tegen planters, die een slaaf hadden gemarteld of gedood? Dat de tentoonstelling geen wetenschappelijk, maar een activistisch karakter draagt blijkt ook uit de constatering dat de Europese slavenhandelaren slaven ‘tot object’ maakten. Deden hun Afrikaanse en Arabische collega’s dat dan niet? Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?

Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat alleen Afrikaanse handelaren bepaalden hoeveel man-, vrouw- en kindslaven te koop werden aangeboden. Zelfs de plantageklok, die ’s morgens het begin van de werkdag aankondigde, is volgens het Rijksmuseum een symbool van uitbuiting en geweld. Maar zou dat instrument net als in Europa geen middel zijn geweest om de efficiency en daarmee de winst te verhogen, waardoor de slaven meer loon konden afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting?

Wie hoopt dat de tentoonstelling hem of haar op de hoogte brengt van de laatste wetenschappelijke inzichten hoeft het Rijksmuseum niet te bezoeken, maar wie zijn stereotiepe opvatting over de slavenhandel en slavernij bevestigd wil zien, komt in het Rijksmuseum ruimschoots aan zijn trekken.

Piet Emmer is auteur van De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop (2021).

EINDE ARTIKEL

[8]ELSEVIERS WEEKLBLAD MAZAGINEPIET EMMER: TEGENSTANDERS GEBRUIKEN ”KWAADAARDIGE VERZINSELS”28 OCTOBER 2020
https://www.ewmagazine.nl/nederland/achtergrond/2020/10/piet-emmer-mijn-critici-gebruiken-kwaadaardige-verzinselen-785012/

Prof. dr. Piet Emmer (76), emeritus hoogleraar geschiedenis en pionier van het Nederlandse slavernijonderzoek, gaat deze week in Elsevier Weekblad tien pagina’s lang in debat met zichzelf over de kwestie waarin hij zelf onder vuur ligt: het Nederlandse slavernijverleden. Hij doet dat op uitnodiging van de redactie van Elsevier Weekblad.

Emmer gaat in op tal van historische aspecten van de discussie, zoals de rol van de Afrikanen zelf in de trans-Atlantische slavenhandel.

‘In de slavenhandel bepaalden de Afrikanen alles: op welke plek er werd gehandeld, hoeveel slaven ze wilden verkopen, wie ze wilden verkopen, van welke leeftijden en van welk geslacht. Het woord “deportatie” (zoals gebruikt in een tentoonstelling over Johan Maurits, de vroegere eigenaar van het Mauritshuis red.) is een activistische poging dat toe te dekken, het Europese schuldgevoel aan te wakkeren. (…) De bemanningen van de Europese slavenschepen waren helemaal niet bij machte Afrikaanse slaven te “deporteren” om de simpele reden dat de Afrikanen dat niet toestonden. (…) Ik ben dan ook zeer benieuwd hoe het Rijksmuseum, dat volgend jaar een slavernijtentoonstelling wil organiseren, de Afrikaanse rol in de slavenhandel ter sprake zal brengen.’

Ook de vraag waarom Nederland destijds eerst tegen en toen voor slavenhandel was, komt in het gesprek aan bod. Net als de – voor het hedendaagse debat belangrijke – vraag of de slavernij nu om economische of om humanitaire redenen  is afgeschaft.

‘Dat de slavernij niet rendabel zou zijn, kwam weer eens voorbij in de door de EO uitgezonden tv-serie Terug naar de plantage. Daarin werd de mythe herhaald dat de slavernij werd afgeschaft, omdat de slavenarbeid niets meer opbracht. Als dat klopt, dan zouden de prijzen voor de slaven toch niet zijn blijven stijgen, bijna tot het jaar dat de slaven vrij werden verklaard?

En waarom verkochten Afrikanen elkaar dan? Dat deden ze niet, betoogt Emmer, want ze voelden zich net zomin Afrikanen als de Duitsers, Engelsen en Fransen zich Europeanen voelen.

In Afrika werd je tot slaaf gemaakt als je anderen schade had toegebracht, door het maken van schulden of het voeren van oorlog. Dat lijkt logisch en het is dan ook geen wonder dat in de meeste landen ter wereld slavernij een normaal instituut was, ook al omdat er nauwelijks mensen waren die geheel vrijwillig voor een ander wilden werken.

In de meeste landen ter wereld werd het arbeidsaanbod geheel gedomineerd door slaven. De schulden kon je aflossen door als slaaf te werken. En als je oorlogsschade had veroorzaakt, kon je als krijgsgevangen gemaakte slaaf de schade van de overwinnaar herstellen.

Tijdens en na afloop van de Tweede Wereldoorlog is dit principe in Europa ook op grote schaal toegepast. Zo werden na mei 1945 in Nederland de soldaten van het verslagen Duitse leger gedwongen om de ingegraven landmijnen onschadelijk te maken. Ook de Sovjet-Unie liet Duitse krijgsgevangenen soms meer dan tien jaar dwangarbeid verrichten voordat ze – als ze tenminste nog in leven waren – weer naar huis mochten.

Verder gaat Emmer in op de aanhoudende beschuldigingen – gedaan door onder anderen NOS-verslaggever Gerri Eickhof en NRC-columnist Zihni Özdil – dat hij dan wel zijn werk ‘racistisch’ zou zijn. ‘Ik weet dat het niet waar is, dus persoonlijk trek ik me er niets van aan,’ zegt Emmer daarover. Maar de beschuldigingen ondermijnen wel zijn autoriteit, zegt hij. Als je voor racist wordt uitgemaakt, kun je niet meer met gezag over het slavernijverleden schrijven.

Emmer verwijt zijn tegenstanders dat ze hem ‘verzonnen citaten’ en ‘kwaadaardige verzinsels’ voor de voeten werpen. NRC-Ombudsman Sjoerd de Jong nam inmiddels, in de krant van zaterdag 24 oktober, in scherpe bewoordingen afstand van de column van Özdil: ‘Lieve hemel! Waarom publiceert de krant zoiets?’

Het kan overigens nog erger, want een vergelijkende studie over de Atlantische, de inter-Afrikaanse en de Arabische slavenhandel heeft een Franse collega-onderzoeker zelfs een strafklacht opgeleverd. Een activistisch collectief diende die klacht in, omdat deze studie het unieke kwaad van de Atlantische slavenhandel zou bagatelliseren.

‘Die strafklacht was gebaseerd op een kort tevoren aangenomen wet, waarin alleen de Atlantische slavenhandel als misdaad tegen de menselijkheid werd aangemerkt en de ontkenning daarvan werd bedreigd met boetes en gevangenisstraf. En denk maar niet dat academisch Frankrijk als één man tegen deze klacht heeft geprotesteerd.

‘Gelukkig heeft een aantal Engelse en Amerikaanse collega-onderzoekers de rechtbank in Parijs laten weten dat in de geschiedwetenschap vergelijkingen zoals van de verschillende slavenstromen in en uit Afrika volstrekt wetenschappelijk legitiem zijn. Daarop is de strafklacht ingetrokken.

EINDE ARTIKELADHISTORICUS PIET EMMER: ER WORDT GEDAAN ALSOF ELKE PLANTAGEEEN HEL OP AARDE WAS22 AUGUSTUS 2020
https://www.ad.nl/binnenland/historicus-emmer-er-wordt-gedaan-alsof-elke-plantage-een-hel-op-aarde-was~ab02e9bd/

SLAVERNIJPiet Emmer is de kop van Jut bij nog al wat Black Lives Matter-sympathisanten. De historicus vindt dat ten onrechte wordt gedaan alsof het slavernijverleden de oorzaak is van alle racismeproblemen. ,,We moeten niet de Verenigde Staten kopiëren.’’

,,Geschiedenis is als wetenschap – meer dan bijvoorbeeld wiskunde – gevoelig voor modegrillen. Zo waren er veel historici die het communisme ophemelden, terwijl toch duidelijk is dat dat tot vreselijke dingen heeft geleid. Dat zie je nu ook in het debat over slavernij en racisme: er wordt selectief met feiten omgegaan.’’

Aan het woord is historicus Piet Emmer (75). Hij schreef twintig jaar geleden het standaardwerk Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. Collega-historici verwijten hem de ernst van de slavenhandel en de rol van Nederland te bagatelliseren. Zelf verwijt hij zijn tegenstanders juist ‘activistisch’ om te gaan met geschiedenis. ,,Daardoor is er geen ruimte meer voor nuance in het huidige racismedebat’’, zegt hij.

U wordt zelf verweten de geschiedenis te verdraaien om de rol van Nederland in de slavenhandel te verfraaien. Vorige week nog op deze site door uw collega Fatah-Black. Begrijpt u dat?,,Ik begrijp dat het erop lijkt dat ik dingen bagatelliseer. Maar dat is niet zo. Alleen ben je al snel fout als je niet in elke zin benadrukt dat de slavernij verschrikkelijk was. Natuurlijk was het dat, daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben. Als historicus ben je er niet om morele oordelen te vellen, maar om dingen in perspectief te zetten zodat je de geschiedenis beter begrijpt. En om te snappen waarom Europeanen zich met slavenhandel inlieten, is het dus belangrijk te kijken hoe er in Europa in die tijd tegen onvrije arbeid werd aangekeken. Veel Engelse mijnwerkers waren bijvoorbeeld min of meer eigendom van de eigenaar van de mijn. Wie geen werk had, kon als landloper gedwongen worden elders te werken, net als weeskinderen en strafgevangenen, desnoods in een verre kolonie. En de omstandigheden waaronder veel volwassenen en kinderen hier tot in de 19de eeuw moesten leven, waren echt niet altijd beter dan die van slaven in Suriname en op de Antillen.’’

Slavernij is toch niet hetzelfde als armoede?,,Ik stel het een niet gelijk aan het ander, ik probeer alleen dingen inzichtelijk te maken. Hoe kon het dat een continent dat slavernij had afgezworen, het wel accepteerde dat slaven in andere landen werden gehouden? Daarbij moet je vergelijken. Toen ik onderzoek deed naar hoeveel ruimte slaven hadden tijdens het vervoer op slavenschepen, vergeleek ik dat met vrije migranten uit die tijd en met de ruimte die wij nu hebben in een vliegtuig, economy class. Iedereen weet hoe krap dat is. Ik zei er bij: maar wij zijn naar een paar uur weer uit het vliegtuig, terwijl slaven zes weken in vaak tropische temperaturen op zo’n kleine ruimte zaten. Toch verweten mijn critici dat ik slavernij gelijk stelde aan een vakantiereis. Onzin. Op schepen met Europese landverhuizers was de ruimte per persoon trouwens soms nog krapper.

Overigens waren er ook toen al dominees in Zeeland die zich keerden tegen de slavernij. Maar door anderen werd de slavernij goedgepraat met een verwijzing naar het Bijbelboek Genesis, waarin Noachs zoon Cham werd gestraft en voortaan zijn broers moest dienen. Cham zou donkerder zijn geweest dan zijn broers.’’

Waarom is vergelijken zo belangrijk?,,Om een beter beeld te kunnen krijgen van wat er écht gebeurd is vroeger. Bijvoorbeeld: na de oorlog had iedereen het gevoel dat we ons fel hadden verzet tegen de Duitse Jodenvervolging. Totdat iemand eens ging vergelijken hoeveel joden er na de oorlog eigenlijk nog in leven waren en dat vergeleek met andere bezette landen. Toen bleek dat er nergens zo’n groot percentage joden is vermoord als hier. Dat zegt iets over ons. Iedereen snapt zo’n vergelijking. Maar toen mijn Franse collega Olivier Grenouilleau onderzocht hoe groot de trans-Atlantische slavenhandel door Europeanen was ten opzichte van de slavenhandel door Arabieren en de slavenhandel in Afrika zelf, werd hij voor de rechter gesleept omdat hij westerse slavenhandel zou bagatelliseren. Gelukkig is die aanklacht ingetrokken.’’

Hoe verklaart u die woede over dergelijke vergelijkingen?,,Zeker slavernij is in de geschiedenis vaak anders voorgesteld dan het was. Slavenhouders deden alsof het allemaal wel meeviel om hun verdienmodel te rechtvaardigen. Voorstanders van afschaffing overdreven de gruweldaden op plantages om hun pleidooi kracht bij te zetten. Een historicus moet proberen het in perspectief te zetten. In de jaren zeventig ontstond in de Verenigde Staten het idee dat de economische achterstelling van de zwarte Amerikanen een gevolg was van de slavernij. Sindsdien is het hele onderwerp speelbal geworden van een politieke agenda.’’

Speelt slavernij dan niet door in het heden?,,Racisme en discriminatie zijn vreselijk en moeten worden bestreden. Maar het komt overal voor, in alle tijden. Ook in landen die nooit koloniën hadden. Als je kijkt wie in Nederland onderaan de sociaaleconomische ladder staan, dan zijn dat veelal Marokkanen. Die stammen niet af van slaven, in sommige gevallen eerder van slavenhouders, want de Berbers hielden slaven. Het is te simpel om net te doen alsof iedereen die zwart is slachtoffer is en iedereen die wit is daar schuldig aan is. Na 1800 waren de meeste Surinaamse slaveneigenaren niet blank. Door zwart-wit te denken ga je bijvoorbeeld voorbij aan de ergste vorm van racisme die we kennen: antisemitisme. Jodenhaat heeft niets met slavernij, huidskleur of koloniën te maken.’’

Wat klopt er volgens u niet aan het beeld van slavernij?,,Er wordt gedaan alsof elke plantage een hel op aarde was. Dat behoeft nuance. Er is een groot verschil tussen de plantages in het zuiden van de Verenigde Staten en die in bijvoorbeeld Suriname, waar soms meer dan honderd slaven samenleefden met soms maar twee of drie Europeanen. De slaven daar hadden een veel grotere mate van zelfstandigheid dan wel eens wordt gedacht. Zonder dat ik probeer goed te praten wat er aan vreselijks is gebeurd! De slavernij in Afrika zelf was al heel lang gemeengoed voordat Europese handelaren bij lokale koningen slaven kwamen kopen. Zij werden niet allemaal gedwongen slaven te verkopen. De Europeanen moesten de Afrikaanse koningen en makelaars stroop om de mond smeren om handel te kunnen drijven. En ook het beeld alsof de succesvolle slavenopstand op Haïti het einde van de slavernij inluidde, klopt niet. Die had nauwelijks invloed. Daarna ging de slavenhandel nog lang door en stegen de prijzen alleen maar. De beweging om slavernij overal ter wereld duit te bannen ontstond in Engeland. Maar dat past niet in het populaire beeld dat de zwarte slaaf het juk van de witte slavenhouder heeft afgeworpen.’’

Waarom maakt u zich zo druk over dit onderwerp?,,Doordat de slavernij nu als een soort van stormram wordt gebruikt om allerlei misstanden aan de kaart te stellen en om politieke doelen te bereiken zoals excuses en herstelbetalingen, doe je niet alleen de geschiedenis onrecht aan. Je polariseert ook de samenleving, omdat het leidt tot allerlei tegenreacties. En die zijn soms onfris. Ik word ook tegen mijn zin in een rechts kamp geduwd omdat ik op basis van onderzoek zeg dat sommige beweringen over de slavernij niet kloppen. Ik heb in de Verenigde Staten gewerkt en gezien hoe het debat daar is ontspoord. Dat moeten we echt niet hier kopiëren. We leven in een van de rijkste, gelukkigste en meest egalitaire landen ter wereld. Dat verliezen we nu uit het oog.’’

Hoe groot was de rol van Nederland in de slavenhandel?,,Om en nabij de 5 procent van de slaven die vanuit Afrika naar Noord- en Zuid-Amerika zijn gebracht, zijn door Nederlanders vervoerd. Dat staat overigens los van de slavenhandel in Indonesië, waar veel mensen uit India en Madagaskar het slachtoffer van waren. Maar daar is nooit goed onderzoek naar gedaan. Verder droeg de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij in het topjaar 1770 maar zo’n 5 procent bij aan onze welvaart. Natuurlijk was het bizar dat onze voorvaderen dit onmenselijke systeem optuigden om hier goedkoop suiker, tabak en koffie te kunnen gebruiken. Maar door sommige historici wordt net gedaan alsof het de kurk was waar onze economie op dreef. Dat is aantoonbaar niet waar. De meeste grachtenpanden in Amsterdam stonden er al vóórdat Nederland Suriname veroverde en waren gebouwd door kooplieden, die hun geld verdienden in ons land zoals met bankieren en de graan- wijn en houthandel met de Oostzee, Spanje en Scandinavië.’’

EINDE ARTIKEL

[9]
TROUWHISTORICUS PIET EMMER DIENT AANKLACHT IN TEGENGERRI EICKHOFF2 SEPTEMBER 2020
https://www.trouw.nl/binnenland/historicus-piet-emmer-dient-aanklacht-in-tegen-gerri-eickhof~b5a61867/

Hoogleraar Piet Emmer voelt zich door uitlating journalist Gerri Eickhof aangetast in zijn positie.

Historicus Piet Emmer heeft woensdag aangifte wegens smaad gedaan tegen NOS-journalist Gerri Eickhof. In een interview in de Volkskrant van 1 augustus vertelde Eickhof dat hij het als een klap in zijn gezicht ervoer dat de NOS in een online-artikel een citaat plaatste van ‘de racistische hoogleraar Piet Emmer’, die volgens Eickhof ‘vindt dat de slavernij wel meeviel’.

Emmer, auteur van het boek ‘Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel’, ziet in het verwijt ‘een manier om mij uit te schakelen’. “Het ondergraaft mijn positie als expert op dit gebied, want als racist kun je daarover natuurlijk niks meer zeggen.”

Historici zijn de afgelopen maanden vaker hard aangevallen op hun wetenschappelijke integriteit. Zo kregen de historici die het naoorlogs geweld in Indonesië onderzoeken verwijten over vooringenomenheid. Historicus Ad van Liempt oogstte – afgewezen – klachten over plagiaat in zijn proefschrift. Emmer ziet desgevraagd wel een verband: “Geschiedenis is politiek geworden. Leuk voor het vak, maar slecht voor het onderzoek.”

Relativerende woorden over slavenhandel

Emmer vroeg Eickhof twee weken geleden per aangetekende brief via zijn werkgever zijn woorden terug te nemen. “Ik mag aannemen dat de NOS hem erop attent gemaakt heeft.” Maar een reactie bleef uit. De Volkskrant wees een verzoek om rectificatie af, zegt Emmer.

De historicus krijgt vaker kritiek omdat hij volgens sommigen te relativerend zou spreken over slavenhandel en slavernij, hoewel hij in zijn boek herhaaldelijk gruwelijkheden belicht. In het publieke debat, ook in Trouw, neemt hij onder meer stelling tegen een lijnrecht verband tussen racisme en slavernij, en tegen het gebruik van de term ‘slaafgemaakten’ in plaats van ‘slaven’. “Dat is vooral bedoeld om te benadrukken dat Europeanen slaven maakten, terwijl juist Afrikanen andere Afrikanen slaaf maakten en verkochten.”

Gevraagd om een reactie zei Eickhof woensdagavond: “Ik heb geen reactie, want ik weet van niks. Ik heb nooit een brief ontvangen. Ik wacht het af.”

EINDE BERICHT

[10]

NATIONAAL COMITE 4 EN 5 MEI INTERVIEWT THIERRY BAUDETVOOR VRIJHEIDSBOEK EN NOEMT HEM ”INSPIREREND”/NORMALISERING FASCISME UIT ONVERWACHTEHOEKASTRID ESSED6 MEI 2019
https://www.astridessed.nl/nationaal-comite-4-en-5-mei-interviewt-thierry-baudet-voor-vrijheidsboek-en-noemt-hem-inspirerend-normalisering-fascisme-uit-onverwachte-hoek/

[11]

FORUM VOOR DEMOCRATIE JOURNAAL/TEKST YOUTUBE FILMPJE METINTERVIEW SLAVERNIJ EN KOLONIALISME APOLOGEET ROBERT LEMM DOOR RASSENWAAN IDEOLOOG THIERRY BAUDETASTRID ESSED8 JULI 2020
https://www.astridessed.nl/forum-voor-democratie-journaal-tekst-youtube-filmpje-met-interview-slavernij-en-kolonialisme-apologeet-robert-lemm-door-rassenwaan-ideoloog-thierry-baudet/

GESCHIEDVERVALSING THIERRY BAUDET EN ZIJN HANDLANGER ROBERT LEMM/UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM, KOM IN ACTIE!ASTRID ESSED5 JULI 2020
https://www.astridessed.nl/geschiedvervalsing-thierry-baudet-en-zijn-handlanger-robert-lemm-universiteit-van-amsterdam-kom-in-actie/

[12]
FRONTAAL NAAKT [PETER BREEDVELD]HET LEVEN ALS SLAAF WAS EEN GROTE ZOMERVAKANTIE, VOLGENSPIET EMMER23 JUNI 2021
https://www.frontaalnaakt.nl/archives/het-leven-als-slaaf-was-een-grote-zomervakantie-volgens-piet-emmer.html

De Transatlantische slavenhandel was een misdaad tegen de menselijkheid en het feit alleen al, dat mensen werden verhandeld als vee, als goederen, is mensonterend. Ik heb altijd gedacht dat iedereen het daar in 21e eeuw wel over eens was. En we weten dat slaven, of tot slaaf gemaakten, afschuwelijk hebben geleden onder onmenselijke lijfstraffen, overboord werden gegooid als ze ziek waren, werden gemarteld en vermoord. Hier is een ooggetuigeverslag van John Gabriël Stedman (1744-1797), een Schotse militair in dienst van het Nederlandse leger in Suriname:

The first object that attracted my compassion was tied up with both arms to a tree, a truly beautiful Samboe girl of about 18, as naked as she came to the world, and lacerated in such a shocking condition by the whips of two negro drivers, that she was from her neck to her ancles literally died over with blood. It was after receiving 200 lashes that I perceived her with her head hanging downwards, a most miserable spectacle.

De rechtvaardiging voor deze beestachtige mishandeling van medemensen vonden de slaveneigenaars in de verhandelingen van Verlichtingsfilosofen, dezelfde die de fundamenten legden voor onze huidige democratische rechtstaat: Voltaire, Hugo de Groot, John Locke. Zij betoogden dat zwarte mensen inferieure wezens waren, beesten des velds die niet dezelfde aanspraak konden maken op de rechten die christelijke Europeanen toekwamen. Daarmee werden imperialisme, kolonialisme en slavernij gerechtvaardigd.

Wreedheden

De slavernij is na een lange, bloedige strijd afgeschaft en de vele wreedheden en onrechtvaardigheden zijn gedetailleerd gechroniqueerd. Het transport in benauwde scheepsruimtes, als vee, aan elkaar geketend, kinderen die bij hun moeders werden weggenomen, als kalveren, de dwangarbeid, het verbod om te lezen, om de bijbel te kennen, het verbod op bezit, het verbod om een mens te zijn en te voelen als een mens, de meest basale menselijkheden werden slaven ontnomen en ontzegd.

Waarom publiceren de vaderlandse kwaliteitsmedia constant de stukken van historicus Piet Emmer, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt deze misdaden te bagatelliseren, te ontkennen zelfs, met rookgordijnen van drogredeneringen, aperte leugens en vreemde afleidingsmanoeuvres. Emmer probeert zijn lezers ervan te overtuigen dat de zwarte slaven juist geluk hadden gehad, want de witte landarbeiders in Drenthe hadden het veel slechter en voor de slaven werd toch maar mooi gezorgd, door hun eigenaars. Ze kregen eten, kleding, medische verzorging en een moestuin.

Emmer kan er kennelijk niet bij dat het naakte feit alleen, dat een mens een eigenaar heeft, die over zijn lot en leven beslist, een onuitsprekelijke misdaad is. En de Volkskrant vindt het prachtig, die publiceert die racistische tinnef iedere keer weer, als het christelijke dagblad Trouw haar niet voor is geweest. Weg met die witte schuld, die “weg-met-ons”-mentaliteit, we hebben die zwarten beschaving bijgebracht, en ze gekleed en gevoed, en discipline en een vast dagritme bijgebracht!

Kindslaven

Om te beginnen zou het al klaar moeten zijn bij de constatering dat slaven niet vrij waren, dat hun zelfbeschikkingsrecht hun was afgenomen, zoals Remco Breuker opmerkt. Geen vergoelijking of nuancering kan daar tegenop. Maar Emmer ziet het eenvoudigweg niet als een probleem dat mensen ontvoerd en verhandeld werden en gedwongen werden te werken voor hun eigenaar. De Arabieren en Afrikanen deden het ook, is zijn excuus. In zijn nieuwste stuk in de Volkskrant schrijft hij letterlijk: ‘Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?’

Kun je Nederlanders verwijten dat ze kinderporno verspreiden? Kun je Shell verwijten dat het de Nigerianen onderdrukt? Kun je Floris-Jan verwijten dat hij crack verkoopt op de kinderboerderij? Als hij het niet doet, verdient iemand anders er wel geld mee. De VOC-mentaliteit waar Sywert zich ook op beroemt.

Kille boekhoudersmentaliteit

Daar bovenop ontkent en bagatelliseert Emmer de wrede mishandelingen en onrechtvaardigheden tegen slaven met een bloedstollende psychopatenlogica: is helemaal niet logisch dat slaven zouden zijn mishandeld, zegt Emmer. De plantagebezitters zouden hun voor veel geld gekochte slaven toch niet laten verhongeren? Zo, nou jij weer. Je gaat toch geen 200 gulden voor een slaaf betalen om ‘m te laten creperen. Een slavenhouder, rekent Emmer voor, was per slaaf toch al gauw 94,57 gulden per jaar aan voedsel kwijt en 13,58 gulden aan kleding.

Diezelfde kille boekhoudersmentaliteit kwam ik ook tegen in het relaas van Stedman, die zich erover verbaast (Stedman was geen abolitionist) dat twee jonge slaven die betrapt waren op diefstal ervan afkwamen met een paar zweepslagen, terwijl een oudere slaaf vanwege een onbenulligheid maar liefst 300 zweepslagen kreeg:

‘When I asked the cause of this partiality, M. Cachelieu answered, that the young negroes still had a very good skin, and might do much work; whereas the old ones had long been disfigured and worn out, and killing them altogether would be a benefit to the estate.’

Emmer verplaatst zich niet, zoals elk mens met een normaal functionerend geweten, in de onderdrukten, maar in de onderdrukker, in de slavenhandelaar. Hij vereenzelvigt zich ermee, denkt zoals een slavenhandelaar, handelt zoals een slavenhandelaar, liegt en bedriegt als een slavenhandelaar alsof het zijn eigen nering is, die hij beschermt.

Hetzelfde cynisme past hij nog een keer toe als hij stelt dat de plantageklok, die ’s morgens het begin van de werkdag aankondigde, geen symbool van uitbuiting en geweld is, maar een ‘instrument om de efficiency en daarmee de winst te verhogen’.

Juist ja, een instrument om meer uit je slaven, uit je duurbetaalde eigendom te halen. De slaven, schrijft Emmer, konden daardoor ‘meer loon afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting’. Emmer is echt een akelige klootzak van epische proporties.

Lezen en schrijven

Emmer ontkent glashard dat het slaven werd verboden te leren lezen en schrijven, komt met een uitzondering aanzetten, Equiano, die bij één van zijn eigenaren, Michael Pascal, leerde lezen en schrijven, als het bewijs van het tegendeel. Equiano werd door Pascal overigens weer doorverkocht en wist zich uiteindelijk vrij te kopen, waarna hij zijn leven wijdde aan de strijd tegen de slavernij. Blijkbaar vond Equiano dat het leven meer te bieden zou moeten hebben dan 13,58 gulden aan kleding per jaar, de ondankbare hond. Dat krijg je dus als je je slaven leert lezen en schrijven.

Emmer ontkent ook dat het slaven verboden was bezit te hebben. Hij weerlegt dit niet met feiten, maar stelt een suggestieve vraag: “Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan?”

Ja, hoe was dat mogelijk? Dat heette manumissie en kwam bij hoge uitzondering voor, als een slaaf het “geluk” had een eigenaar te hebben die het hem gunde vanwege extraspeciale verdiensten. Dat er onder ex-slaven een “koopgolf” was, is mij onbekend maar als dat zo is: het lijkt me een logisch gevolg van het verbod op bezit, dat je na je vrijlating een boel spullen nodig hebt.

Domrechtse blogosfeer

En zo gaat het maar door. Het zal niemand verbazen dat Emmer op Twitter met instemming aangehaald en geciteerd wordt door de bewoners van de donkere krochten van de domrechtse blogosfeer. Hij drukt zich ook op dezelfde manier uit als verstokte racisten: hij noemt slaven ‘Sambo’, dat deed hij in Trouw ook al, een aantal weken geleden. Sambo is een racistisch scheldwoord, net als het n-woord, maar je ziet of hoort het nauwelijks meer. Waarom hecht Emmer eraan het woord weer salonfähig te maken?

‘Slaven waren niet de gedweeë, sullige Sambo’s zonder initiatief’, schrijft Emmer, ‘die alles accepteren en zich naar believen lieten straffen, vernederen en uitbuiten’. Ook hier gaat weer een rare kronkelredenatie achter schuil, die me in eerste instantie deed denken aan het antisemitische verwijt dat de Joden ons de Holocaust hebben aangedaan, zodat je niks meer over Joden mag zeggen.

Maar Emmer stelt juist dat de slaven zich niet hebben laten vernederen en uitbuiten. Hij suggereert dat ze zich uit eigen initiatief tot slaaf hebben laten maken, om te kunnen profiteren van het gratis eten, de kleding, de medische verzorging en de geneugten van de plantageklok.

En met dit soort verknipte denkbeelden van een klaarblijkelijk doodzieke man meent een kwaliteitskrant haar lezers te moeten bedienen.
EINDE ARTIKEL

VOLKSKRANT

OPINIE: BIJ PIET EMMER HADDEN DE SLAVEN EEN PRIMA, GELIJKWAARDIG BESTAAN IN DE

KOLONIES

24 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-bij-piet-emmer-hadden-de-slaven-een-prima-gelijkwaardig-bestaan-in-de-kolonies~b1338777/

Het koloniale stereotype van de ‘sullige Sambo’ klopt niet, zoals Piet Emmer beweert naar aanleiding van de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum. Maar dat is geen nieuw inzicht, en wil niet zeggen dat de totslaafgemaakten geen betreurenswaardig lot ten deel viel.

De afgelopen jaren heeft het slavernij-onderzoek een vlucht genomen en is er een heel nieuwe generatie onderzoekers actief die nieuwe informatie naar boven heeft weten te halen.

We gaan weer richting de Keti Koti-viering en je kunt de klok er op gelijk zetten dat ondanks nieuw onderzoek emeritus hoogleraar Piet Emmer weer uit de kast wordt gehaald en afgestoft.

Voorspelbaar

Het artikel van Emmer is voorspelbaar en rammelt aan alle kanten. Hij noemt punten die hij totaal uit de context haalt van een specifieke periode of een specifieke locatie. Slavernij werd niet in alle koloniale gebieden op dezelfde manier uitgevoerd en het leven en de omstandigheden van totslaafgemaakten varieerden.

Wat slaven te eten kregen, of ze wel of niet werden gedoopt, of ze de culturele gewoonten uit het land van herkomst mochten uitoefenen, de mogelijkheden tot manumissie (het vrijlaten van slaven, red.) en dergelijke, variëren per gebied en over de tijd. Er zijn verschillen tussen het Zuiden van de VS, Brazilië, Suriname en de diverse eilanden in de Cariben. Ook maakt het uit of we het hebben over de vroegkoloniale of de laatkoloniale periode.

Wonderlijk

Emmer begint zijn artikel al met een wonderlijke redenering. Het koloniale stereotype van de sullige Sambo klopt niet. Dat dergelijke beeldvorming niet klopt met de werkelijkheid, is niks nieuws.

Zie de tentoonstelling Wit over Zwart van Felix de Rooy en het bijbehorende boek van Jan Nederveen Pieterse uit de jaren ’90. Dergelijke beeldvorming had een functie en diende het koloniale en racistische project om de Afrikaanse, tot slaaf gemaakte bevolking klein en dom weer te geven, zodat zij alleen onder vaderlijke begeleiding van de witte bevolking zich zou kunnen ontwikkelen. Middels dergelijke beeldvorming werden de bestaande machtsverhoudingen juist bestendigd.

Dat dit beeld van Sambo niet klopt is echter geen argument om daarmee te zeggen dat de positie van totslaafgemaakten niet betreurenswaardig zou zijn of dat zij geen underdogpositie zouden hebben gehad. De tentoonstelling in het Rijksmuseum gaat bovendien ook in op het verzet van onder andere de marrons.

Uniciteit

Ook de redenering van Emmer dat slavernij overal ter wereld voorkwam is een bijzondere. Genocide is ook niet voorbehouden aan de nazi’s, maar de schaal en de fabrieksmatige en planmatige manier van aan de lopende band Joden, Sinti en Roma, of homo’s vermoorden, maakt de Holocaust tot een unieke vorm van genocide. Zo bepaalt de grootschaligheid, de duur en de organisatie de uniciteit van het koloniale project van slavenhandel en slavernij.

De volgende redenering dat totslaafgemaakten wel degelijk een vergoeding kregen in de vorm van huisvesting en eten, raakt kant noch wal. Boeren verzorgen hun vee over het algemeen ook heel goed aangezien het hun bron van inkomsten is. Zo ook de totslaafgemaakten die in de meeste gebieden de status van vee hadden en waarvan het voedingspatroon, kleding en huisvesting in de loop der tijd is veranderd.

Vervolgens somt Emmer nog een heel aantal voorbeelden op rond het al dan niet hebben van bezit, kunnen lezen en schrijven, processen tegen planters et cetera. Zijn voorbeelden zijn eerder uitzondering dan regel. Wie de geschiedenis van Elisabeth Samson bijvoorbeeld kent, zo goed opgetekend door Cynthia McLeod-Ferrier, weet hoe uitzonderlijk haar positie als voormalig totslaafgemaakte was.

De abolitionist Equiano is bovendien een Amerikaans voorbeeld en voor zover ik weet kennen we geen vergelijkbare voorbeelden uit Suriname of de voormalig Nederlandse Antillen.

Rituele dans

Wie het suggestieve betoog van Emmer leest, zou haast denken dat de totslaafgemaakten in de koloniale samenleving een prima leven hadden met gelijke rechten en plichten als de witte plantersbevolking. Niets is minder waar. Het is belangrijk om een goed debat en uitwisseling van kennis te hebben over belangrijke en grote historische gebeurtenissen, maar dan wel een eerlijk debat op basis van echte argumenten. Het begint inmiddels een saaie rituele dans met Piet Emmer te worden die elk jaar weer opnieuw wordt uitgevoerd.

EINDE BERICHT

[13]

DOORBRAAK.EU

PUBLICIST HIRA GEEFT SLAVERNIJPROFESSOR DRAAI OM DE OREN

IN DEBAT

3 FEBRUARI 2010

Op 1 februari 2010 hield de Amsterdamse omroep Salto een benefietuitzending. Die was in zijn geheel gewijd aan de aardbevingsramp in Haïti. De strijdbare anti-koloniale publicist Sandew Hira ging tijdens de uitzending (vanaf 23 minuten en 45 seconden) in debat met de racistische “slavernijdeskundige” Piet Emmer. Die had kort tevoren in De Volkskrant beweerd dat het voor de Haïtianen beter zou zijn geweest als hun slavenopstand van 1804 zou zijn mislukt. Het eiland was volgens hem namelijk ooit een rijke en welvarende kolonie. Nadat de slavenopstand was gelukt, werd de onafhankelijkheid van Haïti uitgeroepen. Vandaag de dag is het een van de armste landen ter wereld.

Hira wees Emmer erop dat het nogal onbeschaafd is om een ramp als die van Haïti te voorzien van het commentaar dat het beter zou zijn geweest als de Haïtianen slaven waren gebleven. Daarna legde hij uit dat het merendeel van de Haïtianen helemaal geen welvaart kende in de koloniale periode. Er leefden toen ongeveer 500 duizend zwarte slaven die wreed werden onderdrukt door een minderheid van zo’n 30 duizend witten.

De armoede van het onafhankelijke Haïti was de wraak van de westerse koloniale mogendheden, die het land tot op de dag van vandaag uitzuigen en onderdrukken, zoals onder meer te lezen valt in “Haitian Earthquake: Made in the USA. Why the Blood is on Our Hands” van Ted Rall en in hoofdstuk 8 van “Year 501: The Conquest Continues” van Noam Chomsky. Volgens Emmer had het land beter een kolonie kunnen blijven onder leiding van witten. Want als zwarten op eigen kracht een land gaan besturen, dan wordt het een zooitje, zo leek hij in de krant te suggereren. In het tv-debat moest Emmer na forse kritiek van Hira uiteindelijk toegeven dat er geen enkel verband bestaat tussen de huidige armoede van Haïti en het slagen van de slavenopstand in 1804. Zo werd de racistische professor publiekelijk even te kakken gezet.

Harry Westerink

EINDE ARTIKEL

DOORBRAAK.EU

LEIDSE SLAVERNIJPROFESSOR WIL MEER

GOEDKOPE ARBEIDSMIGRANTEN

MAART/APRIL 2006

https://www.doorbraak.eu/gebladerte/11186f75.htm

Historicus Piet Emmer is Nederlands meest vooraanstaande slavernij-deskundige. “We” hoeven ons van hem niet te schamen voor de Nederlandse slavenhandel. Wetenschappelijk gezien was dat immers gewoon een vorm van migratie, meent Emmer. De slavenhandelaars en de slaven zelf zouden er bovendien beiden op vooruit gegaan zijn. Vanuit hetzelfde idee pleit de historicus tegenwoordig voor het tijdelijk binnenhalen van meer goedkope arbeidsmigranten.

Emmer springt regelmatig in de bres voor minister Verdonk en haar repressieve migratiebeleid. Hij moet niets hebben van protest tegen Verdonk. “Je kunt over alles discussiëren, maar is het beleid eenmaal vastgesteld, dan moet je ook achter de minister gaan staan die dat beleid uitvoert”,(1) meent Emmer. “Alvorens moord en brand te schreeuwen, zouden de tegenstanders van Verdonk eens moeten nagaan of er wel een alternatief is.” Want dat is er volgens de professor helemaal niet. Er is overal ellende in de wereld, en “we” zouden niet iedereen kunnen opvangen. “Dat gaat niet. Die harde werkelijkheid geeft een ongemakkelijk gevoel, dat we afreageren met kritiek op het asielbeleid van Verdonk.” Volgens Emmer moet het beleid juist harder worden. “Niet gedogen, maar juist het stopzetten van overheidssteun aan asielzoekers, in combinatie met opvang in de regio, maakt het Nederlandse asielbeleid rechtvaardiger.”

Kosten en baten

In april 2005 publiceerde Emmer samen met historicus en Volkskrant-opiniemaker Hans Wansink het boek “Wegsturen of binnenlaten”. Daarin pleiten ze ervoor om uitsluitend nog migranten binnen te laten “die beter op onze arbeidsmarkt passen”. Migranten zouden “voortaan moeten worden afgerekend op hun eigen initiatief, inventiviteit en productiviteit. Daarom moeten zij gedurende een periode van enkele jaren geen toegang krijgen tot bijstandsuitkeringen, overheidssubsidies en bepaalde voorzieningen.” Pas wanneer gebleken is dat ze het redden, krijgen ze “een permanente verblijfsvergunning, het Nederlandse paspoort en onze solidariteit”, zo stellen de historici voor. Emmer was dan ook eerder betrokken bij de voorbereidingen voor het discussieweekeinde voor tweederangs burgerschap voor migranten in de Balie in januari 2004.(2) “De linkse kerk is er lange tijd in geslaagd een zakelijk debat over de aantallen in Nederland toe te laten migranten, en de daarmee verbonden kosten en baten, te smoren”, klagen Emmer en Wansink. Gelukkig doorbrak Pieter Lakeman (3) dat taboe, zo schrijven de historici opgelucht, en “dankzij het omgeslagen opinieklimaat sinds de opkomst van Pim Fortuyn eind 2001 kan er nu veel vrijmoediger worden gesproken over kosten, baten en problemen van migranten”.

Volgens Emmer en Wansink moeten migranten “ons” rijker maken. Dat loopt nu niet goed, menen ze. Er komen namelijk nog steeds laag opgeleide migranten binnen en “de economie als zodanig groeit, maar deze groei komt voornamelijk terecht bij de migranten zelf, in de vorm van loon.” En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het probleem van de laag opgeleide immigranten zou veroorzaakt worden door “activisten, advocaten en zaakwaarnemers” die “het recht op politiek asiel transformeerden tot een immigratiestroom van tienduizenden economische vluchtelingen”. Turken en Marokkanen zouden allemaal “mohammedaan” zijn en daarom volgens de wetenschappers onbruikbaar. “Mohammedanen” zouden namelijk “assimilatie afwijzen” en vasthouden aan hun “premoderne gedragspatroon”. In plaats daarvan zouden voortaan hoog opgeleide arbeidsmigranten moeten worden geworven via uitzendbureaus. Die “moeten er dan tevens voor zorgen dat de tijdelijke arbeidsmigranten daadwerkelijk naar hun land van herkomst terugkeren”. Overigens komen illegale arbeidsmigranten ook best van pas, weten de historici, omdat die ingezet kunnen worden bij productiepieken en vakanties, en “zonder veel procedures” weer ontslagen kunnen worden.

Reactionair

Emmer promoveerde in 1974 met een onderzoek naar de negentiende eeuwse slavenhandel. Sindsdien houdt hij zich bezig met “de geschiedenis van de Europese expansie en van de daarmee verbonden migratie”. In zijn publicaties schrijft hij steevast bagatelliserend en zelfs vergoelijkend over de slavenhandel. In 1991 hield hij zijn oratie, getiteld “Europa’s expansie in het Atlantische gebied: wandaad of weldaad?”. Negen jaar later verwierf Emmer landelijke bekendheid met zijn fel omstreden populair-wetenschappelijke boek “De

Nederlandse slavenhandel, 1500-1850″. Tot die tijd was er vooral door zijn studenten tegen zijn racistische praat geprotesteerd. Emmers colleges verliepen vaak in een rellerige sfeer en moesten soms zelfs voortijdig beëindigd worden. “Twintig jaar geleden moest ik zelfs op een tafel klimmen om boven het lawaai uit te komen van studenten die mij uitmaakten voor geschiedvervalser, reactionair en racist”, schrijft Emmer in zijn boek. En gelijk hadden die studenten. Sinds 2001 publiceert Emmer zeer regelmatig in het zaterdagse Trouw-katern Letter en Geest van de uiterst rechtse opiniemaker Jaffe Vink.(4)

Aan de Leidse universiteit bestaat een eeuwenlange traditie van wetenschappelijk onderzoek in dienst van het kolonialisme, en van wetenschappers die de koloniale misdaden relativeren. In die traditie staat ook de Leidse school van historici met zijn nationalistische geschiedschrijving,(5) waar Emmer een kopstuk van is. De geschiedenis wordt altijd geschreven door de machthebbers, maar vanzelfsprekend presenteert de wetenschapper Emmer zichzelf en zijn werk als objectief en neutraal. Maar wat wetenschappers onderzoeken, welke bronnen ze gebruiken, hoe ze de resultaten interpreteren en presenteren, en hoe ze argumenteren, wordt natuurlijk sterk bepaald door geldschieters en door de maatschappelijke positie en belangen van de onderzoekers. Om toch vooral objectief over te komen, wilde Emmer in zijn boek zelfs geen moreel oordeel vellen over de slavernij. Toch eindigt hij schoorvoetend met een hoofdstukje “De moraal”, waarin hij slavernij op zich afkeurt. “Het was een suggestie van mijn uitgever. Die zei: “je moet toch echt zeggen wat je ervan vindt””, geeft Emmer toe.(6)

Kwakzalverij

Het zal niet verbazen dat de o zo objectieve Emmer zijn eigen “westerse cultuur” superieur acht en het kapitalisme als het beste systeem promoot. De mens is primair een kapitalistisch wezen en “de markteconomie is er voor iedereen”, juicht hij.(7) Het kapitalisme zou de oplossing vormen voor alle problemen en daarom wil Emmer bijvoorbeeld ook elke ontwikkelingshulp afschaffen.(8) In zijn onderzoek behandelt hij slavenhandel gewoon “objectief” als iedere andere vorm van kapitalistische handel. Met de kenmerkende arrogantie van zijn klasse doet Emmer daarnaast voortdurend alsof de geschiedenis van de machthebbers – zijn eigen klasse – de geschiedenis van alle Nederlanders is. Hij gebruikt te pas en te onpas het woord “wij”, alsof “wij” Nederlanders in slaven handelden. Maar het waren vrijwel uitsluitend leden van zijn eigen klasse en sekse die dat deden. Wanneer hij beweert dat “wij” ons niet voor “onze” slavenhandel hoeven te schamen, dan kan hij dus onmogelijk namens “de Nederlanders” spreken. Hij fungeert dan slechts als woordvoerder van de gegoede burgerij. Onder “de Nederlanders” bevinden zich trouwens ook heel wat nazaten van de slaven zelf, maar daar heeft Emmer helemaal geen oog voor.

Het veel kritischer slavernij-onderzoek van beroemde zwarte auteurs en wetenschappers als Anton de Kom, Walter Rodney en Eric Williams wordt door Emmer steevast afgedaan als “historische kwakzalverij” en “politiek correct”. Ze zouden emotioneel te betrokken zijn bij het onderwerp. Die redenering past naadloos in de racistische traditie waarbij zwarten als emotioneel worden neergezet door witten die zo hun eigen rationaliteit en superioriteit willen benadrukken. In zijn boek schetst Emmer vaak karikaturale beelden van de zwarte geschiedschrijving, om die vervolgens met veel bombarie af te fakkelen. “De slaven mochten niet eens televisie kijken en dat was schandelijk!”, zouden zijn tegenstanders bijvoorbeeld roepen, zo beweert Emmer in zijn kenmerkende “objectieve” wetenschappelijke stijl.

Underdog

Soms lijkt Emmers complete oeuvre bedoeld om het ongelijk van de zwarte historici te bewijzen. Hij baseert zich daarbij vrijwel uitsluitend op de geschreven bronnen van de slavenhandelaren en slavenhouders, en op witte tegenstanders van de slavernij. Nooit verwijst hij naar de zwarte geschiedschrijving of naar opgetekende oral history van de slaven en hun nabestaanden. Maar om te bewijzen dat hij wel degelijk objectief zou zijn, schermt Emmer er regelmatig mee dat hij in zijn boek zowaar een keer “uitgebreid een slaaf aan het woord heeft gelaten, dat gebeurt in de meeste publicaties niet”.(9)

De top van de universitaire wereld is vrijwel wit en de geschiedschrijving is bijna helemaal in westerse handen. “Ach, dat is altijd zo geweest”, reageert Emmer laconiek wanneer hij met die feiten wordt geconfronteerd. Zoals zoveel opiniemakers speelt hij liever de rol van underdog. Hij roept daarom steeds dat de witte geschiedschrijvers uitgesloten worden. Emmer vergelijkt zijn positie zelfs met die van de joodse wetenschappers die in 1933 uit Duitsland verdreven werden door de nazi’s.(10) Volgens Emmer “lijkt vrijwel iedereen zich er maar bij neer te leggen dat de nakomelingen van de slaven een exclusieve claim uitoefenen op de ‘echte’ geschiedenis van de slavenhandel en de slavernij”. Maar Emmer verwacht dat het allemaal nog wel goed komt, want over de zwarte geschiedschrijvers zegt hij paternalistisch: “Hopelijk willen ook zij eerlijk naar de geschiedenis kijken”.(11)

Geaccepteerd

Waarom zouden “wij” ons eigenlijk volgens Emmer niet hoeven te schamen voor de Nederlandse slavenhandel? In de eerste plaats omdat het geen mensenroof zou zijn geweest, maar gewoon handel, een kwestie van vraag en aanbod. “De slaven aan boord van de Nederlandse slavenschepen zijn immers niet door toedoen van de Nederlanders slaaf geworden en verkocht”, zo schrijft Emmer. De slavenhandelaren hebben er immers netjes voor betaald. “Zo bezien heeft de Atlantische slavenhandel Afrika en de Afrikaanse slavenverkopers geen schade berokkend.” De inkoopprijs van een Afrikaanse slaaf zou zelfs relatief zo hoog geweest zijn dat de slavenhandel Nederland nauwelijks winst opleverde, aldus Emmer. De inkomsten van de slavernij hebben volgens hem dan ook niet aan de basis van de Nederlandse “gouden eeuw” gestaan. In werkelijkheid heeft de slavernij de Nederlandse kapitaalbezitters wel degelijk schatrijk gemaakt. De zwarte onderzoeker Armand Zunder heeft berekend dat de suiker, koffie, katoen en cacao die de Surinaamse slaven en hun nazaten verbouwden tussen 1683 en 1940 op de Amsterdamse beurs omgerekend 1.415 miljard euro hebben opgeleverd.(12) Wanneer men uitgaat van 20 procent winst, dan heeft de slavernij in die periode minimaal 283 miljard euro opgeleverd

Volgens Emmer hoeven “we” ons ook niet te schamen omdat de slavernij van origine niet Europees, maar Afrikaans zou zijn geweest. De Europeanen zouden slechts 40 procent van de Afrikaanse slaven afgenomen hebben. En daarvan zouden Nederlanders slechts 5 procent verhandeld hebben. Maar dan gaat het nog steeds om honderdduizenden mensen. Volgens Emmer “was in die tijd slavenhandel een geaccepteerd verschijnsel”,(13) en alle Europese landen deden mee. Waarschijnlijk dachten de slaven daar heel anders over, maar hun mening laat de “neutrale” Emmer steevast buiten beschouwing. Daarbij schamen “we” ons toch ook niet om de onderdrukking en uitbuiting van andere groepen mensen destijds, zo schrijft Emmer monter. Er was toen sowieso veel wreedheid tegenover arbeiders en andere armen, en dat vond volgens Emmer iedereen – lees: zijn eigen klasse – normaal. “Een mensenleven was vroeger veel minder waard dan nu.” In de ogen van de bezittende klasse, zou een serieuze wetenschapper er aan toegevoegd hebben.

Boeing 747

Verder zou de Nederlandse slavernij niet wreder geweest zijn dan die van andere landen. En sowieso was de slavernij niet bijzonder wreed, aldus de eminente historicus. Er vielen weliswaar tijdens het massale transport naar Amerika veel doden, maar dat kwam volgens Emmer niet door de wreedheid van de Europeanen, maar door de Afrikaanse handelaren die hun slaven vooraf slecht gevoed hadden. “We weten nu ook dat de Nederlandse handelaren probeerden om het lot van de slaven draaglijk te maken”, meent Emmer.(14) In werkelijkheid zaten de slaven weken en soms maanden opeengepakt in het ruim. Ach, dat viel best mee, beweert Emmer echter, “per persoon was er ongeveer dezelfde ruimte ter beschikking als voor een economy class-passagier in een Boeing 747”.

Volgens Emmer bewezen de slavenhandelaren Afrika zelfs een dienst. In ruil voor slaven bracht men namelijk allerlei goederen naar Afrika. Daar heerste trouwens vaak honger, en “emigratie – ook al was die gedwongen – kon de gevolgen van zulke periodieke voedseltekorten verlichten”, schrijft Emmer.(7) Maar heeft de slavenhandel dan niet voor een demografische leegloop van Afrika gezorgd? Welnee, zegt Emmer laconiek, “als de slavenhandel er niet geweest was, zouden er hoogstens een paar miljoen Afrikanen meer geweest zijn, maar veel verschil zou dat niet gemaakt hebben”.(15)

Verwend

Emmers Leidse universitaire voorgangers beweerden in de achttiende eeuw dat de Europese handelaren de slaven juist het leven redden door hen op te kopen van hun genadeloze Afrikaanse handelaren. Emmer doet daar nog een schepje bovenop en beweert zelfs dat de slaven er in Amerika dankzij de Europeanen flink op vooruit gingen. Ze ondervonden daar weliswaar “soms een schandelijke en onmenselijke behandeling”,(16) maar over het algemeen werden ze volgens Emmer zodanig verwend dat ze “na hun vrijlating de markteconomie met twee linkerhanden tegemoet leken te treden”. Het zou dus niet racisme zijn, maar hun verleden in dat luilekkerland dat de huidige slechte positie van veel zwarten verklaart, aldus Emmer. Want “of het nu goed of slecht ging, zij kregen volgens schema de vastgestelde hoeveelheid levensmiddelen, kleding en gebruiksvoorwerpen. Die uitdelingen en ook de toewijzing van woonruimte en medische zorg waren niet gebaseerd op de geleverde arbeidsprestatie, maar op de behoefte. De slaven hoefden zich geen zorgen te maken over het levensonderhoud van jonge kinderen, zieken en bejaarde slaven, die niet in staat waren om te werken. Zwangere slavinnen kregen voor en na de geboorte vaak langdurig verlof en extra voeding zonder dat zij en hun partners daarvoor moesten sparen of harder moesten werken.”(17) Emmer vergelijkt de deportatie van de slaven graag met de oversteek van arme Europeanen naar Amerika, omdat beiden er beter van geworden zouden zijn.

De Afrikanen zouden zich dan ook meestal netjes aangepast hebben aan hun bestaan als slaaf. Serieuze opstanden zouden er nauwelijks geweest zijn, met uitzondering van de beroemde slavenopstand op Haïti in 1791. Van de briljante strategie en organisatie van de slaven daarbij wil Emmer echter niets weten. De opstand had volgens hem slechts succes vanwege de verdeeldheid van de Europeanen. “Het zou politiek correct zijn de oorzaak van die afschaffing toe te schrijven aan het verzet van de slaven”, meent Emmer.(18) Het enige protest dat er werkelijk toe deed, kwam volgens hem van de hogere klasse in Europa. Hij beweert daarmee letterlijk hetzelfde als zijn Leidse universitaire voorgangers van eind achttiende eeuw. In werkelijkheid heeft er wel degelijk eeuwenlang een revolutionaire sfeer gehangen in het hele Atlantische bekken, meest gezamenlijk gedragen door de Afrikaanse, Europese en Amerikaanse onderklassen.(19)

Trots

Het kolonialisme ging wereldwijd gepaard met massale slachtpartijen en georganiseerde hongersnoden die tezamen minstens tientallen miljoenen levens hebben gekost.(20) Maar van Emmer hoeven “we” ons ook niet te schamen voor dat kolonialisme. Nederlanders zouden volgens hem sowieso last hebben van een “pathologisch schuldbewustzijn”. Maar alle Europese landen koloniseerden, zo schrijft hij, “er is dan ook geen reden om de voormalige koloniën als objecten voor eeuwige boetedoening te zien, want dat doet verder niemand in de wereld”.(21) Koloniale besturen mogen van hem zelfs “trots” zijn vanwege “het afschaffen van de slavenhandel en slavernij, het verbeteren van de landbouw, het bestrijden van hongersnoden, het uitroeien van besmettelijke ziekten, het verbieden van de weduweverbranding, het aanleggen van wegen en spoorwegen, en het handhaven van de openbare orde en veiligheid”.(22)

Maar het kolonialisme is uiteindelijk onvoldoende geweest om het “Westerse Model” definitief op te kunnen leggen aan de Derde Wereld, aldus Emmer. “Het meeste werk moest na de dekolonisatie nog gedaan worden. Democratie, verdraagzaamheid en eerbied voor het menselijk leven stonden bij de kolonisatoren wel op het lijstje”, beweert hij met droge ogen, maar invoering daarvan “zou het einde van het koloniale systeem hebben betekend. Die invoering wachtte op de dekolonisatie en dat laatste werd door de VS en een aantal Europese politici na 1945 dan ook met kracht bevorderd”. Helaas moesten “we” toen “tandenknarsend handen schudden met dictators als Soekarno, Bokassa en Idi Amin” om de Russen buiten de deur te houden. “We konden ons niet langer veroorloven zuiver in de leer te zijn en dat heeft de aantrekkingskracht van het Westerse Model geen goed gedaan”. Maar gelukkig, “na 1989 konden we het Westerse Model weer in de etalage zetten zonder compromissen te sluiten. De optimisten onder ons geloofden dat het werk van het kolonialisme eindelijk kon worden afgemaakt.” Maar, zo vreest Emmer, “hoe eerlijk en consequent we ons Westerse Model ook toepassen, verzet zal er altijd blijven”.

Flierefluiters

De wereldwijde neo-koloniale verhoudingen zijn gebaseerd op gigantische machtsverschillen. Volgens Emmer echter “blijkt dat culturele factoren de basis vormen voor de grote verschillen tussen het westen en de rest”, te weten “het privé-eigendom, het gezin, de school en de bourgeoisie”. In Europa schonk de bourgeoisie de bevolking volgens de historicus – die doodleuk doet alsof er nooit klassenstrijd is geweest – het algemeen kiesrecht, de leerplicht, spaarbanken, goedkope literatuur, riolering, schoon drinkwater en energie. “In Afrika was daar geen sprake van. Daar was en is de elite veel minder begaan”, aldus Emmer.(7) En daardoor is dat werelddeel ook altijd minder veilig geweest voor investeerders. “Een uitzondering vormde de korte koloniale periode, toen er vrede heerste en de kwaliteit van het bestuur vaak beter was dan vandaag. Dat heeft Afrika inderdaad een lieve duit gekost, maar de corruptie en het wanbeheer van de post-koloniale periode hebben aangetoond dat die uitgaven de moeite waard geweest zijn”, zo meent de Nederlandse historicus te kunnen bepalen voor de destijds gekoloniseerde Afrikaanse bevolking.

Her en der zouden de koloniale verhoudingen inmiddels zijn omgedraaid, zo meent Emmer. Nederland zou nu bijvoorbeeld een “gijzelaar” zijn geworden van de Antilliaanse politieke elite.(21) Puur racistisch zijn daarbij Emmers omschrijvingen van de Antillianen als “vrolijke flierefluiters” die “anders denken over goed en kwaad”,(23) en “die in ons land alleen maar overlast en hoge kosten veroorzaken”. Nederland zou het Engelse voorbeeld moeten volgen. “Zijn Caribische koloniën zijn onafhankelijk, hebben nooit meer een cent uit Londen gekregen en denken met liefde terug aan de ex-kolonisator. Om naar de Britse eilanden te emigreren heb je een visum nodig en niemand lijkt zich op te winden over het feit dat ongewenste immigranten uit het Caribische gebied de toegang tot Groot-Brittannië wordt geweigerd.” In de ogen van Emmer zijn ook de nakomelingen van de slaven kennelijk nog altijd dankbaar en vol “liefde”. En nog steeds is er per definitie geen serieus zwart protest en “lijkt niemand zich op te winden”, aldus de woordvoerder van de witte weldoeners.

Noten

EINDE ARTIKEL

[14]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7
[15]

TROUWWIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM22 JUNI 2021
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

Reacties uitgeschakeld voor Noten 1 t/m 15 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Opgeslagen onder Divers

Artikel Frontaal Naakt/Peter Breedveld]/Het leven als slaaf was een grote zomervakantie, volgens Piet Emmer

HET LEVEN ALS SLAAF WAS EEN GROTE ZOMERVAKANTIE, VOLGENSPIET EMMER
WEBSITE FRONTAAL NAAKT
https://www.frontaalnaakt.nl/archives/het-leven-als-slaaf-was-een-grote-zomervakantie-volgens-piet-emmer.html

De Transatlantische slavenhandel was een misdaad tegen de menselijkheid en het feit alleen al, dat mensen werden verhandeld als vee, als goederen, is mensonterend. Ik heb altijd gedacht dat iedereen het daar in 21e eeuw wel over eens was. En we weten dat slaven, of tot slaaf gemaakten, afschuwelijk hebben geleden onder onmenselijke lijfstraffen, overboord werden gegooid als ze ziek waren, werden gemarteld en vermoord. Hier is een ooggetuigeverslag van John Gabriël Stedman (1744-1797), een Schotse militair in dienst van het Nederlandse leger in Suriname:

The first object that attracted my compassion was tied up with both arms to a tree, a truly beautiful Samboe girl of about 18, as naked as she came to the world, and lacerated in such a shocking condition by the whips of two negro drivers, that she was from her neck to her ancles literally died over with blood. It was after receiving 200 lashes that I perceived her with her head hanging downwards, a most miserable spectacle.

De rechtvaardiging voor deze beestachtige mishandeling van medemensen vonden de slaveneigenaars in de verhandelingen van Verlichtingsfilosofen, dezelfde die de fundamenten legden voor onze huidige democratische rechtstaat: Voltaire, Hugo de Groot, John Locke. Zij betoogden dat zwarte mensen inferieure wezens waren, beesten des velds die niet dezelfde aanspraak konden maken op de rechten die christelijke Europeanen toekwamen. Daarmee werden imperialisme, kolonialisme en slavernij gerechtvaardigd.

Wreedheden

De slavernij is na een lange, bloedige strijd afgeschaft en de vele wreedheden en onrechtvaardigheden zijn gedetailleerd gechroniqueerd. Het transport in benauwde scheepsruimtes, als vee, aan elkaar geketend, kinderen die bij hun moeders werden weggenomen, als kalveren, de dwangarbeid, het verbod om te lezen, om de bijbel te kennen, het verbod op bezit, het verbod om een mens te zijn en te voelen als een mens, de meest basale menselijkheden werden slaven ontnomen en ontzegd.

Waarom publiceren de vaderlandse kwaliteitsmedia constant de stukken van historicus Piet Emmer, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt deze misdaden te bagatelliseren, te ontkennen zelfs, met rookgordijnen van drogredeneringen, aperte leugens en vreemde afleidingsmanoeuvres. Emmer probeert zijn lezers ervan te overtuigen dat de zwarte slaven juist geluk hadden gehad, want de witte landarbeiders in Drenthe hadden het veel slechter en voor de slaven werd toch maar mooi gezorgd, door hun eigenaars. Ze kregen eten, kleding, medische verzorging en een moestuin.

Emmer kan er kennelijk niet bij dat het naakte feit alleen, dat een mens een eigenaar heeft, die over zijn lot en leven beslist, een onuitsprekelijke misdaad is. En de Volkskrant vindt het prachtig, die publiceert die racistische tinnef iedere keer weer, als het christelijke dagblad Trouw haar niet voor is geweest. Weg met die witte schuld, die “weg-met-ons”-mentaliteit, we hebben die zwarten beschaving bijgebracht, en ze gekleed en gevoed, en discipline en een vast dagritme bijgebracht!

Kindslaven

Om te beginnen zou het al klaar moeten zijn bij de constatering dat slaven niet vrij waren, dat hun zelfbeschikkingsrecht hun was afgenomen, zoals Remco Breuker opmerkt. Geen vergoelijking of nuancering kan daar tegenop. Maar Emmer ziet het eenvoudigweg niet als een probleem dat mensen ontvoerd en verhandeld werden en gedwongen werden te werken voor hun eigenaar. De Arabieren en Afrikanen deden het ook, is zijn excuus. In zijn nieuwste stuk in de Volkskrant schrijft hij letterlijk: ‘Kun je de Europeanen verwijten dat ze steeds meer kindslaven kochten?’

Kun je Nederlanders verwijten dat ze kinderporno verspreiden? Kun je Shell verwijten dat het de Nigerianen onderdrukt? Kun je Floris-Jan verwijten dat hij crack verkoopt op de kinderboerderij? Als hij het niet doet, verdient iemand anders er wel geld mee. De VOC-mentaliteit waar Sywert zich ook op beroemt.

Kille boekhoudersmentaliteit

Daar bovenop ontkent en bagatelliseert Emmer de wrede mishandelingen en onrechtvaardigheden tegen slaven met een bloedstollende psychopatenlogica: is helemaal niet logisch dat slaven zouden zijn mishandeld, zegt Emmer. De plantagebezitters zouden hun voor veel geld gekochte slaven toch niet laten verhongeren? Zo, nou jij weer. Je gaat toch geen 200 gulden voor een slaaf betalen om ‘m te laten creperen. Een slavenhouder, rekent Emmer voor, was per slaaf toch al gauw 94,57 gulden per jaar aan voedsel kwijt en 13,58 gulden aan kleding.

Diezelfde kille boekhoudersmentaliteit kwam ik ook tegen in het relaas van Stedman, die zich erover verbaast (Stedman was geen abolitionist) dat twee jonge slaven die betrapt waren op diefstal ervan afkwamen met een paar zweepslagen, terwijl een oudere slaaf vanwege een onbenulligheid maar liefst 300 zweepslagen kreeg:

‘When I asked the cause of this partiality, M. Cachelieu answered, that the young negroes still had a very good skin, and might do much work; whereas the old ones had long been disfigured and worn out, and killing them altogether would be a benefit to the estate.’

Emmer verplaatst zich niet, zoals elk mens met een normaal functionerend geweten, in de onderdrukten, maar in de onderdrukker, in de slavenhandelaar. Hij vereenzelvigt zich ermee, denkt zoals een slavenhandelaar, handelt zoals een slavenhandelaar, liegt en bedriegt als een slavenhandelaar alsof het zijn eigen nering is, die hij beschermt.

Hetzelfde cynisme past hij nog een keer toe als hij stelt dat de plantageklok, die ’s morgens het begin van de werkdag aankondigde, geen symbool van uitbuiting en geweld is, maar een ‘instrument om de efficiency en daarmee de winst te verhogen’.

Juist ja, een instrument om meer uit je slaven, uit je duurbetaalde eigendom te halen. De slaven, schrijft Emmer, konden daardoor ‘meer loon afdwingen in de vorm van beter eten, medische verzorging en betere huisvesting’. Emmer is echt een akelige klootzak van epische proporties.

Lezen en schrijven

Emmer ontkent glashard dat het slaven werd verboden te leren lezen en schrijven, komt met een uitzondering aanzetten, Equiano, die bij één van zijn eigenaren, Michael Pascal, leerde lezen en schrijven, als het bewijs van het tegendeel. Equiano werd door Pascal overigens weer doorverkocht en wist zich uiteindelijk vrij te kopen, waarna hij zijn leven wijdde aan de strijd tegen de slavernij. Blijkbaar vond Equiano dat het leven meer te bieden zou moeten hebben dan 13,58 gulden aan kleding per jaar, de ondankbare hond. Dat krijg je dus als je je slaven leert lezen en schrijven.

Emmer ontkent ook dat het slaven verboden was bezit te hebben. Hij weerlegt dit niet met feiten, maar stelt een suggestieve vraag: “Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan?”

Ja, hoe was dat mogelijk? Dat heette manumissie en kwam bij hoge uitzondering voor, als een slaaf het “geluk” had een eigenaar te hebben die het hem gunde vanwege extraspeciale verdiensten. Dat er onder ex-slaven een “koopgolf” was, is mij onbekend maar als dat zo is: het lijkt me een logisch gevolg van het verbod op bezit, dat je na je vrijlating een boel spullen nodig hebt.

Domrechtse blogosfeer

En zo gaat het maar door. Het zal niemand verbazen dat Emmer op Twitter met instemming aangehaald en geciteerd wordt door de bewoners van de donkere krochten van de domrechtse blogosfeer. Hij drukt zich ook op dezelfde manier uit als verstokte racisten: hij noemt slaven ‘Sambo’, dat deed hij in Trouw ook al, een aantal weken geleden. Sambo is een racistisch scheldwoord, net als het n-woord, maar je ziet of hoort het nauwelijks meer. Waarom hecht Emmer eraan het woord weer salonfähig te maken?

‘Slaven waren niet de gedweeë, sullige Sambo’s zonder initiatief’, schrijft Emmer, ‘die alles accepteren en zich naar believen lieten straffen, vernederen en uitbuiten’. Ook hier gaat weer een rare kronkelredenatie achter schuil, die me in eerste instantie deed denken aan het antisemitische verwijt dat de Joden ons de Holocaust hebben aangedaan, zodat je niks meer over Joden mag zeggen.

Maar Emmer stelt juist dat de slaven zich niet hebben laten vernederen en uitbuiten. Hij suggereert dat ze zich uit eigen initiatief tot slaaf hebben laten maken, om te kunnen profiteren van het gratis eten, de kleding, de medische verzorging en de geneugten van de plantageklok.

En met dit soort verknipte denkbeelden van een klaarblijkelijk doodzieke man meent een kwaliteitskrant haar lezers te moeten bedienen.

EINDE ARTIKEL

Reacties uitgeschakeld voor Artikel Frontaal Naakt/Peter Breedveld]/Het leven als slaaf was een grote zomervakantie, volgens Piet Emmer

Opgeslagen onder Divers

Demonstratie op 30 mei bij Detentiecentrum Rotterdam/Adhesiebetuiging Astrid Essed aan de actievoerders

DEMONSTRATIE BIJ DETENTIECENTRUM ROTTERDAM/ADHESIEBETUIGING ASTRID ESSED AAN DE ACTIEVOERDERS

https://www.indymedia.nl/node/49847


INLEIDING


LEZERS!

[UPDATE!

Uiteindelijk heeft Indymedia.nl mijn adhesiebetuiging toch geplaatst!

Zie daarvoor geheel onderin]

Het is verheugend om te zien, dat ook in deze Coronatijden de actiesvoor rechtvaardigheid aan vluchtelingen hun doorgang vinden.Ik vond en vind het belangrijk, aandacht te blijven schenken aan deschandalige wijze, waarin het Nederlands en EU vluchtelingenbeleid vorm krijgt.Er vinden zoveel onrechtmatigheden in plaats, ook tegen migranten in het algemeen [de zogenaamde ”economische vluchtelingen”] [1]dat het in dit bestek teveel isom op te noemen.Maar naast belangrijke en bizarre factoren als racisme [2] en criminaliseringvan vluchtelingen [3], is het in de grond een kwestie van rijk tegen arm.Een van de belangrijkste redenen, dat men geen vluchtelingen wil in Fort Europa [4] is het feit, dat zij hier arm en berooid aankomen.Want ook Polen, die immers niet zwart en kleurling zijn en arbeidsmigranten zijn, die binnen EU regelgeving vallen, worden schandaligbehandeld en uitgebuit. [5]Dat het-uiteraard- weer gaat om de mantra ”ze kosten geld”, kun je zien, hoeanders de houding is tegenover ”migranten” en ”vreemdelingen”, die meteen Zak Geld binnenkomen:
Zo had destijds Staatssectretaris Teeven van Justitie en Veiligheid om buitenlandsemiljonairs naar Nederland te lokken, die dan een jaar een verblijfsvergunning kregenals ze minimaal 1,25 miljoen euro aan vrij vermogen hadden en dat investeerden in het Nederlanders bedrijfsleven. [6]Er was echter bij die buitenlandse miljonairs totaal geenanimo voor. [7]Had ik hem ook kunnen vertellen:Want waarom zou een buitenlandse miljonair, die vaak in zijneigen land in veel luxueuzere omstandigheden leeft, naar Nederland komen?Trouwens, het aanbod was nogal mager:Een jaar een verblijfsvergunning, als je minimaal 1.25 miljoen euroals vrij vermogen hebt….[8]Gaat dus niet werken.
Dit Drama ”we willen geen armoedzaaiers” [om het even hard te zeggen], is niet alleenvan deze Tijd.Om dezelfde reden, waren door de nazi’s vervolgde Joden na de Kristallnachtnergens in Europa welkom [9], met de gevolgen, die wij nu kennen. ‘[10]
MISDADEN
De misdaden tegen de vluchtelingen gaan ver:Uitzetting naar gevaarlijke landen, de be/mishandeling van de We Are Here Vluchtelingen[vaak niet uitzetbaar, maar toch niet in aanmerking komend voor een verblijfsvergunning],detentie zonder strafbare feiten [de uitzetcentra], de vuile streken van de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Turkije deal, dood door verdrinking in de Middellandse Zee, noem maar op.[11]Ik kom er nog over te spreken in een toekomstig artikel
DEMONSTRATIE BIJ DCR
Maar nu deze dappere demonstratie, in Coronatijd, bij het DeportatiecentrumRotterdam, DCR [Detentiecentrum Rotterdam]Ik citeer uit de verklaring:”Het Detentiecentrum Rotterdam (DCR) bestaat nu ruim 10 jaar. Vanuit deze gevangenis — het eerste detentieproject in Nederland dat werd gebouwd en beheerd vanuit een publiek-private samenwerking — worden de hele tijd al mensen gedeporteerd. Het huidige immigratiebeleid van Nederland en Fort Europa eist duizenden mensenlevens, ten gunste van wapenhandelaren en de rijken. Al meer dan een decennium wordt er strijd gevoerd tegen deze uitzetbajes: van de bezetting van het terrein tijdens de bouw ervan tot de hongerstakingen van opgesloten mensen na de ingebruikname. Met de demonstratie van afgelopen zondag geven we een duidelijk signaal dat zolang het DCR bestaat die strijd zal doorgaan![12]
Omdat ik voor de volle honderd procent achter deze actie sta, heb ik opIndymedia.nl/Discussie, mijn adhesie getoond.
Of Indymedia het ook daadwerkelijk plaatst, weet ik niet, maar dat doet nietzoveel ter zake.Belangrijk is, dat ik mijn adhesiebetuiging nu met u deel, lezers
LEES DEZE ONDER DE VERKLARING VAN DE ACTIEVOERDERS, ONDER BDaaronder de noten, behorende bij dit stuk [C]
Over de vluchtelingen bericht ik binnenkort meer!
GEEN MENS IS ILLEGAAL!
Astrid Essed
A

INDYMEDIA.NLMEER DAN 100 MENSEN BIJ DEMONSTRATIE SLUIT DCR: GEEN MENSIS ILLEGAAL
https://www.indymedia.nl/node/49847

Nieuws, gepost door: Sluit DCR op 31/05/2021 05:02:19

Wanneer: 31/05/2021 – 13:01

Op zondag 30 mei hebben zeker 100 mensen een demonstratie gelopen voor de sluiting van het Detentiecentrum Rotterdam. De demonstratie begon bij de metrohalte Meijersplein en liep daarna richting de gevangenis bij Rotterdam-The Hague Airport. Er werd een rondje om de bajes heengelopen en stilgestaan op plekken waar contact met de gedetineerden mogelijk was. Tijdens de demonstratie was er kort telefonisch contact met een van de gevangenen die een boodschap achterliet.

Het Detentiecentrum Rotterdam (DCR) bestaat nu ruim 10 jaar. Vanuit deze gevangenis — het eerste detentieproject in Nederland dat werd gebouwd en beheerd vanuit een publiek-private samenwerking — worden de hele tijd al mensen gedeporteerd. Het huidige immigratiebeleid van Nederland en Fort Europa eist duizenden mensenlevens, ten gunste van wapenhandelaren en de rijken. Al meer dan een decennium wordt er strijd gevoerd tegen deze uitzetbajes: van de bezetting van het terrein tijdens de bouw ervan tot de hongerstakingen van opgesloten mensen na de ingebruikname. Met de demonstratie van afgelopen zondag geven we een duidelijk signaal dat zolang het DCR bestaat die strijd zal doorgaan!

Aan de achterkant van het DCR stond de demo stil, hier was er zichtbaar contact met gedetineerden op de tweede verdieping van het DCR en werd er over en weer gezwaaid. Een paar vlaggen op meterlange stokken wapperden ook over de muur van het DCR heen zodat mensen in de cellen op de begane grond ook de aanwezigheid van de demonstratie meemaakten. Bij het zien van de vlaggen klonk er gejuich en gebons vanuit het DCR. In de week voor de demonstratie was er ook telefonisch contact met iemand die gevangen zit in het detentiecentrum. Tijdens de demo werd er met deze persoon gebeld die toen een boodschap achterliet voor de aanwezigen. De boodschap was kort maar duidelijk: “Demonstraties bij het DCR zijn altijd mooi voor mensen die er opgesloten zitten. Mensen voelen zich erdoor gesteund. In het DCR is er geen democratie. In het DCR zijn geen mensenrechten”. Deze persoon gaf ook aan dat persoonlijke bezoeken aan mensen in het DCR ook zeer welkom zijn.

Na een uur bij het DCR keerde de demo terug naar het Meijersplein terwijl de muziek hard uit de speakers klonk zodat deze ook binnen werd gehoord. Het DCR wordt in ieder geval voor de komende 15 jaar nog geopereerd door het consortium DC16. DC16 bestaat uit Ballast Nedam, Strukton en ISS Facility Services. De gevangenis is ooit ontworpen door Erik Fokkema van EGM architecten, die ook het Justitieel Complex Zaanstad en het Gevangeniscomplex Haren (Brussel) ontwierpen. De bajes in Zaanstad wordt ook beheerd met een Develop Build Finance Maintain Operate (DBFMO) contract door Ballast Nedam. De strijd tegen het DCR gaat door, en de strijd tegen de bedrijven er achter ook!

De bedrijven die geld verdienen aan het DCR zijn instanties die zich specialiseren in het bouwen van gevangenissen en andere staatsprojecten (zoals politiebureaus). De privatisering van gevangenissen in Nederland, ooit begonnen bij het DCR, zorgt ervoor dat er een financieel interesse is om mensen op te sluiten, te isoleren en te deporteren.

Het startsignaal is nu gegeven voor een 2e decennium van strijd tegen de deportatiemachine en de verdieners erachter. Fort Europa is overal, Fort Europa is ook hier: organiseer jezelf en kom in actie bij de kantoren en projecten van de bedrijven die geld verdienen aan deportaties, organiseer solidariteitsdemonstraties bij uitzetcentra ’s en AZC’s en steun de strijd van mensen zonder papieren!

Sluit DCR – Breek Fort Europa!
Stop de deportatiemachine – Geen mens is illegaal!

Mobilisaties de komende weken

Woensdag 9 juni:

Demonstratie “Abolish Frontex”, 14:00 @ Huis van Europa – Korte Vijverberg 5 Den Haag
Meer info: https://stopthewaronmigrants.noblogs.org/post/2021/05/19/abolish-frontex…

Demonstratie voor een generaal pardon, 15.00 @ Plein Den Haag, georganiseerd door vluchtelingen uit het AZC Katwijk
Meer info: https://www.doorbraak.eu/9-juni-den-haag-demonstratie-van-vluchtelingen-…

B

ADHESIEBETUIGING ASTRID ESSED

ADHESIEBETUIGING MET DE ACTIE/GEEN MENS IS ILLEGAAL
Beste Actievoerders,
Hierbij van mijn kant een warme adhesiebetuiging met de gevoerdeactie bij Deportatiecentrum DCR!Het komt op het juiste moment, zoals altijd met dit soort acties.Op een moment, dat de samenleving, zowel in het publiekeals in het politieke, fascisme steeds meer salonhafig gaat vinden, fascisten zelfs door een Nationaal 4 en 5 Mei als ”inspirerend” worden gezien [1] en dit alles schouder aan schouder gaat met de hetze tegen vluchtelingen, die hand over hand toeneemt en door fascist Wilders in 2015-16 zo verbeten en ”overtuigend” is gevoerd [2]Maar er is meer dan die hetze tegen vluchtelingen!
Steeds meer worden vluchtelingen gecriminaliseerd, overgelaten aande verdrinkingsdood, waaraan met de EU, ook Nederland schuldig is [3],het recht op asiel geschonden en met voeten getreden!De Turkije deal ging ons voor [4] en nu al een griezelig begin [want ikweet bijna zeker, dat andere landen dit ”voorbeeld” gaan volgen] metde ”Denemarken deal”, waarbij Denemarken zijn asielprocedure uitbesteedt aanlanden buiten Europa! [5]Daarbij worden niet de minste landen genoemd!Landen als Egypte. Eritrea en Ethiopie! [6]Landen waar mensenrechten niet eens een vodje papier zijn,maar minder dan opstuivend zand!In Egypte, waar een dictatuur heerst en tijdens die dictatuurwaarschijnlijk al misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd! [7]Ethiopie, een land waar een genadeloze burgeroorlog woedt en het regimebommen op woonwijken gooit, etnische zuiveringen uitvoert en op weg isnaar genocide! [8]Ook Eritrea, de andere  ‘partner” in het Tigray conflict, laat zich niet onbetuigd. [9]Eritrea, waar al jaren een keiharde dictatuur woedt! [10]En daar moeten asielprocedures plaatsvinden en de mensen hetRECHT hebben in dergelijke dictaturen te wonen!Nu al heeft Denemarken een overeenkomst met Rwanda tav de”asielprocedure”, ook zo’n voorbeeld van mensenrechtenhandhaving [11]
De lijst van misdaden tegen vluchtelingen en asielzoekers is lang en somber
Alle verzet tegen deze behandeling van vluchtelingen moet worden aangemoedigd.
DEPORTATIECENTRA IN NEDERLAND
En deportatiecentra zoals DCR blijven deportatiecentra, waar mensengevangen gehouden worden zonder het plegen van strafbare feiten, teruggestuurd naar onveiligheid, dictatuur, ellende.
TERUGSTUREN NAAR FOLTERING
En zijn we het vergeten?Minister Verdonk, die een Afghaanse asielzoeker liet uitzetten, die later in Afghanistan is gedood? [12]Staatssecretaris Harbers, die een asielzoeker liet uitzetten, die zondereerlijk proces levenslang kreeg in Bahrein? [13]En die Vent, die Harbers, zit vrolijk in de Tweede Kamer, terwijl hijin feite aangeklaagd had moeten worden, evenals minister Verdonk
DE BEERPUT IS EINDELOOS!
Ik kan nog meer opnoemen, zoals de We Are Here Groep, die al bijna10 jaar door Amsterdam zwerft zonder perspectief en reeele kansom een menswaardig bestaan op te bouwen! [14]
Maar ik stop er nu mee, al ben ik de vluchtelingen bepaald nietvergeten
Deze acties, zoals bij DCR, zijn nodig om op de Muren van dePolitiek te blijven beuken
Zodat de vluchtelingen niet worden vergeten!
WORDT VERVOLGD!
GEEN MENS IS ILLEGAAL

Astrid Essed, for now/https://www.astridessed.nl/tag/vluchtelingen/
NOTEN!
https://www.astridessed.nl/noten-1-t-m-14-bij-adhesiebetuiging-aan-actievoerders-bij-detentiecentrum-rotterdam/

OF

https://www.dewereldmorgen.be/community/noten-1-t-m-14-bij-adhesiebetuiging-aan-actievoerders-bij-detentiecentrum-rotterdam/

EINDE ADHESIEBETUIGING ASTRID ESSED

CNOTEN, BEHORENDE BIJ ”VOORAF”

[1]
AMNESTY INTERNATIONALECONOMISCHE VLUCHTELINGEN
https://www.amnesty.nl/encyclopedie/economische-vluchtelingen

Economische vluchtelingen is een benaming voor hen die niet zouden zijn gevlucht om politieke redenen, maar om een betere levensstandaard te vinden. De term wordt vaak afkeurend gebezigd in de zin van ‘niet-echte’ vluchtelingen.

In de praktijk blijkt het onderscheid tussen politieke vluchtelingen (in de zin van het Vluchtelingenverdrag) en economische vluchtelingen moeilijk te maken. Het vluchtmotief is vaak een combinatie van politiek geweld en moeilijke levensomstandigheden. De economische noodzaak of wens om te vluchten, zoals vanwege gebrek aan werk, inkomen en onderwijs, komt vaak voort uit politieke omstandigheden.

Voorbeelden daar van zijn: de regering benadeelt bepaalde minderheidsgroepen, middelen komen door corrupt bestuur vooral aan de elite toe, opgelegd corvee of lange dienstplicht maken het opbouwen van een eigen economisch bestaan heel moeilijk, het land is in handen van een kleine groep, enzovoort.

Economische vluchtelingen: Vluchtelingenverdrag

Omdat economische en politieke motieven zo doorheen lopen bij migranten/vluchtelingen, is wel voorgesteld om het Vluchtelingenverdrag aan te passen om ook economische migranten beter te beschermen. Wat daartegen pleit is dat politieke vluchtelingen vanwege de bedreigingen geen keus hebben en dus helemaal afhankelijk zijn van bescherming in andere landen, terwijl economische migranten wel een keuze hebben.
EINDE ARTIKEL AMNESTY INTERNATIONAL

[2]

YOUTUBE,COM
THIERRY BAUDET: ”IK WIL GRAAG DAT EUROPA DOMINANT,BLANK EN  CULTUREEL BLIJFT, ZOALS HET IS”[THIERRY BAUDET BIJ HET DEBAT ”DE VLUCHTWEEK”,RADIOZENDER FM, 
https://www.youtube.com/watch?v=DpBzt9PyU5w

TRANSCRIPTIE[GESPREKSPARTNER]”Wat maakt het uit, als die mensen niet teruggaan?Dat is helemaal niet relevant.[PRESENTRATRICE]”Maar…..”[GESPREKSPARTNER]”Ik erger mij een beetje aan de houding….”[THIERRY BAUDET]”Ik vind het wel relevant!”[PRESENTRATRICE]”Maar Thierry, waarom is….[THIERRY BAUDET]”Omdat ik niet wil, dat Europa Afrikaniseert….”[GESPREKSPARTNER];;”Deze opmerking van Thierry vind ik best wel kwalijk,als je bedenkt, dat 20 procent van migranten, die naar Europakomen, Afrikanen zijn.Dus zo’n complete demonisering van Afrikanen is niet nodig.Tegelijkertijd…..
[THIERRY BAUDET]
”Ik demoniseer niet, ik zeg wat ik wil, wat ik wenselijk vind en wat ik niet wenselijk vind.En wat ik  niet wenselijk vind, is dat wij veel meer gaan lijken op delen van de wereld waar heel veel mensen weg willen….
”[PRESENTRATRICE]”Je wil zeg maar een bepaald Europees goed.wil je eigenlijk zo houden zoals het is..Op zich mag dat….
”’[THIERRY BAUDET]”Ik wil graag, dat Europa dominant, blank en cultureel blijft zoals het is.”
EINDE YOUTUBE FILMPJE

DONDERDAG 17 SEPTEMBER 2015

[3]

YOUTUBE FILMPJE MET HETZE RETORIEK VAN WILDERS
  0.00-0.16
”Duizenden Arabische mannen hebben de afgelopen tijd honderden vrouwen sexueel aangevallen, vernederd, verkracht.Alle vrouwen zijn loslopend wild.Testosteronbommen heb ik de daders genoemd.”……..” Overal waar de onverantwoorde Open Deur politie zoals premier Rutte en kanselier Merkel de rode loper wordt uitgerold voor deze testosteronbommen”0.37-0.47

”Wat de PVV betreft is het duidelijk:

Onze grenzen moeten dicht.Dicht voor alle asielzoekers en alle immigranten uit islamitische landen.Maar zolang dat niet gebeurt, zolang de islamitische testosteronbommen als een Zwaard van Damocles boven de Nederlandse vrouwen hangen, stel ik voor, dat we mannelijke asielzoekers opsluiten in de AZC’s.2.29-2.50

YOUTUBE.COM

GEERT WILDERS: MANNELIJKE ASIELZOEKERS OPSLUITEN IN AZC’S0.00-3.05

Geert Wilders [PVV]:”

Duizenden Arabische mannen hebben de afgelopen tijd honderden vrouwen sexueel aangevallen, vernederd, verkracht.

Alle vrouwen zijn loslopend wild.

Testosteronbommen heb ik de daders genoemd.

We hebben gezien, waar ze toe in staat zijn.

Het is sexueel terrorisme, een sexuele Jihad.En het gebeurt overal in Europa.

In Nederland, Duitsland, Zweden, Oostenrijk.Overal.Waar honderdduizenden vooral alleenstaande mannen uit een cultuur van vrouwenonderdrukking werden binnengelaten.

Overal waar de onverantwoorde Open Deur politie zoals premier Rutte en kanselier Merkel de rode loper wordt uitgerold voor deze testosteronbommen.

Overal krijgen we nu te maken met een verkrachtingsepidemie.

Het is een ramp, die vermeden had kunnen worden en vermeden had moeten worden, maar niet vermeden werd.Op vele plaatsen probeerden de autoriteiten en de media het verschrikkelijke nieuws onder de pet te houden, onder het tapijt te schuiven, maar dat lukt ze niet meer.De geest is uit de Fles.

En er heerst, terecht, woede, angst, in Nederland en in de rest van Europa.

Mensen zijn, terecht, heel erg boos, duizenden Nederlandse vrouwen stellen zich grote vragen bij hun eigen veiligheid.”Wie zal mij beschermen

”Duizenden Nederlandse mannen maken zich grote zorgen over de veiligheid van hun vrouwen.

”Wie zal hen helpen”En duizenden Nederlandse ouders zijn bang voor wat hun dochters kan overkomen.

”Wie waakt er over hen”Vreselijke massa aanrandingen zoals in Keulen kunnen ook hier in Nederland gebeuren.

En het is tijd, die waarheid onder ogen te zien.Deze daders komen uit een cultuur waarin vrouwen minderwaardige wezens zijn, een cultuur van eerwraak en vernedering.

Een cultuur, gesticht door een Profeet, die seksslavinnen had en een negenjarig meisje verkrachtte.

Het is tijd, ook die waarheid onder ogen te zien.

Want wie wegkijkt, wie wegkijkt, is medeschuldig.En het wordt steeds duidelijker:

Premier Rutte, mevrouw Merkel en al die andere politici in Europa, die hun grenzen weigerden te sluiten, ze laten onze vrouwen en dochters keihard in de steek en zijn dus medeverantwoordelijk.

Wat de PVV betreft is het duidelijk:Onze grenzen moeten dicht

.Dicht voor alle asielzoekers en alle immigranten uit islamitische landen.

Maar zolang dat niet gebeurt, zolang de islamitische testosteronbommen als een Zwaard van Damocles boven de Nederlandse vrouwen hangen, stel ik voor, dat we mannelijke asielzoekers opsluiten in de AZC’s.

Voor hen moeten de AZC’s gesloten instellingen worden.

Zodat geen enkele mannelijke asielzoeker nog de straat op kan en zodat onze vrouwen eindelijk worden beschermd.”


EINDE YOUTUBE FILMPJE

ZIE OOK

[4]

RTL NIEUWS

WE MOETEN AF VAN HET DODELIJKE FORT EUROPA

4 NOVEMBER 2019

https://www.rtlnieuws.nl/economie/opinie/column/4908091/fort-europa-migratie-immigratie-vluchtelingen

“Mam en pap, ik hou van jullie, maar ik kan niet meer ademen”, zo appte de 26-jarige Pham Thi Tra My aan haar ouders vlak voordat ze met 38 andere Vietnamezen overleed in een koelwagen in Essex op 23 oktober van dit jaar.

Dit gruwelijke voorval  maakt opnieuw duidelijk wat de gevolgen van het restrictieve Europese, en in dit geval Engelse, vreemdelingenbeleid kunnen zijn. Hoewel dit soort specifieke incidenten gelukkig tamelijk zeldzaam is – het vorige dateert van juni 2000 toen 58 Chinezen in Dover de dood vonden – is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw het aantal doden aan de zuidgrens van de Europese Unie dramatisch toegenomen.

Waar het fenomeen ‘grensdoden’ tijdens de Koude Oorlog was voorbehouden aan het streng bewaakte ijzeren gordijn tussen het Oostblok en het ‘vrije Westen’, heeft in de afgelopen dertig jaar de Middellandse Zee zich ontwikkeld tot veruit het meest dodelijke grensgebied ter wereld.

Stierven aan de grens tussen Oost- en West-Duitsland in de veertig jaar tussen 1949 en 1989 327 mensen, in de dertig jaar sinds 1988 lieten aan de zuidgrens van de EU bij benadering zo’n 38.000 migranten het leven. Daarmee voert die grens al jaren de wereldranglijst aan. Met in 2019 driemaal zoveel doden als nummer twee, de Mexicaans-Amerikaanse grens.

En daar komt nog een onbekend aantal mensen bij die in de Sahara verdrogen. Een route die sinds 2016 steeds gevaarlijker is geworden omdat de EU staten als Niger en Mali betaalt om migranten al aan zuidgrens van de Sahara tegen te houden.

Overigens is lang niet iedere migrant (of het nu asielzoekers zijn of arbeidsmigranten) aangewezen op de gevaarlijke reis per boot. Een deel komt per vliegtuig, met valse paspoorten, of door langer te blijven dan hun visum toestaat. Feit is dat sinds het begin van de jaren negentig het risico voor migranten die aangewezen zijn op irreguliere routes aanzienlijk is toegenomen. In de naoorlogse migratiegeschiedenis van West-Europa zijn tot de eeuwwisseling nauwelijks voorbeelden van grensdoden uit andere werelddelen te vinden.

De belangrijkste reden voor de enorme toename van het aantal ‘grensdoden’ is het Schengenverdrag uit 1985. Die zorgde ervoor dat de grenscontroles aan de binnengrenzen in de EU geleidelijk werden afgeschaft, maar scherpte de bewaking van de buitengrens juist aan. Met als belangrijkste ‘wapen’ de eis dat migranten alvorens af te reizen een visum moesten aanvragen. Krijg je dat niet, dan kom je geen vliegtuig in en ben je aangewezen op mensensmokkelaars. En hoe strenger het grensbeleid, des te hoger de prijs en de risico’s.

Van dit nieuwe beleid, dat in de loop van de jaren negentig werd geïmplementeerd, waren in eerste instantie vooral Albanese vluchtelingen de dupe. Die ontvluchtten het dictatoriale regime vanaf 1991 in groten getale door per boot de Adriatische Zee naar Italië over te steken. Sindsdien is de ‘papieren’ grens steeds belangrijker geworden. Tijdens de ‘vluchtelingencrisis’ van 2015 bleek dat vooral asielzoekers en arbeidsmigranten daarvan de dupe zijn.

In de afgelopen jaren heeft de EU, via allerlei deals met autoritaire regimes (Turkije, Mali, Niger), de buitengrens steeds verder geëxternaliseerd en betaalt zij zelfs Libische milities om mensen tegen te houden.

In de jaren negentig kwamen verreweg de meeste asielzoekers – toen waren het er meer dan in het huidige decennium en ook toen vooral afkomstig uit het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika – nog gewoon per vliegtuig, veerboot, trein of bus. Maar toen Assad in 2014 een oorlog begon tegen zijn eigen burgers, bleken die routes afgesloten en was men aangewezen op wrakke bootjes, met alle gevolgen van dien.

Toen bleek pas goed dat de bouw van ‘Fort Europa’, met het visumregime als belangrijkste middel om ongewenste migranten zo ver mogelijk weg te houden, een aanzienlijke menselijke prijs heeft. Die prijs wordt door politici gerechtvaardigd door het argument dat Europa anders ‘overspoeld’ zou worden door miljoenen migranten uit Afrika en Azië.

Daar valt echter veel op af te dingen. Zo is 80 procent van de West-Afrikaanse arbeidsmigranten die naar Noord-Afrika reizen helemaal niet van plan naar Europa te gaan, maar zoeken ze werk in landen als Libië en Algerije. En uit recent onderzoek blijkt dat bijna 60 procent van Syrische vluchtelingen in Turkije zouden blijven ook als ze de gelegenheid zouden krijgen om legaal door te reizen naar Europa. 

Zoals Henk van Houtum en ik in ons boek Voorbij Fort Europa uit 2016 betogen, zijn er goede redenen om de buitengrenzen poreuzer, en daardoor minder dodelijk, te maken. Dat kan wanneer de EU – in de geest van het vluchtelingenverdrag – echt werk maakt van een goede opvang in eigen regio en daarnaast zorg draagt voor hervestiging in de EU.

Daarnaast zouden er legale mogelijkheden moeten komen voor arbeidsmigranten, bijvoorbeeld uit Afrika. Bijvoorbeeld door een systeem van in eerste instantie tijdelijke werkvergunningen, gekoppeld aan een geleidelijke opbouw van sociale en verblijfsrechten en een goede controle van de arbeidsmarkt.

Op die manier kan ook de grove uitbuiting van ongedocumenteerde arbeidsmigranten in landen als Italië en elders beter worden bestreden. In het huidige migratie-pessimistische politieke klimaat is een dergelijke koerswijziging ondenkbaar. Maar als we het niet bij krokodillentranen willen laten als er weer eens een boot zinkt of een vrachtwagen te laat zijn deuren opent, dan zal het dodelijke Fort Europa beleid echt op de schop moeten.

Voor Pham Thi Tra My en haar ouders is dat te laat. Maar voor vele anderen niet.

EINDE ARTIKEL

[5]

AD

”ERWIN” ELFRINK GING UNDERCOVER: ”POOLSE ARBEIDSMIGRANTEN WORDEN SCHANDALIG UITGEBUIT”

7 MEI 2019

https://www.gelderlander.nl/arnhem/erwin-elfrink-ging-undercover-poolse-arbeidersmigranten-worden-schandalig-uitgebuit~af2a3913/

ARNHEM – Arbeidsmigranten uit Oost-Europa worden in  Nederland op schandalige wijze uitgebuit. Ze maken lange werkdagen en moeten zwaar dokken voor slechte huisvesting. De uitzendbranche verdient gouden bergen en lapt geldende regels aan de de laars. 

Dat is de ervaring van SP-politicus Gerrie Elfrink. De oud-wethouder van Arnhem ging zelf undercover en sliep en werkte tussen Poolse arbeiders.

STUUR JE CV MAAR OP

De Arnhemmer noemt zijn ervaringen ‘schokkend’.

De Arnhemmer solliciteerde als de werkloze Erwin met talloze uitzendbureaus gericht op arbeidsmigranten. Die zitten totaal niet te wachten op Nederlandse werkzoekenden, merkte Elfrink.

,,Nederlanders zijn te duur en te lastig.” Geregeld kreeg Elfrink eerst een Pools bandje te horen alvorens er werd opgenomen.

De afwijzing gebeurde soms op zeer botte wijze, zegt Elfrink. ,,Eenmaal werden ze boos en werd het gesprek gewoon beëindigd. Vaker werd hij subtiel afgewezen:  ,,Stuur je cv maar op. Dan kijken we er naar’. Of men zei gewoon: ‘nee, sorry, we hebben momenteel geen vacatures.”

DRAMATISCHE VERHALEN

Elfrink werkte een paar dagen in het Westland in een fabriek. Hij zette kunststofmatten in elkaar voor transportbanden.

,,De eerste dag zat er een Nederlander in mijn ploegje. De andere drie waren Pools. De Nederlander stelde zich voor en begon Engels tegen me te praten. Ik zei: ‘ik ben Nederlands’. Hij zei: ‘Oh wat fijn. Dan kan ik vandaag een keer Nederlands praten.”

Elfrink sprak veel met arbeidsmigranten, en bezocht ook campings. Hij hoorde dramatische verhalen.

,,Vooral in de tuinbouwkassen werken Polen soms zestien uur per dag, zonder dat ze een weekeinde vrij zijn. Dat had ik als productiemedewerker wel. Sterker: als Nederlander kreeg ik een voorkeursbehandeling. Als ik mijn best zou doen, werd mij verzekerd, zou ik met enkele weken op een betere plek in de fabriek komen te werken.” 

Uitzendbazen in dikke bakken

De mensen uit Oost-Europa worden veelal slecht, maar duur gehuisvest, zag hij. ,,Aan de huisvesting wordt goud geld verdiend. Niet voor niets rijden die uitzendbazen in dikke bakken rond. Men slaapt met zijn vieren op een klein kamertje, en mag dan 90 euro dokken. Dat geld wordt en mag van het minimumloon worden afgetrokken. 

,,Zelf sliep ik met samen een Poolse jongen op een klein kamertje in een stapelbed. Op zo’n matrasje van nog geen tien euro. En dan kreeg ik nog een van de betere huizen. Vooraf werd verteld dat ik rekening moest houden met overlast: veel drank en drugs. Van de thermostaat moesten we afblijven: daar stond een boete van 15 euro op.”

NIEMAND DOET WAT

De cowboys in de uitzendbranche hebben vrij spel, merkte Elfrink. ,,Ze lappen regels aan hun laars. En niemand die er wat aan doet. De arbeidsinspectie is in Nederland dan ook totaal uitgekleed.’’

Gemeenten kijken weg, stelt hij. ,,Zeker in het Westland vinden ze economie belangrijker dan veiligheid. Neem ook mijn eigen stad. Arnhem stopt Polen en andere arbeidsmigranten weg op een camping. Middenin de winter. lekker uit het zicht. Dat heeft niets met recreatie of toerisme  te maken.”

EINDE BERICHT

VOLKSKRANT

KAMER WIL UITBUITING POLEN EN ANDERE BUITENLANDSE ARBEIDERS TEGENGAAN

11 FEBRUARI 2021

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/kamer-wil-uitbuiting-polen-en-andere-buitenlandse-arbeiders-tegengaan~bd0c68c7/

Arbeidsmigranten moeten minder afhankelijk worden van uitzendbureaus, die vaak zowel een baan als huisvesting voor hen regelen. Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat de werk- en woonomstandigheden van deze groep zo snel mogelijk moet worden verbeterd. Maar het radicaal loskoppelen van ‘bed en baan’ wordt nog een brug te ver bevonden.

Uitzendbureaus hebben nu vaak een dubbele pet op: ze zijn zowel werkgever als huisbaas van arbeidsmigranten. Die combinatie leidt tot extreme afhankelijkheid en schrijnende toestanden. Want als een arbeidsmigrant zijn werk verliest, moet hij ook vaak binnen 24 uur zijn huis uit. Juist de afgelopen tijd wordt een toestroom van arbeidsmigranten in de daklozenopvang geconstateerd.

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zei donderdag in de Kamer dat hij wel voorstander is van het ‘losknippen’ van werkcontract en huurcontract. Dat geeft arbeidsmigranten al wat meer zekerheid: bij baanverlies hoeven ze via het huurrecht (met opzegtermijn) niet meteen hun – vaak schamele – behuizing te verlaten.

Maar een motie van SP en GroenLinks om de uitzendbureaus te verbieden huurpenningen in te houden op het loon, haalde in de Kamer geen meerderheid. Minister Koolmees ontraadde de motie. Volgens hem zijn er ook bonafide uitzendbureaus die wél goede huisvesting leveren en dat is bij de huidige woningnood hard nodig.

Roemer

De Tweede Kamer vindt wel dat zo snel mogelijk aan de slag moet worden gegaan met de korte-termijnadviezen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten onder leiding van Emile Roemer. Die presenteerde eind oktober zijn rapport met in totaal ruim vijftig aanbevelingen onder de veelzeggende titel ‘Geen Tweederangsburgers’.

Behalve het loskoppelen van ‘baan en bed’ adviseert Roemer onder meer ook om iedere arbeidsmigrant een eigen slaapkamer en ‘minimaal 15 vierkante meter leefoppervlakte’ te geven. Dat is zeker in deze coronatijd belangrijk voor de veiligheid. De Kamer is het daarmee eens.

Hoewel niet alle wensen zijn vervuld, vindt vakbond FNV toch dat de Kamer ‘een belangrijke stap’ heeft gezet in de verbetering van leef- en werkomstandigheden van arbeidsmigranten. ‘Als er een scheiding komt tussen huur- en werkcontract kunnen ze niet zomaar op straat te worden gezet’, aldus een woordvoerder. Ook het streven naar ‘één persoon per slaapkamer en minimaal 15 vierkante meter leefoppervlakte per persoon’ noemt hij een doorbraak.

‘WE HEBBEN GEEN RECHTEN, TERWIJL WE WEL BELASTING BETALEN. HET IS MODERNE SLAVERNIJ’

Marcin (49) uit Polen, werkt bij een distributiebedrijf van levensmiddelen en woont op het ‘Polenpark’ in Zeewolde, met meer dan duizend andere arbeidsmigranten in chalets en gebouwen met appartementen:

‘Ik deel nu met vier of vijf anderen een appartementje. We missen gastvrijheid en een menselijke behandeling. We zijn niet meer dan een nummer. Het huisvestingsbedrijf dat is ingehuurd door het uitzendbureau propt alle huisjes en appartementen vol met vijf of zes mensen. Ze vangen 100 euro per bed per week. Het gaat ze alleen maar om geld. Als ze ons zien, zien ze geld.

‘We wonen met te veel mensen in een veel te kleine ruimte. Je wilt niet met vreemden in hetzelfde appartementje wonen. Ik zou graag iets voor mezelf hebben, net als Nederlandse mensen.

‘In 2018 begon ik als orderpicker (iemand die goederen verzamelt voor verzending, red.) bij een distributiecentrum van supermarktketen Boni in Nijkerk. Eerst woonde ik een maand met tien anderen in een oude boerderij net buiten Nijkerk, die werd gehuurd door het uitzendbureau. Daarna ben ik drie keer verhuisd. Ik werk nu als combitruckchauffeur bij een logistiek bedrijf en woon op wat ook wel het ‘arbeidsmigrantenpark’ in Zeewolde wordt genoemd, samen met 1.500 anderen.

‘Wij noemen het zelf het Texaspark, want het is hier wildwest. Het zijn hier net cowboys. Dat is bedoeld als grap, maar het geeft een goede beschrijving van de omstandigheden hier. We hebben geen enkele zekerheid, niet qua huisvesting, niet qua werk. We kunnen elk moment worden ontslagen, zonder enige reden. Als je chef je niet mag, kan je zomaar naar huis worden gestuurd. En als je geen werk meer hebt, word je ook uit je huis gegooid. Dan ben je meteen dakloos.

‘We hebben geen rechten, terwijl we wel belasting betalen en bijdragen aan de economie. Dat is zo onrechtvaardig. Het is een soort moderne slavernij. Zo ga je toch niet met mensen om in een geciviliseerd Europees land anno 2021?

‘In juli vorig jaar werd ik bijna van het park gegooid. Een technicus kwam langs om iets in de badkamer te maken. Maar ik moest naar mijn werk en vroeg of ik nog snel even kon douchen. Dat kon niet, zei hij, en als het je niet bevalt hier, ga je maar naar een hotel. Dat liep zo hoog op dat het huisvestingsbedrijf me per brief sommeerde onmiddellijk het appartement en het park te verlaten, wegens ‘geen respect voor parkmedewerker, agressief gedrag’. Door tussenkomst van de FNV is dat gelukkig nog net opgelost. Maar het is toch vreemd dat anderen gewoon sleutels van je kamer hebben en zo binnen kunnen lopen.

‘Daarom is een scheiding tussen werk en huisvesting zo belangrijk. Ik voel me gevangen in het huidige systeem. Ik zou graag een normale baan hebben, zonder uitzendbureau. Maar als ik die zou vinden, raak ik mijn huisvesting kwijt. En met een uitzendbaan kan ik weer geen regulier huis betalen.’

‘IK HEB OOK IN ANDERE LANDEN GEWERKT, ZOALS GROOT-BRITTANNIË EN DUITSLAND. MAAR DIT IS HET TOPPUNT VAN UITBUITING’

Hugo Afecto (42) uit Portugal, werkt bij een transportbedrijf in Oss en woont in een kantoorpand langs de A59 in Nuland dat is omgebouwd tot woongebouw voor arbeidsmigranten:

‘Ik ben in juni 2020 in Nederland komen werken via een uitzendbureau, bij Ingram Micro in Waalwijk (dat voor Bol.com de logistiek verzorgt, red.) Mijn broer was twee maanden eerder gegaan – hij heeft voor mij de weg geëffend. Ze wilden ons eerst op een oud vakantiepark in Kaatsheuvel huisvesten, maar dat hebben we geweigerd.

‘Toen kwamen we in een hotel in Waalwijk terecht, waar de omstandigheden echt slecht waren: erg oud, alles vies, kamers voor drie mensen, slechte bedden, gemeenschappelijke douches. Daar zijn we bijna drie maanden gebleven. Daarna gingen we via een ander uitzendbureau naar Lelystad, waar we in het distributiecentrum van Zara kwamen. Daar heerste een agressieve sfeer: schreeuwen, chefs die alleen maar ‘work, work, work’ riepen, soms zelfs vechtpartijen.

‘Op de eerste dag moesten we zeven uur wachten voordat we naar onze huisvesting werden gebracht. Ook toen wilden ze ons weer op een camping buiten Lelystad zetten, ondanks andere beloften. Ik weigerde dat, samen met mijn broer en enkele andere arbeidsmigranten. Ze zeiden dat er voor die nacht geen andere oplossing was. Maar uiteindelijk gingen we naar een campus in Lelystad, waar een paar honderd mensen verbleven. Mijn broer en ik sliepen op de bank. Later kregen we alsnog een kamer in een appartement.

‘Toen we klaagden over de slechte woonomstandigheden, beëindigden ze het contract. We hadden zes uur om het huis te verlaten. Daarna kregen we via een ander uitzendbureau een andere baan en andere huisvesting. We werkten voor een groentebedrijf in Limburg, waar elke morgen de planning van werktijden veranderde en er problemen waren met transport.

‘En weer was het hetzelfde liedje: na klachten werd ons contract verbroken. Ze vinden altijd wel een reden om je te ontslaan en je op straat te zetten. Want als het werkcontract wordt opgezegd, moet je ook altijd je huis uit. Het probleem in Nederland is het monopolie van die uitzendbureaus: ze gaan niet alleen over je werk, maar ook over je huisvesting en transport. Als ze je niet mogen, verlies je zowel je werk als je huisvesting.

‘Ik heb in acht maanden wel tien banen gehad, en net zoveel accommodaties die overwegend in zeer slechte staat zijn. Je voelt je uitgebuit, het is een soort slavernij. Je kan wel weglopen, maar zonder geld in je zak kom je niet ver.

‘Ik heb ook vijftien jaar in andere landen gewerkt, zoals Groot-Brittannië en Duitsland. Maar dit is het toppunt van uitbuiting. Het ligt niet aan Nederland en de Nederlanders, want die zijn aardig. Maar het is het systeem van de uitzendbureaus dat niet deugt, waardoor je als arbeidsmigrant van hot naar her wordt gesleept. Soms denk ik dat ik een nachtmerrie ben beland.’

EINDE ARTIKEL
[6]

BUSINESS INSIDERBUITENLANDSE MILJONAIR: KOM BINNEN (EN GEEF ONS JE GELD)
https://www.businessinsider.nl/buitenlandse-miljonair-kom-binnen-en-geef-ons-je-geld-380559/

De poort gaat open voor buitenlandse miljonairs die willen investeren in de Nederlandse economie. Maar echt hartelijk klinkt het welkom van staatssecretaris Teeven niet.

Buitenlanders die minimaal 1,25 miljoen euro aan vrij vermogen hebben, kunnen voor een jaar een verblijfsvergunning krijgen, zo liet staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie vrijdag per brief weten.

Maar rijk zijn is volgens Teeven een ‘te magere’ voorwaarde om zomaar toegelaten te worden. De staatssecretaris gaat een stap verder. “Ik wil daarom in aanvulling op deze voorwaarde als eis stellen dat de vermogende vreemdeling dit bedrag investeert in het Nederlandse bedrijfsleven.” Lees: de 1,25 miljoen.

Welvarende buitenlander moet in Nederland investeren

Kortom, de welvaart van de buitenlanders moet direct ten goede komen aan de Nederlandse economie.

In de praktijk lijkt het er wel op neer te komen dat buitenlanders aanzienlijk meer dan 1,25 miljoen euro moeten bezitten, wil de tijdelijke verblijfsvergunning aantrekkelijk zijn. Want wie minimaal 1,25 miljoen euro in Nederland moet stoppen, zal doorgaans over een veelvoud daarvan willen beschikken om zoiets te overwegen.

Het kabinet waarschuwt ook alvast dat het niet de bedoeling is dat criminelen hun miljoenen in Nederland parkeren. “Daarom toetst de IND of de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of de nationale veiligheid”, aldus Teeven.

Tegenover persbureau ANP lichtte de staatssecretaris vrijdagmiddag nog toe welk soort migranten hij op het oog heeft:  “Dit gaat niet om een rijke Chinees die een huis van 1,5 miljoen euro koopt in Wassenaar. Je moet bijvoorbeeld denken aan kleine IT-bedrijven, die langere tijd hier blijven.”

Holland promotion

Niet onbelangrijk is verder dat  de vreemdeling een verklaring moet hebben van een Nederlands accountantsbureau met een vestiging in het land van herkomst, waarin staat dat het vermogen geen ‘malafide herkomst’ heeft. Ofwel: een vleugje Holland Promotion van Nederlandse accountantskantoren in het buitenland.

De Nederlandse regeling is overigens niet uniek. Ook andere landen kennen speciale regelingen voor buitenlandse investeerders met verblijfsplannen.

In Canada moet iemand met een vermogen van 1,6 miljoen Canadese dollar minimaal de helft daarvan over een periode van vijf jaar in Canada investeren. De Verenigde Staten kennen een regeling die vereist dat buitenlandse ondernemers minstens één miljoen dollar investeren, wat in twee jaar minimaal 10 nieuwe banen moet opleveren.

EINDE ARTIKEL

[7]

BUSINESS INSIDER

PLAN VAN TEEVEN GEFLOPT: RIJKE BUITENLANDERS

WILLEN NIET NAAR NEDERLAND KOMEN

Het kabinet wil rijke buitenlanders hier laten investeren, maar de miljonairsmigranten blijven weg. In een jaar tijd heeft slechts één vermogende vreemdeling zich gemeld, maar die kreeg vanwege het ontbreken van de juiste documenten geen verblijfsvergunning.

Dat koppen de regionale kranten die aangesloten zijn bij De Persdienst woensdag.

Staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie kondigde de maatregel voor rijke buitenlanders vorig jaar september aan. Buitenlanders die minimaal 1,25 miljoen euro aan vrij vermogen hebben en dat investeren in het Nederlanders bedrijfsleven kunnen hiermee voor een jaar een verblijfsvergunning krijgen.

Daarmee lijkt het kabinet te mikken op buitenlanders die aanzienlijk meer dan 1,25 miljoen euro bezitten. Want wil de tijdelijke verblijfsvergunning aantrekkelijk zijn, dan zullen miljonairs doorgaans over een veelvoud van dat bedrag moeten beschikken om zoiets te overwegen.

Kleine IT-bedrijven lokken

Teeven zei vorig jaar dat de regeling niet bedoeld is voor “een rijke Chinees die een huis van 1,5 miljoen euro koopt in Wassenaar. Je moet bijvoorbeeld denken aan kleine IT-bedrijven, die langere tijd hier blijven.”

Het kabinet waarschuwde ook dat het niet de bedoeling is dat criminelen hun miljoenen in Nederland parkeren. “Daarom toetst de IND of de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde of de nationale veiligheid”, aldus Teeven vorig jaar.

Niet onbelangrijk is verder dat  de vreemdeling een verklaring moet hebben van een Nederlands accountantsbureau met een vestiging in het land van herkomst, waarin staat dat het vermogen geen ‘malafide herkomst’ heeft. Ofwel: een vleugje Holland Promotion van Nederlandse accountantskantoren in het buitenland.

Regels versoepelen

Nu blijkt dat de regeling voor rijke buitenlanders is geflopt wil de VVD dat de regels versoepeld worden. “We zijn te voorzichtig en missen de boot”, aldus Kamerlid Malik Azmani dinsdagavond in de Tweede Kamer. “Beperk de regeling niet tot investeringen in innovatie, maar geef de investeerder keuzevrijheid. Laat ze investeren in innovatie óf het creëren van werkgelegenheid of onroerend goed.”

Staatssecretaris Teeven komt woensdag met een reactie op de voorstellen van Azmani. Eerder gaf hij aan begin volgend jaar de regeling te willen evalueren.

Soortgelijke regeling in andere landen

De Nederlandse regeling is overigens niet uniek. Ook andere landen kennen speciale regelingen voor buitenlandse investeerders met verblijfsplannen.

In Canada moet iemand met een vermogen van 1,6 miljoen Canadese dollar minimaal de helft daarvan over een periode van vijf jaar in Canada investeren. De Verenigde Staten kennen een regeling die vereist dat buitenlandse ondernemers minstens één miljoen dollar investeren, wat in twee jaar minimaal 10 nieuwe banen moet opleveren.

EINDE ARTIKEL

[8]

ZIE NOOT 6

[9][9]

”‘Het ging om een verpauperde groep vluchtelingen, ze kwamen met duizenden tegelijk. Ook vreesde men voor een aanzuigende werking op joden in Polen en Hongarije’”
[ZIE OOK TEKST ZIJKANT ARTIKEL]

GROENEALLE GRENZEN GINGEN DICHT
https://www.groene.nl/artikel/alle-grenzen-gingen-dicht

Net voor de Tweede Wereldoorlog waren joodse vluchtelingen een vogel voor de kat. Toen wás het nog mogelijk om Duitsland te ontvluchten, de nazi’s deden er zelfs alles aan om joden het land uit te jagen. Maar overal werden ze teruggestuurd naar Duitsland, waar hen een catastrofe te wachten stond.

Kurt Rosenthal uit Düsseldorf heeft een Arische moeder, zijn vader is evangelisch maar van joodse herkomst. De nazi’s aanvaarden niet dat een halfjood met een Arische vrouw een relatie heeft. De man probeert zijn herkomst te ontkennen. Tevergeefs, in 1938 wordt hij wegens ‘Rassenschande’ in voorlopige hechtenis genomen. Zijn zoon Kurt is dan 26 en besluit te vluchten naar de Verenigde Staten, waar zijn zus woont. Op 12 maart steekt hij de grens met Nederland over. Te voet gaat hij naar Doetinchem, via Arnhem reist hij met de trein naar Den Haag. Hij komt terecht bij een joods vluchtelingencomité in Amsterdam. Omdat hij geldige reispapieren nodig heeft, gaat hij naar de vreemdelingenpolitie. Daar wordt hij in hechtenis genomen en terug naar Duitsland gestuurd. De nazi’s brengen hem naar Dachau.

MET EEN ACHTERWAARTSE kijk op de geschiedenis is het verbijsterend. Een half miljoen joden konden net voor de oorlog nog vluchten uit nazi-Duitsland, maar vonden geen land dat hen wilde opvangen. Het nazi-regime ontnam joden al hun waardigheid, beroofde hen en vervolgde hen op alle mogelijke manieren. Toen in 1938 de vluchtelingenstroom voor een dijkbreuk zorgde, sloten alle Europese landen op het vasteland hun grenzen. Hoe komt het dat democratische landen als Nederland, België en Zwitserland zich zo hard opstelden, ook al was ruimschoots bekend hoe zwaar joden het te verduren hadden?

Recent vergelijkend wetenschappelijk onderzoek gaat na wat er voor het uitbreken van de oorlog precies aan de hand was. Tot nu toe was er alleen nationaal onderzoek, voor het eerst werd de internationale puzzel gelegd. De Belgische historicus Frank Caestecker (48), verbonden aan de Universiteit van Gent, organiseerde twee internationale colloquia over deze bittere periode. ‘De internationale samenhang is belangrijk’, zegt hij. ‘Want wat het ene land doet met vluchtelingen, ze toelaten of ze weigeren, heeft een directe weerslag op de andere landen. De onderlinge beïnvloeding werd nog niet onderzocht.’ Het project leidde tot het boek Refugees from Nazi-Germany and the Liberal European States, 1933-1939, dat in september tegelijkertijd zal verschijnen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.

VANAF DE machtsgreep van Hitler in 1933 vluchtten andersdenkenden en joden weg uit Duitsland. Al werden communisten met argwaan bekeken – die zag men liever naar de Sovjet-Unie vertrekken – begin jaren dertig konden de vluchtelingen nog wel in verschillende Europese landen terecht. Velen trokken verder naar de VS en Argentinië. Vluchtelingen moesten toen zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien, de overheid had nog geen opvangnetwerk. Het waren dan ook vooral de meest gegoeden die de mogelijkheid hadden om te vluchten. Ook Nederland liet vluchtelingen toe. De voorwaarde was dat ze over geldige papieren beschikten of in acuut levensgevaar verkeerden, iets wat eng werd geïnterpreteerd. De dreiging van een concentratiekamp gold bijvoorbeeld niet als levensbedreigend.

Het tempo van de uitstroom van joden lag voor de nazi’s te laag. Ze gingen vanaf 1938 steeds driester tekeer bij het vervolgen van joden. De annexatie van Oostenrijk op 12 maart 1938 was een eerste cesuur. De Anschluss ging gepaard met een ongeziene golf van grof geweld tegen de joden in Oostenrijk. Dat geweld en het enthousiasme waarmee de joodse emigratie administratief werd gesteund hadden maar één doel: de etnische zuivering van Oostenrijk. Verschillende landen kantten zich tegen de stroom vluchtelingen, de controles werden scherper. Grenswachters kampten evenwel met een probleem: hoe zie je of iemand al dan niet een jood is? Want Arische Duitsers, zoals toeristen en zakenlui, mochten wél de grens over. Joden deden zich dan ook voor als toerist of zakenman, in de hoop de grens over te komen. Om joden te kunnen onderscheiden en terugsturen, drongen de Zwitserse en de Zweedse regering er bij de nazi’s op aan om in de paspoorten van joden een letter J te stempelen. De nazi’s voelden daar aanvankelijk weinig voor, omdat ze vreesden dat ze met de joden zouden blijven zitten. In september 1938 stemden ze toch toe om het reizen van Arische Duitsers niet te bemoeilijken.

Het Weense experiment van etnische zuivering onder leiding van Adolf Eichmann werd in Berlijn met veel aandacht gevolgd. Het succes van deze operatie leidde ertoe dat de anti-joodse politiek ook in Duitsland radicaliseerde. De pogrom tijdens Kristallnacht, de nacht van 9 op 10 november 1938, was een stuitende exponent van deze verharde nazi-agressie. Die avond werden tientallen joden vermoord en ongeveer dertigduizend joodse mannen in kampen opgesloten. Daarvan overleden er enkele honderden aan de verwondingen die ze bij de aanslag hadden opgelopen. Hoewel de Duitsers het voorstelden als agressie die door joden was uitgelokt, was de ware toedracht in het buitenland wel degelijk bekend.

Kristallnacht zorgde voor een tweede cesuur: er kwam een massale vluchtelingenstroom op gang. Vermoed wordt dat vanaf dat moment tot aan het uitbreken van de oorlog zo’n half miljoen joden de vlucht namen. De nazi’s bleven joden dwingen te vertrekken, maar pas nadat ze hen van alle bezittingen hadden beroofd. Wie de grens over wilde, mocht niet meer dan tien mark meenemen. In landen als Nederland, België, Frankrijk en Zwitserland probeerden de joden een veilig onderkomen te zoeken of een route te vinden om overzee weg te trekken. Omdat ze met zo velen waren, en haveloos, werden overal de grenzen meer en meer gesloten. Ook Nederland verscherpte de maatregelen. Alleen vluchtelingen uit de grenszone die in prangend levensgevaar waren of Duitse joden die verwanten in Nederland hadden, mochten nog het land in. Er restte joodse vluchtelingen geen andere mogelijkheid dan illegaal te proberen een grens over te steken. ‘Je ziet verschuivingen’, zegt Frank Caestecker: ‘Als het niet lukte in Frankrijk kwamen ze weer in Duitsland terecht. De Duitse politie pakte de joodse vluchtelingen op of zette ze elders over de grens, bijvoorbeeld in Nederland of België, waar ze dan op grenscontroles van Belgen of Nederland botsten.’ Er ontstonden netwerken van mensensmokkelaars die joden illegaal hielpen te vluchten. Het risico bleef groot, want wie de grens over kwam en bij een controle werd opgepakt, kon terug naar Duitsland worden gebracht. Om diplomatieke redenen zette men de vluchtelingen niet over de grens van een lukraak gekozen buurland, want dan zou dat land allicht hetzelfde doen. Illegale joden werden vooral ook als afschrikking voor kandidaat-vluchtelingen naar Duitsland gerepatrieerd.

HET GEWELD van Kristallnacht wekte evenwel ook heel even solidariteit. Nederland besloot op 19 november 1938, tien dagen na Kristallnacht, dat joden die illegaal het land hadden bereikt, konden blijven, al was het oogmerk ze snel te laten emigreren naar een ander land. Er werden vijftienhonderd ongenode vluchtelingen getolereerd. Aanvankelijk moesten ze zich elke dag bij de politie melden, later werden ze onder administratief toezicht geplaatst in vluchtelingenkampen in Veenhuizen en Hoek van Holland. De opvangkosten werden op joodse liefdadigheidsorganisaties verhaald. Er kwam een breed ondersteunde oproep tot donaties en via burgemeesters werd 473.000 gulden ingezameld.

Nederland ondernam ook diplomatieke initiatieven om met andere buurlanden een transitzone in te stellen voor joden die overzee wilden vluchten. Het plan wekte weinig of geen enthousiasme in het buitenland en werd snel in de la gestopt. Het beleid verstrakte daarentegen: Zwitserland en de Scandinavische landen sloten de grenzen, Nederland volgde op 17 december dit voorbeeld. Vanaf dat moment werden joden zonder legale papieren toch teruggestuurd. Op Kerstmis 1938 bracht een bus een eerste groep van zeventig joodse vluchtelingen naar Duitsland. Aan alle grenzen waren er strenge controles om de joodse vluchtelingen tegen te houden. Nederland zette duizend extra grenswachters in, er gingen stemmen op om het aantal tot twintigduizend op te rekken, maar dat gebeurde niet. Wel kwamen er ‘vliegende teams’, die op de meest precaire plaatsen werden ingezet.

Helemaal hermetisch waren de grenzen echter nooit gesloten. Joden stonden onder een te grote druk om Duitsland te verlaten, ze werden opgejaagd. Een aantal mensen bleef het voor hen opnemen en stak de nek uit. Marij Leenders, onderzoeker aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, verwijst naar burgemeester Verbeek die toen aan het hoofd stond van de grensgemeente Dinxperlo. Ondanks de regelgeving van Justitie bezorgde hij eigenhandig verblijfsvergunningen aan joden. Er werd een klacht tegen hem ingediend, maar de rechtbank sprak hem vrij. Uit respect voor het ambt vroeg de burgemeester eervol ontslag. Ontslag kreeg hij, maar niet eervol. In 1990 werd hij postuum gerehabiliteerd.

De jood Karl Grünberg zit tot 30 maart 1938 in Dachau opgesloten. Hij kan vluchten en bereikt illegaal Nederland. In de trein naar Utrecht wordt hij gearresteerd omdat hij een paspoort van een Nederlander gebruikt. Manu militari wordt hij aan Duitsland uitgeleverd, daar komt hij in Buchenwald terecht. Opnieuw slaagt hij erin te ontsnappen, deze keer vlucht hij illegaal naar België. Daar kan hij blijven.

‘IN BELGIË leefde de joodse kwestie veel sterker in de publieke opinie dan elders’, vertelt Frank Caestecker. ‘Dat kwam omdat de uitwijzing van joodse vluchtelingen net voor Kristallnacht op de politieke agenda had gestaan, de meningen waren verdeeld. De bevoegde minister stelde toen dat joodse vluchtelingen geen bescherming nodig hadden, iets wat na Kristallnacht voor een wrange nasmaak zorgde en een virulente discussie op gang bracht.’

Omdat geen enkele Belgische politicus publieke blaam wilde oplopen, werd besloten om illegale joodse vluchtelingen niet langer terug te sturen. Toch zijn er flink wat kanttekeningen te plaatsen bij deze gastvrijheid. De consulaten in Duitsland kregen het advies om zeer stringent om te springen met het verlenen van visa. Aan de Belgische grens werden joden nog steeds met man en macht tegengehouden en teruggestuurd. En net als in Nederland deden de Belgen er alles aan om de joodse vluchtelingen zo snel mogelijk te laten doorreizen.

‘Toch ging het bij de joden als een lopend vuurtje rond dat illegalen in België konden blijven’, zegt Caestecker. ‘Hun aantal nam snel toe, de Belgische regering greep in. Ze vroeg de nazi’s te verhinderen dat joden naar België zouden vluchten. De Duitsers stemden ermee in om joden die geen Belgisch visum hadden en die in de Duits-Belgische grenszone werden aangetroffen, te verhinderen naar België te reizen. De nazi’s wierpen dus ook een barricade op aan hun kant van de grens. Joden moesten vanaf dat moment dus niet alleen de Belgische grenswachters verschalken, maar ook de Duitse.’

‘Dat joden nergens welkom waren, heeft verschillende oorzaken’, stelt Caestecker: ‘Het ging om een totaal verpauperde groep vluchtelingen, ze kwamen met duizenden tegelijk. Bovendien vreesde men voor een aanzuigende werking, want ook in landen als Polen en Hongarije was er een enorme druk op joden. Vergeet niet dat er in 1939 ook een half miljoen vluchtelingen uit Spanje kwamen, waar Franco na de burgeroorlog een dictatuur installeerde.’ Heulden de landen die weigerden joodse vluchtelingen op te vangen indirect en misschien ongewild met nazi-Duitsland? Caestecker: ‘Die uitspraak gaat te ver. Het zijn de nazi’s die joden vervolgden, niet de andere landen. Wel waren verschillende regeringen bereid om met de Duitsers verregaand te onderhandelen over het inkrimpen van de vluchtelingenstroom, eerder dan dat ze pogingen deden om de vervolging aan te klagen. Denk aan het invoeren van de J-pas: alle landen waren daar opgetogen over. En het speelde de nazi’s in de kaart dat de joden nergens welkom waren, het werd tegen hen als argument uitgespeeld en zette de nazi-politiek kracht bij.’

Hij wijst ook op de historische context. Tot voor de Eerste Wereldoorlog kon je in de meeste landen vrij rondreizen en je vestigen. De enige voorwaarde was dat je in je eigen levensonderhoud kon voorzien. ‘In landen als Nederland en België werd na de Eerste Wereldoorlog het algemeen kiesrecht ingevoerd, dat gaf een omvangrijke bevolkingsgroep een stem. De communistische omwenteling in de Sovjet-Unie zorgde voor pleinvrees in het Westen. De overheden wilden daarom hun inwoners een zekere mate van economische bescherming bieden. Er kwamen steeds meer restricties voor buitenlanders, die konden zich niet zomaar meer vestigen en een zaak beginnen. In de jaren dertig was er bovendien de economische crisis, wat nog meer tot protectionisme aanzette. Uitgerekend in die periode begon de vervolging van joden, die een massale stroom straatarme vluchtelingen opleverde. Niemand zag ze graag komen, bovendien werd hun situatie als argument gebruikt om het protectionisme nog aan te scherpen.’

Paul Steiner is een Oostenrijkse jurist en journalist die na de Anschluss in 1938 naar Nederland vlucht, met het vliegtuig. Hij doet zich voor als handelsvertegenwoordiger van een uitgever maar wordt door de grenswachten niet geloofd. Hij heeft een Duits paspoort met een J en wordt gedwongen teruggestuurd naar Wenen. Hij slaagt er later alsnog in om naar Brussel te vluchten en dan naar de Verenigde Staten.

DE VERVOLGING van de joden heeft in 1951 tot de Conventie van Genève geleid. Die beschermt mensen die worden vervolgd op basis van hun geloof, hun politieke overtuiging, hun seksuele geaardheid, hun huidskleur of het behoren tot een sociale groep. Deze bescherming geldt voor individuen en voldeed lange tijd. Er kunnen echter altijd nieuwe motieven ontstaan om te vluchten. Op zulke situaties moet men steeds alert kunnen inspelen, vindt Frank Caestecker: ‘Bij het uitbreken van de oorlogen op de Balkan in de jaren negentig was er een groep oorlogsvluchtelingen die vooral aan de Duitse grens aanklopten. Zij vielen niet onder de Conventie, want ze waren collectief slachtoffer van geweld. Toch werden ze in West-Europa beschermd, maar de beschermingskwaliteit varieerde van land tot land. Duitsland, dat op de weke flank van Europa lag, vroeg om een EU-regeling voor oorlogsvluchtelingen, en die kwam er ook.’
Toch zijn er tegenwoordig nog lacunes: ‘Er is te weinig controle op wat buiten de EU gebeurt. Vanuit bijvoorbeeld Noord-Afrikaanse landen proberen vluchtelingen Europa te bereiken. We weten weinig over hoe vluchtelingen daar worden behandeld. Het lijkt me dat we in mechanismen moeten voorzien om ook die vluchtelingen van een veilige opvang te verzekeren.’

Bootvluchtelingen

Joden die het zich konden veroorloven, probeerden overzee te vluchten, maar ook op andere continenten golden steeds meer restricties. Het verhaal van de Saint Louis is bekend. Het schip voer uit naar Cuba en had vooral joodse vluchtelingen aan boord. Noch in Cuba, noch in de Verenigde Staten mochten ze aan wal. Niemand wou hen opvangen, het schip bleef ronddwalen op zee. Na veel onderhandelingen bleken onder andere België en Nederland bereid een klein deel van de vluchtelingen op te vangen, liefst alleen joden die bereid waren verder te emigreren en dus snel weer het land zouden verlaten. De lotgevallen van de Saint Louis zijn achteraf meermaals beschreven, maar representatief zijn ze niet. Er waren verscheidene schepen met joodse vluchtelingen die meestal geen andere keus hadden dan na lange omzwervingen hun passagiers weer in Duitsland aan wal te zetten.

EINDE ARTIKEL

[10]

WIKIPEDIA

HOLOCAUST

https://nl.wikipedia.org/wiki/Holocaust

[11]

”De misdaden tegen de vluchtelingen gaan ver:Uitzetting naar gevaarlijke landen, de be/mishandeling van de We Are Here Vluchtelingen[vaak niet uitzetbaar, maar toch niet in aanmerking komend voor een verblijfsvergunning],detentie zonder strafbare feiten [de uitzetcentra], de vuile streken van de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Turkije deal, dood door verdrinking in de Middellandse Zee, noem maar op.”

ZIE VOOR ACHTERGRONDINFORMATIE

OF

https://www.dewereldmorgen.be/community/noten-1-t-m-14-bij-adhesiebetuiging-aan-actievoerders-bij-detentiecentrum-rotterdam/

ZIE OOK

WEBSITE ASTRID ESSED/VLUCHTELINGEN

https://www.astridessed.nl/tag/vluchtelingen/

[12]INDYMEDIA.NLMEER DAN 100 MENSEN BIJ DEMONSTRATIE SLUIT DCR: GEEN MENSIS ILLEGAAL
https://www.indymedia.nl/node/49847
ZIE VOOR GEHELE TEKST, BOVENIN ONDER A
EINDE NOTEN, BEHORENDE BIJ ”INLEIDING”
EINDE NOTEN

ADHESIEBETUIGING OP INDYMEDIA.NL

ADHESIEBETUIGING OP INDYMEDIA.NL

INDYMEDIA.NL
MEER DAN 100 MENSEN BIJ DEMONSTRATIE SLUIT DCR: GEEN MENSIS ILLEGAAL
https://www.indymedia.nl/node/49847
[ZIE VOOR GEHELE TEKST, HIERBOVEN]
INDYMEDIA.NL DISCUSSIE
https://www.indymedia.nl/node/49847

https://www.indymedia.nl/node/49854#comment-35163

do, 24/06/2021 – 07:19 — Astrid Essed

ADHESIEBETUIGING MET DE ACTIE!/GEEN MENS IS ILLEGAAL!

ADHESIEBETUIGING MET DE ACTIE/GEEN MENS IS ILLEGAAL

Beste Actievoerders,

Hierbij van mijn kant een warme adhesiebetuiging met de gevoerde
actie bij Deportatiecentrum DCR!
Het komt op het juiste moment, zoals altijd met dit soort acties.
Op een moment, dat de samenleving, zowel in het publieke
als in het politieke, fascisme steeds meer salonhafig gaat vinden, fascisten zelfs
door een Nationaal 4 en 5 Mei als ”inspirerend” worden gezien [1] en dit alles schouder aan schouder gaat met de hetze tegen vluchtelingen, die hand over hand toeneemt en door fascist Wilders in 2015-16 zo verbeten en ”overtuigend” is gevoerd [2]
Maar er is meer dan die hetze tegen vluchtelingen!

Steeds meer worden vluchtelingen gecriminaliseerd, overgelaten aan
de verdrinkingsdood, waaraan met de EU, ook Nederland schuldig is [3],
het recht op asiel geschonden en met voeten getreden!
De Turkije deal ging ons voor [4] en nu al een griezelig begin [want ik
weet bijna zeker, dat andere landen dit ”voorbeeld” gaan volgen] met
de ”Denemarken deal”, waarbij Denemarken zijn asielprocedure uitbesteedt aan
landen buiten Europa! [5]
Daarbij worden niet de minste landen genoemd!
Landen als Egypte. Eritrea en Ethiopie! [6]
Landen waar mensenrechten niet eens een vodje papier zijn,
maar minder dan opstuivend zand!
In Egypte, waar een dictatuur heerst en tijdens die dictatuur
waarschijnlijk al misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd! [7]
Ethiopie, een land waar een genadeloze burgeroorlog woedt en het regime
bommen op woonwijken gooit, etnische zuiveringen uitvoert en op weg is
naar genocide! [8]
Ook Eritrea, de andere ‘partner” in het Tigray conflict, laat zich niet onbetuigd. [9]
Eritrea, waar al jaren een keiharde dictatuur woedt! [10]
En daar moeten asielprocedures plaatsvinden en de mensen het
RECHT hebben in dergelijke dictaturen te wonen!
Nu al heeft Denemarken een overeenkomst met Rwanda tav de
”asielprocedure”, ook zo’n voorbeeld van mensenrechtenhandhaving [11]

De lijst van misdaden tegen vluchtelingen en asielzoekers is lang en somber

Alle verzet tegen deze behandeling van vluchtelingen moet worden aangemoedigd.

DEPORTATIECENTRA IN NEDERLAND

En deportatiecentra zoals DCR blijven deportatiecentra, waar mensen
gevangen gehouden worden zonder het plegen van strafbare feiten, teruggestuurd naar onveiligheid, dictatuur, ellende.

TERUGSTUREN NAAR FOLTERING

En zijn we het vergeten?
Minister Verdonk, die een Afghaanse asielzoeker liet uitzetten, die later in Afghanistan is gedood? [12]
Staatssecretaris Harbers, die een asielzoeker liet uitzetten, die zonder
eerlijk proces levenslang kreeg in Bahrein? [13]
En die Vent, die Harbers, zit vrolijk in de Tweede Kamer, terwijl hij
in feite aangeklaagd had moeten worden, evenals minister Verdonk

DE BEERPUT IS EINDELOOS!

Ik kan nog meer opnoemen, zoals de We Are Here Groep, die al bijna
10 jaar door Amsterdam zwerft zonder perspectief en reeele kans
om een menswaardig bestaan op te bouwen! [14]

Maar ik stop er nu mee, al ben ik de vluchtelingen bepaald niet
vergeten

Deze acties, zoals bij DCR, zijn nodig om op de Muren van de
Politiek te blijven beuken

Zodat de vluchtelingen niet worden vergeten!

WORDT VERVOLGD!

GEEN MENS IS ILLEGAAL

Astrid Essed, for now/https://www.astridessed.nl/tag/vluchtelingen/

NOTEN!

https://www.astridessed.nl/noten-1-t-m-14-bij-adhesiebetuiging-aan-actie…

OF

https://www.dewereldmorgen.be/community/noten-1-t-m-14-bij-adhesiebetuig…

Reacties uitgeschakeld voor Demonstratie op 30 mei bij Detentiecentrum Rotterdam/Adhesiebetuiging Astrid Essed aan de actievoerders

Opgeslagen onder Divers