Maandelijks archief: augustus 2022

[Artikel Peter Storm]/Groot-Britannie: staken tegen duurte en verarming

GROOT-BRITANNIE: STAKEN TEGEN DUURTE EN VERARMING

WEBSITE PETER STORM

Geplaatst op 11 augustus 2022 door egel

donderdag 11 augustus 2022

Groot-Brittannië beleeft een stevige stakingsgolf. Grote aantallen arbeiders hebben de strijd aangebonden met de stijgende kosten van levensonderhoud en eisen flinke loonsverhogingen. Leten we ze alle succes van de wereld wensen. En laten we kijken hoe we in Nederland zoiets ook op gang krijgen. Ook loonstrijd is vrijheidsstrijd, en hard nodig sowieso.

Dat er iets rommelt in de Britse arbeidsverhoudingen bleek al eerder. Flinke spoorwegstakingen dreunden door het land. In juni legden 40.000 spoorwegwerkers het werk neer in enkele 24-uursstakingen. Ze wezen het beschamende bod van de spoorwegbazen af: die bonden 3 procent loo0nstijging, terwijl de inflatie 9 procent bedroeg. Arbeiders zouden daarmee dus in koopkracht hard achteruit gaan.(1) In juli volgde wederom een spoorwegstaking, wederom van rond de 40.000 arbeiders.(2) Het ging om arbeiders die georganiseerd zijn via de vakbond RMT, die in Mick Lynch ook nog eens beschikt in een welbespraakte en relatief strijdbare voorzitter. Kort erna volgde nog een spoorwegstaking, nu van 5000 arbeiders, in het bijzonder machinisten georganiseerd in de vakbond ASLEF. Die dreigen met een 2-procent loonsverhoging – in reële termen dus ook weer een loondaling – te worden afgescheept door de spoorbedrijven. Op het moment dat die staking plaatsvond, stond er voor 13 augustus trouwens alweer een nieuwe gepland.(3)

Maar niet alleen in het vervoer rommelt het. Op 9 augustus 2022 werd bekend dat arbeiders van de Britse posterijen aan het staken gaan. De desbetreffende vakbond CWU heeft 14-uursstakingen aangekondigd voor 16 augustus, 31 augustus, 8 september en 9 september. Hier gaat het om 115.000 arbeiders.(4) We hebben het dus echt over grote stakingen. Het postbedrijf doet alsof het 5,5 procent loonsverhoging biedt. In werkelijkheid gaat het om 2 procent, eventueel aangevuld met 3,5 procent a;s bond en bedrijf het eens zouden worden. Eens waarover? Het postbedrijf wil het werk moderniseren. Ga er maar van uit dat het werk hier niet lichter en niet leuker van wordt… Maar zelfs al zou het om de volle 3,5 procent gaan, dan nog blijft dat achter bij die a inflatie van 9 procent.

Bij spoorwegen en postbedrijf gaat het om reguliere stakingen, via erkende vakbonden. Dat betekent dat ze aan allerlei regels en procedures moeten voldoen om legaal te zijn: Groot-Brittannië heeft een strenge wetgeving om vakbonden in te dammen. Het betekent ook dat arbeiders die langs deze weg staken, feitelijk twee gevechten tegelijk voeren. Een strijd tegen de directies van de bedrijven waar ze werken, om de geëiste loonsverhoging binnen te halen enerzijds; een strijd tegen de beroepsbestuurders van hun eigen vakbonden, om te voorkomen dat die achter de rug van arbeiders om een halfzacht compromis met de bedrijven sluiten.

Vakbondsbestuurders hebben het sluiten van zulke compromissen als core business, onderhandelen is hun vak, strijd willen ze slechts als onderhandelingen te weinig opleveren. Maar wat voor bondsbestuuders nog aanvaardbaar is, is dat voor arbeiders helemaal niet automatisch. En het zijn die arbeiders, niet de bondsbestuurders, die met het compromis moeten leven in hun portemonnee. Naast een gevecht tegen de bazen is er onder de oppervlakte ook een strijd tussen arbeiders en vakbondsbestuurders rond de zeggenschap over de staking zelf en van haar resultaat. Vakbondsstakingen verdienen dan ook enthousiaste steun en deelname, maar tegelijk ook zelforganisatie van arbeiders, zodat ze zo min mogelijk afhankelijk zijn van de bondsbestuurders.

Maar er vinden niet alleen vakbondsstakingen plaats! In diverse bedrijfstakken zijn wilde stakingen op gang gekomen, werkonderbrekingen die niet door en via reguliere vakbonden zijn georganiseerd. De website Notes From Below heeft een tweetal verslagen van zulke stakingen die in de eerste week van augustus 2022 plaatsvonden in magazijnen van het digitale winkelbedrijf Amazon.(5) Het management bood arbeiders in twee vestigingen belachelijk lage loonsverhogingen. Die waren de directe aanleiding voor de stakingen, maar de arrogante en intimiderende houding van het management maakte de arbeiders ook kwader.

En op 10 augustus 2022 meldde The Guardian weer een ‘onofficiële’ – dus wilde – staking, nu bij een olieraffinaderij in Grangemouth, in Schotland. Aactievoerende arbeiders blokkeerden daar geruime tijd een toegangsweg weg bij die raffinaderij. De arbeiders werken voor het bedrijf Ineos, maar staan in dienst vak een soort koppelbazen, niet van Ineos zelf. Ook hier is de inzet: loon. Arbeiders willen daarover in gesprek. Ze kregen een bod van 2,5 dit jaar en 2,5 volgend jaar voorgeschoteld. Nogmaals: de inflatie is 9 procent. En die kan nog verder oplopen. Logisch dat ze gaan staken om dat bod een flink eind omhoog te krijgen.

Dit soort wilde stakingen zijn belangrijk en bewonderenswaardig. Arbeiders nemen immers ene risico, want zulke stakingen voldoen helemaal niet aan de strenge wettelijke voorschriften en zijn dus illegaal. Het gaat niet via de vakbond, en daarmee moeten arbeiders het dus echt hebben van hun eigen kracht, een van solidariteit. Precies daar ligt echter juist ook een kracht van wilde stakingen. Het is veel meer directe actie dan een via de vakbond gereguleerde staking, vooral zolang de bondsleiding daar de grip op weet te houden.

Maar bondsstaking of wilde staking: in beide gevallen gaat het om belangwekkende strijd die onze solidariteit waard is. Het zijn voorbeelden van een strijd tegen een verarming die arbeiders via prijsstijgingen wordt opgedrongen. Zulke prijsstijgingen zien we in Nederland ook, zulke verarming treft in Nederland ook arbeiders. Het kan beslist geen kwaad als ook in Nederland arbeiders het stakingswapen weer eens in volle stevigheid hanteren en daarbij van maximale solidaire ondersteuning worden voorzien van iedereen die weet aan welke kant die staat.

Noten:

1 ‘Biggest railway strike in 30 year4s strands commuters in UK’, Aljazeera, 21 juni 2022, https://www.aljazeera.com/news/2022/6/21/biggest-railway-strike-in-30-years-strands-commuters-in-britain

2 ‘UK workers stage nationwi9de rail strijke as inflation worsens’, Aljazeera, 27 juli 2022, https://www.aljazeera.com/news/2022/7/27/uk-railway-workers-stage-nationwide-strike-as-inflation-worsens

3 ‘Britain’s trains disrupted in second widespread strike in a week’, Aljazeera, 30 juli 2022, https://www.aljazeera.com/news/2022/7/30/britains-trains-disrupted-in-second-widespread-strike-in-a-week

4 ‘Royal Mail staff to stage four-day strike action’, BBC News, 10 augustus 2022, https://www.bbc.com/news/business-62485314

5 An anonymous Amazon worker, ‘Wildcat strike at Amazon’, Notes from Below, 5 augustus 2022, https://notesfrombelow.org/article/wildcat-strike-amazon en An anonymous Amazon worker in Coventry, ‘How the Amaon wildcats spread’, Notes from Below, 7 augustus 2022, https://notesfrombelow.org/article/how-amazon-wildcat-spread

6 Joanna Partridge, ‘Workers block road at Ineos Grangemouth oil refinery in pay dispute’, The Guardian, 10 augustus 2022, https://www.theguardian.com/business/2022/aug/10/ineos-grangemouth-oil-refinery-pay-dispute-strikes-inflation

Peter Storm

Reacties uitgeschakeld voor [Artikel Peter Storm]/Groot-Britannie: staken tegen duurte en verarming

Opgeslagen onder Divers

Artikel Frontaal Naakt/[Peter Breedveld]/Ik wil de aarde wel redden, maar geen leven van grauwe vreugdeloosheid

IK WIL DE AARDE WEL REDDEN, MAAR GEEN LEVEN VAN GRAUWE

VREUGDELOOSHEID

WEBSITE FRONTAAL NAAKT

https://www.frontaalnaakt.nl/archives/ik-wil-de-aarde-wel-redden-maar-geen-leven-van-grauwe-vreugdeloosheid.html

Rabobank-econoom Barbara Baarsma pleit voor een persoonlijk CO2-budget, een maximale hoeveelheid CO2 die je mag uitstoten. Als je het maximum hebt bereikt, mag je niet meer vliegen en vlees eten. Maar de uitstootrechten zijn verhandelbaar, dus je kunt iemand, die niet vliegt en geen auto heeft, vragen jou haar/zijn/hun uitstootrechten te verkopen, zodat je alsnog twee keer per jaar naar Bali kunt.

Dat is dus de Rabobank, die het boerenbedrijf gemaakt heeft tot wat het nu is: een grootschalige moloch die de aarde verkracht en alles wat erop leeft, en die weigert boeren, die duurzaam produceren, te helpen met de financiering daarvan. Laat het aan zo’n bank over om van de klimaatramp een handelsartikel te maken, en zo de kloof tussen arm en rijk te vergroten. “Zeg Piet, ik ben hard aan vakantie toe omdat ik zo geweldig veel verantwoordelijkheid heb en vanuit mijn superbelangrijke positie welvaart en werkgelegenheid creëer, maar ik ben al wezen bergwandelen in Peru, dus mijn CO2-budget is op. Jij hebt toch geen geld voor een vliegreis, dus waarom verkoop je mij jouw uitstootrechten niet?”

Volgens mijn Twitter-vriend Sander Schimmelpenninck is Baarsma’s voorstel een pleidooi voor nivellering; dit is toch maar mooi een kans voor de arme sloeber om een extra zakcentje te verdienen. Ik zie het als een vernederende vorm van uitbuiting. Stel je ook deze situatie voor: jouw baas wil een tweede keer naar Bali, hij weet dat jij nog niet op vakantie bent geweest. “Zeg Anne-Fleur, als jij mij jouw uitstootrechten nou eens verkoopt. Pardon, je wilt zelf nog met het vliegtuig? Heb je het eigenlijk nog wel naar je zin bij onze organisatie?”

Bleekselderij knagen

Wie tegen dit onzalige plan is, wil volgens Sander, en ook volgens aardig wat traditioneel-linkse mensen in mijn bubbel, zijn levensstijl niet veranderen en is dus niet echt geïnteresseerd in het voorkomen van de totale vernietiging van de aarde. Ik denk dat veel mensen gaarne bereid zijn om hun levensstijl te veranderen, maar dat ze er het heil niet van inzien als zij op fietsvakantie in eigen land moeten en kikkererwten en bleekselderij moeten knagen terwijl de grootindustriëlen de lucht blijven volpompen met CO2, hun chemisch afval lozen in onze rivieren en onze bodem vergiftigen, en tussendoor de patser uithangen op Bali en Mauritius. Ga achter de bedrijven aan in plaats van de consumenten, schreef ik al twee keer eerder. Zeventig procent van alle vervuiling op de wereld wordt veroorzaakt door honderd bedrijven. Maar de Marie-Antoinettes van deze wereld kunnen niet slapen omdat Piet twee dagen achter elkaar een gehaktbal eet en eens per jaar naar de Turkse Riviera vliegt met een prijsvechter.

Terwijl de multinationals constant profiteren van elke crisis, zelfs recordwinsten boeken, moet keer op keer op keer de consument de rekening betalen. Een pervers systeem van uitbuiting waar zo snel mogelijk een einde aan moet komen. “Vakantie vieren is geen grondrecht”, hoor je veel mensen zeggen. Maar dat is het boeken van exorbitante bedrijfswinsten ook niet. Zelfs degenen die ageren tegen het neoliberalisme weten zichzelf niet los te wrikken uit het neoliberale frame dat De Markt een God is aan wie constant offers moeten worden gebracht om onheil en rampspoed af te wenden. Fout, De Markt is een Minotaurus die getemd moet worden. Banken en multinationals zijn gewoon deel van onze samenleving en zijn dus ook verantwoordelijk voor het welvaren ervan. Dat het kennelijk als normaal geldt dat een bedrijf als Shell hele landen destabiliseert, daar heb ik nooit iets van begrepen.

Mensen die zeggen dat wij onze levensstijl moeten veranderen, zijn meestal mensen die hun eigen levensstijl niet veranderen. Het zijn dezelfde mensen die tijdens de coronacrisis vanuit hun grote huizen met grote tuinen vanachter hun Apple-computers zeiden dat we allemaal in hetzelfde schuitje zaten.

Vegetarische tonijn

Tuurlijk, alles moet anders, er is haast bij. We moeten minder vlees eten, van onze zuivelverslaving af en minder vliegen. Consuminderen zou ook onze psyche veel goed doen. Maar wat krijgen we ervoor terug? Kamperen op een grasveld in Boerenlullenscha en hardop zeggen dat volkoren pasta met vegetarische tonijn best heel lekker is, dat je overal even aan moet wennen? Het probleem is dat het veranderen van de levensstijl voor mensen met een normaal kutsalarisje een leven van totale vreugdeloosheid betekent, en ik vind het niet raar dat weinigen daar zin in hebben.

Dat hoeft overigens niet. Een actieve overheid kan het afschaffen van vliegreizen pijnloos maken, door te investeren in goed en betaalbaar openbaar vervoer. Dat treinreizen in Europa nog steeds zo’n bezoeking is, en peperduur bovendien, is een brevet van onvermogen voor onze beleidsmakers. En het kan, kijk maar naar Japan, waar je comfortabel en snel van de ene kant naar de andere kant van het land reist, genietend van een bentobox vol heerlijke verrassingen. Ik kan alleen maar concluderen dat Europa gewoon niet wil, omdat Europa het schandknaapje is van de olieindustrie.

Opium verbouwen

Ik bedoel, we komen nu in financiële moeilijkheden vanwege de achterlijk hoge gasrekening, niet lang nadat Domrechts een loeiagressieve campagne voerde tegen het plan om alle huishoudens van het gas af te krijgen. De Telegraaf, Elsevier, de rechtse partijen in het parlement, allemaal waren ze tegen want dat plan zou, jawel, te duur zijn. We willen onze levensstijl wel veranderen, maar we worden gedwongen om gas af te nemen, zoals de Chinezen in de koloniale tijd werden gedwongen opium te verbouwen en te consumeren.

Wil je de aarde redden? Bouw dan de olieindustrie in rap tempo af. Het kan en het moet. Zorg voor alternatieven, voor goed openbaar vervoer, voor duurzaam vlees, duurzame vis. Laat je niet paaien door een miljardenbedrijf als Shell, dat in een actualiteitenprogramma zonder enig kritisch weerwoord mag opsnijden over de fooi die het besteedt aan alternatieve energie.

Maar rijke stinkerds gaan liever achter de gehaktbal van Piet aan, omdat ze hun levensstijl niet willen veranderen.

Reacties uitgeschakeld voor Artikel Frontaal Naakt/[Peter Breedveld]/Ik wil de aarde wel redden, maar geen leven van grauwe vreugdeloosheid

Opgeslagen onder Divers

[Artikel Peter Storm]/Tijd voor solidaire hitteplannen

De hitte, thermometer toont de temperatuur in de hemel, de Zomer heet is vector illustratie

TIJD VOOR SOLIDAIRE HITTEPLANNEN

WEBSITE PETER STORM

zaterdag 13 augustus 2022

Het is tijd voor onz eigen solidaire hitteplannen. Voor nu, en voor komende jaren waarin hittegolven als de huidige steeds harder zullen toeslaan. Mensen die op een plek werken waar het te warm is, zouden aan die elleende samen paal en perk aan dienen te stellen. Hoe?

Spreek met betrouwbare collega’ s een maximum werktemperatuur af. Laten we zeggen: 25 graden. Deel de baas mee: boven die temperatuur doen wij gewoon niets. Maak een flyer met precies deze eis en deel die uit aan al je collega’s. Wordt het dan 25 graden? Dan legt het groepje betrouwbare collega’s het werk demonstratief neer, en moedigt de andere collega’s om zich daarbij aan te sluiten.

Hoe weet je dat het 25 graden is? Zorg dat er een goede thermometer hangt op de werkplek, op kosten van de baas. Wil de baas niet meewerken? Dan neemt die baas jullie arbeidsomstandigheden en welzijn dus niet serieus. Dat is al een reden om actie te gaan voeren. ‘Geen thermometer? Geen productie!’

In het verlengde liggen grotere zaken. Keer op keer een werkonderbreking als de afgesproken maximumtemperatuur bereikt wordt op het werk, wordt een beetje vermoeiend. We gaat toch ook niet elke dag staken om onze allang toegezegde vrije tijd te kunnen hebben? Koelte op het werk hoort gewoon bij adequate arbeidsvoorwaarden.

De eis wordt dan: dwing de baas die maximumtemperatuur te erkennen als grond op het werk stil te leggen. Boven de 25 graden gaat het kantoor of het magazijn gewoon dicht, terwijl het personeel wordt doorbetaald. Hitteverlof als gangbaar deel van onze arbeidsvoorwaarden. Vroeger hadden we vakbonden om zoiets te regelen. Misschien dat arbeiders in en om arbeidersinitiatieven zoals Solidariteitsnetwerk Vloerwerk(1), Radical Riders(2) en Horeca United(3) met dit type van eisen aan de slag kunnen? Nieuwe krachtenbundelingen en initiatieven kunnen natuurlijk ook, speciaal rond het thema: te warm? Werkweigering? Samen natuurlijk, zodat de baas je niet 1 voor 1 er uit gooit..

Voor onderwijs kan iets dergelijks gelden, Nu zijn leerlingen nog vakantie aan het vieren, maar het nieuwe schooljaar staat op uitbreken als ware het en volgende pandemie. En ik lees iets over de dreiging van een nieuwe lading warm weer op komst, achter in augustus. ‘Richting het eind van de maand is een nieuwe opstoot van (zeer) warme lucht niet uitgesloten’, lees ik op Weerplaza.(4) Dat wordt puffen in de klas. Les volgen in lokalen waar het 27 gaden is, dat is geen doen. Ik zie niet in waarom scholieren dat zouden accepteren, en hetzelfde geldt trouwens ook voor docenten.

Wat voor werkplekken geldt, kan ook hier worden doorgevoerd: een maximumtemperatuur afspreken met een stelmensen,gevolgd door collectieve weigering om lessen te volgen of te geven zodra die temperatuur wordt gehaald. Lesboycot annex docentenstaking dus. Met in het verlengde de eis dat scholen sowieso de lessen stilleggen als de temperatuur boven de afgesproken norm komt.

‘Maar er is toch airconditioning?’ hoor ik al iemand tegenwerpen. Ja, zoiets bestaat, en je krijgt er ruimtes mee koel. Maar die dingen slorpen energie, en de koelte binnen vertaalt zich elders als warmte-uitstoot. Het gebruik van die dingen dient helemaal niet te worden aangemoedigd, integendeel! Waar het gaat om kantoren, winkels, scholen, magazijnen, daar geldt: als de keus is tussen airco aan of het werk stilleggen, daar leggen we het werk dus stil. Airco’s reserveren we dan voor plekken waar het werk echt niet stil mag komen te liggen, waar ernstige gezondheidsrisico’s gelden en dergelijke. Dan hebben we het over ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen en dergelijke. Airco’s daar, en verder eigenlijk op zo min mogelijk plekken.

Op bovenstaande aanpak zijn natuurlijk aanvullingen en variaties mogelijk. Buitenwerk in de bakkende zon hoeven we ook zomaar niet te pikken. De norm dient te worden: is het te warm? Dan werken we niet! Geen inzet van klimaatdestructieve technologie om ons koste wat kost aan het werk of bij die vervelende les te houden. Die les kan wachten, het overgrote deel van al dat werk eveneens, voor zo ver het al enig nut heeft. Ons welzijn wacht echter niet, en het klimaat al evenmin. Het is tijd voor eigen solidaire hitteplannen.

Noten:

1 Solidariteitsnetwerk Vloerwerk, https://vloerwerk.org/

2 Radical Riders, https://radicalriders.nl/nl/radical-riders-de-onafhankelijke-vakbond/

3 Horeca United, https://horeca-united.nl/

4 Wilfred Jansen, ‘Modelbespreking: houdt de hittegolf ondanks buien lang aan?’ 12 augustus 2022, https://www.weerplaza.nl/weerinhetnieuws/modelbespreking/modelbespreking-houdt-de-hittegolf-ondanks-buien-lang-aan/7796/

Peter Storm

Reacties uitgeschakeld voor [Artikel Peter Storm]/Tijd voor solidaire hitteplannen

Opgeslagen onder Divers

Standbeeld Johannes van den Bosch onthuld/Koloniale Schurk met bloed aan zijn handen, maar ook in Nederland!

File:Johannes van den Bosch.jpeg
https://en.wikipedia.org/wiki/File:Johannes_van_den_Bosch.jpeg
Johannes van den Bosch in het brons met daarnaast nazaat Otto van den Bosch en kunstenaar Herma Schellingerhoudt

Johannes van den Bosch in het brons met daarnaast nazaat Otto van den Bosch en kunstenaar Herma Schellingerhoudt© RTV Drenthe / Dylan de Lange
https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/14765759/johannes-van-den-bosch-eindelijk-vereeuwigd-in-frederiksoord

STANDBEELD KOLONIALE SCHURK JOHANNES VAN DEN BOSCH,

GEFLANKEERD DOOR TROTSE NAZAAT EN MAAKSTER VAN HET STANDBEELD EN BEWONDERAARSTER HERMA SCHELLINGERHOUDT

Johannes van der Bosch in boevenpak. Albert Hendriks

https://steenwijkercourant.nl/regio/Beeld-van-Johannes-van-der-Bosch-in-boevenpak-zorgt-voor-incident-in-Frederiksoord.-%E2%80%98Ik-geloof-niet-in-toeval-dit-was-uitgelokt-een-provocatie-27788518.html

JOHANNES VAN DEN BOSCH IN BOEVENPAK!

STANDBEELD JOHANNES VAN DEN BOSCH ONTHULD/KOLONIALE

SCHURK MET BLOED AAN ZIJN HANDEN, MAAR OOK IN NEDERLAND!

BRIEF AAN GEMEENTE WESTERVELD

[Waaronder Frederiksoord waar het standbeeld is onthuld,valt]

AAN

GEMEENTE WESTERVELD

[Mocht u in tijdnood zijn, dan kunt u direct doorscrollen naar mijn

Eis aan uw adres]

Onderwerp:

Onthulling van het standbeeld van Johannes van den Bosch op

25 juni 2022 in Frederiksoord, vallend onder Gemeente Westerveld

Geacht Gemeentebestuur

Geachte Gemeenteraadsleden

”Namens De Nederlandsche Bank bied ik hiervoor vandaag excuses aan. Excuses aan alle nazaten van slaafgemaakten in Nederland, in Suriname, in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in Aruba, Curaçao en Sint Maarten

Namens De Nederlandsche Bank bied ik hiervoor vandaag excuses aan. Excuses aan alle nazaten van slaafgemaakten in Nederland, in Suriname, in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Excuses aan alle mensen die door de persoonlijke keuzes van ook mijn voorgangers herleid werden tot hun huidskleur. Tot een bedrag. Tot handelswaar op een inventaris. Excuses aan alle mensen die vandaag nog steeds de gevolgen hiervan dragen.”

[1]

U zult zich afvragen, Waarde Gemeenteraadsleden, waarom ik mijn brief, naar aanleiding van

de onthulling van het standbeeld van koloniale voorman Johannes

van den Bosch [2] met dit citaat begin.

Welnu, omdat met het aanbieden van excuses aan de tot slaaf gemaakten,

,de Nederlandsche Bank middels een speech op Keti Koti [Jaarlijkse

Herdenking Afschaffing Slaverbij in de ”Westindische” kolonieen] [3]

haar morele verantwoordelijkheid heeft genomen en heeft toegegeven:

”Onze voorgangers zaten gruwelijk fout en waren verantwoordelijk

voor een Internationale Misdaad”

Zo doen beschaafde mensen dat.

In het onder uw Gemeente [en daarmee bent u dus medeverantwoordelijk!]

ressorterende dorp Frederiksoord is echter het tegenovergestelde gebeurd

en dat is des te verbijsterender, omdat wij niet meer eind 19e Eeuw leven,

toen een standbeeld voor de koloniale massamoordenaar J.P. Coen

werd onthuld [4].

Maar dat  in deze tijd, anno 2022, pak weg een week

voordat het hoogste financiele Orgaan van de Nederlandse Staat,

de Nederlandse Bank [5], de morele moed heeft opgebracht om haar Hand in

Eigen Boezem te steken en haar betrokkenheid bij de Internationale

Misdaad, de Slavernij, te erkennen en te veroordelen [6], in Frederiksoord

juist een standbeeld is onthuld van een grote koloniale Schurk, Johannes van

den Bosch! [7]

Maar Van den Bosch was niet alleen een koloniale misdadiger, ook

in Nederland heeft hij veel Kwaad gedaan.

Daarover straks meer

Nu eerst

JOHANNES VAN DEN BOSCH, KOLONIALE MISDADIGER

Johannes van den  Bosch, naast vele functies [waaronder generaal,

minister van Kolonieen, commandant van het Nederlands-Indische leger]

Gouverneur Generaal van het toenmalige Nederlands-Indie [Indonesie dus] [8]

was verantwoordelijk voor de oprichting van het zogenaamde ”Cultuurstelsel” [9] een dwangarbeiderssysteem, waarbij de inheemse boeren verplicht waren

als een soort ”pacht”, maar liefst 20 procent van hun grond te gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt.[10]

Al deze producten werden door de Nederlandsche Handelsmaatschappij

[11] in Europa verkocht en geveild. [12]

Pure afknijperij en machtsmisbruik dus.

Maar alsof dat nog niet erg genoeg was, heeft onderzoek uitgewezen, dat

tussen 1834 en 1879, dit ”Cultuurstelsel Grapje” op Java heeft geleid tot

een aanzienlijke sterfte onder de bevolking. [13]

Zie maar eens naar de onderzoeksresultaten, onder noot 14 ! KORTOM:Een misdadige operatie dus, een grootschalige Moordpartij.En van een dergelijke Misdadiger is er recentelijk een standbeeld onthuld.Schaamt u zich niet!
En kom me niet aan met het Verhaaltje, dat u van bovengenoemde feiten niet geheel op de hoogte was.Ze zijn algemeen bekend en het is uw taak, als Bestuurders, om opde hoogte te zijn!
Overigens, ook in het toenmalige ”Nederlands West Indie” [het huidige Suriname, waar van den Bosch heeft geopereerd] [15] wasdeze meneer Johannes van den Bosch actief, maar in tegenstelling tot wat wel wordt beweerd [16], was hij niet voor afschaffing van de slavernij [17]-ook al heeft hij wel in zoverreverbetering in de positie van tot slaaf gemaakten gebracht, dat zij niet langer als ”Zaken” maar als ”Personen” werdenbeschouwd, zoals vastgelegd in het door Van den Bosch in 1828 tot standgebrachte ”Reglement op het beleid der Regeering van de Nederlandsch West Indische Bezittingen, artikel 117  [18]
Zie ook over van den Bosch’s operaties in Suriname, noot 19, waarindoor Surinamist Ellen Neslo terecht wordt opgemerkr”

Van den Bosch keek dus naar de centjes. Neslo: “Als het alleen maar om de menslievendheid te doen was, had hij zich wel harder gemaakt voor afschaffing van de slavernij.” [20]JOHANNES VAN DEN BOSCH/NAAST KOLONIALESCHURK, SCHURK IN NEDERLAND
Nu kom ik toe aan de redenen van de onthulling van zijnstandbeeld, de zogenaamde ”liefdadigheid” of ”menslievendheid” die hij in Nederland verricht zou hebben[21]Ik noem het het Kwaad, dat hij in Nederland heeft verricht!Toelichting!
In 1818 werd de Maatschappij der Weldadigheid door Johannesvan den Bosch en anderen met als voorgegeven doel om de armen de kans te geven een beter bestaan op te bouwen. [22]Voorgegeven zeg ik met opzet, zoals zal blijken.Van den Bosch was van mening, dat 

 “arbeid, onderwijs en onderhoud” de armen zal verheffen “tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid” [23]De ”Maatschappij van Weldadigheid” 

sticht zeven Koloniën van Weldadigheid In het oosten van Nederland en wat nu de Belgische Kempen zijn. 

In Drenthe worden twee ”vrije kolonieen” gesticht en een 

”onvrije” [24]

De naam zegt het al:

Naar die vrije kolonieen gingen de mensen [armen, bedelaars,etc] ”op basis van vrijwilligheid en de onvrije

kolonie was een strafkolonie [25]

In de koloniën krijgen weeskinderen, arme gezinnen en bedelaars een dak boven hun hoofd en leren ze om het land te bewerken. [26]

Het leek dus [op die ”onvrije kolonies” na] zo mooi en ideaal

Maar de praktijk was wel anders:

Het leven en de omstandigheden waren niet alleen hard,

het sterftecijfer hoog [27],

het systeem zelf was kwaadaardig:

Niet alleen moesten mensen keihard werken op het land,

ze begonnen al met een schuld aan de Maatschappij, die ze geacht werden met hun eigen landbouwopbrengsten af te lossen, wat maar weinigen lukte [27], wat dus neerkomt op

een plat dwangarbeiderssysteem [28]En op die ”vrijwillige gang” naar die ”vrije koloniesviel ook nog wel wat op af te dingen [29]

En daarvoor krijgt deze meneer van den Bosch een standbeeld?

Het is ongelooflijk en dat in deze tijd!

EPILOOG

Ronduit een Schande dus, Gemeenteraadsleden, dat krap een week voordat de Nederlandse Bank haar excuses aanbood

over het slavernijverleden [30] er in uw Gemeente een

beeld wordt onthuld van een uitgesproken koloniale Schurk en

Misdadiger, die in het toenmalige Nederlands-Indie

[Indonesie dus] verantwoordelijk was voor misdadige

dwangarbeid.

Lees de noten nog maar eens over en zie bijgevoegde noot 31!En ook in Nederland was hij verantwoordelijk voorgrootschalige dwangarbeid, daarvoor beloond met een Standbeeld…..

En kom me niet aan met het Verhaaltje, dat je het ”In zijn Tijd” moet zien, want tegen zijn koloniale misdadigerspraktijken

was ook ” die Tijd” al verzet!

Ten eerste wordt dat standbeeld over deze Schurk NU

onthuld, anno 2022

Ten tweede was er ”in die Tijd” wel degelijk verzet tegen

dat Cultuurstelsel

Ik citeer koloniaal hervormer de liberaal Wolter Robert van

Hoevell [32] uit een toespraak:

Volk van Nederland, brandt u geen bloedschuld op het geweten? (…) Twee eeuwen lang heeft daar (op Java) uwe vlag gewapperd; twee eeuwen lang hebt gij er den scepter der overheersching gezwaaid; millioenen en millioenen zijn van de handenarbeid der inboorlingen in uwe schatkist gevloeid (…) en niets hebt gij hun teruggegeven (…)” [33]

En met van Hoevell, anderen [34]

Schrijver Multatuli [Eduard Douwes Dekker] was een belangrijk verzetsman tegen deze uitbuitings’

politiek [35] en als reactie op praktijken als van Johannes van den Bosch werd

de ethische politiek ontwikkeld [36] met in ieder geval het besef, dat er oog moest zijn voor ”de belangen van de inheemse bevolking” [37]

VERZET TEGEN HET BEELD!

Maar tegen Onrecht is altijd verzet!

Daarom veel waardering voor het protest van activisten, die het Standbeeld

van Johannes van den Bosch een Boevenpak aantrokken [38]

Dat in schril contrast tot de beeldhouwster van het Standbeeld, dat zich in

een interview bewonderaar toonde van dwangarbeid en de koloniale wandaden van Johannes van den Bosch op geen enkele manier veroordeelde

[39]

Je zal maar zo’n raar wereldbeeld hebben……………

Ook haalt ze haar neus op voor de critici van het beeld

Ik citeer:

”Johannes van den Bosch heeft ook een donker verleden. Als gouverneur-generaal verplichtte hij de bevolking van Nederlands-Indië om gewassen voor de regering te verbouwen. Tegenwoordig worden standbeelden van personen uit die tijd daarom in twijfel getrokken. Toch houdt dat de kunstenaar niet tegen: “Lekker puh. Dat is wat je doet als kunstenaar. Als iedereen zegt dat je het niet moet doen, moet je het juist doen”

[40]

Ik kan dat niet anders uitleggen dan als affiniteit met/in ieder geval geen afkeuring van zijn koloniale visie

In een ding heeft de kunstenares mi WEL gelijk met haar opmerking:

””Wij doen het tegenwoordig ook niet veel beter. Misschien praten ze ook wel zo over ons over 200 jaar.” [41]

Ja, maar dat is geen reden om een koloniale Schurk uit het

verleden te vereeuwigen.

EIS

Ik eindig met een eis aan uw adres, wat u waarschijnlijk

wel heeft zien aankomen

Dit standbeeld is onthuld in Frederiksoord, op locatie van een

van de voormalige strafkolonieen van Johannes van den Bosch.

Een klap in het gezicht van al die armen, arbeiders, bedelaars enook weeskinderen, al die bezitlozen, die daar zijn onderdrukt
Maar ook een klap in het Gezicht van die duizenden Javaanse boeren, die onder zijn Cultuurstelsel zijn uitgebuit en massaalzijn omgekomen
Frederiksoord maakt deel uit van uw Gemeente
Het lijkt mij daarom een zaak van doodnormaal Fatsoen,als u dat Standbeeld, dat een belediging is voor de Vrijheidvan ieder mens, zo snel mogelijk neerhaalt, voor anderenu voor zijn.
En dat u uw excuses aanbiedt aan de nazaten van de onderdrukte Javaanse boeren EN de Nederlandse arbeiders,die hebben geleden onder zijn kwade regime.
Doet u dat niet, dan hou ik u moreel medeverantwoordelijk
Ik heb gezegd
Vriendelijke groeten
Astrid Essed

Amsterdam 
NOTEN
VOOR UW GEMAK HEB IK DE NOTENIN LINKS ONDERGEBRACHT
NOTEN 1 T/M 10

NOTEN 11 T/M 13

NOOT 14

NOTEN 15 T/M 18

NOTEN 19 T/M 23

NOOT 24

NOTEN 25 T/M 28

NOTEN 29 T/M 37

NOTEN 38 T/M 41

Reacties uitgeschakeld voor Standbeeld Johannes van den Bosch onthuld/Koloniale Schurk met bloed aan zijn handen, maar ook in Nederland!

Opgeslagen onder Divers

Noten 38 t/m 41/Crimineel Johannes van den Bosch

[38]


DOORBRAAK.EU

#BEELDENSTORM-VAN DEN BOSCH KRIJGT BOEVENPAK: HIJ

IS EEN KOLONIALE CRIMINEEL EN VERDIENT GEEN STANDBEELD

(VIDEO)

29 JUNI 2022

Gisteravond hebben activisten van Doorbraak het splinternieuwe beeld van Johannes van den Bosch in Frederiksoord een nieuwe outfit gegeven: een boevenpak. Want Van den Bosch was een uitbuiter, die in Nederland talloze mensen aan de dwangarbeid zette, en in Indonesië nog meer mensen de hongerdood in dreef.

Het is onbegrijpelijk dat een man die zoveel bloed aan zijn handen heeft, geëerd wordt met een standbeeld. Zijn beeld moet verwijderd worden, en we moeten hem herinneren voor wat hij was: een internationale en koloniale crimineel.

De Maatschappij van Weldadigheid, die Van den Bosch oprichtte, omvatte een aantal “kolonies” waar bedelaars, landlopers, zieken, “onwilligen” en andere arme mensen te werk werden gesteld. Om er te werken moesten ze zich in de schulden steken en dwangarbeid verrichten om daar weer uit te komen. Velen werden er ziek, gingen er dood en werden anoniem in massagraven gedumpt.

In voormalig ‘Nederlands-Indië’ voerde hij het “cultuurstelsel” in. Indonesische boeren werden, met de lokale elite als tussenpersoon, gedwongen om een deel van de opbrengsten van hun land af te staan aan de Nederlandse staat. De gevolgen voor de boeren waren uiteraard desastreus. Uitbuiting, dwangarbeid, slavernij, honger en hongersnoden. Alleen al bij de hongersnood in Demak en Grobogan, mede het gevolg van het “cultuurstelsel”, kwamen 83.000 mensen om. Deze gevolgen waren destijds ook al bekend, maar Van den Bosch negeerde ze. Een volle schatkist ging voor hem boven mensenlevens.

We roepen iedereen op om ook mee te doen aan de dekoloniale #beeldenstorm, bij het beeld van Van den Bosch of ergens anders! Zoek een beeld, monument, straat, of een andere koloniale verwijzing in je buurt en leef je creativiteit uit! Pak het in in een vuilniszak (zoals we eerder in Leiden deden), plak er stickers op, krijt er op of er omheen, ga er met een spandoek bij staan, geef het een nieuw pak, of bedenk iets anders creatiefs. En maak er een filmpje van en deel dat onder de hashtag #beeldenstorm of stuur het aan ons zodat wij het kunnen delen. Wij zullen de komende tijd zelf ook vaker zulke filmpjes maken!

#Beeldenstorm
#BlackLivesMatter
#DekoloniseerJeStad
#FuckNationalisme
#StopSchurkenVerering

Doorbraak

Journalist bedreigd bij in boevenpak gekleed standbeeld

Overigens werden het boevenpak en protestbord dezelfde avond nog verwijderd door de opgefokte Bob Veldman, bestuurder van de Maatschappij van Weldadigheid en eigenaar van het te koop staande monumentale postkantoor naast het hotel. Die was naar verluidt getipt door iemand die langs het beeld was gefietst. Hij was er meteen op afgegaan. Ter plekke zag hij dat reporter Albert Hendriks van Fries Nieuws het aangeklede beeld stond te fotograferen. Veldman dreigde hem neer te slaan. “Ik sla je op je bek. Verwijder de foto’s. Als ik ook maar iets zie, dan hang je.”

Volgens Hendriks “rukte hij woest het boevenpak van het kunstwerk. Het koloniale bloed kolkte door zijn aderen. Toen hij zag dat ik foto’s van zijn actie maakte, en ik zei dat ik journalist was, bedreigde hij mij nog net niet met de dood.” En: “Hij wou mijn camera hebben, maar mijn koele Friese Grutte Pier blik, en niet te vergeten uitstraling, waren voldoende voor hem om al vloekend en dreigend naar zijn postkantoor terug te keren.”

Over de actie zei de journalist: “Ik kan me nu best voorstellen dat mensen, wier etnische achtergrond in Indonesië ligt, bedenkingen hebben bij de verheerlijking van Hollandse regenten als Van den Bosch, die hun voorouders de vrijheid ontnamen en eigenlijk ook beroofden. Van den Bosch was van 1798 tot 1808 gouverneur in Nederlands-Indië. De wijze van reageren op een actie van nazaten, zoals dinsdagavond 28 juni 2022 in Frederiksoord, lijkt me zeer ongepast voor beheerders van UNESCO World Heritage.”

Eric Krebbers

EINDE ARTIKEL

[39]


YOUTUBE.COM

HELP ONS HET BEELD VAN JOHANNES VD BOSCH TE REALISEREN!

GELUIDSOPNAME YOUTUBE

HELP ONS BEELD VAN JOHANNES VD BOSCH TE REALISEREN!

[INTERVIEW MET KUNSTENARES Herma Schellingerhoudt]

[Kunstenares Herma Schellingerhoudt, maker van het standbeeld, aan het woord]

[Gevoelvolle muziek 0.00-0.10]

Herma Schellingerhoudt:

[0.11]

”Er is in Frederiksoord niets, ja dan de paard…..die dan

van den Bosch heet, maar voor de rest is er niets dat naar

van den Bosch verwijst.

Ja een museum en vlaggen en dat soort dingen, maar

gewoon niet zeggen van ”dit is Frederiksoord, hier is

het allemaal begonnen”

Nou, dan vind ik, dat dat toch ook wel iets mag hebben, zeg

maar, dat mensen binnenkomen daar en denken

”He, dat is em”

”Ik hou van zijn visie:

Gewoon, je vindt, dat er iets nodig is en je gaat het doen.

En je zoekt eh, tijdens dat je bezig bent de oplossingen

om het ook te kunnen realiseren.

Op verschillende vlakken, de plek eh, geld eh, mogelijkheden….en dan is het, zeg maar, dan gaat het

de wereld in, dat is eigenlijk het mooiste.

Dat deed hij en ik vind dat een visie, die mij aanspreekt.

Eh…ben ik nu eigenlijk ook aan het doen.

[1.14-1.17 Gevoelvolle muziek]

Herma Schellingerhoudt:

[1.18]

Nou, ik ben wel tevreden.

Ja, ja.

Eh…de gelijkenis vind ik goed, dat…die zie je trouwens

minder als je van onderaf fotografeert of…. maar als je op ooghoogte staat is ie goed en eh…nou ja, de rest is

een mooi, krachtig beeld, denk ik.

Ja….. [1.36]

[Interviewer]

[1.36]

”Echt van den Bosch”

[1.38]

Herma Schellingerhoudt:

Ik vind van wel.

Ik kan me voorstellen, dat hij zo staat.

Ja, en dat hij best wel een beetje zo….

[kunstenares maakt hautain gebaar met haar hoofd]

[1.44]

Altijd als ik met hem bezig ben, dan praat ik met hem.

Zeg maar innerlijk, innerlijk praatje met hem….soms

wel eens dat ik….nou …

’s morgens zeg ik hem altijd, als ik kwam, dan zeg ik

hem goedendag, he….ik weet niet wat het is, maar

misschien is dat denk ik wel niet helemaal wijs [?],

maar goed, dat geeft ook niet, het doet geen zin [?]

[2.06-2.22 Gevoelvolle muziek]

[2.23]

Herma Schellingerhoudt:

Vijftienduizend euro nog bij elkaar krijg dan heb ik het goed.

Dan is het helemaal….dan wordt het gegoten, geplaatst en dan is, dan staat het beeld er gewoon.

Over een maand of wat, want de bronsgieter heeft

minstens evenveel werk als ik.

In ieder geval de Gemeente gaat mee met de plek 

en nou ja goed, de Maatschappij voor Weldadigheid

doet wat.

Ik ben een Van den Bosch enthousiast, ik ga er gewoon

vanuit, dat dat met al die kleine beetjes het wel bij elkaar

komt en dat mensen gewoon een donatie willen doen en

dat hoeft echt geen, dat hoeven echt geen kapitalen te zijn,

maar ik moet toch wel een bepaald bedrag bij elkaar krijgenom het op te lossen.Eigenlijk is het de crowdfunding die van den Bosch deed van mensen vragen om een abonnement of hoe jehet ook wilt noemen, een bijdrage te leveren,Eigenlijk doe ik precies hetzelfde.Gewoon een bijdrage om dit project te laten slagen.[3.16-3.21 Gevoelvolle muziek][3.22]

Herma Schellingerhoudt:

Een van de mooiste momenten bij dit soort grote dingen is

het moment dat je denkt: [Op fluistertoon gezegd] ”He, daar ben jij”

En dan, dan begint het, dan begint het voor mij echt, ja

een feestje te worden, want dan ben ik met iemand bezig,

dan is het niet meer, dan is het niet meer gewoon op….

vorm, maar dan kun je gewoon zeggen van, ”he, jij bent het”

En ik vind dat altijd een wonderlijk proces”

[3.50.4.00 Gevoelvolle muziek]]

EINDE INTERVIEW MET KUNSTENARES

INTERVIEW STAAT OOK IN HET VOLGENDE ARTIKEL

STANDBEELD JOHANNES VAN DEN BOSCH WORDT ONTHULD

23 JUNI 2022

https://www.dekopvan.nl/nieuws/algemeen/260595/standbeeld-johannes-van-den-bosch-wordt-onthuld

FREDERIKSOORD – Aan het voetpad schuin tegenover Logement Frederiksoord wordt zaterdagmiddag een beeld van Johannes van den Bosch onthuld. 

Het beeld is gemaakt door Herma Schellingerhoudt. Zij heeft een jaar aan het project gewerkt. Het beeld staat in het dorp als een levensgrote illustratie van de grondlegger van de Maatschappij van Weldadigheid. Een groot deel van diens nalatenschap is vorig jaar zomer bijgeschreven op de lijst met Werelderfgoederen van UNESCO

Het beeld wordt onthuld door Otto graaf van den Bosch, nazaat van Johannes. De onthulling vindt plaats om 15.00 uur. Bij deze onthulling is iedereen van harte welkom.

EINDE ARTIKEL

[40]

RTV DRENTHE

JOHANNES VAN DEN BOSCH ”EINDELIJK”

VEREEUWIGD IN FREDERIKSOORD

26 JUNI 2022

https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/14765759/johannes-van-den-bosch-eindelijk-vereeuwigd-in-frederiksoord

‘Eindelijk’ heeft Frederiksoord ook iets wat herinnert aan de grondlegger van de Koloniën van Weldadigheid: een bronzen beeld van Johannes van den Bosch. Onder toeziend oog van nazaat Otto van den Bosch was dit weekend de onthulling. Kunstenaar Herma Schellingerhoudt uit het dorp ontwierp vorig jaar het beeld.

“Het is mijn betovergrootvader”, glundert een trotse Otto van den Bosch, die speciaal voor de onthulling van het beeld naar Frederiksoord toog. “Onze familie vindt het belangrijk om ons erfgoed in stand te houden. Daarom hebben we een stichting opgericht en ben ik de laatste tijd regelmatig hier te vinden.”

Trots op betovergrootvader

Van den Bosch is trots op het beeld: “Het is toch bijzonder wat onze voorvader heeft gedaan. Als je kijkt naar de geschiedenis was hij de eerste met het zorgsysteem. Dat is begonnen bij hem. Net als onderwijs: de kinderen die hier kwamen, moesten verplicht naar school. Dat werd in de eeuw daarna pas in heel het land ingevoerd. Dat zijn zaken die Nederland dragen.”

Minne Wiersma, directeur van de stichting Maatschappij van Weldadigheid kan dat beamen: “Johannes van den Bosch heeft hier het landschap bepaald. Hij staat hier op de goede plek, want hier is de eerste koloniewoning zoals die 204 jaar geleden is gebouwd.”

Kunstenaar Herma Schellingerhoudt uit het dorp ontwierp vorig jaar het beeld, voordat het in brons werd gegoten. Ze begon op eigen houtje aan het kunstwerk, zonder zeker te weten dat het ooit daadwerkelijk gegoten zou worden en ergens zou staan. “Ik vond het raar dat er niets van Johannes van den Bosch in Frederiksoord te zien is. Geen straat naar hem vernoemd bijvoorbeeld. Daar wilde ik iets aan doen, want hij is daar belangrijk genoeg voor geweest.”

Met hulp van een crowdfundingactie is vijftienduizend euro opgehaald. Met dat geld is het uiteindelijk gelukt om het ontwerp in brons te gieten en dit weekend is het beeld onthuld.

Duistere kant

Johannes van den Bosch heeft ook een donker verleden. Als gouverneur-generaal verplichtte hij de bevolking van Nederlands-Indië om gewassen voor de regering te verbouwen. Tegenwoordig worden standbeelden van personen uit die tijd daarom in twijfel getrokken. Toch houdt dat de kunstenaar niet tegen: “Lekker puh. Dat is wat je doet als kunstenaar. Als iedereen zegt dat je het niet moet doen, moet je het juist doen”, om daaraan toe te voegen: “Wij doen het tegenwoordig ook niet veel beter. Misschien praten ze ook wel zo over ons over 200 jaar.”

“Ik vind het belangrijk om er over te kunnen praten en kunt besluiten om het anders te gaan doen. Dat doe je niet als je doet alsof het niet bestaan heeft, of als je het te groot maakt, of te klein. Je moet het beestje bij de naam noemen”, besluit Schellingerhoudt.

EINDE ARTIKEL

[41]

”””Wij doen het tegenwoordig ook niet veel beter. Misschien praten ze ook wel zo over ons over 200 jaar.”


RTV DRENTHE

JOHANNES VAN DEN BOSCH ”EINDELIJK”

VEREEUWIGD IN FREDERIKSOORD

26 JUNI 2022

https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/14765759/johannes-van-den-bosch-eindelijk-vereeuwigd-in-frederiksoord

ZIE VOOR GEHELE ARTIKEL, NOOT 40

Reacties uitgeschakeld voor Noten 38 t/m 41/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers

Noten 29 t/m 37/Crimineel Johannes van den Bosch

[29]

Maar mensen kwamen zelf naar Frederiksoord, werpen de fans van de schurk tegen. Dat was in zware tijden de enige plek waar ze onderdak, arbeid en voedsel kregen. Maar ze hadden nauwelijks een andere keus.”


DOORBRAAK.EU

HOE HET NIEUWE STANDBEELD VAN KOLONIALE SCHURK VAN DEN

BOSCH WANHOPIG VERDEDIGD WORDT

5 JULI 2022

Vorige week deden wij een kleine actie tegen het beeld van Johannes van den Bosch in Frederiksoord. We hesen hem in een boevenpak. Het metalen eerbetoon aan de koloniale schurk was kort daarvoor geplaatst, en op de dag van de onthulling publiceerden wij een kritiek. Van den Bosch was bedenker en uitvoerder van het beruchte ‘cultuurstelsel’ in voormalig Nederlands-Indië dat honderdduizenden Indonesiërs de hongerdood injoeg. Hij was daarmee inspirator voor het moorddadige bestuur van Leopold II van België in Congo. Verder was hij oprichter van het beruchte koloniale leger KNIL, en niet te vergeten ontwerper van een systeem van dwangarbeid voor baanlozen en anderen aan de onderkant van de samenleving in Nederland en België. Onze ‘aankleed’-actie leidde tot een reeks reacties op onze site en sociale media. Hier een overzicht daarvan, met natuurlijk onze replieken erbij.

De meest voorkomende reactie is natuurlijk dat Van den Bosch zoveel goeds gedaan zou hebben voor de Noord-Nederlandse streek met haar koloniën, en natuurlijk voor de mensen die er heen kwamen. Hij zou er zelfs een eerste beginnetje hebben gemaakt met de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. Vooral sociaal-democraten lijken wat dat betreft met hem weg te lopen. En dat is niet verwonderlijk: het regime van de koloniën die hij daar stichtte, was uiterst paternalistisch, en voorafschaduwde in die zin de ideologie van de sociaal-democratie van enkele decennia later. De arbeiders werden er gedwongen te werken, en werden gecontroleerd en gedisciplineerd in alle aspecten van hun leven. Rechtgepraat werd dat destijds met een ideologie die vergelijkbaar was met de ideeën over ‘volksverheffing’ die de sociaal-democraten later ontwikkelden. En veel van de opvattingen van destijds zien we vandaag de dag weer terug bij het repressieve regime dat bijstandsgerechtigden opgelegd krijgen, en waar sociaal-democraten in politieke partijen en vakbonden vaak enthousiast aan meewerken. Waarbij aangetekend dat het leven voor de Nederlandse en Belgische arbeiders die in handen vielen van Van den Bosch onvergelijkbaar veel zwaarder was dan het bestaan van bijstandsgerechtigden die vandaag de dag aan de dwangarbeid gezet zijn.

Van onderop, vanuit de arbeiders zelf, was er toen, net als nu, veel minder waardering voor de bazen, wat de Van den Bosch-fans ons ook willen wijsmaken. Net als tegenwoordig was er toen verzet, individueel en soms ook collectief, tegen het paternalisme, tegen de vernederingen, tegen de onvrijheid. En net zoals we geen beeld willen voor de onzalige ziel die met het idee van de Participatiewet kwam aanzetten, zo willen we ook geen eerbetoon voor Van den Bosch. Hij was een soort manager avant la lettre, iemand die van bovenaf nieuwe regimes ontwikkelde. Hij behoorde tot de gegoede burgerij, de heersende klasse, en bedacht als rijke hoe losgeslagen armen efficiënter te beheersen en aan het werk te zetten waren. Precies zoals hij als witte koloniale heerser systemen bedacht om efficiënter meer arbeid en voedsel te onttrekken aan de koloniale onderdanen in Nederlands-Indië.

Maar mensen kwamen zelf naar Frederiksoord, werpen de fans van de schurk tegen. Dat was in zware tijden de enige plek waar ze onderdak, arbeid en voedsel kregen. Maar ze hadden nauwelijks een andere keus. Ze konden geen kant op, en dat was precies de bedoeling. In die context zullen sommigen openlijk dankbaar geweest zijn, maar zullen ze bijna allemaal diep in hun hart die paternalistische klootzak en zijn opzichters vervloekt hebben.

De klasse van Van den Bosch was in die periode van het vroege kapitalisme druk bezig om de maatschappelijke verhoudingen opnieuw vorm te geven. Door mensen van hun land te drijven, door zich een steeds groter deel van de arbeidsopbrengst van de nieuwe arbeidersklasse toe te eigenen, creëerde de heersende klasse zelf een categorie armen die nauwelijks nog konden overleven en die echt nergens meer heen konden. Dat was geen natuurverschijnsel, maar een logisch gevolg van de kapitalistische ontwikkelingen die zij vooruit dreven. Een klein deel van de armen werd bij wijze van experiment richting Frederiksoord gedirigeerd. Hun armoede was gecreëerd en gewild door mensen als Van den Bosch, en het is een gotspe om te doen alsof hij hen wilde steunen via initiatieven als de veenkoloniën. De bewoners waren proefkonijnen van een experiment om te kijken hoe in het nieuwe, zich ontwikkelende kapitalistische systeem, de arbeidskrachten het best gebruikt konden worden. En niet onbelangrijk: het best eronder gehouden konden worden. Zeker in tijden wanneer het aantal baanlozen toenam, was het belangrijk om dat arbeidsreserveleger onder controle, bruikbaar en stand-by te houden voor als ze weer nodig waren. Want natuurlijk lag de opstand, de revolutie, altijd op de loer. Het was het tijdperk van de grote Europese revoluties (1789, 1830, 1848, 1870) en de bezittende klasse was koortsachtig op zoek naar effectieve en goedkope manieren om hun macht en winsten veilig te stellen. Van den Bosch was in eerste en laatste instantie een anti-revolutionair en probeerde op – voor die tijd – geraffineerde wijze het streven van arbeiders naar vrijheid te beknotten.

Veel van de huidige aanhangers van Van den Bosch denken mee in de ‘liefdadigheid’-frames die hij destijds naar voren schoof. Maar stel dat wij, de mensen van onderop, tijdens zijn leven een revolutie hadden kunnen bewerkstelligen. En dat we meer dan honderdduizend notabelen (okay, zoveel waren er destijds wellicht niet eens) in kampen als Frederiksoord en Veenhuizen hadden gestopt, om hen eens op te voeden en te leren zich nuttig te maken door op het land te werken. Dan was het standbeeld er nu zeer zeker niet gekomen. Dwang is volgens de huidige dominante mores alleen acceptabel, en zelfs logisch, als die wordt opgelegd aan de mensen aan de onderkant. Het beeld is daarom een trap na tegen alle mensen die in Frederiksoord en elders in die koloniën in Nederland en België geleden hebben.

In Indonesië waren de achterliggende management-principes hetzelfde, maar de uitwerking ontzettend veel dodelijker (hoewel ook in de bossen bij Ommenschans duizenden mensen anoniem in juten zakken begraven zijn). Ook in Nederlands-Indië kwam Van den Bosch namens de Nederlandse heersende klasse uitproberen hoe de plaatselijke bevolking beter te beheersen en uit te buiten was, want de Nederlandse schatkist had dringend meer geld nodig. Het koloniale racisme maakte een nog harder en grover macro-management systeem mogelijk. Lui als Van den Bosch achtten Indonesiërs destijds geen volwaardige mensen, en dat lijken ze in de ogen van zijn huidige fans nog steeds niet. Want had hij honderdduizenden witte Nederlanders, arbeiders of anderszins, willens en wetens de hongerdood ingejaagd, dan had hij nu nauwelijks fans gehad en was vermoedelijk niemand op het idee gekomen van een standbeeld.

Veel van de mensen die op onze actie reageren, beginnen trouwens met: “Van zijn geschiedenis in ‘Indië’ weet ik niet veel, dus daar ga ik niets over zeggen, maar…” En daarmee laten ze verder gemakshalve de misdaden van Van den Bosch in Indonesië buiten beschouwing bij hun oordeel over de man en zijn verering met een beeld. Ze proberen zo zijn Indonesische misdaden effectief buiten het ‘debat’ te houden. Waren ze eerlijk en oprecht geweest, dan zouden ze zeggen: ik weet weinig van zijn geschiedenis daar, en zal me er eerst eens in verdiepen voor ik een oordeel geef over het plaatsen van een beeld. Maar wat men nu feitelijk zegt, is: wat hij daar ook gedaan heeft, dat boeit me niet. Dat hij meende in een ander land, 18.000 kilometer van huis, een verschrikkelijk regime op te kunnen gaan leggen aan de niet-witte mensen daar, dat boeit me niet. Zijn er honderdduizenden hongerdoden gevallen? Boeit me niet. En dat is precies hoe Van den Bosch en de andere koloniale heersers dachten: het lot van die ‘inferieure mensen’ daar is niet relevant voor ons beleid. Dat de mensen die reageren op onze actie alles menen te weten over de Nederlandse geschiedenis van Van den Bosch, maar dat geen van hen de noodzaak heeft gezien zich te verdiepen in wat hij in de koloniën uithaalde, getuigt op zich al van een koloniale mindset. Ze tonen zich zo geïnvesteerd in de cultus rond de koloniale schurk dat ze ook echt niet willen weten wat hij daar allemaal uitgespookt heeft.

Een van die mensen die het niet over Indonesië willen hebben, omdat hij er weinig vanaf zegt te weten, probeert toch af te doen aan de misdaden van de schurk daar. Hij stelt doodleuk dat “de vreselijke ellende van het cultuurstelsel” misschien geen “gevolg van de plannen van Van den Bosch” was, maar “van de latere uitvoering (grotendeels na zijn dood)”. Voor deze persoon is het gedwongen instellen van een grootschalig systeem van voedselroof van de boerenbevolking van een land aan de andere kant van de wereld, kennelijk op zich nog wel te billijken. Immoreel wordt het voor hem kennelijk pas als anderen dat systeem nog verergeren. Het is een beetje alsof je een pleidooi hoort om toch maar wat beelden neer te gaan zetten voor Duitse bezetters, voor de kopstukken die hier het nazi-regime installeerden, maar die persoonlijk naar verhouding nog net iets minder slachtoffers maakten. Degene die deze redenering te berde brengt, noemt zich “links” en “te groot” voor deze discussie. Het doet ons denken aan de vele linkse witte mannen die lange tijd met hand en tand de racistische karikatuur Zwarte Piet bleven verdedigen. Dat was ook zo gênant.

Je moet Van den Bosch bezien in zijn historische context, en niet beoordelen met de normen en waarden van nu”. Dat is ook een van meest gehoorde argumenten waar voorstanders van het beeld mee op de proppen komen. Zo denkt men elke kritiek op het beeld bij voorbaat onschadelijk te kunnen maken. Je kan er volgens hen voor zijn, maar niet tegen. Maar zo gemakkelijk kunnen ze zich er niet vanaf maken: het beeld is in 2022 geplaatst door fans van Van den Bosch. Vanuit hun hedendaagse normen en waarden hebben ze besloten hem te eren met een beeld. En precies zo kunnen mensen vandaag de dag ook kritiek leveren op dat vereren vanuit hún hedendaagse ideeën. En de voorstanders van verering mogen dan beweren dat mensen in zijn tijd ook vonden dat hij goede dingen deed, dat gold natuurlijk vooral voor de leden van de heersende klasse waartoe hij behoorde. In Nederland en België stribbelden zijn slachtoffers voortdurend individueel tegen, de Indonesiërs daarnaast door de geschiedenis heen ook met grote regelmaat collectief.

Geconfronteerd met onze kritiek, trekken sommigen zich terug op het standpunt dat het beeld niet is neergezet om Van den Bosch te eren, maar om ons aan zijn geschiedenis te herinneren. Dat is natuurlijk onzin. Beelden worden neergezet om te eren en niet om geschiedenis te bedrijven, en de kunstenaar en lokale officials waren daar ook heel duidelijk over. In het verlengde van dit absurde ‘geschiedenis’-argument roepen sommigen dat een pleidooi voor het weghalen van het beeld zou voortkomen uit de wens om de geschiedenis te ontkennen, om die weg te poetsen. Maar je kan het er beter over hebben, vinden ze. Iemand komt met Adriaan van Dis op de proppen, die gezegd zou hebben: “Laten we met lenigheid naar het verleden en onze voorouders kijken”, en voegt daaraan toe, “in plaats van de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis te scheuren”. Mooi gezegd door van Van Dis. Alleen wil niemand die “zwarte bladzijden” – eigenlijk is het een heel boek! – wegdoen, en dat kan ook helemaal niet. Maar we zouden die bladzijden wel eens serieus kunnen doornemen. En besluiten dat zulke koloniale schurken niet geëerd moeten worden met een standbeeld.

De kunstenaar zelf zei ook ‘het gesprek’ over de daden van Van den Bosch te willen voeren, en ook zijn duistere kanten te hebben willen belichten via het toevoegen van drie koffieboontjes aan het beeld. Dat klinkt open, maar in werkelijkheid toont ze geen enkele interesse in de argumenten van mensen die daadwerkelijk in gesprek willen. Ze zegt letterlijk “lekker pûh” tegen critici. Er is nooit zo’n ‘gesprek’ geweest in Frederiksoord. En voordat er ook maar een begin met zo’n ‘gesprek’ gemaakt kan worden, heeft zij al eenzijdig de conclusie getrokken: Van Den Bosch was een goeie peer die geëerd dient te worden met een beeld. En dat eerbetoon heeft ze dan ook maar meteen neergeplempt. Met onze boevenpak-actie en teksten hebben wij op een ludieke manier geprobeerd een daadwerkelijk gesprek op gang te brengen, maar de kunstenaar en de andere Van den Bosch-fans weigeren daar inhoudelijk op in te gaan. Alleen als je racistisch en koloniaal denkt, en de levens van Indonesiërs niet van belang acht, of hun leed zelfs ontkent, dan kan je zo’n beeld een goed idee vinden. Als er daadwerkelijk een inhoudelijk gesprek had plaatsgevonden, waarbij anti-racisme en dekoloniale ideeën serieus genomen waren, dan was de conclusie zeer waarschijnlijk geweest dat er een beeld voor zijn slachtoffers moet komen.

Geconfronteerd met zijn misdaden in Indonesië, brengen sommigen in dat Van den Bosch zich in Suriname gekeerd zou hebben tegen de slavernij. Als dat al zo geweest zou zijn, dan zou dat op geen enkele manier zijn invoeren van het dodelijke ‘cultuurstelsel’ in Indonesië minder erg gemaakt hebben, en een standbeeld voor deze schurk verteerbaar. Zo werkt moraliteit immers niet. In werkelijkheid wilde Van den Bosch de tot slaaf gemaakten enige scholing en zorg aanbieden, wat natuurlijk heel iets anders is dan vrijheid. De schurk kwam tientallen jaren na de Franse revolutie (met haar “vrijheid, gelijkheid en broederschap”), en de slavenopstand van Haïti die daarop volgde, in ‘West-Indië’ aan en wist dondersgoed dat slavernij niet kon, dat de tot slaaf gemaakten zich verzetten. Vermoedelijk dacht Van den Bosch deze ultieme vorm van witte heerschappij nog een tijdje te kunnen rekken via enkele verbeteringen in het lot van de tot slaaf gemaakten, om hen zo beter beheersbaar te kunnen houden.

Op de website van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) formuleert men dat zo: “Het belangrijkste resultaat dat Van den Bosch in Suriname wist te bereiken was de oprichting, tijdens zijn aanwezigheid in Paramaribo in 1828, van een Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname. In de praktijk betekende dit initiatief een effectieve strategie om de zwakke stemmen in Nederland vóór afschaffing van de slavernij tot zwijgen te brengen met een beroep op kerstening als voorwaarde voor emancipatie. Het politieke klimaat in Nederland veroorzaakte voor de slaven van Suriname en de Antillen een status quo, waarbij emancipatie naar een verre toekomst werd geschoven.”

Het is verder ook wel typerend voor het koloniale denken om juist een vooraanstaand lid van de witte heersende klasse, die toen al eeuwen Afrikanen in slavernij hield, te willen eren als vrijheidslievende held. Zelfs al had hij slavernij willen afschaffen, dan nog is hij niets anders dan een misdadiger die zegt met zijn misdaden te gaan stoppen. Niet echt aanleiding om hem te gaan eren. Dat er een einde kwam aan de slavernij was feitelijk de verdienste van de tot slaaf gemaakten zelf, die steeds meer verzet ontwikkelden, zo lang tot ze nauwelijks nog beheersbaar waren en het systeem simpelweg niet langer houdbaar bleek.

Wat ons vooral zal bijblijven van alle reacties op onze kritiek is hoe soepel en fantasierijk mensen kunnen redeneren als het erop aankomt hun koloniale helden te verdedigen. Hoe weinig de fans die “context, context” roepen daadwerkelijk weten van de geschiedenis van het raciale kapitalisme. En hoe weinig hun denken over Indonesiërs werkelijk verschilt van dat van hun koloniale held.

Eric Krebbers

[30]

DE NEDERLANDSCHE BANK

SPEECH KLAAS KNOT-”KETI KOTI MARKEERT IJKPUNT VOOR DNB”

1 JULI 2022

https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/2022/speech-klaas-knot-keti-koti-2022-markeert-ijkpunt-voor-dnb/

ZIE VOOR VOLLEDIGE TEKST, NOOT 1

[31]


HISTORIEN.NL

HET CULTUURSTELSEL 1830-1870

http://www.historien.nl/het-cultuurstelsel-1830-1870/

Het Cultuurstelsel is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Nederlands-Indië. Maar wat hield dit systeem precies in? Erik Sweers legt dat in dit artikel uit.

Volk van Nederland, brandt u geen bloedschuld op het geweten? (…) Twee eeuwen lang heeft daar (op Java) uwe vlag gewapperd; twee eeuwen lang hebt gij er den scepter der overheersching gezwaaid; millioenen en millioenen zijn van de handenarbeid der inboorlingen in uwe schatkist gevloeid (…) en niets hebt gij hun teruggegeven (…)”

 Kamerlid Van Hoëvell , toespraak tot het Nederlandse volk omstreeks (1850)

Wanneer er vandaag de dag in een drukke Nederlandse winkelstraat aan willekeurige voorbijgangers de vraag zouworden gesteld waaraan het eerst gedacht wordt bij het horen van het woord “Indonesië”, dan zou dat hoogst
waarschijnlijk een groot aantal teleurstellende associaties opleveren. Een ongetwijfeld veelgehoord antwoord zal de
gedachte aan de zonnige zandstranden zijn, maar ook de rijsttafel en de nasigoreng, in de jaren zestig en zeventig inaangepaste vorm in Nederland geïntroduceerd en geïntegreerd, zullen tot de mogelijke opties behoren. Gelet op de
ontwikkelingen en de media-aandacht van de laatste jaren zullen een behoorlijk aantal mensen eveneens verwijzen naar
schendingen van de mensenrechten de het moslimfundamentalisme, waarvan de bomaanslag op Bali als dieptepunt naar voren komt.

 Het zullen echter veelal associaties zijn die met het recente verleden te maken hebben. Dit is wel te verklaren. Het
voormalige Nederlands-Indië is immers decennia geleden al omgedoopt tot de Republiek Indonesië en met het afstaan
van de “Gordel van Smaragd”, zoals het eilandenrijk ook wel eens genoemd werd, nam ook het belang van de
Indonesische geschiedenis op de Nederlandse scholen af. Slechts een aantal ouderen zullen vandaag de dag nog het
rijtje “Bali, Lombok, Soemba, Soembawa, Flores en Timor moeiteloos kunnen opzeggen, terwijl hedendaagse scholieren
meestal geen idee hebben waar deze namen naar verwijzen.

 Een hierboven geschetst onderzoekje zou nauwelijks kans van slagen hebben indien een aantal andere termen zouden
worden aangedragen. Want wie kan vandaag de dag nog uitleggen wat bijvoorbeeld “Ethische Politiek” inhoudt?
Uiteraard kan het nog enigszins uit het woord worden afgeleid, maar bij “Onthoudingspolitiek” zullen velen toch eerder
denken aan een door de overheid opgelegd christelijk anticonceptiebeleid dan dat ze de werkelijke betekenis van het
woord weten te doorgronden. Bij de vraag of men weet wat het “Cultuurstelsel” inhoudt kunnen wellicht nog
lachwekkender antwoorden worden gegeven. Toch is dit alles geen erfenis uit het verre verleden, maar uit “slechts” de
negentiende eeuw. Bovendien, zoals uit het citaat aan het begin van dit essay valt op te maken, is er ook voldoende over
dit onderwerp geschreven. In dit essay wordt stilgestaan en ingegaan op deze vergeten periode uit de vaderlandse
geschiedenis: de tijd van het Cultuurstelsel.

 Aan de hand van een aantal kernvragen zal ik een beeld schetsen van deze bijzondere periode. Want wat hield het
Cultuurstelsel nu precies in? Waarom en wanneer werd het ingevoerd? Was het een algeheel succes of kende het
systeem ook schaduwzijden en wanneer en om welke redenen werd het systeem beëindigd?

Een korte voorgeschiedenis: de periode tot 1830

Aan de invoering van het Cultuurstelsel ging een belangrijke geschiedenis vooraf. In de periode 1825-1830 was Java het
toneel van de Java-oorlog. De oorzaken en het verloop van deze oorlog zijn te complex om kort en bondig te
verwoorden. Bovendien gaat het om de gevolgen. J. van Goor meldt in zijn werk “De Nederlandse Koloniën. De
geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600 – 1975” dat de materiele ravage na de oorlog enorm was. Bovendien
hadden de Nederlanders zo”n 15.000 manschappen verloren, waarvan ongeveer 7.000 inheemse militairen. Het aantal
Javaanse slachtoffers was nog vele malen hoger: rond de 200.000 van hen lieten het leven in de oorlog.

Naast de materiele schade en het menselijk leed was ook de macht en kracht van de Javaanse politieke elite gebroken.
Daarnaast was er sprake van een zeer slechte financiële toestand waar per direct verbetering in diende te worden
gebracht. De noodzaak tot financiële vooruitgang in “de Oost” werd extra noodzakelijk vanwege de situatie in “de West”.
De West-Indische eilanden en de Afrikaanse bezittingen waren verliesposten geworden die een zware lastenpost
vormden voor de Nederlandse staatsbegroting . Een nieuw beleid kon niet uitblijven.

Om de Nederlandse staatskas te spekken dienden een aantal zaken radicaal te veranderen. Zo waren er de
opbrengsten van de koffie. Weliswaar nam de oogst in de jaren tot 1830 toe, maar de prijs op de wereldmarkt daalde
nog sterker. Bovendien produceerde de Javaanse bevolking veel rijst en tabak die bestemd was voor handel binnen de
Indische archipel. Van export naar Europa was derhalve geen sprake. Hierdoor beschikte de bevolking ook niet over
kapitaal om op hun beurt weer textiel en andere producten uit Europa in te voeren.

In eerste instantie zouden kapitaalkrachtige Europeanen uitkomst moeten bieden. Woeste gronden zouden moeten
worden gecultiveerd en deze ondernemers konden zo daarna werk aanbieden aan de arme Javaanse bevolking. Dit
idee, uitgedacht door de door koning Willem I gestuurde burggraaf Du Bus, kwam echter niet tot ontwikkeling.
Investeringen van Europeanen bleven uit. Van Goor merkt op dat de Javanen bovendien nauwelijks bereid waren om in
loondienst te werken. De ideeën van Du Bus boden geen oplossing. Koning Willem I stelde vervolgens Johannes van
den Bosch aan als opvolger van Du Bus. Van den Bosch had de koning reeds met zijn expertise terzijde gestaan met
adviezen over de West. Onder leiding van Van den Bosch zou het Cultuurstelsel op Java worden ingevoerd.

De invoering van het Cultuurstelsel

Net als zijn voorgangers stond Van den Bosch voor de vraag hoe er een systeem kon worden ontwikkeld dat
winstgevende Javaanse exportproducten kon realiseren. In tegenstelling tot zijn directe voorganger Du Bus had Van den
Bosch geen enkel vertrouwen in de Nederlandse ondernemers, die in zijn ogen “poor, ignorant and devoid of enterprise”
waren. Van den Bosch vond zijn inspiratie in het verleden en keek naar de werkwijze van de “Verenigde Oost-Indische
Compagnie” (VOC). Hij meende een systeem te moeten ontwikkelen dat aansloot bij het bestaande, agrarisch-feodale
systeem. Het doel was om van Java een exportland voor tropische landbouwproducten te maken. De handelswinsten die
hieruit voortvloeiden zouden voor het merendeel naar de Nederlandse staatskas gaan.

Het systeem bestond uit een aantal vaste elementen. Ten eerste werden de boeren op Java verplicht om gedurende een
bepaalde periode een bepaald deel van de grond met vooraf bepaalde exportgewassen te bebouwen. Ten tweede wilde
Van den Bosch het inheemse bestuur, de dorpshoofden, een centrale rol geven. Tot slot besloot hij het landrentestelsel
van zijn Britse voorganger Raffles (1811-1816) te herzien. Boeren hoefden niet langer tweevijfde van de oogst af te
staan als “pacht”, maar slechts éénvijfde en dat voor een termijn van twintig jaar. C. Fasseur benadrukt in zijn werk
“Kultuurstelsel en koloniale baten” overigens dat ook onder Raffles de landrente in werkelijkheid nooit meer dan
éénvijfde tot een kwart was, waardoor de indruk kan ontstaan dat Van den Bosch eerder keek naar wat haalbaar was,
dan dat hij werkelijk vond dat de landrente verlaagd diende te worden om zodoende de boeren te ontlasten. Om de
verschillende actoren aan het systeem te binden werden vergoedingen betaald. Zo betaalden Europese landhuurders
voor de dessahuur een vergoeding aan de “apanagehouders”, werden koffieplanters ook financieel tegemoet gekomen
en eigenaren van grond waarop koffie geplant moest worden werd “plantloon” uitbetaald. Tot slot besloot Van den Bosch
om zowel het Inheemse Bestuur als het Europese Binnenlands Bestuur aan het Cultuurstelsel te binden door hen te
laten meedelen in de winsten van het systeem. In deze gevallen werden zogenaamde “cultuurprocenten” toebedeeld.

Deze cultuurprocenten betekenden een ommekeer in de bestaande situatie. Tot dan toe was het de gewoonte geweest
dat de Europeanen in direct contact traden met de betreffende boeren. In het Cultuurstelsel kreeg de dorpen en de
dorpshoofden in het bijzonder een centrale en onmisbare rol. De inheemse bevolking werd niet langer enkel en alleen
gezien als arbeidsleverancier. Vanaf nu was het een belangrijke en onmisbare partner geworden die mede
verantwoordelijk was voor het succes van het Cultuurstelsel en ook deelde in dit succes.

 Voor en tegenstanders van de invoering

Ongeacht de vraag of het Cultuurstelsel nu positief of negatief beoordeeld moet worden zijn de meeste historici het er
over eens dat het systeem een van de belangrijkste onderdelen is geweest van het Nederlands kolonialisme. Sommigen
in die tijd meenden zelfs dat het Cultuurstelsel het beste koloniale model was dat denkbaar was. Ook de Belgische
koning Leopold II was deze mening toegedaan. Critici meenden echter dat het Cultuurstelsel een terugval betekende
naar het oude beleid van de compagnie, waarbij de Javaanse bevolking enkel en alleen werd ingezet om winsten te
behalen die direct en zoveel mogelijk werden doorgesluisd naar Nederland, in plaats van dat het ten goede zou komen
van de plaatselijke bevolking, die per slot van rekening verantwoordelijk was voor deze winsten.

Met name de liberalen en het politieke midden stoorden zich aan het feit dat de meeste beslissingen inzake koloniale
kwesties zich indertijd voltrokken op het Departement van Koloniën en niet in de Staten-Generaal. Bovendien kwam er
een eind aan de liberale experimenten doordat Van den Bosch juist aansluiting zocht bij de oude praktijk. Toenmalig
kamerlid Sloet tot Oldhuis meende dat de tot dan toe gevolgde koloniale politiek er één was van “geheimhouding”. Vlak
voor de invoering van het Cultuurstelsel stonden diegenen die meer openheid van zaken wensten echter tamelijk alleen.
Slechts een enkeling stemde bij de debatten over de tweejaarlijkse staatsbegroting tegen de begroting van het Ministerie
van Koloniën. Deze minimale weerstand zou in de loop der jaren echter sterk veranderen. In het verloop van dit essay zal
worden uiteengezet waarom deze weerstand toenam.

De voorstanders van invoering van het Cultuurstelsel richtten zich op de economischer voordelen die de invoering naar
verwachting met zich mee zou brengen. Koloniaal bezit diende nu eenmaal een bijdrage te leveren aan de schatkist:
anders kon het beter worden afgestoten. Het betekende niet dat er geen behoorlijk bestuur kon worden ingevoerd of dat
zorg voor onderdanen werd uitgesloten, maar het verbeteren van de Nederlandse economie, die na de Franse periode in
een erbarmelijke toestand verkeerde, had wel prioriteit. Hierdoor werd bijna automatisch teruggekeken naar de periode
van de VOC. Vele handelaren hoopten dat Amsterdam in de toekomst opnieuw de positie van grote stapelmarkt voor
Europese en overzeese handel kon innemen en zagen zich in deze wens gesteund door koning Willem I. Om dergelijke
ontwikkelingen te bewerkstelligen was gecentraliseerde vorm van Europees bestuur en actieve staatsbemoeienis
noodzakelijk.

Het Cultuurstelsel in de praktijk

Voordat er wordt ingegaan op de werking van het Cultuurstelsel in de praktijk, dient eerst een belangrijk en vaak
ondergeschoven aspect van het systeem te worden benadrukt. De term Cultuurstelsel impliceert dat er sprake was van
één systematisch geheel. Dit beeld is echter niet juist. Volgens Robert van Niel, auteur van “Java under the Cultivation
System”, was het voor Van den Bosch reeds voor de invoering van het systeem duidelijk dat er één enkele methode
van cultiveren of één enkel regulatiesysteem voor het hele eiland volstond. Volgens van Niel diende het systeem te
worden aangepast naar lokale omstandigheden. C. Fasseur is dezelfde mening toegedaan. Hij stelt:

“…het toen vastgestelde Regeringsreglement noemde het kultuurstelsel niet bij name; het sprak slechts van “de op hoog
gezag ingevoerde kultures”. Dit was een klein, maar wezenlijk verschil. Bij een stelsel denkt men aan een geordend
geheel dat een zekere innerlijke eenheid en samenhang bezit en beheerst wordt door min of meer algemeen geldende
regels. Binnen het kultuurstelsel nu bestonden alleen plaatselijk geldende regels “.

Van Goor geeft aan hoe deze plaatselijke regels nu konden ontstaan. Hij stelt dat er zeker in de beginfase sprake was
van een ongelijke verdeling van arbeid. Hierdoor kwam het soms voor dat een enkeling tweehonderd dagen per jaar aan
de cultures werkte. Ook was het mogelijk dat rijkere boeren hun taak afkochten en in streken waar de dorpsgronden
regelmatig over de oude dorpsbewoners werden herverdeeld, werden soms nieuwe arbeidskrachten toegelaten om de
taken evenwichtiger te kunnen verdelen. Vaak waren het specifieke taken zoals het riettransport en rietsnijden dat door
deze nieuwe arbeidskrachten werd overgenomen. Alleen het planten bleef over als het laatste onderdeel van de
verplichte arbeid en door dit alles was het stelsel nergens hetzelfde.

Met al die plaatselijke varianten kan de vraag gesteld worden of en hoe het Cultuurstelsel dan werkte. Om te beginnen
wordt de relatie tussen het Europese en het Javaanse bestuur nader belicht. In ieder geval had de Javaanse elite na de
Nederlandse zege tijdens de Java-oorlog de Nederlandse overheersing geaccepteerd. Het Nederlands bestuur besefte
echter dat zij de lokale adel nodig had om de symbiose van belangen, die ook in de VOC-tijd bestond, te waarborgen.
Hierdoor ontstond een systeem waarbij een hechte samenwerking ontstond op economisch en politiek terrein tussen het
bestuur en de lokale adel. Er was sprake van een toenemende macht en een toenemend belang van de “bupati”s”
(lokale regenten). Dit bleek onder meer uit het feit dat deze hoofden een deel van hun feodale rechten terugkregen, recht
hadden op de reeds genoemde cultuurprocenten en dat hun opvolging erfelijk was. De alliantie met de plaatselijke
bevolking was voor de Nederlanders ook een noodzaak: de Javaanse bevolking “weet zeer wel dat wij [de Nederlanders] daar eigenlijk niet behooren. Wanneer één of andere knappe vent zich aan het hoofd stelt tegen het gouvernement, en
eenig geluk heeft, zal dit weerklank vinden door geheel Java”, aldus J.C. Baud, eerst adviseur van Van den Bosch en
later diens opvolger.

De Cultuurprocenten vormden een belangrijke bindende en motiverende factor. Het bindende element lag in het feit dat
Europese en binnenlandse bestuurders meedeelden in de winsten die er gehaald werden. Er kan dus worden gesproken
van een belangengemeenschap. Daarnaast bestonden er speciale bonussen: indien de productie werd opgevoerd
werden er meer cultuurprocenten toegekend.

De eerste tien jaar functioneerde het systeem zoals hierboven is beschreven. Hoewel de lokale in Europese bestuurders
van elkaar afhankelijk waren, bestond er in de praktijk vrij weinig direct contact. Buitenlandse bestuurders spraken
doorgaans niet de lokale taal en zagen ook niet de noodzaak in om dit alsnog aan te leren. De communicatie naar de
lokale bevolking werd doorgaans aan de hoofden over gelaten. Deze werkwijze leidde er onder meer toe dat het
Europees bestuur nauwelijks een idee had welke gevoelens en ideeën onder de lokale bevolking leefde. Rond 1840 werd
echter duidelijk dat het systeem niet goed functioneerde. De druk op de lokale boerenbevolking was te groot. Niet alleen
vereiste het bestuurssysteem een te grote inzet van de arbeidskracht, ook de landrente was vele boeren een blok aan
het been geworden.

De hervormingen die volgden waren gericht op het direct zaken doen met de boeren zelf. Dit hield in praktijk in dat er in
toenemende mate zaken werden gedaan met de “lurahs” (dorpshoofden) en dat de bupati”s als intermediair steeds meer
werden overgeslagen.

Het succes van het Cultuurstelsel

Kan er worden gesproken van een succesvol systeem? Jazeker: na een aanloopfase waarin enkele wijzigingen werden
doorgevoerd had het Cultuurstelsel al snel haar succes bewezen. Rond 1840 waren alle residenties op Java betrokken,
was overal de koffiecultuur ingevoerd en er werd eveneens op grote schaal suiker en indigo geproduceerd. Hierbij was
bijna driekwart van de Javaanse huishoudens en enige wijze bij betrokken. In financieel opzicht was het Cultuurstelsel
dus zeker een groot succes: Java was in korte tijd omgevormd tot één grote plantage en bracht een enorme
hoeveelheid Indische exportproducten op de markt, die door de welbekende “Nederlandsche Handels-Maatschappij”
werden afgevoerd.

De winsten die het Cultuurstelsel opleverden waren enorm en namen met de perfectionering van het systeem alleen
maar toe (zie tabel 1). Volgens J.J.P. de Jong was het Cultuurstelsel van elementair belang voor Nederland. Hij baseert
deze uitspraak op het feit dat de inkomsten uit Indië op het hoogtepunt maar liefst éénderde van het totale Nederlandse
staatsinkomen vormden.

Tabel 1: periodieke winsten van het Cultuurstelsel

Periode   Winst in guldens
1831 – 184093 miljoen
1841 – 1850141 miljoen
1851 – 1869239 miljoen
Totaal 1830 – 1870473 miljoen

 Door bovenstaande cijfers ontstaat in ieder geval de indruk dat het Cultuurstelsel een systeem was om trots op te zijn.
Met de verdere ontwikkeling van het systeem kreeg ook het buitenland steeds meer interesse datgene waarin men het
doortastende en effectieve Nederlandse handelsvermogen in meende te herkennen. De Brit W.B. Money schreef in 1861
zelfs een boek met de titel “Java: or how to manage a colony. Showing a practical solution of the questions now affecting
British India.” Zoals de titel van het boek reeds aangeeft ziet Money in het Nederlandse Cultuurstelsel een mogelijke
oplossing voor de vraagstukken die in het toenmalige Brits-Indië speelden.

De keerzijde van het Cultuurstelsel

Er kan terecht worden afgevraagd of het toen internationaal geprezen Cultuurstelsel ook nadelen kende. Die waren er
zeker. De fabelachtige winsten die Java opleverde verdrukten de manier waarop dit alles tot stand kwam. De architect
van het Cultuurstelsel, Johannes van den Bosch, onderkende zelf ook een aantal nadelen van het systeem. In de
koppeling van bestuurlijke activiteiten aan persoonlijk voordeel schuilde volgens Van den Bosch het gevaar dat de
residenten, in het jacht op persoonlijk voordeel, meer van de inlanders gingen vragen dan eigenlijk billijk was.

Zoals reeds eerder gesteld waren de winsten groot en was hing het Nederlandse staatsinkomen voor een groot deel af
van de producten die Java verlieten. Een in die dagen veelgehoorde opmerking waarmee de afhankelijkheid van
Nederland ten opzichte van Java werd aangeduid, was dat Java de kurk was waarom Nederland kon blijven drijven.
Deze afhankelijkheid had echter ook een gevolg: het Indische budget was er vooral op gericht en spritste zich steeds
meer toe op het in stand houden van het hele systeem. Weliswaar werd er ook geïnvesteerd in de agrarische en
communicatieve infrastructuur, maar voor de rest werden investeringsoverwegingen vooral door de welbekende
Nederlandse zuinigheid gedomineerd. Overigens, de investeringen in de agrarische sector en in communicatie waren
indirect bedoeld om het stelsel te optimaliseren en zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden. In ieder geval
leidde de Nederlandse zuinigheid op tal van andere terreinen tot schromelijke verwaarlozing.

Wat hield die verwaarlozing dan precies in? De bekendste en meeste gehoorde kritiek betrof het effect van het
Cultuurstelsel op de bevolking. Zoals reeds eerder naar voren is gebracht had Johannes van den Bosch zelf ook zijn
bedenkingen omtrent de positie van de bevolking onder het door hem ontwikkelde systeem. De negatieve beeldvorming
kreeg snel grote algemene bekendheid door het in 1860 voor het eerst uitgebrachte boek Max Havelaar, van
bestuursambtenaar Eduard Douwes Dekker, beter bekend onder de naam Multatuli. Het was het begin van een strijd
tussen liberalen en conservatieven, waarbij de eersten het Cultuurstelsel het liefst als een malafide systeem
afschilderden en hun kritiek gebruikten als hefboom om het systeem uiteindelijk omver te werpen. Wat waren nu die
nadelen voor de bevolking? Een bekende en breed gedragen mening is dat de Javaanse gemeenschap door het
Cultuurstelsel een periode van verstarring had meegemaakt, met alle negatieve gevolgen van dien. Deze verstarring was
veroorzaakt door het feit dat de enorme druk van het stelsel de Javaanse bevolking had gedwongen tot, zoals De Jong
het stelt, “een inklinking op het gangbare sociaal-economische systeem, tot een toenemende verdeling van de grond,
vergroting van het onderling hulpbetoon en een zich intensiverend communaal patroon”. Het individuele grondbezit was
teruggedrongen en had plaatsgemaakt voor een communaliseringsproces.

Fasseur meldt ook een aantal mislukte aanplanten, waarvoor de lokale bevolking, wegens het mislukken van de geen
vergoeding kreeg. Doorgaans was een veelgehoord excuus dat het weer òf te droog, òf te vochtig was.
Bestuursambtenaren lieten liever achterwege om te vermelden dat de grond door het intensieve gebruik vaak gewoon
uitgeput was. Fasseur betoogt verder dat de daling van de indigo-produktie gepaard ging met een daling van het
plantloon en de stijging van het plantloon per huisgezin (zie tabel 2). Van dit lagere loon werd bovendien een bijdrage in
de onderhoudskosten van de indigofabriekjes afgetrokken. Daarnaast werd er een steeds grotere arbeidsprestatie geëist.Van Niel noemt nog een interessant nadeel. Hij stelt dat het Cultuurstelsel de ontwikkeling in de weg heeft gestaan van
een vrije arbeidsmarkt.

Tabel 2. Productie per bouw, plantloon per huisgezin en landrente per huisgezin 1840 – 1850

 18401841184218431844184518461847184818491850
Productie per bouw5243383834314636362822
Plantloon per huisgezinf.12,73f.9,02f.8,56f.9,37f. 8,55f. 8,06f. 12,72f. 9,11f. 10,29f. 7,27f. 5,19
Landrente per huisgezinf. 5,11f. 6,38f. 9,04f. 9,11f. 1,57 Fout?f.12,42f.7,45f. 9,77f. 12,50f. 6,32f. 10,46

In 1850 ontstond er zelfs een hongersnood in enkele residenties die volgens sommigen te wijten was aan de hoge
belastingen. Ook werd langzamerhand steeds meer duidelijk dat niet alle producten even geschikt waren om onder het
Cultuurstelsel te worden geproduceerd. In de jaren vijftig van die eeuw werd de verplichte aanplant reeds beperkt tot
suiker en koffie. Vanaf de jaren zestig intensiveerde de strijd tussen de liberalen en de conservatieven zich. Met name
het idee van verplichte arbeid stuitte de liberalen tegen de borst. Zij zagen liever dat de vrije arbeid, het liberale
stokpaard, nu haar intrede in Indië ging doen. Dit streven werd nog verder onderbouwd omdat de liberalen sterke
vermoedens hadden dat de Nederlandse regering een bepaalde vriendjespolitiek voerde met betrekking tot het gunnen
van suikercontracten. Liberale ondernemers op Java waren om die reden ook in verzet gekomen tegen het stelsel, daar
zij in deze situatie geen toegang konden krijgen tot een veelbelovende arbeidsmarkt.

Het idee van de verheffing van de bevolking drong ook door tot de nieuwe generatie bestuursambtenaren die naar Indië
werden uitgezonden. Van Goor benadrukt echter dat deze verheffingsgedachte niet direct heeft geleid tot de afschaffing
van het systeem. Van Goor stelt dat ook de conservatieven op den duur vonden dat verandering niet uit kon blijven.

Het einde van het Cultuurstelsel

De beëindiging van dit in financieel opzicht succesvolle stelsel begon omstreeks 1850. Het zou vanaf dat moment nog
twintig jaar duren tot het werkelijk tot het verleden behoorde. Met de “zedelijke roeping” ten opzichte van de overzeese
gebiedsdelen als argument, vormde zich in de jaren vijftig iets wat Fasseur omschrijft als “koloniale oppositie”, die
aandrong op liberale hervormingen. Kamerlid Van Hoëvell sprak het Nederlandse volk in 1850 als volgt toe:

“Volk van Nederland, brandt u geen bloedschuld op het geweten? (…) Twee eeuwen lang heeft daar (op Java) uwe vlag
gewapperd; twee eeuwen lang hebt gij er den scepter der overheersching gezwaaid; millioenen en millioenen zijn van de
handenarbeid der inboorlingen in uwe schatkist gevloeid (…) en niets hebt gij hun teruggegeven (…)”

Rond deze tijd stonden de liberalen echter nog redelijk machteloos met hun denkbeelden. Het enige succes wat de
liberalen bereikten was dat de duur van het Cultuurstelsel beperkt was: het regeringsreglement vermeldde in 1854 dat
het Cultuurstelsel als overgangsstelsel werd gehandhaafd en dat het op den duur plaats zou moeten maken voor een
systeem waarin vrije arbeid bestond, zonder tussenkomst van het bestuur.

Een tijdelijke piek van succes in het Cultuurstelsel in combinatie met tegenvallende resultaten van beperkte vrije arbeid
maakte dat de steun voor afschaffing van het Cultuurstelsel in de jaren vijftig ook laag bleef. Hiermee kan dus gelijk een
vraagteken worden gezet bij de veelgehoorde stelling dat de opkomst van de zelfbewuste, particuliere ondernemer het
stelsel op den duur overbodig maakte. Het Cultuurstelsel was zeker niet aan verval onderhevig en de liberale
experimenten met “vrije arbeid” waren een teleurstelling.

Vanaf 1852 werden de suikercontracten in ieder geval niet meer door het gouvernement gesloten. De ontevredenheid en
het verzet tegen de manier waarop de uitgifte tot dan toe plaats vond, was de directe aanleiding. Tussen 1853 en 1857
volgde een groot onderzoek naar het voorstel of de suikercultuur niet anders kon worden geregeld, met als doel de druk
op de lokale bevolking te verminderen. Het duurde daarna echter tot 1860 voordat er eindelijk een regeling tot stand was
gekomen die het uitgeven van de nieuwe suikercontracten reguleerde. Deze regeling stelde tevens voorwaarden voor
het verlengen van reeds bestaande suikercontracten. De liberalen drongen er bij de totstandkoming van deze regeling
op aan dat het beginsel van openbare uitbesteding werd gehanteerd. Zodoende zou het contract worden gegeven aan
die ondernemer die het gouvernement de gunstigste prijs kon bieden. Dit idee werd echter afgewezen, omdat de
haalbaarheid ervan in twijfel werd getrokken.

Met ingang van 1862 ontstond er een nieuwe situatie. De koloniaalliberale partij, die voor die tijd in de oppositie zat,
kreeg de regeringsverantwoordelijkheid toebedeeld. Met de liberalen aan de macht werd het begin van het einde van het
Cultuurstelsel ingezet. Het duurde echter tot 1870 voordat de daadwerkelijke afschaffing een feit was geworden.
Toenmalig minister E. De Waal slaagde erin een compromis te bereiken tussen de liberale wens om Java open te stellen
voot de vrije ondernemers en de met name onder de conservatieven bestaande vrees dat de Javaanse boeren geen
serieuze concurrent zouden kunnen zijn van het Europese bedrijfsleven. Door middel van twee wetten, de Suikerwet en
de Agrarische Wet, werd de afbouw van het Cultuurstelsel geregeld en werd het verhuren van grond aan vrije
ondernemers mogelijk. Dit betekende niet dat Europeanen grond mochten kopen. Als alternatief bestond er voor
Europeanen de mogelijkheid om grond voor vijfenzeventig jaar in erfpacht te krijgen. Dit stelde ondernemers in staat te
voorzien in een onderpand voor leningen en hypotheken.

Een uitzondering op deze regeling vormde de sawa”s die maximaal voor vijf jaar mochten worden verhuurd aan
suikerondernemingen. Hiermee werd voorkomen dat bevolkingsgrond eigendom werd van veel kapitaalkrachtiger
Europeanen.

De verplichte suikeraanplant nam geleidelijk af. In 1891 was het geheel overgenomen door vrije ondernemers. De
gedwongen koffieaanplant werd niet zomaar opgegeven. In een enkel gebied bleef de koffiecultuur tot 1915 bestaan, zij
het in een afgezwakte vorm.

Het einde van het Cultuurstelsel

De beëindiging van dit in financieel opzicht succesvolle stelsel begon omstreeks 1850. Het zou vanaf dat moment nog
twintig jaar duren tot het werkelijk tot het verleden behoorde. Met de “zedelijke roeping” ten opzichte van de overzeese
gebiedsdelen als argument, vormde zich in de jaren vijftig iets wat Fasseur omschrijft als “koloniale oppositie”, die
aandrong op liberale hervormingen. Kamerlid Van Hoëvell sprak het Nederlandse volk in 1850 als volgt toe:

“Volk van Nederland, brandt u geen bloedschuld op het geweten? (…) Twee eeuwen lang heeft daar (op Java) uwe vlag
gewapperd; twee eeuwen lang hebt gij er den scepter der overheersching gezwaaid; millioenen en millioenen zijn van de
handenarbeid der inboorlingen in uwe schatkist gevloeid (…) en niets hebt gij hun teruggegeven (…)”

Rond deze tijd stonden de liberalen echter nog redelijk machteloos met hun denkbeelden. Het enige succes wat de
liberalen bereikten was dat de duur van het Cultuurstelsel beperkt was: het regeringsreglement vermeldde in 1854 dat
het Cultuurstelsel als overgangsstelsel werd gehandhaafd en dat het op den duur plaats zou moeten maken voor een
systeem waarin vrije arbeid bestond, zonder tussenkomst van het bestuur.

Een tijdelijke piek van succes in het Cultuurstelsel in combinatie met tegenvallende resultaten van beperkte vrije arbeid
maakte dat de steun voor afschaffing van het Cultuurstelsel in de jaren vijftig ook laag bleef. Hiermee kan dus gelijk een
vraagteken worden gezet bij de veelgehoorde stelling dat de opkomst van de zelfbewuste, particuliere ondernemer het
stelsel op den duur overbodig maakte. Het Cultuurstelsel was zeker niet aan verval onderhevig en de liberale
experimenten met “vrije arbeid” waren een teleurstelling.

Vanaf 1852 werden de suikercontracten in ieder geval niet meer door het gouvernement gesloten. De ontevredenheid en
het verzet tegen de manier waarop de uitgifte tot dan toe plaats vond, was de directe aanleiding. Tussen 1853 en 1857
volgde een groot onderzoek naar het voorstel of de suikercultuur niet anders kon worden geregeld, met als doel de druk
op de lokale bevolking te verminderen. Het duurde daarna echter tot 1860 voordat er eindelijk een regeling tot stand was
gekomen die het uitgeven van de nieuwe suikercontracten reguleerde. Deze regeling stelde tevens voorwaarden voor
het verlengen van reeds bestaande suikercontracten. De liberalen drongen er bij de totstandkoming van deze regeling
op aan dat het beginsel van openbare uitbesteding werd gehanteerd. Zodoende zou het contract worden gegeven aan
die ondernemer die het gouvernement de gunstigste prijs kon bieden. Dit idee werd echter afgewezen, omdat de
haalbaarheid ervan in twijfel werd getrokken.

Met ingang van 1862 ontstond er een nieuwe situatie. De koloniaalliberale partij, die voor die tijd in de oppositie zat,
kreeg de regeringsverantwoordelijkheid toebedeeld. Met de liberalen aan de macht werd het begin van het einde van het
Cultuurstelsel ingezet. Het duurde echter tot 1870 voordat de daadwerkelijke afschaffing een feit was geworden.
Toenmalig minister E. De Waal slaagde erin een compromis te bereiken tussen de liberale wens om Java open te stellen
voot de vrije ondernemers en de met name onder de conservatieven bestaande vrees dat de Javaanse boeren geen
serieuze concurrent zouden kunnen zijn van het Europese bedrijfsleven. Door middel van twee wetten, de Suikerwet en
de Agrarische Wet, werd de afbouw van het Cultuurstelsel geregeld en werd het verhuren van grond aan vrije
ondernemers mogelijk. Dit betekende niet dat Europeanen grond mochten kopen. Als alternatief bestond er voor
Europeanen de mogelijkheid om grond voor vijfenzeventig jaar in erfpacht te krijgen. Dit stelde ondernemers in staat te
voorzien in een onderpand voor leningen en hypotheken.

Een uitzondering op deze regeling vormde de sawa”s die maximaal voor vijf jaar mochten worden verhuurd aan
suikerondernemingen. Hiermee werd voorkomen dat bevolkingsgrond eigendom werd van veel kapitaalkrachtiger
Europeanen.

De verplichte suikeraanplant nam geleidelijk af. In 1891 was het geheel overgenomen door vrije ondernemers. De
gedwongen koffieaanplant werd niet zomaar opgegeven. In een enkel gebied bleef de koffiecultuur tot 1915 bestaan, zij
het in een afgezwakte vorm.

Conclusie

De tijd van het Cultuurstelsel is een belangrijke periode geweest, zowel voor het “moederland” Nederland als voor Java
en haar bevolking. De omvang van dit essay stelt enige beperkingen aan de wijze waarop de complexe gebeurtenissen
rondom het Cultuurstelsel behandeld kunnen worden. De grote verschillen waarop het Cultuurstelsel zich in de
verschillende delen van Java manifesteerde worden daardoor, net als andere onderwerpen, slecht in vogelvlucht
behandeld. Desalniettemin kan er toch een goed beeld gegeven worden van de ontwikkelingen die in die tijd op Java
plaatsvonden en kan worden ingegaan op de redenen van invoering van het Cultuurstelsel.

De invoering van het Cultuurstelsel ging niet alleen niet gepaard met het doel om van Java een commercieel wingebied
te maken. Met een verlieslijdende “West” waren de kosten voor het moederland enorm opgelopen en met de oorlog op
Java waren ook grote kosten gemoeid. Het was derhalve ook een noodzaak geworden. In Nederland zag met Indië als
een voorwaarde voor het floreren van de economie in het moederland.

Opvallend is dat het idee van het Cultuurstelsel niet origineel is, maar is gebaseerd op oude systemen die reeds
bestonden. Het was voor Van den Bosch een kwestie van analyseren en aanpassen. Een ander interessant aspect is de
flexibiliteit van het systeem. Het stelsel werd aangepast naar lokale omstandigheden en werkte in de praktijk mede
daardoor uitstekend. Ook was het niet zo dat het gehele systeem op elk niveau werd bestuurd door Europeanen. Ook
het lokale bestuur werd ingeschakeld en deelde tevens mee in de winsten.

Het Cultuurstelsel was zeker een succes als er gekeken wordt naar het doel van de invoering ervan. De Nederlandse
economie floreerde bijzonder goed op de uit Indië aangevoerde producten en van enige wanklank leek zeker in de
beginfase van het systeem nauwelijks sprake. Het verzet tegen het stelsel was tweeledig: in de eerste plaats vanuit
liberale hoek. De liberalen meenden dat het idee van verplichte arbeid niet meer thuishoorde in de tijd van toen en dat
het de ontwikkeling van mogelijkheden van vrije ondernemers in de “Oost” in de weg stond.

Tevens was er sprake van de opkomst van gewetensbezwaren. De enorme winsten die naar Nederland vloeiden
stonden in geen geval in verhouding tot de vergoedingen die de lokale boeren kregen uitbetaald. Wellicht dat deze
gedachte, waarin niet zelden over uitbuiting van de lokale bevolking werd gesproken, in sterke mate heeft bijgedragen tot
datgene wat later bekend zou worden als de “Ereschuld”. In ieder geval leidde de wens tot liberalisering en groeiende
verontwaardiging over de vermeende uitbuiting van het Indische volk ertoe dat het Cultuurstelsel uiteindelijk werd
afgeschaft. Met de machtsovername in de Nederlandse politiek van de liberale partij in 1862 werd deze afschaffing
gestart. Het duurde echter nog tot 1870 totdat het Cultuurstelsel officieel afgeschaft kon worden. Dit had te maken met
het sluiten van compromissen met de conservatieven, die vreesden dat de Javaanse boer door de Europese vrije
ondernemers onder de voet gelopen zou worden.

De afschaffing van het Cultuurstelsel betekende echter niet dat de misstanden verdwenen. De het was een overgang
naar een ander systeem, waarbij delen van het systeem, zij het in afgezwakte vorm, tot in het begin van de twintigste
eeuw werden voortgezet.

EINDE ARTIKEL

[32]

WIKIPEDIA

WOLTER ROBERT VAN HOEVELL

https://nl.wikipedia.org/wiki/Wolter_Robert_van_Ho%C3%ABvell

[33]

Volk van Nederland, brandt u geen bloedschuld op het geweten? (…) Twee eeuwen lang heeft daar (op Java) uwe vlag gewapperd; twee eeuwen lang hebt gij er den scepter der overheersching gezwaaid; millioenen en millioenen zijn van de handenarbeid der inboorlingen in uwe schatkist gevloeid (…) en niets hebt gij hun teruggegeven (…)


HISTORIEN.NL

HET CULTUURSTELSEL 1830-1870

http://www.historien.nl/het-cultuurstelsel-1830-1870/

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 31

[34]

WIKIPEDIA

ETHISCHE POLITIEK/AANLOOP

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ethische_politiek#Aanloop

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

ETHISCHE POLITIEK

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ethische_politiek#:~:text=De%20ethische%20politiek%20was%20de,Koloni%C3%ABn%20Alexander%20Willem%20Frederik%20Idenburg.

WIKIPEDIA

CONRAD THEODOR VAN DEVENTER

https://nl.wikipedia.org/wiki/Conrad_Theodor_van_Deventer

[35]

WIKIPEDIA

EDUARD DOUWES DEKKER

https://nl.wikipedia.org/wiki/Eduard_Douwes_Dekker

[36]

WIKIPEDIA

ETHISCHE POLITIEK

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ethische_politiek#:~:text=De%20ethische%20politiek%20was%20de,Koloni%C3%ABn%20Alexander%20Willem%20Frederik%20Idenburg.

[37]

Doelstelling van de ethische politiek was de koloniale bevolking zodanig te vormen dat zij zou kunnen komen tot politieke en economische zelfstandigheid.”

WIKIPEDIA

ETHISCHE POLITIEK

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ethische_politiek#:~:text=De%20ethische%20politiek%20was%20de,Koloni%C3%ABn%20Alexander%20Willem%20Frederik%20Idenburg.

Reacties uitgeschakeld voor Noten 29 t/m 37/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers

Noten 25 t/m 28/Crimineel Johannes van den Bosch

25]


TERUG NAAR DRENTHE

NIEUWE WERELDENONVRIJE KOLONIE VAN WELDADIGHEID

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/onvrije-kolonie-van-weldadigheid/

ZIE VOOR GEHELE TEKST NOOT 22

DOORBRAAK.EU/GEBLADERTE

HET WELDADIG KARAKTER ONZER NATIE

VOORJAAR 2007

https://www.doorbraak.eu/gebladerte/11303f82.htm

“Vlijt, vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie” is de zeer toepasselijke ondertitel van het boek “De proefkolonie” van Wil Schackmann. Daarin wordt minutieus uit de doeken gedaan hoe begin negentiende eeuw in Drenthe een werkkolonie voor de armen tot stand kwam. Het begon allemaal met een landelijke inzamelingsactie door de kersverse Maatschappij van Weldadigheid, onder voorzitterschap van prins Frederik, de jongste zoon van koning Willem I. Stuwende kracht achter het initiatief was de toen 38-jarige generaal-majoor Johannes van den Bosch, die later in het koloniale Indië het beruchte cultuurstelsel zou invoeren, een systeem van meedogenloze dwangarbeid.

Het boek beschrijft de aankomst en het leven van de eerste 52 kolonisten in het net aangelegde dorp Frederiksoord. De Maatschappij wilde verarmde landgenoten uit hun toestand van “diepe ellende en daaruit spruitende zedelijke verbastering” halen. In het nog woeste Drenthe zouden ze leren met landarbeid de eigen kost te verdienen. En daardoor vanzelf betere mensen worden. “Het weldadig karakter onzer natie” ging gepaard met een flink portie paternalisme en controlezucht. Het dorp werd omgeven met sloten opdat de kolonisten er niet vandoor zouden gaan. En “de desertie wordt door ene herkenbaare soort van kleding moeijelijk gemaakt”, constateerde een journalist.

Al lezende krijgt men het idee de kolonisten werkelijk te kennen, alsof het om een roman gaat. Voormalig kraker Schackmann heeft het voor elkaar gekregen om via een reeks historische bronnen een levensecht beeld te schetsen van de naar Frederiksoord gedirigeerde leden van de onderklasse, hun manier van leven en hun behandeling door de gegoede klasse. Hij heeft oog voor grappige details en laat iedereen in zijn waarde, ook de “weldadige” klasse. Een fascinerend boek over een bijna vergeten stukje vaderlandse geschiedenis.

EINDE ARTIKEL

[26]

TERUG IN DRENTHE

NIEUWE WERELDEN

JOHANNES VAN DEN BOSCH

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/johannes-van-den-bosch/

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 22

[27]

”Zijn ideeën bleken in de praktijk niet te werken. Het leven in de koloniën was hard en het sterftecijfer hoog. Het was onmogelijk voor de “paupers” om weer omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder. ”

TERUG IN DRENTHE

NIEUWE WERELDEN

JOHANNES VAN DEN BOSCH

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/johannes-van-den-bosch/

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 22

[28]

”Ondanks alle idealen is er weinig terecht gekomen van Van den Bosch’ uitgangspunt van verheffing van de armen door hen op te voeden tot arbeidzame boeren. Zij die een boerenbedrijf toegewezen kregen, begonnen met een enorme schuld aan de Maatschappij, die ze geacht werden met hun eigen landbouwopbrengsten gaandeweg in te lossen, tot ze vrije boer zouden zijn. Het lukte maar weinigen om uit de spiraal van schulden, betutteling, gedwongen winkelnering, degradatie en straf te ontsnappen.”

BIOGRAFISCH WOORDENBOEK VAN HET SOCIALISME EN DE ARBEIDERSBEWEGING

IN NEDERLAND

BOSCH, JOHANNES VAN DEN

https://socialhistory.org/bwsa/biografie/bosch

initiatiefnemer van de Maatschappij van Weldadigheid, is geboren te Herwijnen op 2 februari 1780 en overleden op zijn landgoed Boschlust nabij Den Haag op 28 januari 1844. Hij was de zoon van Johannes van den Bosch, chirurgijn en eigenaar steenfabriek, en Adriana Poningh. Op 2 september 1804 trad hij in het huwelijk met Catharina Lucretia de Sandol Roy, met wie hij vier dochters en drie zonen kreeg. Na haar overlijden op 10 februari 1814 hertrouwde hij op 28 oktober 1823 met Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler, met wie hij twee zonen kreeg. Koning Willem I verhief Van den Bosch en zijn kinderen in 1835 in de adelstand met de erfelijke titel van baron en in 1839 met de titel van graaf.

Van den Bosch begon zijn loopbaan in 1797 in het leger van de Bataafse Republiek als luitenant der genie en werd op eigen verzoek in 1798 uitgezonden naar Batavia. Het Nederlandse koloniale gezag in de Indonesische archipel was beperkt. De nadruk had tot dan gelegen op handhaving van het handelsbelang. Als adjudant verbleef Van den Bosch in de nabijheid van de opeenvolgende gouverneurs-generaal en was hij nauw betrokken bij het begin van de overgang van handelskolonialisme naar territoriale koloniale expansie. Zijn kennis hierover publiceerde hij in de Atlas der overzeesche bezittingen van zijne majesteit den koning der Nederlanden: aan hoogst den zelven aangeboden (Den Haag 1817), die behoorde bij zijn grote, tweedelige overzichtswerk Nederlandsche bezittingen in Azia, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegenheid voor dit rijk, wijsgeerig, staatshuishoudkundig en geographisch beschouwd, met bijvoeging der noodige tabellen, en eenen atlas nieuwe kaarten (Den Haag 1818). In zijn vrije tijd wijdde Van den Bosch zich bovendien aan daadwerkelijke drainage en landontginning in de ommelanden van Batavia met inzet van slaven en vrije boeren. In 1808 raakte hij in conflict met de nieuwe gouverneur-generaal H.W. Daendels. Hij kreeg eervol ontslag uit de dienst met de rang van kolonel, legde zich toe op zijn landerijen, maar in 1810 stuurde Daendels hem met zijn gezin terug naar Europa. Onderweg namen de Engelsen hem gevangen. In 1813, nog voor de bevrijding van de Fransen, was hij echter al terug in Nederland. Tussen 1813 en 1815 maakte hij zich daar verdienstelijk bij de vestiging van het gezag van koning Willem I, met wie hij de volgende kwart eeuw doortastend zou samenwerken bij de opbouw van Nederland als moderne Europese en koloniale natie. Hij steeg verder in militaire rang en bracht het tot generaal-majoor. Maar in 1819 werd hij op eigen verzoek op non-actief gesteld, teneinde zijn plannen met de in 1818 opgerichte Maatschappij van Weldadigheid te kunnen uitvoeren. De oprichting van de Maatschappij geschiedde door een select gezelschap onder auspiciën van prins Frederik, de zoon van de koning. Van den Bosch bracht de bedoelingen ervan onder woorden in de brochure Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering en de belangrijkste voordelen eener algemeene armeninrigting in het rijk der Nederlanden, door het vestigen eener landbouwende kolonie in deszelfs Noordelijke gedeelte (Amsterdam 1818). Hij wees op het gevaar dat de (kerkelijke) bedeling een groeiende groep armen afhield van arbeid, terwijl arbeid het enige middel was om armoede te bestrijden. Landarbeid was daarvoor in het bijzonder geschikt en met ontginning van de ‘woeste’ gronden in Drenthe zouden twee vliegen in één klap geslagen worden. De armen leerden gedisciplineerd voor zichzelf te zorgen en het Nederlandse landbouwareaal nam in omvang toe. Aan dit koloniale ideaal werd, in navolging van de onderwijspedagoog J.H. Pestalozzi, een opvoedingsstrategie voor verweesde of gederailleerde jeugd verbonden, gericht op contact met ‘de akker’ en met buitenlucht. Lichamelijke oefening gold als voorwaarde voor een evenwichtige geestelijke ontwikkeing. De Maatschappij van Weldadigheid stichtte in Drenthe de ‘vrije’ koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord en de gestichten Ommerschans en Veenhuizen. Vele steden werkten mee aan het onderbrengen van ‘hun’ armen. Ondanks alle idealen is er weinig terecht gekomen van Van den Bosch’ uitgangspunt van verheffing van de armen door hen op te voeden tot arbeidzame boeren. Zij die een boerenbedrijf toegewezen kregen, begonnen met een enorme schuld aan de Maatschappij, die ze geacht werden met hun eigen landbouwopbrengsten gaandeweg in te lossen, tot ze vrije boer zouden zijn. Het lukte maar weinigen om uit de spiraal van schulden, betutteling, gedwongen winkelnering, degradatie en straf te ontsnappen. Van den Bosch had zijn militaire contacten en nauwe relatie met de koning gebruikt om middels fondsenwerving onder particulieren een draagvlak te realiseren voor het opzetten van de koloniën. De Maatschappij gaf een blad uit, De Star, en stelde in tal van steden commissies in met leden, honorair leden en corresponderende leden, die geld bijeenbrachten ter ondersteuning van de koloniën. Ook vanuit de Oost en de West meldden zich contribuanten aan. De betere kringen beschouwden steun aan het initiatief als een concrete bijdrage aan de opbouw van Nederland, dat na de Franse bezetting voor het eerst een eenheidsstaat vormde. Maar er was van meet af aan ook kritiek. Isaac da Costa fulmineerde in zijn Bezwaren tegen de geest van de eeuw (1823) tegen particuliere ‘weldadigheid’ buiten kerkelijke kaders: ‘voor vijftig of zestig stuivers ’s jaars kan ieder, die maar wil, een weldadig en verlicht menschenvriend heeten, en niemand aarzelt een zoo fraaien koop te sluiten’. Ook uit meer verlichte hoek kwamen bezwaren. Van den Bosch maakte zich geen illusies over de geneigdheid van mensen tot hard werken en baseerde het dagelijks regime in de koloniën en gestichten op discipline en tucht: ‘Ik meen te mogen aannemen dat de grondslag van allen arbeid, boven en behalve dien welken de onmiddellijke vervulling der dierlijke behoeften vordert, het gevolg is van dwang’, stelde hij in 1829. Die dwang ging de utopisch socialist Robert Owen, geïnteresseerd in het experiment van de landbouwkoloniën met het oog op eigen Quaker-nederzettingen in Amerika, te ver. ‘De generaal schijnt over zeer onbeperkte macht te beschikken’, schreef hij tijdens een studiereis in 1824 over Van den Bosch. Hij prees echter diens betrokkenheid bij het ideaal van verheffing der armen en deelde diens uitgangspunt dat verbetering van de fysieke toestand van de armen een voorwaarde was voor mentale en morele verbetering. Van den Bosch heeft zich alleen in de beginjaren met hart en ziel aan dit project kunnen wijden. Hij vestigde zich in Frederiksoord en werkte hard aan de realisatie van de koloniën zonder de overzeese koloniën uit het oog te verliezen. In 1825 werd hij buitengewoon lid van de Commissie tot de Zaken der Protestantsche Kerk in Nêerlands Oost- en West-Indië.

In 1827 haalde de koning Van den Bosch weg bij de Maatschappij van Weldadigheid, teneinde als commissaris-generaal de bestuurlijke controle vanuit Nederland over Suriname en de Nederlandse Antillen te herstellen. In december 1827 arriveerde Van den Bosch op Curaçao. Na een tocht langs de andere eilanden kwam hij in april 1828 in Suriname aan. In augustus 1828 voer hij terug naar Nederland. In die acht maanden nam hij een aantal (weinig effectief gebleken) initiatieven inzake de handel en het bankwezen, gericht op vergroting van de economische bedrijvigheid en armslag van de koloniën. Het belangrijkst waren zijn pogingen in te grijpen in de verlopen bestuurlijke en sociale verhoudingen in Suriname, waarbij de kwestie van slavernij een voorname rol speelde. Van den Bosch had in 1818 in zijn Nederlandse bezittingen betoogd dat het verbod op slavenhandel een gunstig effect zou hebben op de levensomstandigheden van slaven, doordat men voorzichtiger met hen zou zijn, hen minder wreed zou behandelen en minder zwaar zou belasten. Ook zag hij een economisch gunstig effect. Om orde op zaken te kunnen stellen introduceerde Van den Bosch in juli 1828 in Suriname een 137 artikelen tellend Reglement op het beleid der regeering van de Nederlandsch West-Indische bezittingen (gedateerd 21 juli 1828). Het reglement verbond het bestuur van de kolonie expliciet aan de Nederlandse grondwet, stipuleerde gelijke burgerrechten voor alle vrijen, ongeacht godsdienst of kleur (artikel 116) en stelde dat de in Nederland geldende verordeningen over het armenwezen, onderwijs en kerkelijke zaken ook in de West-Indische bezittingen vorm moesten krijgen (artikel 111). Ten aanzien van het stelsel van slavernij als zodanig nam Van den Bosch een gematigd standpunt in, al greep hij het reglement aan om ook de positie van de slaven te verbeteren. Zo werd in artikel 117 bepaald dat slaven ‘in rechten’ niet langer als zaken zouden worden beschouwd maar als personen. Als mens verhielden slaven zich tot hun eigenaars als een onmondige tot een curator / voogd, die gemachtigd was vaderlijke tucht uit te oefenen. De overheid werd geacht misbruik en mishandeling van slaven tegen te gaan en de eigenaars hadden de plicht hun voeding, kleding en werktijden te verbeteren (artikelen 115 en 118). Zij kon echter niet verhinderen dat onwillige planters artikel 117 in 1832 weer afschaften. Van den Bosch’ reglement werd geformuleerd in een periode, waarin vooral in Engeland de slavernij onder toenemende openbare kritiek kwam te staan. Daarbij kritiseerden J.G. Stedman en later C.E. Lefroy ook het gedrag van de slavenhoudende en bestuurlijke elite in Suriname. Van den Bosch aanvaardde het beschermheerschap van een Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief uit kringen van de middenstand, kleurlingen en joden, die geen toegang tot die elite hadden. Het belangrijkste resultaat dat Van den Bosch in Suriname wist te bereiken was de oprichting, tijdens zijn aanwezigheid in Paramaribo in 1828, van een Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname. In de praktijk betekende dit initiatief een effectieve strategie om de zwakke stemmen in Nederland vóór afschaffing van de slavernij tot zwijgen te brengen met een beroep op kerstening als voorwaarde voor emancipatie. Het politieke klimaat in Nederland veroorzaakte voor de slaven van Suriname en de Antillen een status quo, waarbij emancipatie naar een verre toekomst werd geschoven. De Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs kreeg in 1829 een pendant in Nederland (in de wandeling de Haagsche Maatschappij genoemd), die qua organisatiestructuur sterk geleek op de Maatschappij van Weldadigheid. In tal van steden werd geld ingezameld onder vaste donateurs (vaak dezelfde mensen), die zich tevens konden abonneren op Berichten uit de Heidenwereld.

Net terug in Nederland benoemde de koning Van den Bosch nog in 1828 als gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Daar richtte Van den Bosch vanaf 1830 zijn beleid voor de derde keer in zijn loopbaan op de landbouwproduktie. De paternalistische dwang die ten grondslag lag aan de verkassing van armen en bedelaars uit de steden naar de landbouwkoloniën in Drenthe, verkeerde op Java in een stelsel van pure uitbuiting, ingegeven door een abstract staatsbelang en mogelijk ook door zijn persoonlijke ervaringen als grootgrondbezitter op Java. Nadat zijn bevoegdheden in 1833 door zijn benoeming als commissaris-generaal waren uitgebreid, slaagde hij er in korte tijd in om de koloniale begroting sluitend te maken door de invoering van het zogenoemde cultuurstelsel. Dit verplichtte de Javaanse boeren om een vijfde deel van hun landbouwgronden te bebouwen met exportgewassen, zoals koffie, suiker en indigo. In eerste instantie presenteerde Van den Bosch dit als voordelig voor zowel Nederland als de betrokken boeren, omdat in ruil voor de leveranties de grondrente zou worden afgeschaft. In de praktijk gebeurde dat laatste echter niet en werd het toezicht op de verplichte leveringen zo georganiseerd dat de boeren onder steeds grotere produktiedwang kwamen te staan. Van den Bosch combineerde de invoering van het cultuurstelsel met een doelgericht beleid ter bevordering van de fabrieksmatige katoenproduktie in Oost-Nederland, die mede tot doel had nieuwe werkgelegenheid te scheppen voor de groeiende onderklasse in de steden. Terug in Nederland, waar hij in 1834 minister van Koloniën werd, stelde hij steeds hogere eisen aan de financiële resultaten van Nederlandsch-Indië. Het beleid van Van den Bosch in Nederland, Suriname en Nederlandsch-Indië had telkens weer direct invloed op de levensomstandigheden van de meest kwetsbare groepen van de bevolking: van paupers in Hollandse steden, slaven op Surinaamse plantages en boeren in de Javaanse desa’s. Het ging hem daarbij niet zozeer om individuele lotsverbetering, maar hij relateerde de belangen van deze naamloze massa’s steeds aan het particuliere economische initiatief en het staatsbelang. Op het hoogtepunt van zijn loopbaan ging dat laatste voor hem zwaarder wegen dan de belangen van de landarbeiders en slaven. In 1839 accepteerde de Kamer niet langer de ondoorzichtigheid in het leningenbeleid tussen de overheid en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, waarbij miljoenen uit de koloniale winsten heen en weer werden geschoven. Van den Bosch aanvaardde de verantwoordelijkheid en trad af als minister. In zijn laatste redevoering als minister verklaarde hij: ‘Doet de bronnen van den kolonialen bloei opdroogen, en de welvaart van ons vaderland verschroeit, onze scheepvaart, onze thans zo bloeiende handel zinken in het niet terug, en vele voorname takken van ons volksbestaan gaan teniet’. Hij stond toen al ver af van zijn oorspronkelijk engagement bij verbetering van de landbouw als tweesnijdend zwaard dat zowel de omgeschoolde pauper als de natie ten goede kwam. In 1842 keerde hij terug als lid van de Tweede Kamer namens Zuid-Holland. Na een korte ziekte overleed hij in januari 1844. De herinnering aan Johannes van den Bosch als oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid wordt levend gehouden in het hedendaagse bezoekerscentrum in Frederiksoord, waar computers toegang geven tot een database die de vele kolonisten van de Maatschappij van Weldadigheid met naam en toenaam traceerbaar maakt in archieven. Die archief-erfenis is een kenmerk van de grote projecten van Van den Bosch in Nederland, in de Oost (de boekhouding van het cultuurstelsel) en in de West (slavenregisters).

EINDE ARTIKEL

” Mensen moesten keihard werken op het land. Ze begonnen met een schuld die ze, als ze mazzel hadden, in zestien jaar konden afbetalen. Tenminste, als ze niet dood gingen van de honger of door een ziekte, want honger had iedereen, en ziek was bijna iedereen vanwege de erbarmelijke omstandigheden. En velen stierven.”

DOORBRAAK.EUREINTEGRATIEPROJECT DE EERSTE WIJK: EEN KNIPOOG NAAR HONGER, ZIEKTE EN DWANGARBEID8 JUNI 2021

Een knipoog naar het verleden.” Het staat er echt. “Oude idealen nieuw leven inblazen.” Het gaat om de idealen van de Maatschappij van Weldadigheid, die in de negentiende eeuw arme mensen uit heel Nederland in strafkolonies in Drenthe aan de dwangarbeid zette. Een hedendaags reïntegratieproject voor baanlozen in Veenhuizen (gemeente Noordenveld) laat zich inspireren door dwangkolonies van vroeger. Wij zeggen net als de dwangarbeiders van de negentiende eeuw: “Wij willen niet, wij gaan niet werken in jullie projecten.”

De Eerste Wijk, een agrarisch bedrijf, is gevestigd in een voormalige strafkolonie in “gevangenisdorp” Veenhuizen. Bedelaars, landlopers, zieken, “onwilligen” en andere arme mensen werden daar vanaf 1822 heen gestuurd, vanuit heel Nederland. Gemeentebestuurders waren blij dat ze dat deel van hun bevolking dat alleen maar lastig en duur voor hen was, ergens konden dumpen. Mensen moesten keihard werken op het land. Ze begonnen met een schuld die ze, als ze mazzel hadden, in zestien jaar konden afbetalen. Tenminste, als ze niet dood gingen van de honger of door een ziekte, want honger had iedereen, en ziek was bijna iedereen vanwege de erbarmelijke omstandigheden. En velen stierven.

Strafkolonies als inspiratie

De boerderij in Veenhuizen is tegenwoordig verbonden aan de gevangenis daar, en werkgestraften verrichten er arbeid in de groenvoorziening. Maar De Eerste Wijk wil uitbreiden en grijpt daarvoor terug op het verleden: “Die sociale werkplaats van begin negentiende eeuw is een inspiratiebron voor De Eerste Wijk, maar we vullen het eigentijds in”, zegt bedrijfsleider Scholten. Op de boerderij zouden vluchtelingen, gehandicapten en andere arm gemaakte baanlozen met “afstand tot de arbeidsmarkt” te werk moeten worden gesteld.

We kwamen de gevangenisboerderij op het spoor toen we onderzoek deden naar de “parallelle” arbeidsmarkt. Die arbeidsmarkt is een proefballon van Start Foundation, en daar zouden mensen moeten gaan werken die niet op de “reguliere” arbeidsmarkt terecht kunnen. In feite is het een nieuw soort banenplan anno 2021, waar mensen zonder betaalde baan gedwongen worden om te gaan werken, voor soms minder dan het minimumloon en tegen minder dan reguliere arbeidsrechten.

Het moge duidelijk zijn dat wij als Doorbraak-activisten niet zoveel moeten hebben van de “parallelle” arbeidsmarkt. Wat ons betreft is het uiteindelijk vrij eenvoudig: óf je werkt in een betaalde baan met arbeidsrechten en een goed loon, óf je ontvangt een uitkering. Elke tussenvorm betekent een uitholling van de arbeidsrechten waar arbeiders al zo lang voor hebben gestreden.

Paternalisme

Toen we in eerste instantie lazen over het tewerkstellingsproject in Veenhuizen, en dat men zich zo expliciet laat inspireren door de Maatschappij van Weldadigheid, vielen we dan ook zowat van onze stoel. Je zou zeggen dat ook zij zich niet willen laten inspireren door dwangarbeid- en strafkolonies? Door een plek waar mensen leefden in schulden, met ziekte, honger, waar mensen stierven, onder onmenselijke omstandigheden en onder een bikkelhard regime?

Maar als je er iets langer over nadenkt, is het ook weer niet zo verbazingwekkend. De Maatschappij van Weldadigheid liet zich ook voorstaan op haar maatschappelijke verlichtingsidealen en het “verheffen” van de armen. Men predikte dat mensen zichzelf door arbeid en heropvoeding uit armoede en ellende konden trekken, en dat dat uiteindelijk goed was voor de hele maatschappij.

En ook qua arbeidsdwang en discipline liggen de twee projecten niet heel ver uit elkaar. De oprichter van de Maatschappij, Johannes van den Bosch, geloofde dat mensen gedwongen moesten worden om te werken, omdat ze het niet uit zichzelf zouden gaan doen. De bedenkers van de “parallelle arbeidsmarkt” geloven ook in de “tegenprestatie”, dat mensen wat terug moeten doen voor de maatschappij in ruil voor hun uitkering, en dat daar ook best wat dwang achter mag zitten.

Uiteindelijk zou je De Eerste Wijk dus inderdaad als hedendaagse voortzetting van de dwangarbeidkolonie in Veenhuizen kunnen zien. Natuurlijk zijn de omstandigheden onvergelijkbaar; mensen worden niet gedwongen om te verhuizen naar een andere plek in het land (alhoewel, dit kan wel volgens de Participatiewet). Lijfstraffen, voedselonthouding en opsluiting bij ongewenst gedrag zal niet gebeuren. Mensen zullen nu veel betere leefomstandigheden hebben, kortom, de dwangarbeid van nu is de dwangarbeid van nu.

Maar wat is gebleven: het paternalisme, en de rijke bazen en bestuurders die ons, aan de onderkant van de samenleving, vertellen wat we moeten doen, hoe we het best ons leven kunnen inrichten en welk werk nuttig is en welk werk niet. Dat onze sociaal-economische positie aan onszelf ligt, en dat we maar harder moeten werken. En bovenal: dat we het geld vooral niet moeten halen waar het zit, bij hen die de macht en het kapitaal hebben!

Inspirerend verzet

Wij laten ons liever inspireren door Marie Thérèse Rayé, een van de werkweigeraars in de Ommerschans, een andere onvrije werkkolonie van de Maatschappij van Weldadigheid. Haar gevleugelde woorden waren: “Je ne veux pas”, ik wil niet. Ze wilde wel werken, maar alleen als ze werd vrijgelaten. Hoewel Rayé stond geregistreerd als “ongeschikt tot den arbeid”, werd geprobeerd om haar te bewegen tot werk. Ze werd geslagen, opgesloten en uitgehongerd. Maar ze hield stand, ze liet zich niet dwingen. Wij voelen ons verbonden met de mensen die uit de veenkoloniën vluchtten naar de zogenaamde “desperado kolonies”, en hun eigen gemeenschappen in de buurt stichtten, omdat ze niet wilden of konden voldoen aan het barbaarse regime van de Maatschappij van Weldadigheid.

Het is fijn dat De Eerste Wijk haar inspiratie zo eenduidig kenbaar maakt. Dan kunnen wij ook duidelijk zijn: onze helden zijn Marie Thérèse en de desperado’s. We willen niet werken in jullie tewerkstellingsprojecten, waar we zelf geen enkele keuze in hebben, waar we onder het bijstandsregime zitten, waar we niet de reguliere arbeidsrechten hebben. We willen het niet, en we laten ons niet dwingen om het te doen.

Joris Hanse en Puk Pent

EINDE ARTIKEL

Reacties uitgeschakeld voor Noten 25 t/m 28/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers

Noot 24/Crimineel Johannes van den Bosch

[24]

TERUG IN DRENTHE

NIEUWE WERELDEN

VRIJE KOLONIEEN VAN WELDADIGHEID

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/vrije-koloni%C3%ABn-van-weldadigheid/

Tweehonderd jaar geleden richt Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. Het doel van de maatschappij is om arme gezinnen, bedelaars en zwervers te huisvesten in koloniën, waar ze onderdak krijgen, naar school gaan en op het land werken. Dit met het doel dat ze, na een aantal jaren in de kolonie, weer in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

Proefkolonie

In 1818 legt Van den Bosch zijn eerste Kolonie aan. Het is een proefkolonie waar 52 gezinnen gaan wonen. De Kolonie wordt aangelegd op en rondom het bestaande landgoed Westerbeeksloot. Het voormalige landhuis, Huis Westerbeek, wordt het centrum van de Maatschappij van Weldadigheid. Volgens een strikt raster worden hoofd- en zijwegen aangelegd. Langs de wegen worden op gelijke afstand van elkaar koloniehuisjes gebouwd. Ieder huisje heeft een eigen stukje grond, waar de kolonisten hun eigen voedsel kunnen verbouwen. Later in de 19e eeuw worden hier net als in de andere Koloniën van Weldadigheid grotere boerderijen toegevoegd om de opbrengst te verhogen.

Een nieuwe start

Twee maanden na de start van de bouw, op 29 oktober 1818, arriveren de eerste gezinnen. Bij aankomst ontvangen ze een kledingpakket met daarin een blauw uniform, hemden, borstrokken, klompen en schoenen. Vervolgens mogen ze hun intrek nemen in hun nieuwe huis. Dit was voor de kolonisten, die daarvoor in erbarmelijke omstandigheden woonden of op straat rondzwierven, een bijzondere gebeurtenis. De Kolonie van 310 hectare werd Frederiksoord genoemd.

Nog twee Drentse koloniën

Tussen 1820 en 1822 zijn de vrije koloniën Wilhelminaoord en Boschoord gebouwd. Wilhelminaoord lijkt qua ruimtelijke opzet sterk op Frederiksoord, met rechte lanen waarlangs in een ritmisch patroon de koloniehuizen staan. Ook zijn er verschillende voorzieningen, waaronder een kerk, begraafplaats, mandenmakerij en hoeves.

Vooral de scholen vallen op. Er is basisonderwijs voor alle kinderen terwijl schoolplicht pas een eeuw later algemeen werd, en ook vakonderwijs in tuinbouw en bosbouw, zelfs van internationale allure. Zo werd de landbouwschool in Wateren bijvoorbeeld opgezet met de bekende Zwitserse pedagoog Pestalozzi . Boschoord is vanwege de arme grond al vroeg in de 19e eeuw omgevormd tot productiebos in plaats van akkers. De Koloniën Wilhelminaoord en Boschoord, met een totaaloppervlakte van 779 hectare, werden in 1825 samengevoegd tot Kolonie II.

Willemsoord

De derde vrije Kolonie die de Maatschappij van Weldadigheid stichtte is Willemsoord in Overijssel. De Kolonie van 131 hectare werd tussen 1821 en 1823 gebouwd. In het centrum ligt een kruispunt, vanwaar rechte lanen lopen met daarlangs lintbebouwing. Je vindt er ook grote koloniehoeves, maar ook de sporen van een joodse buurtschap. Van den Bosch was zelf erg enthousiast over de ruimtelijke opzet van deze Kolonie, omdat hij vanaf het centrale plein alle straten kon overzien.

Naast de vrije koloniën, werden in Veenhuizen een onvrije Kolonie gebouwd, voor het onderbrengen van weeskinderen en bedelaars

Reacties uitgeschakeld voor Noot 24/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers

Noten 19 t/m 23/Crimineel Johannes van den Bosch

[19]

RTV DRENTHE

JOHANNES VAN DEN BOSCH NAM ZIJN IDEALEN MEE NAAR SURINAME

23 JULI 2021

https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/13772756/johannes-van-den-bosch-nam-zijn-idealen-mee-naar-suriname

Johannes van den Bosch bepaalde met de uitvoering van zijn ideeën niet alleen de loop van de geschiedenis in de Koloniën van Weldadigheid, ook op Suriname drukte hij zijn stempel. Door zijn toedoen waren tot slaaf gemaakten niet langer dingen, maar mensen.

“Hij is een een heel belangrijk persoon geweest voor Suriname en de Antillen”, zegt Surinamist Ellen Neslo. Van den Bosch kreeg van koning Willem I de opdracht om de bestuurlijke controle op orde te krijgen in de Nederlandse kolonies Suriname en de Antillen. Maar ook in de West kon hij het niet laten de mensen te ‘verheffen’.

Situatie

Het is 1828 als Johannes van den Bosch aankomt in Suriname. Na jaren Franse bezetting, krabbelt het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I op. Nederland kampt met veel armen en daklozen, waarvoor Van den Bosch in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid opricht. Paupers uit de steden krijgen onder andere in de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Veenhuizen de kans zelf aan hun toekomst te werken.

Nadat de boel in Nederland enigszins op de rails is gezet, constateert de koning dat ook de overzeese wingewesten structuur nodig hebben. Suriname is tijdens de Franse bezetting van Nederland in Britse handen gekomen, maar na de Vrede van Parijs weer Nederlands bezit.

In Van den Bosch ziet koning Willem I een geschikte man om de bestuurlijke controle in de West te herstellen. Van den Bosch laat zijn Maatschappij van Weldadigheid achter en vertrekt naar de Antillen, in 1828 komt hij aan in Suriname. “Van den Bosch moest de bestuurlijke en sociale verhoudingen verbeteren”, zeg Surinamist Neslo. “De kosten ter plekke moesten omlaag en de economische bedrijvigheid moest vergroot worden.”

Suriname

In Suriname wonen op dat moment Nederlanders en veel Duitsers, maar de grootste bevolkingsgroep wordt gevormd door de slaven. Die worden echter niet als bevolking gezien. “De uit Afrika afkomstige tot slaaf gemaakte mensen hadden geen status. Het waren wettelijk gezien zaken, geen mensen”, zegt Neslo. “Naast de slaven waren er ook vrijgemaakten. Deze vormden de grootste groep zwarte vrije mensen, ze woonden vooral in Paramaribo.”

Onderzoeker Neslo promoveerde in 2016 op haar onderzoek naar de vrije, niet-blanke bevolking in Suriname in het eerste deel van de 19e eeuw. “In 1828, toen Van den Bosch kwam, was er ook een kleine zwarte elite ontstaan. Dit waren vooral ambachtslieden; timmermannen en naaisters die kapitaal opbouwden. Die zwarte elite had het relatief goed. Ze deden aan liefdadigheid, en raakten op dat punt de idealen van Van den Bosch.”

De invloed van Van den Bosch

Van den Bosch arriveert in april in Suriname, nadat hij eerst op de Antillen is geweest. Lang blijft hij niet, in augustus keert hij terug naar Nederland. Maar in die paar maanden zet hij een stevig raamwerk neer voor de toekomst.

Een van de belangrijkste maatregelen die hij neemt is het instellen van het Reglement op het beleid der regeering van de Nederlandsch West-Indische bezittingen. In het 137 artikelen tellende reglement wordt het gemeentebestuur hervormd, niet langer zijn plantage-eigenaren de bestuurders.

Volgens Neslo is de belangrijkste verandering dat het bestuur van de kolonies werd verbonden aan de Nederlandse grondwet. Dat betekent gelijke burgerrechten voor alle ‘vrijen’. Vrijgemaakten speelden tot dan toe de tweede viool, er was veel minachting naar ze. Ook de joodse bevolking stond lager in rang. Er kwamen dus gelijke rechten, ongeacht kleur of godsdienst.”

Slavernij

Niet alleen de vrije zwarte bevolking kreeg het beter dankzij Van den Bosch, ook voor slaven kwam er een belangrijke verandering. “Slaven waren niet langer wettelijk een zaak of ding. Er kwam de plicht voor de overheid om mishandeling tegen te gaan”, vertelt Neslo. “Ze moesten worden gevoed en gekleed, je mocht ze niet zomaar straffen.” Dat laatste riep echter zo veel weerstand op bij de slavenhouders, dat het in 1832 weer teruggedraaid werd. Overigens is het de vraag of plantagehouders in de binnenlanden zich überhaupt iets aantrokken van wat op papier was gezet.

Waar Van den Bosch ook naartoe reisde op de wereld, zijn idealen liet hij niet los. In Suriname bestond al een serieus onderwijssysteem. Van den Bosch kon daarop verder bouwen. Want net als in zijn Koloniën van Weldadigheid in Nederland, wilde hij ook de mensen in Suriname verheffen, en scholing was daarvoor belangrijk. Er kwamen meer scholen voor slaven en ook voor de vrijgemaakten. Het idee was: Als je geschoold bent kan je beter voor jezelf zorgen.

Zoals bij de projecten van Van den Bosch gebruikelijk, sneed het mes daarbij aan twee kanten. In Europa was er volop discussie over het afschaffen van de slavernij. Mocht een slaaf vrijkomen, dan kwam die in ieder geval geschoold de samenleving in. Daardoor maakte de overheid minder zorgkosten. Van den Bosch keek dus naar de centjes. Neslo: “Als het alleen maar om de menslievendheid te doen was, had hij zich wel harder gemaakt voor afschaffing van de slavernij.”

Idealen

Zoals gezegd was er een klik tussen Van den Bosch en de vrije zwarte elite. “De elite wilde een Maatschappij van Weldadigheid, ze deden al veel om de minder bedeelden te helpen”, weet Suriname-kenner Neslo. De elite bestond vooral uit vrije, gekleurde mannen. Bij het landsbestuur leefde de angst dat zij een coup wilden plegen. Van den Bosch zag dat anders, hij trad op als bemiddelaar.

Neslo: “Hij werd beschermheer van de Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid. Hoewel het dezelfde naam had, was de invulling heel anders, er werden geen koloniën gesticht zoals in Nederland. Artsen zetten zich er voor in, ze haalden vooral geld op voor boeken en kleding.” Door de bemoeienis van Van den Bosch werd de weerstand tegen de Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid kleiner.

Wie kent hem nog?

Commissaris-generaal Van den Bosch deed in korte tijd dus veel in Suriname. Hij voegde het bestuur van Suriname en de Antillen samen, zette ‘de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname’ op en gaf de aanzet tot het opzetten van de West-Indische Bank. Toch zullen volgens Neslo veel Surinamers zijn naam niet kennen.

Op scholen wordt er niet over hem onderwezen. “De meeste mensen weten wel iets van de Maatschappij van Weldadigheid”, zegt Neslo, maar die wordt gekoppeld aan de zwarte elite van toen. “Van den Bosch komt niet in de geschiedenisboeken voor.”

Door de ingevoerde bureaucratie van Van den Bosch komen echter veel Surinamers wel indirect met zijn nalatenschap in aanraking. “Iedereen die in Suriname onderzoek doet naar zijn familiegeschiedenis komt in de door Van den Bosch ingevoerde registers terecht.” Zo is er de Onbeheerde Boedelkamer, waarin het nalatenschap wordt geregeld van iemand zonder testament.

Ook zette hij wijkregisters op, waardoor de belastinginning werd gestroomlijnd. Neslo zelf had daar ook veel profijt van in haar onderzoeken. “Ik dacht: ‘het zal wel zo zijn als in Zuid-Afrika. Wit woont hier en zwart woont daar.’ Maar ze woonden door elkaar.”

Zichtbaar

Na zijn periode in de West, lag de volgende klus voor Van den Bosch in de Oost. In Nederlands-Indië voerde hij het Cultuurstelsel in. In de Oost drukt hij dus uiteindelijk een veel steviger stempel dan hij deed in de West.

De opdracht om Suriname economisch op de rit te krijgen, bleek in de korte tijd van zijn verblijf niet haalbaar. Maar door zijn ingevoerde bestuurssysteem en bureaucratie is de aanwezigheid van Johannes van den Bosch in Suriname onder de oppervlakte dus nog altijd merkbaar.

EINDE ARTIKEL

EINDE ARTIKEL

[20]

”Van den Bosch keek dus naar de centjes. Neslo: “Als het alleen maar om de menslievendheid te doen was, had hij zich wel harder gemaakt voor afschaffing van de slavernij.”

RTV DRENTHE

JOHANNES VAN DEN BOSCH NAM ZIJN IDEALEN MEE

NAAR SURINAME

23 JULI 2021

https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/13772756/johannes-van-den-bosch-nam-zijn-idealen-mee-naar-suriname

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 19

[21]

[21]

”Het beeld is gemaakt door Herma Schellingerhoudt. Zij heeft een jaar aan het project gewerkt. Het beeld staat in het dorp als een levensgrote illustratie van de grondlegger van de Maatschappij van Weldadigheid. Een groot deel van diens nalatenschap is vorig jaar zomer bijgeschreven op de lijst met Werelderfgoederen van UNESCO. ”

DE KOP

STANDBEELD JOHANNES VAN DEN BOSCH WORDT ONTHULD

23 JUNI 2022

https://www.dekopvan.nl/nieuws/algemeen/260595/standbeeld-johannes-van-den-bosch-wordt-onthuld

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 2

[22]

”Aan het begin van de 19e-eeuw stichtte Maatschappij van Weldadigheid verschillende vrije Koloniën, waar armen de kans kregen om een beter bestaan op te bouwen. ”

TERUG NAAR DRENTHE

NIEUWE WERELDENONVRIJE KOLONIE VAN WELDADIGHEID

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/onvrije-kolonie-van-weldadigheid/

Aan het begin van de 19e-eeuw stichtte Maatschappij van Weldadigheid verschillende vrije Koloniën, waar armen de kans kregen om een beter bestaan op te bouwen. In 1819 werd ook een onvrije Kolonie gesticht, de Ommerschans. Hier werden groepen bedelaars opgevangen, maar ook kolonisten die niet goed functioneerden in de vrije koloniën. Zij hadden zich bijvoorbeeld schuldig gemaakt aan drankmisbruik, ontucht of brutaal gedrag, of hadden geprobeerd om weg te lopen. In 1822 werd de onvrije Kolonie Veenhuizen opgericht, bestaande uit drie gestichten.

Landlopers en bedelaars

In de onvrije Kolonie in Veenhuizen werden weeskinderen, landlopers en bedelaars opgevangen, aan het werk gezet en geschoold. Op initiatief van Johannes van den Bosch, de oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid, kwam er zelfs een officieel besluit dat alle vondelingen en weeskinderen van boven de zes jaar naar Veenhuizen stuurde. Ook armen die niet goed konden werken, invaliden, zieken en bejaarden werden opgenomen in de koloniën.

Ruimtelijke opzet

De drie gestichten van Veenhuizen hebben allemaal dezelfde ruimtelijke opzet. Tussen rechte lanen staan de centrale gestichten. Aan de binnenzijde van de gestichten, rond een gesloten binnenplaats, bevonden zich slaapzalen met daarin tachtig hangmatten. In deze zalen sliepen de ‘onfatsoenlijke armen’, de bedelaars en landlopers. Mannen en vrouwen waren van elkaar gescheiden. Weeskinderen werden in een eigen gesticht ondergebracht. Per zestig kinderen werd er een kindervader of kindermoeder aangesteld. Militaire veteranen hielden toezicht.

Opvallend is de aanwezigheid van zowel een protestantse als een katholieke kerk en een synagoge, alle drie gelegen aan de hoofdas. Het systeem van de Maatschappij van Weldadigheid stond neutraal ten opzichte van religie. Kolonisten gingen wel verplicht naar de kerk maar konden wel naar de kerk van hun eigen voorkeur gaan.

Fatsoenlijke armen

Aan de buitenzijde van de gestichten woonden de ‘fatsoenlijke armen’. Per gezin kregen ze een kamer toegewezen. Ze hadden een eigen voordeur en konden naar buiten wanneer ze wilden. Rond de gestichten, aan de buitenzijde van de Kolonie, werden grote gemeenschappelijke boerderijen gebouwd en verschillende dorpsvoorzieningen. Hier woonden de bewakers en het personeel.

Gevangenenbewaring

In 1859 werden de onvrije Koloniën overgenomen door de Nederlandse staat. Tot 1953 (Veenhuizen) en 1934 (Ommerschans) zijn dit instellingen voor armoedebestrijding gebleven. Vanaf dat moment zijn een aantal gestichtsgebouwen herbestemd als justitiële instelling. 

Zelf ontdekken

Het verhaal van Armoede en Verpaupering en Misdaad en Straf krijgt aandacht in het Gevangenismuseum in Veenhuizen. In Museum De Proefkolonie in Frederiksoord leer je meer over de ontstaansgeschiedenis van de eerste koloniën. In Merksplas laat het bezoekerscentrum Kolonie V VII de koloniegeschiedenis zien.

EINDE ARTIKEL

”Na de bevrijding van de Fransen heerst er grote armoede in Nederland. Getroffen door al het leed en geïnspireerd door zijn ervaringen in Batavia, besluit Van den Bosch, samen met een groep maatschappelijk betrokken intellectuelen, ambtenaren en ondernemers, om de Maatschappij van Weldadigheid op te richten”

TERUG IN DRENTHE

NIEUWE WERELDEN

JOHANNES VAN DEN BOSCH

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/johannes-van-den-bosch/

Johannes van den Bosch (1780-1844) diende als luitenant-kolonel tijdens de Bataafs-Franse tijd in Nederlands-Indië. Hij was de mede-stichter van de Koloniën van Weldadigheid en speelde hierdoor een grote rol in de geschiedenis van Nederland en België.

Batavia

Van den Bosch werd geboren op 2 februari 1780 in Herwijnen. Op zijn zeventiende werd hij benoemd tot tweede luitenant der genie. De jonge Van den Bosch wilde graag wat van de wereld zien. Op zijn eigen verzoek wordt hij een jaar later uitgezonden naar Nederlands-Indië. Hij houdt hij zich op zijn eigen landgoed nabij Batavia bezig met landontginningen. Deze ervaring is van grote invloed op zijn ideeën over de maakbaarheid van mensen en land, die hij later in Drenthe in de praktijk brengt.

Maatschappij van Weldadigheid

Na de bevrijding van de Fransen heerst er grote armoede in Nederland. Getroffen door al het leed en geïnspireerd door zijn ervaringen in Batavia, besluit Van den Bosch, samen met een groep maatschappelijk betrokken intellectuelen, ambtenaren en ondernemers, om de Maatschappij van Weldadigheid op te richten. Zijn maatschappij sticht zeven Koloniën van Weldadigheid In het oosten van Nederland en wat nu de Belgische Kempen zijn. In Drenthe worden twee vrije Koloniën gesticht en ook een onvrije Kolonie. In de koloniën krijgen weeskinderen, arme gezinnen en bedelaars een dak boven hun hoofd en leren ze om het land te bewerken.

Maakbaarheid van mens en samenleving

Van den Bosch gelooft dat “arbeid, onderwijs en onderhoud” de armen zal verheffen “tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid”. Hij is ervan overtuigd dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar geluk en dus ook voor het algemene volksgeluk. Zijn koloniën zijn kortom een experiment met de maakbaarheid van de mens en de samenleving. Vanuit binnen- en buitenland is er aandacht voor de bijzondere ‘heropvoedingsmethodiek’. Zijn ideeën bleken in de praktijk niet te werken. Het leven in de koloniën was hard en het sterftecijfer hoog. Het was onmogelijk voor de “paupers” om weer omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder. 

Graaf

Van den Bosch was betrokken bij het beheer van zijn koloniën tot hij in 1827 weer naar Indië vertrok. In 1834 werd hij de eerste minister van Koloniën. Een jaar later werd hij door Koning Willem I in de adelstand verheven en kreeg hij de titel baron. In 1839 werd hij zelfs graaf. Tot zijn overlijden in 1842 was Van den Bosch lid van de Tweede Kamer.

EINDE ARTIKEL

WIKIPEDIA

MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

https://nl.wikipedia.org/wiki/Maatschappij_van_Weldadigheid

[23]

Van den Bosch gelooft dat “arbeid, onderwijs en onderhoud” de armen zal verheffen “tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid”

TERUG IN DRENTHE

NIEUWE WERELDEN

JOHANNES VAN DEN BOSCH

https://www.terugindrenthe.nl/verhalen/nieuwe-werelden/johannes-van-den-bosch/

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 22

Reacties uitgeschakeld voor Noten 19 t/m 23/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers

Noten 15 t/m 18/Crimineel Johannes van den Bosch

[15]

WIKIPEDIA

NEDERLANDS WEST-INDIE

https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlands_West-Indi%C3%AB

[16]

‘Tegelijk keek Van den Bosch dertig jaar vooruit. De economische groei moest worden bevorderd en iedereen moest in vrijheid kunnen werken tegen een loon, waardoor ze konden uitgroeien tot hardwerkende burgers die zouden sparen en consumeren en daarmee belastinggeld in de schatkist brachten. Van den Bosch werd echter tegengehouden in zijn ambitie. Uiteindelijk zou het hem niet lukken om de slavernij in Suriname af te schaffen.”

DE KOLONIEMAN. VOLKSVERHEFFER IN NAAM

VAN DE KONING

12 NOVEMBER 2019

Het is vreemd, maar over de Koloniën van Weldadigheid hebben we op school niet of nauwelijks iets meegekregen. En als de koloniën in Drenthe ter sprake worden gebracht denken de meeste mensen toch eerst aan de zogeheten ‘veenkoloniën’ die een heel andere ontstaansgeschiedenis kennen. Zo vormt niet alleen de Maatschappij van Weldadigheid als ook haar oprichter Johannes van den Bosch (1780-1844) een leemte in onze vaderlandse geschiedenis.

Heel lang was het zo dat mensen zich schaamden voor de koloniale afkomst van hun voorouders. Er werd nauwelijks over gesproken en zelden over geschreven. Pas aan het eind van de vorige eeuw kwam daar geleidelijk aan verandering in en veranderde ook de reputatie van de Koloniën zelf. Die toegenomen belangstelling was vooral te danken aan de groeiende interesse in genealogie en cultureel erfgoed. De vele duizenden dossiers van de Maatschappij van Weldadigheid in het Drents Archief in Assen, evenals het materiaal in het Nationaal Archief in Den Haag en de Rijksarchieven in Brussel en Beveren, nodigden uit tot verder onderzoek. Daarbij was de kolonietijd ook op steeds grotere afstand komen te liggen. Veel belangstelling was er ook voor de boeken die de afgelopen jaren over de Koloniën van Weldadigheid zijn geschreven van Suzanna Jansen (Het pauperparadijs) en Wil Schackmann, Toon Horsten en Louis van Dievel. Recent verscheen er van mijn eigen hand nog een informatieve wandelgids over de koloniën in Drenthe, Overijssel en Vlaanderen, die als het goed is in 2020 op de werelderfgoedlijst van Unesco komen te staan. En nu is er dan ook de lijvige biografie van Angelie Sens over Johannes van den Bosch: De kolonieman. De timing is in elk geval uitstekend.

Koloniën van Weldadigheid

Wie de dorpen Fredriksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord bezoekt kan niet om zijn beeltenis heen. Johannes van den Bosch is daar te vinden op betonnen zuiltjes langs de weg, op vlaggen en in musea. Hetzelfde geldt voor het Drentse Veenhuizen. Het mankeert er nog aan dat er geen standbeeld voor hem is opgericht, maar wellicht komt dat er ook nog eens van.

Wie wel iets over Van den Bosch heeft gelezen weet dat zijn reputatie bepaald niet onomstreden is. Hij was immers niet alleen de man van de Koloniën van Weldadigheid, maar hij had ook grote bemoeienis met de overzeese koloniën in de Oost en de West. Zo is zijn naam sterk verbonden met het zogeheten Cultuurstelsel in Nederlands-Indië. Dat is ook waar de in het Betuwse Herwijnen geboren Johannes van den Bosch zijn werkzame leven begon. In 1797 trad hij in dienst van het leger van de Bataafse Republiek als luitenant der genie, waarna hij een jaar later werd uitgezonden naar Java. Als plantage-eigenaar wijdde hij zich daar met de inzet van slaven en de plaatselijke bevolking aan drainage en landontginning. Zich beroepend op zijn ervaringen in Indië schreef hij in 1818, toen de eerste Kolonie van Weldadigheid tot stand kwam: ‘Ik zelf [heb] reeds een wel niet geheel onvruchtbaar, echter grootendeels onbebouwd stuk gronds van eenige duizende morgens ter kulture gebragt, en een aanzienlijk getal menschen, voorheen gewoon hunnen tijd zeer slecht te besteden, tot den arbeid opgeleid […], met dat gelukkig gevolg, dat deze grond, na een achtjarig bezit, voor de achtdubbele waarde van den inkoopsprijs is verkocht geworden.’

Nadat Van den Bosch in 1811 terugkeerde naar Europa en hij korte tijd als krijgsgevangene in Engeland verbleef, kon hij vanaf 1813 zijn militaire carrière in het Nederlandse leger verder voortzetten.

Al in 1817 was een Provisionele Commissie van Weldadigheid opgericht, die de voorbereidende werkzaamheden voor de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid zou verrichten. Van den Bosch was voorzitter van die commissie. Een jaar later werd door hem de Maatschappij van Weldadigheid opgericht en geleid, met prins Frederik als beschermheer en een netwerk dat nauw verweven was met de organisatie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.

Toenemende armoede

Aan het begin van de achttiende eeuw was de economische en sociale situatie in het jonge Verenigd Koninkrijk der Nederlanden verre van rooskleurig. Ofschoon Willem I in 1815 was gekroond tot nieuwe koning, hing de vlag er vooralsnog belabberd bij. Onder het bewind van Napoleon was Nederland zijn bevoorrechte positie in de handel kwijtgeraakt. Als gevolg daarvan werd er nauwelijks nog goedkoop graan ingevoerd. Terwijl de graanprijzen snel waren gestegen, hadden de boeren in eigen land zich steeds meer toegelegd op de productie van vlees en zuivel. Daarbij was als gevolg van een reeks oorlogen de staatskas leeg en de staatsschuld torenhoog. Veel instellingen en burgers zagen hun inkomsten en de waarde van hun eigendommen verdampen, met als gevolg dat in de steden de armoede snel toenam. Velen waren werkloos en bijna een derde van de bevolking was in hun bestaan afhankelijk van liefdadigheid. Sociale zorg bestond nauwelijks. Terwijl in de steden het verval steeds duidelijker zichtbaar werd, nam op het platteland de onveiligheid toe. Overal zwierven mannen en vrouwen rond op zoek naar voedsel. Boeren werden bedreigd. Als ze de landlopers geen geld gaven, dreigde brandstichting. Maar de grote groep armen vormde op sociaal en politiek terrein een nog veel grotere bedreiging. De vraag was: hoe het tij te keren?

Al in 1810 waren achthonderd wezen van het Amsterdamse Aalmoezeniershuis ondergebracht bij gezinnen op het platteland, evenals in de Twentse textielbedrijven. Ofschoon het initiatief slechts een kort leven was beschoren, bleek het idee om op deze wijze de armoede te bestrijden bij de adellijke elite op steun te kunnen rekenen. De Maatschappij van Weldadigheid was opgericht ‘met het oogmerk om aan de talrijke klassen van behoeftige ingezetenen arbeid te verschaffen…’. Hoewel Van den Bosch aanvankelijk aan lichte fabrieksarbeid dacht, was Willem I bevreesd voor concurrentievervalsing. Daardoor verschoof het programma in de richting van ‘het ontginnen en vruchtbaar maken van nog ongecultiveerde gronden in ons Vaderland, en daarop bij wijze van Colonisatie over te brengen zoodanige Armen die voor deze arbeid geschikt geoordeeld worden’. Het ‘koloniseren’ van woeste gronden door geselecteerde armen leek een geniaal plan.

Tussen 1818 en 1825 kocht de Maatschappij van Weldadigheid op diverse locaties in het noordelijke deel van het koninkrijk gemeenschappelijke gronden aan van zowel marken, gemeenten als particuliere (groot)grondbezitters. Het was een voorbeeld van publiek-private samenwerking, waarbij, naast de Maatschappij van Weldadigheid als drijvende kracht, ook de Staat een grote rol speelde. Door middel van een grote wervingsactie werden in het hele land 21.000 leden geworven die gezamenlijk 72.000 gulden (vergelijkbaar met een half miljoen euro nu) aan contributie stortten. Eigenlijk was dit een vroege vorm van wat we tegenwoordig crowdfunding noemen. Daarnaast werden door de Maatschappij middelen vergaard uit renten, vrijwillige giften, legaten en de verkoop van eigen producten. Ook de steden droegen een steentje bij. Immers: het waren vooral arme stedelingen die een nieuw bestaan in de Koloniën werd geboden. En ook prins Frederik zamelde geld in onder vrienden en kennissen.

In zeven jaar tijd kon daardoor ruim tachtig vierkante kilometer cultuurlandschap worden verworven, waarin landbouwkoloniën werden gesticht. Vaak lagen deze aaneengesloten woeste gronden ver van de bewoonde wereld of op de grens tussen twee provincies. Het mes sneed aan twee kanten: terwijl de steden werden verlost van de sociale overlast en financiële druk, zou de ontginning zorgen voor een grotere binnenlandse landbouwproductie.

Behalve dat het de Maatschappij om arbeid op het land ging, werd ook een ambitieus doel nagestreefd: door arbeid en deugdzaamheid konden de armen immers worden opgevoed tot ‘betere burgers’. Uit deze verheffing van de armen in de samenleving sprak het krachtige vooruitgangsoptimisme bij Van den Bosch en het geloof in de maakbaarheid van mens en landschap. Daarvoor dienden de kolonisten zich in hun nieuwe bestaan wel te voegen naar de normen en waarden van de burgerlijke elite. Als belangrijkste pijlers golden daarbij: arbeid, onderwijs en religie. Het collectieve doel prevaleerde echter boven het belang van het individu en de persoonlijke vrijheid.

Overzeese koloniën

In 1827 kwam er een einde aan Van den Bosch’ directeurschap van de Maatschappij, toen de Staat hem vroeg orde op zaken te stellen in de West-Indische kolonies: de Nederlandse Antillen en Suriname. Hier voerde hij gelijke burgerrechten in voor alle vrije burgers, ongeacht godsdienst of kleur en droeg hij bij aan de verbetering van de positie van slaven. Van den Bosch kreeg herhaaldelijk de opdracht om orde op zaken te stellen. In Suriname wilde Van den Bosch een einde maken aan de slavenhandel, zoals Engeland dat al in 1807 had gedaan, waarna veel landen volgden. Tegelijk keek Van den Bosch dertig jaar vooruit. De economische groei moest worden bevorderd en iedereen moest in vrijheid kunnen werken tegen een loon, waardoor ze konden uitgroeien tot hardwerkende burgers die zouden sparen en consumeren en daarmee belastinggeld in de schatkist brachten. Van den Bosch werd echter tegengehouden in zijn ambitie. Uiteindelijk zou het hem niet lukken om de slavernij in Suriname af te schaffen. Wel wist hij te bereiken dat er een Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname werd opgericht. Drie weken na zijn terugkeer in Nederland werd Van den Bosch tegen zijn zin benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Willem I was zeer verontrust over de grote staatsschuld en zag in hem de enige persoon om de overzeese kolonies winstgevend te maken. Daarvoor voerde Van den Bosch het Cultuurstelsel in dat gelijkenissen vertoonde met de opzet van de (vrije) Koloniën van de Maatschappij. Dat betekende dat de bevolking als pacht een vijfde van haar grond moest gebruiken om producten voor de Europese markt te verbouwen, zoals indigo, thee, suiker en koffie. Deze ‘luxe’ goederen werden in Nederland verhandeld en leverden veel geld op.

Ofschoon het systeem de verwachtingen inloste, ging het deels ten koste van de inheemse bevolking. Het waren met name de Javanen die het moesten ontgelden. Het economische model steunde op de inzet van arbeid die ‘vrij’ leek, maar dat zeker niet was.

De vraag is lang blijven hangen of Van den Bosch zelf wist dat het Cultuurstelsel een slecht systeem was. Volgens zijn biograaf stapte hij over die vraag heen. ‘Het was een man die vond dat het moest lukken’, meent Angelie Sens. ‘De schatkist moest worden gevuld. Hij heeft de fouten gezien en beschreven.’

Ook in de jaren daarna zou Van den Bosch zich ontpoppen als het brein achter zowel de binnenlandse als de buitenlandse kolonisatie. In 1834 werd hij benoemd tot minister van Koloniën, een functie die hij vijf jaar zou bekleden. Na nog enige jaren lid van de Tweede Kamer te zijn geweest, overleed hij op 28 januari 1844 in Den Haag, waar hij werd begraven op de Gemeentelijke Begraafplaats aan de Kerkhoflaan.

Geen tegenspraak

Met haar biografie heeft Angelie Sens, historicus een werkzaam bij het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS), willen laten zien dat Johannes van den Bosch veel meer was dan een militair die in de negentiende eeuw de armoede probeerde te bestrijden. Sens probeerde met haar boek ook een bijdrage te leveren aan het debat over het koloniale- en slavernijverleden van Nederland. ‘De beschrijving van het leven en werk van Van den Bosch is een historisch verhaal waarvan ik hoop dat het laat zien waar dingen vandaan komen’, zegt ze zelf. ‘Van den Bosch komt daar relatief goed uit. Omdat zijn hart op de goede plek zat en zijn idealen echt waren.’ Dat neemt niet weg dat de uitwerking van zijn plannen vaak te wensen overliet.

Naar eigen zeggen heeft ze Van den Bosch willen beschrijven als ‘een man die de mensen in principe gelijkstelde, maar daar meteen de mitsen en maren bij bedacht’. Hij was volgens haar zijn tijd ver vooruit en op het juiste moment op de juiste plek. Ze noemt de ‘Kolonieman’ een aimabele, charmante man die in een moordend tempo projecten uitvoerde, maar geen tegenspraak duldde. Daarbij was hij ook een driftkikker, eigenzinnig, scherp en intelligent. Sens:

‘Hij was er op tijd bij om in Suriname dingen te veranderen. Maar ik hoor nu al mensen zeggen dat hij dat alleen maar deed uit economisch oogpunt om mensen te drillen tot arbeidzame burgers. En ook daar zit zeker wat in.’

De kolonieman is af en toe stevige kost. Sens gaat diep in op sociaaleconomische zaken als die rond het Cultuurstelsel, wat af en toe flink was concentratie van de lezer vraagt. Jammer is dat de persoon Van den Bosch zelf wat onscherp blijft. Behalve over de familieverwikkelingen komen we over zijn gevoelsleven weinig aan de weet. Zijn levensverhaal handelt voornamelijk over de zaken waar hij mee bezig was.

Met de hernieuwde aandacht in de laatste jaren voor de rol van Van den Bosch in de Noord-Nederlandse koloniën is zijn betrokkenheid bij de overzeese koloniën steeds meer onderbelicht geraakt. De kolonieman laat echter zien dat Johannes van den Bosch ook als groot economisch denker en landbouweconoom een plek in de geschiedenis verdient. Met haar biografie heeft Sens duidelijk gemaaktdat hij in elk geval beschouwd moet worden als één van de belangrijke personen in het Nederland van de negentiende eeuw.

De Kolonieman. Johannes van den Bosch (1780-1844). Volksverheffer in naam van de koning
Angelie Sens
Uitgeverij Balans
ISBN hardover 9789460038914
ISBN ebook 9789460039027
Verschenen in september 2019

[17]

ZIE NOOT 16

[18]

”De slaven zullen, wat de dagelyckse behandeling betreft, met betrekking

tot hunne eigenaren beschouwd worden te staan als onmondigen tot

hunne Curators of Voogden aan welke wel het reg verbleven is, om eene

vaderycke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen wier mishandeling

alle publieke autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te sien, dat de wet, in hun

belang ontworpen, stricktelyk worde gehandhaafd: wordende bij deze het

onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen als zaken en niet als personen

kunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft

ARTIKEL 117

Reglement op het beleid der regeering van de Nederlandsch West-Indische bezittingen.

https://digitalcollections.universiteitleiden.nl/view/item/367049#page/28/mode/2up

BIOGRAFISCH WOORDENBOEK VAN HET

SOCIALISME EN DE ARBEIDERSBEWEGING IN NEDERLAND

BOSCH, JOHANNES VAN DEN

https://socialhistory.org/bwsa/biografie/bosch

initiatiefnemer van de Maatschappij van Weldadigheid, is geboren te Herwijnen op 2 februari 1780 en overleden op zijn landgoed Boschlust nabij Den Haag op 28 januari 1844. Hij was de zoon van Johannes van den Bosch, chirurgijn en eigenaar steenfabriek, en Adriana Poningh. Op 2 september 1804 trad hij in het huwelijk met Catharina Lucretia de Sandol Roy, met wie hij vier dochters en drie zonen kreeg. Na haar overlijden op 10 februari 1814 hertrouwde hij op 28 oktober 1823 met Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler, met wie hij twee zonen kreeg. Koning Willem I verhief Van den Bosch en zijn kinderen in 1835 in de adelstand met de erfelijke titel van baron en in 1839 met de titel van graaf.

Van den Bosch begon zijn loopbaan in 1797 in het leger van de Bataafse Republiek als luitenant der genie en werd op eigen verzoek in 1798 uitgezonden naar Batavia. Het Nederlandse koloniale gezag in de Indonesische archipel was beperkt. De nadruk had tot dan gelegen op handhaving van het handelsbelang. Als adjudant verbleef Van den Bosch in de nabijheid van de opeenvolgende gouverneurs-generaal en was hij nauw betrokken bij het begin van de overgang van handelskolonialisme naar territoriale koloniale expansie. Zijn kennis hierover publiceerde hij in de Atlas der overzeesche bezittingen van zijne majesteit den koning der Nederlanden: aan hoogst den zelven aangeboden (Den Haag 1817), die behoorde bij zijn grote, tweedelige overzichtswerk Nederlandsche bezittingen in Azia, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegenheid voor dit rijk, wijsgeerig, staatshuishoudkundig en geographisch beschouwd, met bijvoeging der noodige tabellen, en eenen atlas nieuwe kaarten (Den Haag 1818). In zijn vrije tijd wijdde Van den Bosch zich bovendien aan daadwerkelijke drainage en landontginning in de ommelanden van Batavia met inzet van slaven en vrije boeren. In 1808 raakte hij in conflict met de nieuwe gouverneur-generaal H.W. Daendels. Hij kreeg eervol ontslag uit de dienst met de rang van kolonel, legde zich toe op zijn landerijen, maar in 1810 stuurde Daendels hem met zijn gezin terug naar Europa. Onderweg namen de Engelsen hem gevangen. In 1813, nog voor de bevrijding van de Fransen, was hij echter al terug in Nederland. Tussen 1813 en 1815 maakte hij zich daar verdienstelijk bij de vestiging van het gezag van koning Willem I, met wie hij de volgende kwart eeuw doortastend zou samenwerken bij de opbouw van Nederland als moderne Europese en koloniale natie. Hij steeg verder in militaire rang en bracht het tot generaal-majoor. Maar in 1819 werd hij op eigen verzoek op non-actief gesteld, teneinde zijn plannen met de in 1818 opgerichte Maatschappij van Weldadigheid te kunnen uitvoeren. De oprichting van de Maatschappij geschiedde door een select gezelschap onder auspiciën van prins Frederik, de zoon van de koning. Van den Bosch bracht de bedoelingen ervan onder woorden in de brochure Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering en de belangrijkste voordelen eener algemeene armeninrigting in het rijk der Nederlanden, door het vestigen eener landbouwende kolonie in deszelfs Noordelijke gedeelte (Amsterdam 1818). Hij wees op het gevaar dat de (kerkelijke) bedeling een groeiende groep armen afhield van arbeid, terwijl arbeid het enige middel was om armoede te bestrijden. Landarbeid was daarvoor in het bijzonder geschikt en met ontginning van de ‘woeste’ gronden in Drenthe zouden twee vliegen in één klap geslagen worden. De armen leerden gedisciplineerd voor zichzelf te zorgen en het Nederlandse landbouwareaal nam in omvang toe. Aan dit koloniale ideaal werd, in navolging van de onderwijspedagoog J.H. Pestalozzi, een opvoedingsstrategie voor verweesde of gederailleerde jeugd verbonden, gericht op contact met ‘de akker’ en met buitenlucht. Lichamelijke oefening gold als voorwaarde voor een evenwichtige geestelijke ontwikkeing. De Maatschappij van Weldadigheid stichtte in Drenthe de ‘vrije’ koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord en de gestichten Ommerschans en Veenhuizen. Vele steden werkten mee aan het onderbrengen van ‘hun’ armen. Ondanks alle idealen is er weinig terecht gekomen van Van den Bosch’ uitgangspunt van verheffing van de armen door hen op te voeden tot arbeidzame boeren. Zij die een boerenbedrijf toegewezen kregen, begonnen met een enorme schuld aan de Maatschappij, die ze geacht werden met hun eigen landbouwopbrengsten gaandeweg in te lossen, tot ze vrije boer zouden zijn. Het lukte maar weinigen om uit de spiraal van schulden, betutteling, gedwongen winkelnering, degradatie en straf te ontsnappen. Van den Bosch had zijn militaire contacten en nauwe relatie met de koning gebruikt om middels fondsenwerving onder particulieren een draagvlak te realiseren voor het opzetten van de koloniën. De Maatschappij gaf een blad uit, De Star, en stelde in tal van steden commissies in met leden, honorair leden en corresponderende leden, die geld bijeenbrachten ter ondersteuning van de koloniën. Ook vanuit de Oost en de West meldden zich contribuanten aan. De betere kringen beschouwden steun aan het initiatief als een concrete bijdrage aan de opbouw van Nederland, dat na de Franse bezetting voor het eerst een eenheidsstaat vormde. Maar er was van meet af aan ook kritiek. Isaac da Costa fulmineerde in zijn Bezwaren tegen de geest van de eeuw (1823) tegen particuliere ‘weldadigheid’ buiten kerkelijke kaders: ‘voor vijftig of zestig stuivers ’s jaars kan ieder, die maar wil, een weldadig en verlicht menschenvriend heeten, en niemand aarzelt een zoo fraaien koop te sluiten’. Ook uit meer verlichte hoek kwamen bezwaren. Van den Bosch maakte zich geen illusies over de geneigdheid van mensen tot hard werken en baseerde het dagelijks regime in de koloniën en gestichten op discipline en tucht: ‘Ik meen te mogen aannemen dat de grondslag van allen arbeid, boven en behalve dien welken de onmiddellijke vervulling der dierlijke behoeften vordert, het gevolg is van dwang’, stelde hij in 1829. Die dwang ging de utopisch socialist Robert Owen, geïnteresseerd in het experiment van de landbouwkoloniën met het oog op eigen Quaker-nederzettingen in Amerika, te ver. ‘De generaal schijnt over zeer onbeperkte macht te beschikken’, schreef hij tijdens een studiereis in 1824 over Van den Bosch. Hij prees echter diens betrokkenheid bij het ideaal van verheffing der armen en deelde diens uitgangspunt dat verbetering van de fysieke toestand van de armen een voorwaarde was voor mentale en morele verbetering. Van den Bosch heeft zich alleen in de beginjaren met hart en ziel aan dit project kunnen wijden. Hij vestigde zich in Frederiksoord en werkte hard aan de realisatie van de koloniën zonder de overzeese koloniën uit het oog te verliezen. In 1825 werd hij buitengewoon lid van de Commissie tot de Zaken der Protestantsche Kerk in Nêerlands Oost- en West-Indië.

In 1827 haalde de koning Van den Bosch weg bij de Maatschappij van Weldadigheid, teneinde als commissaris-generaal de bestuurlijke controle vanuit Nederland over Suriname en de Nederlandse Antillen te herstellen. In december 1827 arriveerde Van den Bosch op Curaçao. Na een tocht langs de andere eilanden kwam hij in april 1828 in Suriname aan. In augustus 1828 voer hij terug naar Nederland. In die acht maanden nam hij een aantal (weinig effectief gebleken) initiatieven inzake de handel en het bankwezen, gericht op vergroting van de economische bedrijvigheid en armslag van de koloniën. Het belangrijkst waren zijn pogingen in te grijpen in de verlopen bestuurlijke en sociale verhoudingen in Suriname, waarbij de kwestie van slavernij een voorname rol speelde. Van den Bosch had in 1818 in zijn Nederlandse bezittingen betoogd dat het verbod op slavenhandel een gunstig effect zou hebben op de levensomstandigheden van slaven, doordat men voorzichtiger met hen zou zijn, hen minder wreed zou behandelen en minder zwaar zou belasten. Ook zag hij een economisch gunstig effect. Om orde op zaken te kunnen stellen introduceerde Van den Bosch in juli 1828 in Suriname een 137 artikelen tellend Reglement op het beleid der regeering van de Nederlandsch West-Indische bezittingen (gedateerd 21 juli 1828). Het reglement verbond het bestuur van de kolonie expliciet aan de Nederlandse grondwet, stipuleerde gelijke burgerrechten voor alle vrijen, ongeacht godsdienst of kleur (artikel 116) en stelde dat de in Nederland geldende verordeningen over het armenwezen, onderwijs en kerkelijke zaken ook in de West-Indische bezittingen vorm moesten krijgen (artikel 111). Ten aanzien van het stelsel van slavernij als zodanig nam Van den Bosch een gematigd standpunt in, al greep hij het reglement aan om ook de positie van de slaven te verbeteren. Zo werd in artikel 117 bepaald dat slaven ‘in rechten’ niet langer als zaken zouden worden beschouwd maar als personen. Als mens verhielden slaven zich tot hun eigenaars als een onmondige tot een curator / voogd, die gemachtigd was vaderlijke tucht uit te oefenen. De overheid werd geacht misbruik en mishandeling van slaven tegen te gaan en de eigenaars hadden de plicht hun voeding, kleding en werktijden te verbeteren (artikelen 115 en 118). Zij kon echter niet verhinderen dat onwillige planters artikel 117 in 1832 weer afschaften. Van den Bosch’ reglement werd geformuleerd in een periode, waarin vooral in Engeland de slavernij onder toenemende openbare kritiek kwam te staan. Daarbij kritiseerden J.G. Stedman en later C.E. Lefroy ook het gedrag van de slavenhoudende en bestuurlijke elite in Suriname. Van den Bosch aanvaardde het beschermheerschap van een Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief uit kringen van de middenstand, kleurlingen en joden, die geen toegang tot die elite hadden. Het belangrijkste resultaat dat Van den Bosch in Suriname wist te bereiken was de oprichting, tijdens zijn aanwezigheid in Paramaribo in 1828, van een Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname. In de praktijk betekende dit initiatief een effectieve strategie om de zwakke stemmen in Nederland vóór afschaffing van de slavernij tot zwijgen te brengen met een beroep op kerstening als voorwaarde voor emancipatie. Het politieke klimaat in Nederland veroorzaakte voor de slaven van Suriname en de Antillen een status quo, waarbij emancipatie naar een verre toekomst werd geschoven. De Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs kreeg in 1829 een pendant in Nederland (in de wandeling de Haagsche Maatschappij genoemd), die qua organisatiestructuur sterk geleek op de Maatschappij van Weldadigheid. In tal van steden werd geld ingezameld onder vaste donateurs (vaak dezelfde mensen), die zich tevens konden abonneren op Berichten uit de Heidenwereld.

Net terug in Nederland benoemde de koning Van den Bosch nog in 1828 als gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Daar richtte Van den Bosch vanaf 1830 zijn beleid voor de derde keer in zijn loopbaan op de landbouwproduktie. De paternalistische dwang die ten grondslag lag aan de verkassing van armen en bedelaars uit de steden naar de landbouwkoloniën in Drenthe, verkeerde op Java in een stelsel van pure uitbuiting, ingegeven door een abstract staatsbelang en mogelijk ook door zijn persoonlijke ervaringen als grootgrondbezitter op Java. Nadat zijn bevoegdheden in 1833 door zijn benoeming als commissaris-generaal waren uitgebreid, slaagde hij er in korte tijd in om de koloniale begroting sluitend te maken door de invoering van het zogenoemde cultuurstelsel. Dit verplichtte de Javaanse boeren om een vijfde deel van hun landbouwgronden te bebouwen met exportgewassen, zoals koffie, suiker en indigo. In eerste instantie presenteerde Van den Bosch dit als voordelig voor zowel Nederland als de betrokken boeren, omdat in ruil voor de leveranties de grondrente zou worden afgeschaft. In de praktijk gebeurde dat laatste echter niet en werd het toezicht op de verplichte leveringen zo georganiseerd dat de boeren onder steeds grotere produktiedwang kwamen te staan. Van den Bosch combineerde de invoering van het cultuurstelsel met een doelgericht beleid ter bevordering van de fabrieksmatige katoenproduktie in Oost-Nederland, die mede tot doel had nieuwe werkgelegenheid te scheppen voor de groeiende onderklasse in de steden. Terug in Nederland, waar hij in 1834 minister van Koloniën werd, stelde hij steeds hogere eisen aan de financiële resultaten van Nederlandsch-Indië. Het beleid van Van den Bosch in Nederland, Suriname en Nederlandsch-Indië had telkens weer direct invloed op de levensomstandigheden van de meest kwetsbare groepen van de bevolking: van paupers in Hollandse steden, slaven op Surinaamse plantages en boeren in de Javaanse desa’s. Het ging hem daarbij niet zozeer om individuele lotsverbetering, maar hij relateerde de belangen van deze naamloze massa’s steeds aan het particuliere economische initiatief en het staatsbelang. Op het hoogtepunt van zijn loopbaan ging dat laatste voor hem zwaarder wegen dan de belangen van de landarbeiders en slaven. In 1839 accepteerde de Kamer niet langer de ondoorzichtigheid in het leningenbeleid tussen de overheid en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, waarbij miljoenen uit de koloniale winsten heen en weer werden geschoven. Van den Bosch aanvaardde de verantwoordelijkheid en trad af als minister. In zijn laatste redevoering als minister verklaarde hij: ‘Doet de bronnen van den kolonialen bloei opdroogen, en de welvaart van ons vaderland verschroeit, onze scheepvaart, onze thans zo bloeiende handel zinken in het niet terug, en vele voorname takken van ons volksbestaan gaan teniet’. Hij stond toen al ver af van zijn oorspronkelijk engagement bij verbetering van de landbouw als tweesnijdend zwaard dat zowel de omgeschoolde pauper als de natie ten goede kwam. In 1842 keerde hij terug als lid van de Tweede Kamer namens Zuid-Holland. Na een korte ziekte overleed hij in januari 1844. De herinnering aan Johannes van den Bosch als oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid wordt levend gehouden in het hedendaagse bezoekerscentrum in Frederiksoord, waar computers toegang geven tot een database die de vele kolonisten van de Maatschappij van Weldadigheid met naam en toenaam traceerbaar maakt in archieven. Die archief-erfenis is een kenmerk van de grote projecten van Van den Bosch in Nederland, in de Oost (de boekhouding van het cultuurstelsel) en in de West (slavenregisters).

EINDE ARTIKEL

”Voor een paar maanden was Van den Bosch commissaris-generaal in West-Indië. Als een van zijn belangrijkste wapenfeiten daar wordt gezien dat hij oprichter was van de “Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Kolonie Suriname”. Vaak wordt hij neergezet als iemand die het beste voor had met tot slaaf gemaakten in Suriname, maar Van den Bosch was niet tegen het systeem van slavernij. Hij zag de relatie tussen eigenaar en tot slaaf gemaakte als een tussen voogd en onmondige, waarbij de eigenaar de plicht had voor de tot slaaf gemaakte te zorgen. Bepaald geen abolitionist dus.”

DOORBRAAK.EU

# BEELDENSTORM-JOHANNES VAN DEN BOSCH, EEN

VAN NEDERLAND’S GROOTSTE KOLONIALE UITBUITERS, KRIJGT VANDAAG EEN BEELD

25 JUNI 2022

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

Reacties uitgeschakeld voor Noten 15 t/m 18/Crimineel Johannes van den Bosch

Opgeslagen onder Divers