De rol die de kerk speelde in het slavernijverleden blijft onderbelicht in het debat om van Ketikoti een nationale feestdag te maken. Berouw was er al wel, in 2013.
Burgemeester Femke Halsema bood onlangs excuses aan voor ‘de actieve betrokkenheid van het Amsterdamse stadsbestuur’ bij het slavernijverleden en een petitie om Ketikoti een nationale feestdag te maken werd al 60 duizend keer ondertekend. We worden ons in Nederland steeds bewuster van de rol die de staat speelde in deze zwarte bladzijde van de vaderlandse geschiedenis. De rol die de kerk speelde, blijft echter relatief onderbelicht. Draagt het christelijk geloof ook verantwoordelijkheid voor ons slavernijverleden?
Het Oude Testament geeft de lezer een hoop geboden, bevelen, bepalingen en leefregels – 613 om precies te zijn. De bekendste daarvan zijn te vinden in de Decaloog, oftewel de Tien Geboden. Deze verbiedt zonden als moord, diefstal, afgoderij, overspel en het afleggen van een valse getuigenis. Echter, een specifieke zonde wordt vreemd genoeg achterwege gelaten: slavernij.
Nergens in de Bijbel wordt slavernij dan ook ondubbelzinnig afgewezen, veroordeeld of verboden. Integendeel. De Heilige Schrift lijkt deze misdaad tegen de mensheid vaak stilzwijgend toe te staan en soms zelfs expliciet te steunen.
Meerdere passages in het Oude én Nieuwe Testament bevestigen deze veronderstelling. Zo stellen de Tien Geboden dat u uw zinnen niet moet zetten op het huis van een ander ‘en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, op zijn slavin, zijn rund of zijn ezel…’ Eén bladzijde verder, in Exodus 21,
bepaalt God dat je je slaaf onbestraft mag geselen, zolang de slaaf in kwestie ‘enkele dagen in leven blijft’. Wanneer de Israëlieten de stad van een vijandig volk veroveren, zoals in Numeri of Deuteronomium, moeten alle mannen ter dood worden gebracht, maar de vrouwen, de jonge meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen ‘en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buit maken’. In Numeri 31 werden er op die manier 32 duizend jonge meisjes ‘buitgemaakt’.
In Leviticus krijgt Bijbelse slavernij ook nog eens een etnisch gehalte, want ‘als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, of de vreemdelingen die bij jullie wonen’. Deze slaven werden gezien als eigendom en konden als erfelijk bezit nagelaten worden aan het nageslacht.
En het wat heeft het Nieuwe Testament te zeggen over de (on)rechtvaardigheid van slavernij? Jezus zelf repte nooit een woord over deze gruwel, maar zijn apostel Paulus wel. In zijn brieven aan de Efeziërs, de Kolossenzen en Timoteüs roept Paulus slaven op vooral gehoorzaam te zijn: ‘Slaven, gehoorzaam uw aardse meesters in alles, niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar oprecht en met ontzag voor de Heer.’ Zelfs het vermogen de slavendrijver met afgunst te dienen, werd ze afgenomen.
Tot veel verbazing kan het dan ook niet leiden dat veel vrome christenen de trans-Atlantische slavenhandel steunden of gedoogden. Neem de 18de-eeuwse jezuïet Raymund Harris. Deze gewijde priester publiceerde in 1788 een traktaat waarin hij de rechtvaardigheid van de slavenhandel beredeneerde vanuit een Bijbels perspectief. Hij maakte hiervoor onder meer gebruik van het voorbeeld van aarts-vader Abraham, de Wet van Mozes, het Bijbelboek Jozua, de brieven van Paulus en zelfs de Bergrede van Jezus. ‘Hoe meer ik vorder in mijn Bijbelonderzoek’, schreef hij, ‘hoe meer bewijs mij bereikt ten gunste van de slavenhandel.’
Daarom toonde de Nederlandse Raad van Kerken in 2013 – 150 jaar na de afschaffing van de slavernij – berouw voor het in stand houden en legitimeren van de lucratieve slavenhandel. Het spreekt voor zich dat de meeste christenen slavernij vandaag de dag verachten, maar het verleden kun je niet zomaar wegpoetsen.
Draagt de kerk medeverantwoordelijkheid voor het slavernijverleden? Als de Nederlandse staat verantwoordelijk was voor het implementeren van de slavenhandel, dan was de kerk zonder meer verantwoordelijk voor het vergoelijken ervan.
Afshin Ellian tracht in het interview met hem een overzichtelijk beeld van de islam te schetsen waar de werkelijke islam gelijk is aan een politiek systeem gekenmerkt door repressieve religieuze wetten. Vervolgens zou deze manier van leven zijn vervalst door westerse, koloniale ideeën over soevereiniteit en individuele rechten. Conclusie: hedendaagse extremisten proberen vandaag de dag met geweld dit westerse systeem van zich af te werpen en daarmee terug te keren naar de ‘echte’ islam van voor de koloniale corrumpering.
De inaccurate historische onderbouwing is nogal bezwaarlijk. Ten eerste onderstreept hij de essentie van islam als een politiek repressief systeem door de profeet Mohammed ervan te beschuldigen dat hij een islamitische staat zou hebben gesticht met gedwongen bekering en een shariawetgeving.
Binnen Mohammeds geringe politieke macht, gedragen door zijn trouwe volgelingen, was hun vrijwillige toetreding tot het geloof essentieel om überhaupt een stem te kunnen hebben als een religieuze buitenstaander. Zijn moslimgemeenschap was rond Mohammeds dood nog verre van wat een islamitische staat kan worden genoemd, een concept dat sowieso onbekend was in de tribale samenleving van het Arabië uit de 8ste-eeuw. Verder was er van een nauwkeurig gedocumenteerde wetgeving en bijbehorende jurisprudentie als de sharia geen sprake.
Altijd al verdeeldheid en onenigheid onder moslims
Ten tweede haalt hij het werk van Ibn Taymiyyah erbij als ‘bron van de islam’. Deze soennitische, hanbalitische rechtsgeleerde uit Syrië leefde in de 13de eeuw en is inderdaad voor bepaalde islamitische interpretaties van de jurisprudentie erg belangrijk geweest. Echter, het feit dat hij gedurende zijn leven meerdere keren gevangen is genomen omdat zijn ideeën door zijn tijdgenoten vaak als te letterlijk en te radicaal werden beschouwd, maakt zijn gedachtegoed alles behalve representatief voor een algemene islam. Dat was toen niet het geval en nu al helemaal niet.
Het probleem met de analyse van Afshin Ellian is dat hij een bepaalde homogeniteit of ‘ware’ islam veronderstelt die pas later door Europese machten is opgeschud. Maar in werkelijkheid is er vanaf de dood van Mohammed altijd al verdeeldheid en onenigheid geweest onder moslims, met name wanneer het ging over de politieke en wettelijke rol van de islam. De enige echte stabiele factor die moslims wereldwijd verbindt, is hun persoonlijke overgave aan de ware God, de erkenning van Mohammed als zijn profeet en de acceptatie van de Koran als de ware openbaring van Gods woord. De rest is interpretatie.
Militaire staat
Daarnaast is het ook een gevaarlijke analyse. Door te spreken van een ‘ware’ islam die in vergetelheid is gebracht door westers kolonialisme verdeel je moslims onder in twee groepen: de ene groep is zich bewust van de verderving van hun geloof en pleegt een bijna nobel verzet, de andere groep blijft in hun onwetendheid bereid om een vals geloof te praktiseren.
Afshin Ellian praat hiermee zowat letterlijk de denkbeelden van de extremisten na. Het is dan opeens niet meer zo verwonderlijk dat hij in het interview openlijk zijn respect uit voor jihadisten die zichzelf durven op te offeren voor hun onbaatzuchtige geloof in de ‘goede zaak’.
Het resultaat is dat hij in zijn kritiek naar de NCTV en de Haagse politiek verwikkeld raakt in een retoriek over de islam die nog het meest overeenkomt met wat hij de ‘giftige sekte’ van het salafisme noemt. Als je op deze toon vervolgens betoogt dat diezelfde mensen zonder een strafbaar feit te hebben begaan een enkelband of meldingsplicht dienen te krijgen, zal de militaire staat waar hij zo voor vreest snel genoeg volgen.
Michiel van der Padt is masterstudent religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam.
Rechtsfilosoof Afshin Ellian hekelt de houding van de politiek, veiligheidsdiensten én de moslimgemeenschap in de strijd tegen terreur. ‘Als moslims het willen, kunnen alle terroristen worden aangehouden.’
De voorspellingen die hij tien jaar geleden over de dreiging van het islamitisch terrorisme deed, ziet Afshin Ellian (Teheran, 1966) steeds meer bewaarheid worden. Hij dacht in Nederland verlost te zijn van dat ‘achterlijke gedoe’, maar ziet zich ook door de aanslagen in Brussel genoodzaakt zich te blijven verdiepen in de radicale islam.
Wat dacht u toen u van de aanslagen in Brussel hoorde?
‘Ik moest denken aan mijn eerste jaren in Nederland. In 1989 kwam ik als uitgenodigde politieke vluchteling in Nederland. Eerder moest ik vluchten voor het regime van Khomeini. Nederland was zo vrij. Met een groep studenten bezocht ik op een dag het Binnenhof; geen controle, niets! We liepen gewoon Kamerleden tegen het lijf, verbazingwekkend. In Iran had je minstens drie checkpoints moeten passeren en als je levend terugkeerde, was je blij. Later zag ik zelfs de minister-president op de fiets: wauw!
‘In die tijd schreef ik veel brieven aan mijn zus die in Iran was achtergebleven. Ik vertelde haar hoe ik vaak om drie uur ’s nachts door de stad fietste; over de nacht en de vrijheid zonder politiecontrole en zonder criminaliteit! Ik schreef haar met tranen in mijn ogen, omdat ik wist dat zij dit niet voor mogelijk zou houden.
‘De aanslagen in Brussel maken me heel verdrietig. Op het Journaal zag ik militaire trucks door de straten rijden, dat deed me denken aan het militaire regime in de laatste dagen van de sjah. Ook de Nederlandse samenleving militariseert. De Tweede Kamer wordt nu beveiligd met automatische geweren en de marechaussee op Schiphol is zwaarbewapend. Frankrijk en België zijn al volledig gemilitariseerd. Mijn verdriet is een dubbel verdriet omdat ik mijn inmiddels overleden zus geen brief meer kan schrijven. ‘Alles is veranderd’, zou ik haar geschreven hebben. ‘Waar we ook naartoe gaan, ze komen achter ons aan en veranderen de wereld’.’
Wie zijn ‘ze’?
‘De islamisten: zij die willen terugkeren naar de zuivere islam. Om hen te begrijpen, moeten we naar de bronnen van de islam. Kijk, dit boek maakt het duidelijk, De politiek van de sharia, geschreven door Ibn Taymiyyah (1263-1328), een grote Syrische geleerde. Hij boog zich na het instorten van het grote islamitische kalifaat over de vraag waarom moslims in korte tijd zoveel verloren hadden. Ibn Taymiyyah was de inspiratiebron voor Khomeini en Al Qaida; Bin Laden voerde hem op als autoriteit en nu is hij de inspiratiebron voor IS.
‘Ibn Taymiyyah wees erop dat volgens Mohammed zelf, Allah alleen aan hem de gave heeft geschonken van overwinning door middel van terreur en dat het alleen Mohammed – en niet de andere profeten – is toegestaan buit te maken.
‘Alle moslims krijgen met de pap-lepel ingegoten dat ze superieur zijn en het voorbeeld van Mohammed moeten volgen. En wat is dat voorbeeld? De profeet dwong mensen tot bekering, voerde de sharia in en stichtte een islamitische staat. Want alleen in een islamitische staat kun je de islamitische wetten toepassen.’
U heeft het nu steeds over de radicale islam. Er zijn ontzettend veel gematigde moslims.
‘Nee, dit ís de islam. Deze leerstellingen gelden voor alle moslims. Als zij die niet allemaal in praktijk brengen, lijden ze aan vergetelheid. Dat is precies het punt. Islamisten geloven dat de Europeanen tijdens het kolonialisme de islam hebben vervalst. Zij hebben met hun Verlichtingsidealen moslims doen geloven dat de islam een individueel geloof is; dat een beetje bidden en aardig zijn voor anderen voldoende is, maar dat de islam verder geen politieke ambities heeft. Islamisten geloven dat die vergetelheid ervoor heeft gezorgd dat zij als moslims worden vernederd en niet meer kunnen functioneren in de wereld, dat ze slaven en knechten zijn van ongelovige westerlingen. Daarom moeten ze volgens de islamisten worden gereïslamiseerd.’
Wat leert dit ons over de huidige terreur? Kunnen we ons niet beter bekommeren om zaken als discriminatie op de arbeidsmarkt die moslimjongeren gevoelig maken voor ronselaars?
‘Door discriminatie word je geen jihadist. Als je dat denkt, is dat niet alleen een kinderachtige, maar ook een gevaarlijke misvatting. Jihadisme is extreem gewelddadig. Een echte jihadist bewandelt die weg voor de beloning die Allah hem geeft, niet omdat je daardoor opeens wel burgemeester van Haarlem kunt worden. Weet u wat in sommige gevallen het moment is waarop iemand radicaliseert? De dood van zijn moeder. De Koran vult de eenzaamheid op die de moeder achterlaat.
‘Uiteenlopende omstandigheden kunnen duwtjes in de richting van de radicale islam zijn, maar ze verklaren niet waarom iemand jihadist wordt. Waarom zijn Marokko en Tunesië, waar je als moslim niet gediscrimineerd wordt, grootleveranciers van jihadisten? De meeste strijders komen nog altijd uit islamitische landen. Jihadisten zijn geen losers en criminelen. De lichtste en kleinste categorie, die de meeste aandacht krijgt van de media, bestaat niet uit islamisten. Dat zijn avonturiers, mafkezen, die al snel huilend terugkeren uit Syrië.
‘Om écht jihadist te worden, is veel meer nodig: een grote mate van innerlijke zuiverheid en overgave aan Allah. Echte jihadisten huilen en bidden de hele dag. Het zijn diep religieuze mensen, zoals ook Khomeini en Bin Laden diep religieus waren. In alles wat ik tegen hen heb, wil ik u wel zeggen: ik heb respect voor ze. Zij waren bereid hun leven te geven voor wat zij dachten dat goed was en hebben zichzelf nooit verrijkt. Als je de waardigheid die de vijand toekomt, niet erkent, ga je de vijand en hoe hij de mensen achter zich krijgt nooit begrijpen. We onderschatten de rol van ideologie en zolang we dat doen kunnen we deze terreur niet bestrijden.’
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) is daar toch al lang mee bezig?
‘De NCTV? (Lacht.) Die heeft in de tien jaar dat hij nu bestaat, volledig gefaald. Kijk naar de cijfers. In 2004, toen Theo van Gogh werd vermoord, hadden we ongeveer 140 geregistreerde radicalen, waarvan dertig à veertig werden betiteld als zeer gevaarlijk. Drie jaar daarna schrijft minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken in een Brief aan de Kamer dat er tussen de 20- en 30 duizend mensen in Nederland te beïnvloeden zijn door het salafisme en dat er ongeveer 2.500 potentiële radicalen zijn. In 2004 hadden we één bloeddorstige Mohamed B. en nu, twaalf jaar later, hebben we 240 mensen die in Syrië vechten; 240 Mohamed B.’s die niet hier doden, maar wel die arme Syriërs het leven zuur maken. En kijk naar al die haatpredikers die worden uitgenodigd. Het salafisme is booming business.
‘Intussen gedraagt de NCTV zich als een gesloten club en weert ze alle mensen die de politieke islam kritisch analyseren. Hun eigen experts willen simpelweg niet geloven dat het salafisme gevaarlijk is. Ze zijn een meester in het maken van onzinnige onderscheidingen: ‘We hebben drie typen salafisme: apolitieke salafisten, politieke salafisten en jihadi-salafisten. Het politieke salafisme is onwenselijk. Jihadi-salafisten zijn héél gevaarlijk!’ Ja, dat weet iedere gek inmiddels. Maar dat is allemaal onzin: het salafisme is uiteindelijk altijd politiek én gewelddadig.’
Maar wat zou u doen als u het voor het zeggen had?
‘Het salafisme bestrijden omdat het een giftige sekte is waaruit alle jihadisten voortkomen. Je kunt het salafisme niet strafbaar stellen, omdat je gedachten nu eenmaal niet kunt verbieden. Maar je kunt genoeg maatregelen nemen om het te bestrijden. Zo moet je het privilege van religieuze verenigingen zoals moskeeën, dat ze nooit door de rechterlijke macht kunnen worden ontbonden, uit de wet schrappen. Dan kun je een salafistische vereniging of moskee ontbinden. Verder moet je haatpredikers niet meer toelaten en moet de AIVD salafisten verstoren, zoals ze vroeger deden met extreem-maoïstische groepen: infiltreren, onrust veroorzaken of quasi-groepen opzetten.
‘Radicale salafisten moet je behandelen als voetbalhooligans. Geef ze een meldingsplicht, houd ze in noodgevallen in detentie, doe ze een enkelband om, of geef ze een gebiedsverbod. Over die maatregelen brengt de politie ambtsberichten uit en de rechter kan ze toetsen. Zo breng je die radicale types in de openbaarheid. Je maakt duidelijk dat ze gevaarlijk bezig zijn.
‘Het belangrijkste voordeel is dat je moslimouders een instrument in handen geeft. Een moeder van een jongen die radicaliseert, kan dan zeggen: niet alleen de overheid en Ahmed Aboutaleb, nee iederéén vindt salafisme fout. Je moet jongeren het gevoel geven dat het niet koosjer is als ze een moskee als de salafistische As-Soennah in Den Haag bezoeken. Nu voelt dat legaler dan het roken van een grammetje hasj. Als Asscher het echt wil, verandert dat morgen.’
Maar dat doet hij niet?
‘Asscher houdt altijd stoere verhalen in de media, maar als puntje bij paaltje komt stuurt hij een brief naar de Kamer en zegt hij: we doen niets aan het salafisme. Hij doet een beroep op de vrijheid van meningsuiting en van godsdienst, terwijl hij prioriteit moet geven aan het veiligheidsbelang. Ook voor de moslimgemeenschap. Het beeld over moslims kan alleen kantelen als je die hele salafistische intolerante groep gaat isoleren.
‘Alleen het CDA en Halbe Zijlstra lijken bereid er iets aan te doen. Terwijl je toch zou denken dat de vrijheid van godsdienst meer in het dna van het CDA zit dan in dat van Asscher. Dat laat opnieuw zien dat mensen die geen godsdienst hebben, denken dat alle religies ongeveer hetzelfde zijn. Bij het CDA begrijpen ze beter dat de islam een sterk politieke, radicale component heeft. Eenzelfde gebrek aan inlevingsvermogen zie je bij de topambtenaren. Die denken dat de wereld slechts behoefte aan één ding: geld. Zij kunnen zich niet voorstellen dat een jongere salafistische geschriften leest, de hele nacht huilt en Allah om vergiffenis smeekt omdat hij tot nu toe geen goede moslim is geweest. Zij denken dat je terreur kunt bestrijden met uitkeringen en subsidies.
‘Alleen het plan voor een luchtbrug van Diederik Samsom vond ik helemaal niet dom. Onbegrijpelijk dat iedereen die arme man begon aan te vallen. Mensen die illegaal komen, worden teruggebracht, en je hebt zelf in de hand welke vluchtelingen je opneemt. Natuurlijk moeten we een aantal Syriërs opvangen, maar het uitgangspunt moet zijn: het beperken van de immigratie. Alleen bij een bescheiden en beheersbare immigratie kun je de nieuwkomers goed begeleiden bij hun integratie. Beperking van de immigratie is ook noodzakelijk vanuit het oogpunt van terreurbestrijding. Waar de moslimgemeenschap groeit, groeit ook de kans op jihadisten.’
Met die kritiek schaadt u de hele moslimgemeenschap.
‘Tegen die gemeenschap zeg ik: doe iets aan het jihadisme. Waarom hebben de inwoners van Molenbeek Abdeslam niet uitgeleverd? In heel Europa zijn gewone moslims die jihadisten helpen. Zolang moslims te laf zijn om tegen hen op te treden, gaan ze meer lijden. Natuurlijk nemen zaken als discriminatie dan toe. Maar de moslimgemeenschap moet optreden en kan dat heel goed. Als zij wil, kunnen alle terroristen in de wijken worden aangehouden, want ze kennen elkaar allemaal. Uit lafheid, angst of lichte sympathie doet ze dat niet. Met aanslagen zoals in Brussel wil IS spanningen veroorzaken. Als de moslimgemeenschap jihadisten gaat aanpakken, neemt de kans op interetnische conflicten juist af.
‘Het gevaar bestaat dat we volledig gaan militariseren. Dat moeten we uit alle macht voorkomen. De bestrijding van het salafisme moet mede de inzet zijn van de verkiezingen volgend jaar. Ik denk dat Halbe Zijlstra en ook Sybrand Buma dat gaan doen. Als het salafisme echt groot wordt, is het steeds moeilijker te bestrijden. Dan bestaat het gevaar van gewelddadige conflicten. En daarom moet je ingrijpen nu het nog kan.’
Reacties uitgeschakeld voor Noten 56 t/m 58/Wilders and his Boy Afshin Ellian
”In his lifetime the Prophet introduced the following rules about slavery:
Stated that freeing slaves was the act that God found most acceptable
Zakat (charity – the third Pillar of Islam) was often used by the state to free slaves
Stated that freeing a slave was the appropriate way to gain forgiveness for certain wrongs
Ordered that those who committed certain wrongs should be penalised by having to free their slaves
Stated that slaves should be allowed to buy their freedom, and if necessary should be given the opportunity to earn money, or be lent money by the state, in order to do so
Allowed slaves to be freed in certain circumstances
Stated that slaves’ contracts should be interpreted in favour of the slaves
Stated that the duty of kindness towards slaves was the same of that towards family, neighbours and others
Stated that when a slave owner had a child with a female slave, the child should be freed and could inherit from their father like any other child (as in the case of Ibrahim)
There are a number of hadith that show that the Prophet treated slaves well and expected others to do the same…
He will not enter Paradise who behaveth ill to his slaves. The Companions said, ‘O Apostle of God! have you not told us, that there will be a great many slaves and orphans amongst your disciples?’ He said, ‘Yes; then be kind to them as to your own children, and give them to eat what you eat yourselves. The slaves that say their prayers are your brothers.
Be kind to slaves as to your own children…and those that say their prayers are your brethren.
They (slaves or servants) are your brothers, and Allah has put them under your command. So the one under whose hand Allah has put his brother, should feed him of what he eats, and give him dresses of what he wears, and should not ask him to do a thing beyond his capacity. And if at all he asks him to do a hard task, he should help him therein.’
‘There are three categories of people against whom I shall myself be a plaintiff on the Day of Judgement. Of these three, one is he who enslaves a free man, then sells him and eats this money’.
al-Bukhari and Ibn Majjah
Narrated Abu Musa Al-Ash’ari: “The Prophet said, ‘Give food to the hungry, pay a visit to the sick and release (set free) the one in captivity (by paying his ransom).'”
The Prophet Muhammad did not try to abolish slavery, and bought, sold, captured, and owned slaves himself. But he insisted that slave owners treat their slaves well and stressed the virtue of freeing slaves.
There are two different ways of interpreting this:
some modern writers believe that Muhammad intended his teachings to lead to the gradual end of slavery by limiting opportunities to acquire new slaves and allowing existing slaves to become free. This idea doesn’t appear in early writings.
others writers argue that by regulating slavery the Prophet gave his authority to its continued existence, and that by having slaves himself he showed his approval
Muhammad treated slaves as human beings and clearly held some in the highest esteem.
For example, he personally ensured the freedom of Bilal, an African slave who had converted to Islam. Bilal was chosen as the first muezzin of Islam because of his beautiful voice. A muezzin is the person who calls the community to the daily prayers, and is a position of great prominence and responsibility.
Zayd was a young boy who had grown up in the household of the Prophet as a slave, and remained with the household, almost as an adopted son, even after he was freed. He was amongst the first four people to adopt Islam. Indeed when Zayd’s father (a wealthy nobleman) tracked his son down and offered to buy his freedom from Muhammad, Muhammad told Zayd that he was free to go with his father with no money changing hands, and to his father’s astonishment Zayd chose to stay with Muhammad.
The Prophet also married a Coptic Christian slave girl.
In his lifetime the Prophet introduced the following rules about slavery:
Stated that freeing slaves was the act that God found most acceptable
Zakat (charity – the third Pillar of Islam) was often used by the state to free slaves
Stated that freeing a slave was the appropriate way to gain forgiveness for certain wrongs
Ordered that those who committed certain wrongs should be penalised by having to free their slaves
Stated that slaves should be allowed to buy their freedom, and if necessary should be given the opportunity to earn money, or be lent money by the state, in order to do so
Allowed slaves to be freed in certain circumstances
Stated that slaves’ contracts should be interpreted in favour of the slaves
Stated that the duty of kindness towards slaves was the same of that towards family, neighbours and others
Stated that when a slave owner had a child with a female slave, the child should be freed and could inherit from their father like any other child (as in the case of Ibrahim)
There are a number of hadith that show that the Prophet treated slaves well and expected others to do the same…
He will not enter Paradise who behaveth ill to his slaves. The Companions said, ‘O Apostle of God! have you not told us, that there will be a great many slaves and orphans amongst your disciples?’ He said, ‘Yes; then be kind to them as to your own children, and give them to eat what you eat yourselves. The slaves that say their prayers are your brothers.
Be kind to slaves as to your own children…and those that say their prayers are your brethren.
They (slaves or servants) are your brothers, and Allah has put them under your command. So the one under whose hand Allah has put his brother, should feed him of what he eats, and give him dresses of what he wears, and should not ask him to do a thing beyond his capacity. And if at all he asks him to do a hard task, he should help him therein.’
‘There are three categories of people against whom I shall myself be a plaintiff on the Day of Judgement. Of these three, one is he who enslaves a free man, then sells him and eats this money’.
al-Bukhari and Ibn Majjah
Narrated Abu Musa Al-Ash’ari: “The Prophet said, ‘Give food to the hungry, pay a visit to the sick and release (set free) the one in captivity (by paying his ransom).'”
Bukhari
[53]
”’Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij’, schrijft Ellian. ”
De op 18-jarige leeftijd uit Iran gevluchte jurist Sander Terphuis verwondert zich over de felheid waarmee zijn eveneens gevluchte landgenoot Afshin Ellian spreekt en schrijft over de islam. ‘Hoe komt dat toch?’
Beste Afshin,
Jij en ik zijn allebei gevlucht uit Iran. Wij wilden niet leven in een land dat wordt beheerst door ayatollahs. Familie en vrienden lieten we achter, omdat ons verlangen naar vrijheid heel sterk was. Jij en ik weten wat de prijs van de vrijheid is.
Wij hebben allebei in het vrije Westen rechten gestudeerd. Op één punt verschillen we van elkaar en dat betreft het denken over de islam en moslims. Ik ben geen moslim. Wel geloof ik heilig in godsdienstvrijheid.
Er zijn in de wereld ruim een miljard moslims. Velen van hen gaan dagelijks naar hun werk, doen hun boodschappen en leiden een normaal leven, net als jij en ik. Mijn moeder kuste iedere avond voor het slapen gaan de Koran. Zij liet haar kinderen vrij zich te ontwikkelen en verafschuwde geweld. Van dit soort moslims zijn er heel veel in Iran en andere islamitische landen, én in Nederland. Dat weet jij ook.
Grote bedreiging voor de wereldgemeenschap vormen de extremisten, ongeacht hun geloof. Waar in de islam is een rechtvaardiging te vinden voor de moordaanslag van de Taliban op het Pakistaanse meisje Malala?
In Nederland leerden wij dat je niet iedereen over één kam mag scheren. In jouw kritiek op de islam en moslims mis ik echter vaak de nuance. Ook in je column in Elsevier van deze week suggereer je weer dat in feite alle moslims haat koesteren jegens het Westen. Je schrijft: ‘Het Westen moet minder gevoelig worden voor de symbolen van de islam en de vrijheid verdedigen. (…) Objectieve islamitische gevoeligheden bestaan niet. Wat wel bestaat is haat. Veel haat tegen de westerse cultuur, de cultuur van de vrijheid.’
Je kwetst met je generalisaties vele moslims die in Nederland de schouders eronder willen zetten. En je reikt mensen als Geert Wilders een stok aan om mee te slaan. Hoe komt het toch dat jij altijd zo fel bent over moslims?
Sander Terphuis is staatsrechtjurist en actief binnen de PvdA. Hij vluchtte in 1990 uit Iran en nam na zijn naturalisatie in 1995 een Nederlandse naam aan. Twitter: @Terphuis
In het debat over de islam worden vluchtelingen als Afshin Ellian omarmd als kenner van deze religie. Maar vervolging leidt niet automatisch tot het veroordelen van de héle islam.
De Nederlands-Iraanse rechtsgeleerde Afshin Ellian roept regelmatig op door te gaan met het polemiseren van het debat over de islam. Hij bevindt zich daarbij in het gezelschap van andere liefhebbers van de Verlichting, die de islam onverenigbaar vinden met de Nederlandse beschaving. Voor sommigen kan het niet hard genoeg. Wilders wil geen moslim meer het land inlaten, Nawijn vat het harde beleid van dit kabinet zelfs samen als ‘eigen volk laatst’. Moslimbashing is in Nederland in korte tijd een populair gezelschapsspel geworden, maar voor de moslims in de polder is dat al lang geen spel meer.
De Amerikaanse Midden-Oosten-des-kundige Graham Fuller ziet de politieke islam als een zeer breed pallet. Je kunt de islam niet op één hoop gooien en tot de vijand van het Westen verklaren. Hij rekent Iran, Saoedi-Arabië én de huidige regering in Turkije tot de politieke islam. De dramatische situatie in Iran is dan ook niet per se gelijk aan dé politieke islam, zoals Ellian steeds beweert. Het is evenmin mogelijk om alle misstanden in de islamitische wereld (van terrorisme tot vrouwenonderdrukking) terug te brengen tot de essentie van de Koran.
Olivier Roy, één van de belangrijkste kenners van de hedendaagse ontwikkelingen binnen de islam, zegt:
,,Het enige wat telt, is wat moslims zeggen dat er in de Koran staat; en bij gebrek aan een gecentraliseerde kerk blijkt uit de verscheidenheid van hun antwoorden hoe volkomen zinloos het is een eenduidige waarheid te zoeken.” De liberale strijders tegen de islam geven met al hun generalisaties blijk van weinig kennis van de belevingswereld van moslimimmigranten in ons land. Laat staan dat zij iets snappen van de drijfveren en mechanismen die een deel van deze moslims verleiden tot radicalisme.
Zulke opinies kan men beter niet te gemakkelijk volgen. Ook al heb je geleden onder een fundamentalistisch islamitisch regime, je hebt de waarheid over de politieke islam niet in pacht. Toch nemen veel Nederlandse intellectuelen en politici de opvatting van deze ‘ervaringsdeskundigen’ als leidraad. Die sympathie is nogal selectief en gestoeld op opportunisme en populisme. Zij zeggen namelijk wat een deel van Nederland graag wil horen. Immers, we leven in een land waar de islamofobie twee keer zo hoog is als bijvoorbeeld in Spanje. Terwijl het islamitische terrorisme daar veel meer slachtoffers heeft gemaakt.
Hoe selectief de bewondering voor bijvoorbeeld Afshin Ellian is, blijkt wanneer je bedenkt dat er ruim 25 000 Iraniërs in Nederland leven. De meerderheid is net als hij gevlucht voor de Iraanse mollahs. Velen van hen zijn hoogopgeleid en succesvol geintegreerd in dit land. Ze vertonen dus veel overeenkomsten met Ellian.
Je zou denken dat er veel meer Iraanse Nederlanders rondlopen met soortgelijke radicale tirades tegen de islam. Dat is echter niet zo. Andere Iraanse Nederlanders hebben geleerd van de Nederlandse tolerantie en van hun ervaringen met de islamitische tirannie in Iran. Die wordt alleen maar sterker wanneer de voedingsbodem ervoor niet serieus wordt genomen. Een arrogante seculiere houding ten aanzien van religie heeft de fundamentalisten in Iran vrij baan gegeven om gefrustreerde jongeren te mobiliseren. Wie religie belachelijk en achterlijk noemt, draagt bij aan de polarisatie waar extremisten garen bij spinnen.
Het is goed mogelijk om geloof en emancipatie te combineren. Ook dat is in het hedendaagse Iran te zien. Zonder die nuance kan de dynamiek in de islamitische wereld niet begrepen worden.
Er is ook niks democratisch aan het uit willen bannen van verschillen.
Niet iedereen hoeft seculier en gek op de Verlichting te zijn. Democratie is meer dan je stem uitbrengen: democratie gaat om een cultuur die diversiteit insluit. Polariserend zwart-wit denken is daarom weinig democratisch.
In Nederland staan moslimjongeren voor een dilemma. Kiezen we voor de Nederlandse samenleving waar we als ‘achterlijk’ en ‘gevaarlijk’ worden afgeschilderd? Of kiezen we voor een terugkeer naar onze eigen achtergrond? Het afgeven op de islam van de laatste tijd heeft deze jongeren ontmoedigd hun best te doen deel uit te maken van deze samenleving. Hier ligt een belangrijke voedingsbodem voor de mobilisatie door extreme groepen.
Een ander belangrijk onderdeel van die voedingsbodem zit in het buitenland: de onrechtvaardige situatie in het Midden-Oosten, Tsjetsjenië en de rampzalige oorlog in Irak. De voorstanders van de harde confrontatie met de islam versterken deze voedingsbodem. In dat opzicht staan wij pal tegenover hen. Juist omdat wij het extremisme serieus nemen en uit willen bannen.
We moeten af van de simpele karikaturen van de islam en van moslims. De islam en de islamitische wereld zijn divers en volop in beweging. Daarbij horen helaas ook zeer zorgelijke en explosieve ontwikkelingen. Die moeten we niet alleen nauwkeurig in de gaten houden, we moeten ook passend handelen.
Ook in Nederland. Met ongeveer één miljoen moslimburgers is de islam een interne aangelegenheid geworden. We komen daar niet verder mee als we allemaal blijven mopperen, generaliseren en ons onbegrepen voelen. We moeten verscheidenheid de ruimte durven geven en elke vorm van extremisme en intolerantie bestrijden. Dat is de enige manier om verdere escalatie en radicalisering te voorkomen.
Afshin Ellian tracht in het interview met hem een overzichtelijk beeld van de islam te schetsen waar de werkelijke islam gelijk is aan een politiek systeem gekenmerkt door repressieve religieuze wetten. Vervolgens zou deze manier van leven zijn vervalst door westerse, koloniale ideeën over soevereiniteit en individuele rechten. Conclusie: hedendaagse extremisten proberen vandaag de dag met geweld dit westerse systeem van zich af te werpen en daarmee terug te keren naar de ‘echte’ islam van voor de koloniale corrumpering.
De inaccurate historische onderbouwing is nogal bezwaarlijk. Ten eerste onderstreept hij de essentie van islam als een politiek repressief systeem door de profeet Mohammed ervan te beschuldigen dat hij een islamitische staat zou hebben gesticht met gedwongen bekering en een shariawetgeving.
Binnen Mohammeds geringe politieke macht, gedragen door zijn trouwe volgelingen, was hun vrijwillige toetreding tot het geloof essentieel om überhaupt een stem te kunnen hebben als een religieuze buitenstaander. Zijn moslimgemeenschap was rond Mohammeds dood nog verre van wat een islamitische staat kan worden genoemd, een concept dat sowieso onbekend was in de tribale samenleving van het Arabië uit de 8ste-eeuw. Verder was er van een nauwkeurig gedocumenteerde wetgeving en bijbehorende jurisprudentie als de sharia geen sprake.
Altijd al verdeeldheid en onenigheid onder moslims
Ten tweede haalt hij het werk van Ibn Taymiyyah erbij als ‘bron van de islam’. Deze soennitische, hanbalitische rechtsgeleerde uit Syrië leefde in de 13de eeuw en is inderdaad voor bepaalde islamitische interpretaties van de jurisprudentie erg belangrijk geweest. Echter, het feit dat hij gedurende zijn leven meerdere keren gevangen is genomen omdat zijn ideeën door zijn tijdgenoten vaak als te letterlijk en te radicaal werden beschouwd, maakt zijn gedachtegoed alles behalve representatief voor een algemene islam. Dat was toen niet het geval en nu al helemaal niet.
Het probleem met de analyse van Afshin Ellian is dat hij een bepaalde homogeniteit of ‘ware’ islam veronderstelt die pas later door Europese machten is opgeschud. Maar in werkelijkheid is er vanaf de dood van Mohammed altijd al verdeeldheid en onenigheid geweest onder moslims, met name wanneer het ging over de politieke en wettelijke rol van de islam. De enige echte stabiele factor die moslims wereldwijd verbindt, is hun persoonlijke overgave aan de ware God, de erkenning van Mohammed als zijn profeet en de acceptatie van de Koran als de ware openbaring van Gods woord. De rest is interpretatie.
Militaire staat
Daarnaast is het ook een gevaarlijke analyse. Door te spreken van een ‘ware’ islam die in vergetelheid is gebracht door westers kolonialisme verdeel je moslims onder in twee groepen: de ene groep is zich bewust van de verderving van hun geloof en pleegt een bijna nobel verzet, de andere groep blijft in hun onwetendheid bereid om een vals geloof te praktiseren.
Afshin Ellian praat hiermee zowat letterlijk de denkbeelden van de extremisten na. Het is dan opeens niet meer zo verwonderlijk dat hij in het interview openlijk zijn respect uit voor jihadisten die zichzelf durven op te offeren voor hun onbaatzuchtige geloof in de ‘goede zaak’.
Het resultaat is dat hij in zijn kritiek naar de NCTV en de Haagse politiek verwikkeld raakt in een retoriek over de islam die nog het meest overeenkomt met wat hij de ‘giftige sekte’ van het salafisme noemt. Als je op deze toon vervolgens betoogt dat diezelfde mensen zonder een strafbaar feit te hebben begaan een enkelband of meldingsplicht dienen te krijgen, zal de militaire staat waar hij zo voor vreest snel genoeg volgen.
Michiel van der Padt is masterstudent religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam.
Islamic law and custom provided no basis for the abolition of slavery or even for the curtailment of the slave trade.
Bernard Lewis, The Shaping of the Modern Middle East, 1994
Although the vast majority of contemporary Muslims abhor slavery, it remains part of their religious law.
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Context
Islamic sharia law accepted (and accepts) slavery, as did other legal systems of ancient times such as Roman law, Hebrew law, Byzantine Christian law, African customary law and Hindu law.
The world was very different in those days, and practices that seem profoundly unethical to modern minds were common and accepted.
During the formative stages of shari’a (and for the next millennium at least) there was no conception of universal human rights anywhere in the world. Slavery was an established and lawful institution in many parts of the world throughout this period…
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Slavery was too fundamental to the structure of Arabian society in the 7th century to be abolished easily. Doing so would have estranged many of the tribes that Muhammad sought to bring together, and severely disrupted the working of society.
Prohibiting slavery in the context of seventh-century Arabia apparently would have been as useful as prohibiting poverty; it would have reflected a noble ideal but would have been unworkable on an immediate basis without establishing an entirely new socioeconomic system.
Jacob Neusner, Tamara Sonn, Comparing Religions through Law: Judaism and Islam, 1999
But this was a problem, since Islam placed a high value on human dignity and freedom.
The fact that slavery is a major concern in Islamic law no doubt stems from the prevalence of slavery at the time when Islam was instituted combined with the fact that the Qur’an clearly presents universal freedom and human dignity as its ideal society. Its recommendation that slaves be freed is on the same plane as its recommendation that the poor be clothed and the hungry be fed.
Jacob Neusner, Tamara Sonn, Comparing Religions through Law: Judaism and Islam, 1999
So the early Muslims restricted and regulated slavery to remove some of its cruelties, but accepted that it was legal.
… The most that shari’a could do, and did in fact do, in that historical context was to modify and lighten the harsh consequences of slavery and discrimination on grounds of religion or gender…
Shari’a recognized slavery as an institution but sought to restrict the sources of acquisition of slaves, to improve their condition, and to encourage their emancipation through a variety of religious and civil methods.
Nevertheless, slavery is lawful under shari’a to the present day.
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Is slavery still legal in Islam?
The answer is that slavery is legal under Islamic law but only in theory. Slavery is illegal under the state law of all Muslim countries.
Theoretically Islamic law lays down that if a person was captured in a lawful jihad or was the descendent of an unbroken chain of people who had been lawfully enslaved, then it might be legal to enslave them.
Nonetheless, should the legal condition for the enslavement of anyone be proven (because he had been taken prisoner fighting against Islam with a view to its extirpation and persisted in invincible ignorance in his sacrilegious and infidel convictions, or because there did exist legal proof that all his ancestors without exception had been slaves descended from a person taken prisoner conducting a warfare of such invincible ignorance) Islam would be bound to recognize such slavery as legal, even though recommending the freeing of the person and if possible his conversion, in this modern age.
Tabandeh, Muslim Commentary on the Universal Declaration of Human Rights, quoted in ‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
In practice, it seems virtually impossible that there will ever again be a jihad that is lawfully declared according to the strict letter of the law, and there are no living descendants of lawful slaves, which means that legal enslavement is unthinkable.
The law on slavery
Islamic law recognises slavery as an institution within society, and attempts to regulate and restrict it in various ways.
Different Islamic legal schools differ in their interpretation of Islamic law on slavery. Local customs in Muslim lands also affected the way slaves were treated.
In the merchant cities of South-East Asia the sharia helped forge a legal distinction between slave and non-slave unknown in the rural hinterland.
More frequently, however, the application of the sharia outside the Middle East was tempered by local customs. This allowed Muslims in regions as distant as Somalia, India and Indonesia to argue for the maintenance of pre-Islamic and other local structures of slavery even if these ran counter to the prescriptions of the sharia.
Gwyn Campbell; Frank Cass, The Structure of Slavery in Indian Ocean Africa and Asia, 2004
Islamic law clearly recognises that slaves are human beings, but it frequently treats slaves as if they are property, laying down regulations covering the buying and selling of slaves.
It encourages the freeing of slaves, which has the good effect of diminishing the slave population of a culture and, paradoxically, the bad effect of encouraging those whose livelihood depends on slave labour to find new ways of acquiring slaves.
Who can be enslaved
Under Islamic law people can only be legally enslaved in two circumstances:
as the result of being defeated in a war that was legal according to sharia
if they are born as the child of two slave parents
Other legal systems of the time allowed people to be enslaved in a far wider range of circumstances.
The sharia limits were often either ignored or evaded, and many instances of slave trading by Muslims were in fact illegal, but tolerated.
The following groups of people cannot be made slaves:
Free Muslims, but note that:
Slaves who convert to Islam are not automatically freed
Children born to legally enslaved Muslims are also slaves
Dhimmis
Slave rights
Islamic law gives slaves certain rights:
Slaves must not be mistreated or overworked, but should be treated well
Slaves must be properly maintained
Slaves may take legal action for a breach of these rules, and may be freed as a result
Slaves may own property
Slaves may own slaves
Slaves can get married if their owner consents
Slaves may undertake business on the owner’s behalf
Slaves guilty of crimes can only be given half the punishment that would be given to a non-slave (although some schools of Islamic law do allow the execution of a slave who commits murder)
A female slave cannot be separated from her child while it is under 7 years old
Female slaves cannot be forced into prostitution
Slave rights to freedom
Islamic law allows slaves to get their freedom under certain circumstances. It divides slaves with the right to freedom into various classes:
The mukatab: a slave who has the contractual right to buy their freedom over time
The mudabbar: a slave who will be freed when their owner dies (this might not happen if the owner’s estate was too small)
The umm walid, a female slave who had borne her owner a child
Slaves must accept
Owners are allowed to have sex with their female slaves
Restrictions on slaves
Islamic law imposes many restrictions on slaves:
Slaves cannot carry out some religious roles
Slaves can have only limited authority
Slaves cannot be witnesses in court
Killing a slave does not carry the death penalty in most schools of Islamic law
Slaves are punishable under Islamic law if they commit a crime – although for some major crimes they only receive half the punishment of free people
Reacties uitgeschakeld voor Noten 52 t/m 55/Wilders and his Boy Afshin Ellian
”Muhammad ibn Abdullah[n 1] (Arabic: مُحَمَّد ٱبن عَبْد ٱللَّٰه, romanized: Muḥammad ibn ʿAbd Allāh, Classical Arabic pronunciation: [muˈħammad]; c. 570 – 8 June 632 CE)[1][2] was an Arab religious, social, and political leader and the founder of the world religion of Islam”
””Prohibiting slavery in the context of seventh-century Arabiaapparently would has been as useful as prohibitingpoverty; it would have reflected a noble ideal butwould have been unworkable on an immediate basis without establishing an entirely new socioeconomic system” BBCSLAVERY IN ISLAM[Tweede artikel]’SLAVERY AND ISLAMIC LAWLAW AND SLAVERY
Islamic law and custom provided no basis for the abolition of slavery or even for the curtailment of the slave trade.
Bernard Lewis, The Shaping of the Modern Middle East, 1994
Although the vast majority of contemporary Muslims abhor slavery, it remains part of their religious law.
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Context
Islamic sharia law accepted (and accepts) slavery, as did other legal systems of ancient times such as Roman law, Hebrew law, Byzantine Christian law, African customary law and Hindu law.
The world was very different in those days, and practices that seem profoundly unethical to modern minds were common and accepted.
During the formative stages of shari’a (and for the next millennium at least) there was no conception of universal human rights anywhere in the world. Slavery was an established and lawful institution in many parts of the world throughout this period…
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Slavery was too fundamental to the structure of Arabian society in the 7th century to be abolished easily. Doing so would have estranged many of the tribes that Muhammad sought to bring together, and severely disrupted the working of society.
Prohibiting slavery in the context of seventh-century Arabia apparently would have been as useful as prohibiting poverty; it would have reflected a noble ideal but would have been unworkable on an immediate basis without establishing an entirely new socioeconomic system.
Jacob Neusner, Tamara Sonn, Comparing Religions through Law: Judaism and Islam, 1999
But this was a problem, since Islam placed a high value on human dignity and freedom.
The fact that slavery is a major concern in Islamic law no doubt stems from the prevalence of slavery at the time when Islam was instituted combined with the fact that the Qur’an clearly presents universal freedom and human dignity as its ideal society. Its recommendation that slaves be freed is on the same plane as its recommendation that the poor be clothed and the hungry be fed.
Jacob Neusner, Tamara Sonn, Comparing Religions through Law: Judaism and Islam, 1999
So the early Muslims restricted and regulated slavery to remove some of its cruelties, but accepted that it was legal.
… The most that shari’a could do, and did in fact do, in that historical context was to modify and lighten the harsh consequences of slavery and discrimination on grounds of religion or gender…
Shari’a recognized slavery as an institution but sought to restrict the sources of acquisition of slaves, to improve their condition, and to encourage their emancipation through a variety of religious and civil methods.
Nevertheless, slavery is lawful under shari’a to the present day.
‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
Is slavery still legal in Islam?
The answer is that slavery is legal under Islamic law but only in theory. Slavery is illegal under the state law of all Muslim countries.
Theoretically Islamic law lays down that if a person was captured in a lawful jihad or was the descendent of an unbroken chain of people who had been lawfully enslaved, then it might be legal to enslave them.
Nonetheless, should the legal condition for the enslavement of anyone be proven (because he had been taken prisoner fighting against Islam with a view to its extirpation and persisted in invincible ignorance in his sacrilegious and infidel convictions, or because there did exist legal proof that all his ancestors without exception had been slaves descended from a person taken prisoner conducting a warfare of such invincible ignorance) Islam would be bound to recognize such slavery as legal, even though recommending the freeing of the person and if possible his conversion, in this modern age.
Tabandeh, Muslim Commentary on the Universal Declaration of Human Rights, quoted in ‘Abdullahi Ahmed An-Na’im, Shari’a and Basic Human Rights Concerns, in Liberal Islam, ed Charles Kurzman, 1998
In practice, it seems virtually impossible that there will ever again be a jihad that is lawfully declared according to the strict letter of the law, and there are no living descendants of lawful slaves, which means that legal enslavement is unthinkable.
The law on slavery
Islamic law recognises slavery as an institution within society, and attempts to regulate and restrict it in various ways.
Different Islamic legal schools differ in their interpretation of Islamic law on slavery. Local customs in Muslim lands also affected the way slaves were treated.
In the merchant cities of South-East Asia the sharia helped forge a legal distinction between slave and non-slave unknown in the rural hinterland.
More frequently, however, the application of the sharia outside the Middle East was tempered by local customs. This allowed Muslims in regions as distant as Somalia, India and Indonesia to argue for the maintenance of pre-Islamic and other local structures of slavery even if these ran counter to the prescriptions of the sharia.
Gwyn Campbell; Frank Cass, The Structure of Slavery in Indian Ocean Africa and Asia, 2004
Islamic law clearly recognises that slaves are human beings, but it frequently treats slaves as if they are property, laying down regulations covering the buying and selling of slaves.
It encourages the freeing of slaves, which has the good effect of diminishing the slave population of a culture and, paradoxically, the bad effect of encouraging those whose livelihood depends on slave labour to find new ways of acquiring slaves.
Who can be enslaved
Under Islamic law people can only be legally enslaved in two circumstances:
as the result of being defeated in a war that was legal according to sharia
if they are born as the child of two slave parents
Other legal systems of the time allowed people to be enslaved in a far wider range of circumstances.
The sharia limits were often either ignored or evaded, and many instances of slave trading by Muslims were in fact illegal, but tolerated.
The following groups of people cannot be made slaves:
Free Muslims, but note that:
Slaves who convert to Islam are not automatically freed
Children born to legally enslaved Muslims are also slaves
Dhimmis
Slave rights
Islamic law gives slaves certain rights:
Slaves must not be mistreated or overworked, but should be treated well
Slaves must be properly maintained
Slaves may take legal action for a breach of these rules, and may be freed as a result
Slaves may own property
Slaves may own slaves
Slaves can get married if their owner consents
Slaves may undertake business on the owner’s behalf
Slaves guilty of crimes can only be given half the punishment that would be given to a non-slave (although some schools of Islamic law do allow the execution of a slave who commits murder)
A female slave cannot be separated from her child while it is under 7 years old
Female slaves cannot be forced into prostitution
Slave rights to freedom
Islamic law allows slaves to get their freedom under certain circumstances. It divides slaves with the right to freedom into various classes:
The mukatab: a slave who has the contractual right to buy their freedom over time
The mudabbar: a slave who will be freed when their owner dies (this might not happen if the owner’s estate was too small)
The umm walid, a female slave who had borne her owner a child
Slaves must accept
Owners are allowed to have sex with their female slaves
Restrictions on slaves
Islamic law imposes many restrictions on slaves:
Slaves cannot carry out some religious roles
Slaves can have only limited authority
Slaves cannot be witnesses in court
Killing a slave does not carry the death penalty in most schools of Islamic law
Slaves are punishable under Islamic law if they commit a crime – although for some major crimes they only receive half the punishment of free people
Reacties uitgeschakeld voor Noten 49 t/m 51/Wilders and his Boy Afshin Ellian
”Wilders houdt er een soortgelijke mening op na: ‘Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.’
GroenLinks-Kamerlid Kauthar Bouchallikht is van mening dat de Nederlandse regering excuses moet gaan aanbieden voor het slavernijverleden. Deze opmerking die Bouchallikht deed in de Tweede Kamer schoot in het verkeerde keelgat bij PVV-leider Geert Wilders en de Leidse hoogleraar Afshin Ellian. Zij vinden juist dat Bouchallikht haar excuses moet aanbieden wegens de wandaden die zijn voortgekomen uit de islam.
Volgens de GroenLinks-politica is er nog steeds niet echt sprake van gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk Nederland:
“Op 28 oktober 1954 trad het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking. Dat is een belangrijk constitutioneel document waarin onder andere staat dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelijkwaardig zijn. Bijna 70 jaar later moeten we helaas constateren dat die gelijkwaardigheid vooral bij woorden op papier is gebleven. Deze verhoudingen gaan ook langer terug dan 70 jaar. Als we het hebben over gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk, dan kunnen we niet wegkijken van onze geschiedenis.”
“Dat is een geschiedenis van exploitatie en uitbuiting, het slavernijverleden van Nederland. Ik hoop dat we in 2023, 150 jaar na de afschaffing, een belangrijke stap kunnen zetten en dat de regering eindelijk excuses zal aanbieden voor het slavernijverleden. Ik hoop ook dat die excuses gepaard zullen gaan met handelen, want zoals een Caribisch-Nederlandse parlementariër ook zei: het gaat niet alleen om woorden, maar ook om daden”, aldus Bouchallikht tijdens het begrotingsdebat voor Koninkrijksrelaties.
Maar zowel Wilders als Ellian delen niet de mening van de GroenLinks-politica. Beide heren zijn van mening dat Bouchallikht degene is die excuses moet gaan aanbieden voor dat wat de islam heeft veroorzaakt.
‘Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij’, schrijft Ellian.
Wilders houdt er een soortgelijke mening op na: ‘Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.’
De Vlaamse Europarlementariër Assita Kanko voegt hieraan toe dat de islamitische slavernij zelfs veel groter was dan de westerse: ‘De Arabische slavenhandel eiste meer slachtoffers dan de Europese maar daarover zwijgt links. Ook over de hedendaagse slavernij, nl de onderdrukking van vrouwen en mensenhandel. Los huidige problemen op. Ik maak me meer zorgen over belastingen,bv. Wie is er geholpen met excuses?’
[46]
”It’s misleading to use phrases such as ‘Islamic slavery’ and ‘Muslim slave trade’, even though slavery existed in many Muslim cultures at various times, since the Atlantic slave trade is not called the Christian slave trade, even though most of those responsible for it were Christians.”
Slaves were owned in all Islamic societies, both sedentary and nomadic, ranging from Arabia in the centre to North Africa in the west and to what is now Pakistan and Indonesia in the east. Some Islamic states, such as the Ottoman Empire, the Crimean Khanate, and the Sokoto caliphate [Nigeria], must be termed slave societies because slaves there were very important numerically as well as a focus of the polities’ energies.
Encyclopaedia Britannica – Slavery
Many societies throughout history have practised slavery, and Muslim societies were no exception.
It’s thought that as many people were enslaved in the Eastern slave trade as in the Atlantic slave trade.
It’s ironic that when the Atlantic slave trade was abolished the Eastern trade expanded, suggesting that for some Africans the abolition of the Atlantic trade didn’t lead to freedom, but merely changed their slave destination.
It’s misleading to use phrases such as ‘Islamic slavery’ and ‘Muslim slave trade’, even though slavery existed in many Muslim cultures at various times, since the Atlantic slave trade is not called the Christian slave trade, even though most of those responsible for it were Christians.
Slavery before Islam
Slavery was common in pre-Islamic times and accepted by many ancient legal systems and it continued under Islam.
Although Islam is much credited for moderating the age-old institution of slavery, which was also accepted and endorsed by the other monotheistic religions, Christianity and Judaism, and was a well-established custom of the pre-Islamic world, it has never preached the abolition of slavery as a doctrine.
Forough Jahanbaksh, Islam, Democracy and Religious Modernism in Iran, 1953-2000, 2001
The condition of slaves, like that of women, may well have improved with the coming of Islam, but the institution was not abolished, any more than it was under Christianity at this period.
Malise Ruthven, Islam in the World, 2000
How Islam moderated slavery
Islam’s approach to slavery added the idea that freedom was the natural state of affairs for human beings and in line with this it limited the opportunities to enslave people, commended the freeing of slaves and regulated the way slaves were treated:
Islam greatly limited those who could be enslaved and under what circumstances (although these restrictions were often evaded)
Islam treated slaves as human beings as well as property
Islam banned the mistreatment of slaves – indeed the tradition repeatedly stresses the importance of treating slaves with kindness and compassion
Islam allowed slaves to achieve their freedom and made freeing slaves a virtuous act
Islam barred Muslims from enslaving other Muslims
But the essential nature of slavery remained the same under Islam, as elsewhere. It involved serious breaches of human rights and however well they were treated, the slaves still had restricted freedom; and, when the law was not obeyed, their lives could be very unpleasant.
The paradox
A poignant paradox of Islamic slavery is that the humanity of the various rules and customs that led to the freeing of slaves created a demand for new slaves that could only be supplied by war, forcing people into slavery or trading slaves.
Muslim slavery continued for centuries
The legality of slavery in Islam, together with the example of the Prophet Muhammad, who himself bought, sold, captured, and owned slaves, may explain why slavery persisted until the 19th century in many places (and later still in some countries). The impetus for the abolition of slavery came largely from colonial powers, although some Muslim thinkers argued strongly for abolition.
Slaves came from many places
Unlike the Atlantic slave traders, Muslims enslaved people from many cultures as well as Africa. Other sources included the Balkans, Central Asia and Mediterranean Europe.
Slaves could be assimilated into Muslim society
Muhammad’s teaching that slaves were to be regarded as human beings with dignity and rights and not just as property, and that freeing slaves was a virtuous thing to do, may have helped to create a culture in which slaves became much more assimilated into the community than they were in the West.
Muslim slaves could achieve status
Slaves in the Islamic world were not always at the bottom of the social hierarchy. Slaves in Muslim societies had a greater range of work, and took on a wider range of responsibilities, than those enslaved in the Atlantic trade.
Some slaves earned respectable incomes and achieved considerable power, although even such elite slaves still remained in the power of their owners.
Muslim slavery was not just economic
Unlike the Western slave trade, slavery in Islam was not wholly motivated by economics.
Although some Muslim slaves were used as productive labour it was not generally on the same mass scale as in the West but in smaller agricultural enterprises, workshops, building, mining and transport.
Slaves were also taken for military service, some serving in elite corps essential to the ruler’s control of the state, while others joined the equivalent of the civil service.
Another category of slavery was sexual slavery in which young women were made concubines, either on a small scale or in large harems of the powerful. Some of these women were able to achieve wealth and power.
These harems might be guarded by eunuchs, men who had been enslaved and castrated.
Where did the slaves come from?
Muslim traders took their slaves from three main areas:
Non-Muslim Africa, in particular the Horn
Central and Eastern Europe
Central Asia
The legality of slavery today
While Islamic law does allow slavery under certain conditions, it’s almost inconceivable that those conditions could ever occur in today’s world, and so slavery is effectively illegal in modern Islam. Muslim countries also use secular law to prohibit slavery.
News stories do continue to report occasional instances of slavery in a few Muslim countries, but these are usually denied by the authorities concerned.
[47]
[47]
VOLKSKRANT
OPINIE:
JA, HET CHRISTELIJK GELOOF DRAAGT OOK BIJ AAN DE VERGOEILIJKING
De rol die de kerk speelde in het slavernijverleden blijft onderbelicht in het debat om van Ketikoti een nationale feestdag te maken. Berouw was er al wel, in 2013.
Burgemeester Femke Halsema bood onlangs excuses aan voor ‘de actieve betrokkenheid van het Amsterdamse stadsbestuur’ bij het slavernijverleden en een petitie om Ketikoti een nationale feestdag te maken werd al 60 duizend keer ondertekend. We worden ons in Nederland steeds bewuster van de rol die de staat speelde in deze zwarte bladzijde van de vaderlandse geschiedenis. De rol die de kerk speelde, blijft echter relatief onderbelicht. Draagt het christelijk geloof ook verantwoordelijkheid voor ons slavernijverleden?
Het Oude Testament geeft de lezer een hoop geboden, bevelen, bepalingen en leefregels – 613 om precies te zijn. De bekendste daarvan zijn te vinden in de Decaloog, oftewel de Tien Geboden. Deze verbiedt zonden als moord, diefstal, afgoderij, overspel en het afleggen van een valse getuigenis. Echter, een specifieke zonde wordt vreemd genoeg achterwege gelaten: slavernij.
Nergens in de Bijbel wordt slavernij dan ook ondubbelzinnig afgewezen, veroordeeld of verboden. Integendeel. De Heilige Schrift lijkt deze misdaad tegen de mensheid vaak stilzwijgend toe te staan en soms zelfs expliciet te steunen.
Meerdere passages in het Oude én Nieuwe Testament bevestigen deze veronderstelling. Zo stellen de Tien Geboden dat u uw zinnen niet moet zetten op het huis van een ander ‘en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, op zijn slavin, zijn rund of zijn ezel…’ Eén bladzijde verder, in Exodus 21,
bepaalt God dat je je slaaf onbestraft mag geselen, zolang de slaaf in kwestie ‘enkele dagen in leven blijft’. Wanneer de Israëlieten de stad van een vijandig volk veroveren, zoals in Numeri of Deuteronomium, moeten alle mannen ter dood worden gebracht, maar de vrouwen, de jonge meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen ‘en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buit maken’. In Numeri 31 werden er op die manier 32 duizend jonge meisjes ‘buitgemaakt’.
In Leviticus krijgt Bijbelse slavernij ook nog eens een etnisch gehalte, want ‘als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, of de vreemdelingen die bij jullie wonen’. Deze slaven werden gezien als eigendom en konden als erfelijk bezit nagelaten worden aan het nageslacht.
En het wat heeft het Nieuwe Testament te zeggen over de (on)rechtvaardigheid van slavernij? Jezus zelf repte nooit een woord over deze gruwel, maar zijn apostel Paulus wel. In zijn brieven aan de Efeziërs, de Kolossenzen en Timoteüs roept Paulus slaven op vooral gehoorzaam te zijn: ‘Slaven, gehoorzaam uw aardse meesters in alles, niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar oprecht en met ontzag voor de Heer.’ Zelfs het vermogen de slavendrijver met afgunst te dienen, werd ze afgenomen.
Tot veel verbazing kan het dan ook niet leiden dat veel vrome christenen de trans-Atlantische slavenhandel steunden of gedoogden. Neem de 18de-eeuwse jezuïet Raymund Harris. Deze gewijde priester publiceerde in 1788 een traktaat waarin hij de rechtvaardigheid van de slavenhandel beredeneerde vanuit een Bijbels perspectief. Hij maakte hiervoor onder meer gebruik van het voorbeeld van aarts-vader Abraham, de Wet van Mozes, het Bijbelboek Jozua, de brieven van Paulus en zelfs de Bergrede van Jezus. ‘Hoe meer ik vorder in mijn Bijbelonderzoek’, schreef hij, ‘hoe meer bewijs mij bereikt ten gunste van de slavenhandel.’
Daarom toonde de Nederlandse Raad van Kerken in 2013 – 150 jaar na de afschaffing van de slavernij – berouw voor het in stand houden en legitimeren van de lucratieve slavenhandel. Het spreekt voor zich dat de meeste christenen slavernij vandaag de dag verachten, maar het verleden kun je niet zomaar wegpoetsen.
Draagt de kerk medeverantwoordelijkheid voor het slavernijverleden? Als de Nederlandse staat verantwoordelijk was voor het implementeren van de slavenhandel, dan was de kerk zonder meer verantwoordelijk voor het vergoelijken ervan.
The Prophet Muhammad did not try to abolish slavery, and bought, sold, captured, and owned slaves himself. But he insisted that slave owners treat their slaves well and stressed the virtue of freeing slaves.”
The Prophet Muhammad did not try to abolish slavery, and bought, sold, captured, and owned slaves himself. But he insisted that slave owners treat their slaves well and stressed the virtue of freeing slaves.
There are two different ways of interpreting this:
some modern writers believe that Muhammad intended his teachings to lead to the gradual end of slavery by limiting opportunities to acquire new slaves and allowing existing slaves to become free. This idea doesn’t appear in early writings.
others writers argue that by regulating slavery the Prophet gave his authority to its continued existence, and that by having slaves himself he showed his approval
Muhammad treated slaves as human beings and clearly held some in the highest esteem.
For example, he personally ensured the freedom of Bilal, an African slave who had converted to Islam. Bilal was chosen as the first muezzin of Islam because of his beautiful voice. A muezzin is the person who calls the community to the daily prayers, and is a position of great prominence and responsibility.
Zayd was a young boy who had grown up in the household of the Prophet as a slave, and remained with the household, almost as an adopted son, even after he was freed. He was amongst the first four people to adopt Islam. Indeed when Zayd’s father (a wealthy nobleman) tracked his son down and offered to buy his freedom from Muhammad, Muhammad told Zayd that he was free to go with his father with no money changing hands, and to his father’s astonishment Zayd chose to stay with Muhammad.
The Prophet also married a Coptic Christian slave girl.
In his lifetime the Prophet introduced the following rules about slavery:
Stated that freeing slaves was the act that God found most acceptable
Zakat (charity – the third Pillar of Islam) was often used by the state to free slaves
Stated that freeing a slave was the appropriate way to gain forgiveness for certain wrongs
Ordered that those who committed certain wrongs should be penalised by having to free their slaves
Stated that slaves should be allowed to buy their freedom, and if necessary should be given the opportunity to earn money, or be lent money by the state, in order to do so
Allowed slaves to be freed in certain circumstances
Stated that slaves’ contracts should be interpreted in favour of the slaves
Stated that the duty of kindness towards slaves was the same of that towards family, neighbours and others
Stated that when a slave owner had a child with a female slave, the child should be freed and could inherit from their father like any other child (as in the case of Ibrahim)
There are a number of hadith that show that the Prophet treated slaves well and expected others to do the same…
He will not enter Paradise who behaveth ill to his slaves. The Companions said, ‘O Apostle of God! have you not told us, that there will be a great many slaves and orphans amongst your disciples?’ He said, ‘Yes; then be kind to them as to your own children, and give them to eat what you eat yourselves. The slaves that say their prayers are your brothers.
Be kind to slaves as to your own children…and those that say their prayers are your brethren.
They (slaves or servants) are your brothers, and Allah has put them under your command. So the one under whose hand Allah has put his brother, should feed him of what he eats, and give him dresses of what he wears, and should not ask him to do a thing beyond his capacity. And if at all he asks him to do a hard task, he should help him therein.’
‘There are three categories of people against whom I shall myself be a plaintiff on the Day of Judgement. Of these three, one is he who enslaves a free man, then sells him and eats this money’.
al-Bukhari and Ibn Majjah
Narrated Abu Musa Al-Ash’ari: “The Prophet said, ‘Give food to the hungry, pay a visit to the sick and release (set free) the one in captivity (by paying his ransom).'”
Bukhari
Reacties uitgeschakeld voor Noten 43 t/m 48/Wilders and his Boy Afshin Ellian
Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.
”Slavery existed in Africa prior to the transatlantic trade, and in fact the earlier, trans-Saharan slave trade sent more enslaved Africans east to the Muslim world, over many centuries, than would be transported west to the Americas. However, the large-scale organization of European slave trading and the development of industry and massive plantations dependent on slave labor gave rise to a trade in humans that was staggering in its scale. Approximately 10 million enslaved people were transported in the transatlantic slave trade, at rates of up to 100,000 persons per year.”
When descendants of the DeWolf slave-trading family of Bristol, Rhode Island retrace the triangle trade of their ancestors in our documentary, Traces of the Trade, they visit the European slave forts of Cape Coast Castle and St. George’s Castle (Elmina). These sites were chosen because the DeWolf family traded extensively for slaves along the Gold Coast, and their most common stops were at slave forts in what is now modern-day Ghana.
In fact, for almost 150 years, Ghana, on Africa’s west coast, was the center of the British slave trade. Western traders arrived in ships loaded with manufactured goods to barter or trade for slaves. Those who were sold had often been captured in tribal warfare; some had simply been kidnapped to sell to European slave traders.
Slavery existed in Africa prior to the transatlantic trade, and in fact the earlier, trans-Saharan slave trade sent more enslaved Africans east to the Muslim world, over many centuries, than would be transported west to the Americas. However, the large-scale organization of European slave trading and the development of industry and massive plantations dependent on slave labor gave rise to a trade in humans that was staggering in its scale. Approximately 10 million enslaved people were transported in the transatlantic slave trade, at rates of up to 100,000 persons per year.
The remnants of the trade in Ghana are still visible today — in dozens of forts and castles built by Europeans between 1482 and 1786. American traders did business at trading posts run by the British, French, Dutch, Germans, Spanish, Portuguese, and others, including Cape Coast Castle and Elmina Castle, which the DeWolf descendants visited in Ghana. Many of these sites have been preserved, and attract thousands of visitors as part of the Slave Route Project of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO). In addition to preservation efforts, Ghana has also made efforts to encourage descendants of enslaved Africans to learn more about their history. Descendants may be eligible for special visas, and the government has instituted programs to encourage Ghanaians to welcome people from the African Diaspora.
Sources: David Eltis, Stephen D. Behrendt, David Richardson, and Herbert S. Klein, eds., The Trans-Atlantic Slave Trade: A Database on CD-ROM (Cambridge, 1999); Roger S. Gocking, The History of Ghana (Westport, Conn.: Greenwood Press, 2005); William St. Clair, The Door of No Return: The History of Cape Coast Castle and the Atlantic Slave Trade (New York: Blue Bridge, 2007); Hugh Thomas, The Slave Trade: The Story of the Atlantic Slave Trade: 1440-1870 (New York: Simon and Schuster, 1997).
OUIDAH, Benin — Less than a mile from what was once West Africa’s biggest slave port, the departure point for more than a million people in chains, stands a statue of Francisco Félix de Souza, a man regarded as the father of this city.
There’s a museum devoted to his family and a plaza in his name. Every few decades, his descendants proudly bestow his nickname — “Chacha” — on a de Souza who is appointed the clan’s new patriarch.
But there’s one part of de Souza’s legacy that is seldom addressed. After arriving here in the late 1700s from Brazil, then a Portuguese colony, he became one of the biggest slave merchants in the history of the transatlantic slave trade.
In Benin, where the government plans to build two museums devoted to the slave trade in collaboration with the Smithsonian Institution, slavery is an embattled subject. It is raised in political debates, downplayed by the descendants of slave traders and deplored by the descendants of slaves.
At a time when Americans are again debating how slavery and the Civil War are memorialized, Benin and other West African nations are struggling to resolve their own legacies of complicity in the trade. Benin’s conflict over slavery is particularly intense.
For over 200 years, powerful kings in what is now the country of Benin captured and sold slaves to Portuguese, French and British merchants. The slaves were usually men, women and children from rival tribes — gagged and jammed into boats bound for Brazil, Haiti and the United States.
The trade largely stopped by the end of the 19th century, but Benin never fully confronted what had happened. The kingdoms that captured and sold slaves still exist today as tribal networks, and so do the groups that were raided. The descendants of slave merchants, like the de Souza family, remain among the nation’s most influential people, with a large degree of control over how Benin’s history is portrayed.
In building the new museums, the country will have to decide how it will tell the story of its role in the slave trade. Is it finally ready, for example, to paint de Souza as the slave merchant that he was?
The tensions are still there,” said Ana Lucia Araujo, a professor of history at Howard University who has spent years researching Benin’s role in the slave trade. “In the past, the country had a hard time telling the story of the victims of the slave trade. Instead, many initiatives commemorated those who enslaved them.”
Unlike some African countries, Benin has publicly acknowledged — in broad terms — its role in the slave trade. In 1992, the country held an international conference sponsored by UNESCO, the U.N. cultural agency, that looked at where and how slaves were sold. In 1999, President Mathieu Kérékou visited a Baltimore church and fell to his knees during an apology to African Americans for Africa’s role in the slave trade.
But what Benin failed to address was its painful internal divisions. Kérékou’s apology to Americans meant little to citizens who still saw monuments to de Souza across this city. Even Ouidah’s tour guides had grown frustrated.
“These people don’t know the history. De Souza was the worst person, and he’s still treated like a hero,” said Remi Segonlou, who runs a small business showing visitors around the city.
The memory of slavery emerges here in large and small ways. In the 2016 presidential election, one candidate, Lionel Zinsou, angrily pointed out in a televised debate that his opponent, Patrice Talon, who is now president of Benin, was the descendant of slave merchants. In villages where people were abducted for the slave trade, families still ask reflexively when they hear a knock on the door whether the visitor is “a human being” or a slave raider.
“Our anger at the families who sold our ancestors will never go away until the end of the world,” said Placide Ogoutade, a businessman in the town of Ketou, where thousands of people were seized and sold in the 18th and 19th centuries.
When his children were young, Ogoutade told them they were barred from marrying anyone who was a descendant of the country’s slave merchants.
Some of Benin’s foremost scholars are battling the country’s unwillingness to interrogate its messy past.
This is still a country divided between the families of the enslaved and the slave traders,” said Olabiyi Babalola Joseph Yai, a professor of history and linguistics who taught for years at the University of Florida and worked for UNESCO in Paris before returning to his native Benin. “But the elite don’t want to talk about what happened here.”
The Smithsonian Institution has signed a memorandum of understanding to provide help with the new museums, although details have yet to be worked out, officials said. Benin’s government has also appointed several scholars, including Yai, to ensure the accuracy and credibility of the exhibits in one of the museums, in the city of Allada, about 20 miles from Ouidah. But even Yai questions the authorities’ willingness to address the facts.
Is this about reconciliation, or is it just about attracting tourists? That’s something we need to be vigilant about,” he said.
There are several reasons Benin’s history of slavery was papered over or misrepresented for so long. First, when Benin was a colony of France from 1904 to 1958, the French didn’t want to draw attention to their own role in the African slave trade. Then, after Benin became independent, its leaders pushed for a sense of national, and even Pan-African, identity.
Since 1991, when Benin transitioned from a dictatorship to a democracy, the history of slavery has mostly been presented as a means of luring Western tourists.
“People here are trying to find work. They are trying to eat. They are surprised when they see tourists who come looking for their identity,” said José Pliya, the president’s adviser for tourism.
Pliya is directing the establishment of the two museums, one focusing on Ouidah’s history, due to open next year and funded largely by the World Bank, and the other in Allada, which will more broadly investigate the country’s role in the slave trade and is scheduled to open in 2020. The two sites are expected to cost $24 million in total.
The government is also planning to reconstruct the forts where slave merchants lived in Ouidah and the cells in which they kept their slaves.
The government acknowledges that if it wants to attract tourists, it will need to address concerns about whether Benin is whitewashing the actions of the slave trade’s architects. Advisers to the president said he plans to rename the Place de Chacha square in Ouidah, said to have been an open-air auction site for slaves. Authorities have not yet decided on a new name.
This is a very delicate subject,” Pliya said.
Many members of the de Souza family are aghast at the idea.
“He was a man who helped modernize our nation,” said Judicael de Souza, 43, noting his ancestor’s role in expanding agricultural trade with Europe.
One member of the family, Martine de Souza, a tour guide, has urged the family for years to re-examine its history. “It’s time we accept the reality,” she said in an interview. But most others are cautious.
Late last year, the family appointed its new patriarch, or Chacha. He is a construction engineer named Moise de Souza who lives in a concrete apartment building with a poster-size picture of himself on the wall. He has light brown skin, a point of pride for a family that often boasts about its ties to colonialists.
In an interview, he acknowledged his ancestors’ role in the slave trade.
“It is something that makes me feel bad. We know it’s painful, and all I can do is apologize,” he said.
Still, he worried that members of his family would be livid if he shared that sentiment publicly in Benin. He vehemently opposes any mention of de Souza as a slave merchant in the new Ouidah museum.
“It’s the reputation of our family,” he said. “We don’t want to be known for this dirty thing.”
In mid-January, he and dozens of other de Souza descendants made their yearly pilgrimage to the city of Abomey, the former capital of the kingdom of Dahomey, a major regional power in pre-colonial days. A modern-day king of Dahomey, Dédjalagni Agoli-Agbo, still presides, even though the title is now a largely ceremonial one.
The meeting had an extraordinary subtext. The kingdom of Dahomey had sold hundreds of thousands of slaves to merchants like Francisco de Souza. The ceremony was about celebrating a relationship between two families that was originally forged over slaves.
On that humid morning, Moise de Souza stepped out of an SUV wearing a gold-trimmed shawl and cap. He walked to the front of a dimly lighted meeting room, sweating in the heat. A group of American anthropology students, almost all of them white, had been allowed inside to watch.
Finally, the king arrived, surrounded by several wives wearing matching yellow-and-orange dresses. He shook de Souza’s hand. Glasses of champagne were poured.
“This ceremony reminds us of the connection between Dahomey and de Souza,” the king said, as a Beninese TV crew filmed.
“I wish good health, a long life and peace to the king,” de Souza responded.
Slavery was never mentioned.
“It’s a memory both families would prefer to forget,” said the professor escorting the students, Timothy Landry of Trinity College in Connecticut.
When the event ended, the de Souza family poured out of the building.
They wore outfits of bright, traditional African fabrics. On some of the skirts and shawls, a white man’s face had been printed, his eyebrows raised, his mustache curled.
In case he couldn’t be identified, the man’s name was printed in big letters.
“Francisco Félix de Souza.”
Reacties uitgeschakeld voor Noten 40 t/m 42/Wilders and his Boy Afshin Ellian
It is not clear in which context the term “crimes against humanity” was first developed. Some scholars[1] point to the use of this term (or very similar terms) as early as late eighteenth and early nineteenth century, particularly in the context of slavery and the slave trade, and to describe atrocities associated with European colonialism in Africa and elsewhere such as, for example, the atrocities committed by Leopold II of Belgium in the Congo Free State. Other scholars[2] point to the declaration issued in 1915 by the Allied governments (France, Great Britain and Russia) condemning the mass killing of Armenians in the Ottoman Empire, to be the origin of the use of the term as the label for a category of international crimes.
Since then, the notion of crimes against humanity has evolved under international customary law and through the jurisdictions of international courts such as the International Criminal Court, the International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia and the International Criminal Tribunal for Rwanda. Many States have also criminalized crimes against humanity in their domestic law; others have yet to do so.
Crimes against humanity have not yet been codified in a dedicated treaty of international law, unlike genocide and war crimes, although there are efforts to do so. Despite this, the prohibition of crimes against humanity, similar to the prohibition of genocide, has been considered a peremptory norm of international law, from which no derogation is permitted and which is applicable to all States.
UNITED NATIONS
OFFICE ON GENOCIDE PREVENTION AND THE RESPONSIBILITY
1. For the purpose of this Statute, “crime against humanity” means any of the following acts when committed as part of a widespread or systematic attack directed against any civilian population, with knowledge of the attack:
(a) Murder; (b) Extermination;
(c) Enslavement;
(d) Deportation or forcible transfer of population;
PvdA-leider Lodewijk Asscher hield een pleidooi om van Keti Koti, de viering van de afschaffing van slavernij op 1 juli, een nationale feestdag te maken. “Tegen racisme zijn is niet links of rechts, maar een teken van beschaafdheid.” Zijn partij is voorstander van excuses voor het slavernijverleden.”
….
….
”Ook GroenLinks wil een spijtbetuiging van Rutte. “Om aan een gezamenlijke toekomst te werken, moeten we ook samen ons gedeelde verleden erkennen”, zei GroenLinks-leider Jesse Klaver. Maar ondanks het pleidooi van de linkse partijen voor excuses van het kabinet, voelen VVD, CDA, PVV, FvD, Haga en de SGP daar niets voor.”RTL NIEUWSEXCUSES NEDERLAND VOOR SLAVERNIJ KOMENER NIET: ”NA 150 JAAR NIET NODIG”
Op de dag dat het afschaffen van de slavernij wordt gevierd, was er tijdens het debat over racisme in de Tweede Kamer een hoofdrol weggelegd voor de excuses van Nederland voor datzelfde verleden.
Regeringspartijen D66 en ChristenUnie kregen geen Kamermeerderheid achter zich voor het aanbieden van die excuses door het kabinet.
CDA-fractievoorzitter Pieter Heerma zei dat hij meer aandacht in het onderwijs wilde voor discriminatie en ook wel voelde voor een nationaal museum over het slavernijverleden. Maar voor excuses voelt hij niets. “Ik ben zelf niet overtuigd van de noodzaak om na zo lang, na 150 jaar, met excuses te komen.”
Nationale feestdag
PvdA-leider Lodewijk Asscher hield een pleidooi om van Keti Koti, de viering van de afschaffing van slavernij op 1 juli, een nationale feestdag te maken. “Tegen racisme zijn is niet links of rechts, maar een teken van beschaafdheid.” Zijn partij is voorstander van excuses voor het slavernijverleden.
Ook GroenLinks wil een spijtbetuiging van Rutte. “Om aan een gezamenlijke toekomst te werken, moeten we ook samen ons gedeelde verleden erkennen”, zei GroenLinks-leider Jesse Klaver. Maar ondanks het pleidooi van de linkse partijen voor excuses van het kabinet, voelen VVD, CDA, PVV, FvD, Haga en de SGP daar niets voor.
‘Angst aanpraten’
In hetzelfde debat reageerden veel partijen kwaad op PVV-leider Geert Wilders, die voorstellen om bewuster stil te staan bij het slavernijverleden bij voorbaat van tafel veegde. Wilders ontkent dat sprake is van een racismeprobleem in Nederland. “Het is hier niet slecht gesteld met discriminatie. Dat is alleen maar angst aanpraten.”
D66-fractieleider Rob Jetten vroeg aan de PVV-leider ‘welke boodschap hij heeft aan de duizenden jongeren die meekijken naar dit debat’ die op een oplossing hopen. Wilders kaatste terug dat hij ze zou waarschuwen voor de ‘bangmakerij’ van Jetten. “U zet de Nederlanders in de verkeerde hoek. U bent fout en stigmatiserend bezig”, zei Wilders.
Reacties uitgeschakeld voor Noten 37 t/m 39/Wilders and his Boy Afshin Ellian
GroenLinks-Kamerlid Kauthar Bouchallikht is van mening dat de Nederlandse regering excuses moet gaan aanbieden voor het slavernijverleden. Deze opmerking die Bouchallikht deed in de Tweede Kamer schoot in het verkeerde keelgat bij PVV-leider Geert Wilders en de Leidse hoogleraar Afshin Ellian. Zij vinden juist dat Bouchallikht haar excuses moet aanbieden wegens de wandaden die zijn voortgekomen uit de islam.
Volgens de GroenLinks-politica is er nog steeds niet echt sprake van gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk Nederland:
“Op 28 oktober 1954 trad het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking. Dat is een belangrijk constitutioneel document waarin onder andere staat dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelijkwaardig zijn. Bijna 70 jaar later moeten we helaas constateren dat die gelijkwaardigheid vooral bij woorden op papier is gebleven. Deze verhoudingen gaan ook langer terug dan 70 jaar. Als we het hebben over gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk, dan kunnen we niet wegkijken van onze geschiedenis.”
“Dat is een geschiedenis van exploitatie en uitbuiting, het slavernijverleden van Nederland. Ik hoop dat we in 2023, 150 jaar na de afschaffing, een belangrijke stap kunnen zetten en dat de regering eindelijk excuses zal aanbieden voor het slavernijverleden. Ik hoop ook dat die excuses gepaard zullen gaan met handelen, want zoals een Caribisch-Nederlandse parlementariër ook zei: het gaat niet alleen om woorden, maar ook om daden”, aldus Bouchallikht tijdens het begrotingsdebat voor Koninkrijksrelaties.
Maar zowel Wilders als Ellian delen niet de mening van de GroenLinks-politica. Beide heren zijn van mening dat Bouchallikht degene is die excuses moet gaan aanbieden voor dat wat de islam heeft veroorzaakt.
‘Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij’, schrijft Ellian.
Wilders houdt er een soortgelijke mening op na: ‘Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.’
De Vlaamse Europarlementariër Assita Kanko voegt hieraan toe dat de islamitische slavernij zelfs veel groter was dan de westerse: ‘De Arabische slavenhandel eiste meer slachtoffers dan de Europese maar daarover zwijgt links. Ook over de hedendaagse slavernij, nl de onderdrukking van vrouwen en mensenhandel. Los huidige problemen op. Ik maak me meer zorgen over belastingen,bv. Wie is er geholpen met excuses?’
[35]
[KAUTHAR BOUCHALLIKTH]:
”Als wij het hebben over gelijkwaardigheid binnen
het Koninkrijk, dan kunnen we niet wegkijken van onze geschiedenis.
De geschiedenis van exploitatie en uitbuiting”
Het slavernijverleden van Nederland.
Ik hoop, dat we in 2023, 150 jaar na afschaffing een belangrijke stap
kunnen zetten en de regering eindelijk excuses zal aanbieden voor
het slavernijverleden.
Ik hoop ook, dat die excuses gepaard zullen gaan met handelen
Want zoals een Caraibisch Nederlands parlementarier dat ook zei
Het gaat niet alleen om woorden, maar ook om daden.
EINDE
YOUTUBE FRAGMENT TOESPRAAK KAUTHAR BOUCHALLIKTH
KAUTHAR BOUCHALLIKTH ON TWITTER
Het is de hoogste tijd dat de regering excuses aanbiedt voor het slavernijverleden.
Het is de hoogste tijd voor gelijkwaardigheid. Niet alleen in woorden, maar ook in daden. pic.twitter.com/gnycbesPdp
Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.
695De Esperando’s en 694 anderen
548 opmerkingen
51 keer gedeeld
Leuk
Opmerking plaatsen
Delen
ZIE OOK LINK NIEUW RECHTS
”Wilders houdt er een soortgelijke mening op na: ‘Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.’
Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij. https://t.co/dz7I6Ne6eY
Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij.
Translate Tweet
Quote Tweet
Kauthar Bouchallikht
@Kauthar_
·
Oct 19
Het is de hoogste tijd dat de regering excuses aanbiedt voor het slavernijverleden. Het is de hoogste tijd voor gelijkwaardigheid. Niet alleen in woorden, maar ook in daden.
‘Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij’
Er zal en mag geen moslima met een hoofddoek in de Tweede Kamer en daarom blijft Domrechts zoeken naar “bewijs” dat GroenLinks-kandidaat Kauthar Bouchallikht niet deugt. Dat ze van de Moslimbroederschap zou zijn, is al wel duizend keer overtuigend weerlegd, maar bij GeenStijl hebben ze weer wat nieuws gevonden: Bouchallikht liep in 2014 mee op een demonstratie tegen Israel, waar ook een spandoek met een hakenkruis was gesignaleerd, waarop Israël met Nazi-Duitsland werd vergeleken.
Op demonstraties tegen Israëlische mensenrechtenschendingen lopen altijd een paar onverlaten antisemitische leuzen te schreeuwen, en daar omheen lopen altijd journalisten die specifiek dáár naar op zoek zijn, met het doel iedereen die op die demonstratie meeliep, te brandmerken als antisemiet en het doel dáárvan is weer om alle kritiek op Israël te verstommen. Mede om die reden loop ik nooit mee met een demonstratie (een keer als verslaggever, en verdomd als er niet ook een paar in het zwart geklede, gemaskerde relschoppers opdoken), maar we gaan het een 20-jarige student haar naïviteit niet kwalijk nemen, zeker niet omdat haar motivatie om mee te doen legitiem en zuiver was.
Gewoon gezellig
Maar Bouchallikht draagt een hoofddoek, en dus moet ze kapot. Dus kopt de NOS dat Bouchallikht meeliep met een “antisemitisch protest”. Ik schreef al, de publieke omroep heeft echt een tyfushekel aan allochtonen die niet gewoon gezellig meedoen met de boze witte Nederlanders. Wie schetst mijn verbazing als de Voormalige Nazikrant genuanceerder bericht dan de NOS, door te schrijven dat Bouchallikht meeliep op een ‘demonstratie waar antisemitische leuzen werden meegedragen’.
Vergelijkingen van Israël met Nazi-Duitsland zijn stuitend, maar tot niet zo heel lang geleden niet zo ongewoon. Ik herinner me heel specifiek een column in De Telegraaf, van de in de jaren tachtig razend populaire Leo Derksen, die zoiets schreef als “de slachtoffers blijken voorbeeldige leerlingen van hun beulen”. Dat was naar aanleiding van een filmpje in het NOS Journaal, waarop te zien was hoe Israëlische soldaten een Palestijnse jongen tegen een rots drukten en zijn botten braken door er met een grote steen op te slaan. Ik heb nog gegoogeld om te zien of die bewuste column van Derksen toevallig ergens online staat, maar zonder succes.
Inktspotprijs
De door iedereen bewierookte cartoonist Willem Holtrop, overlevende van de slachtpartij door islamisten bij Charlie Hebdo, won in 2007 de Inktspotprijs met een cartoon waarop Gaza werd verbeeld als een Israëlisch concentratiekamp. “Dit werk toont lef”, zei juryvoorzitter Staf Depla.
Vergelijkingen van Israël met Nazi-Duitsland waren nooit een probleem. Totdat niet-witte mensen ermee begonnen. Ik vroeg Ronny Naftaniel eens naar die cartoon van Holtrop, toen hij drukte maakte over de BDS-acties, en over iemand die de Israëlische nederzettingen met Nazi-concentratiekampen vergeleek.
Krekels.
[31]
”Zij is het eerste lid dat altijd een hoofddoek draagt in het openbaar.”
”Veel partijen zijn woedend over de uitspraken van Geert Wilders en willen dat de Tweede Kamervoorzitter ingrijpt. “Ik smeek u om in te grijpen”, zei Sylvana Simons (BIJ1) tegen Kamervoorzitter Vera Bergkamp . Wilders deed enkele persoonlijke aanvallen en zei dat een hoofddoek niet thuishoort in de Tweede Kamer.”
Veel partijen zijn woedend over de uitspraken van Geert Wilders en willen dat de Tweede Kamervoorzitter ingrijpt. “Ik smeek u om in te grijpen”, zei Sylvana Simons (BIJ1) tegen Kamervoorzitter Vera Bergkamp . Wilders deed enkele persoonlijke aanvallen en zei dat een hoofddoek niet thuishoort in de Tweede Kamer.
PVV-leider Wilders was de eerste spreker van het debat waarin het nieuwe regeerakkoord wordt besproken. Het eerste uur van het debat verliep enorm chaotisch. Volgens GroenLinks-leider Jesse Klaver zijn partijen veel te lang te soft geweest voor Wilders.
“Handhaaf”, riep de GroenLinks-leider tegen Kamervoorzitter Bergkamp. “U bent voorzitter van de Kamer en hoeder van de democratische rechtstaat.” De persoonlijke aanvallen op Kamerleden, maar ook op de pers, gaan volgens Klaver de grenzen van de rechtsstaat over. Wilders noemde de pers ‘lakeien van de macht.’
U bent scheidsrechter
“Een aantal Kamerleden smeekt u hier bijna om in te grijpen”, zei Sylvana Simons van BIJ1 tegenover de Kamervoorzitter. Het is immers aan Bergkamp om ‘een veilige werkplek te creëren voor mensen die zijn verkozen’, vindt Simons. Zij vindt de uitspraken van Wilders ‘racistisch’ en ‘ophitsend.’
Ook Pieter Omtzigt viel de Kamervoorzitter hard aan. De voorzitter is ‘scheidsrechter, en geen procesbegeleider’, zei hij. “Als er op enkels wordt getrapt en een scheidsrechter telkens foei foei zegt, maar niet ingrijpt met gele of rode kaarten, gebeurt er niets.”
Geert Wilders hekelde tijdens zijn inbreng onder meer ‘Kamerleden met een hoofddoek’. De Kamervoorzitter noemde het daarop niet respectvol om zo over een collega te praten en anderen vielen haar bij.
Ontspoorde
Ook sprak de PVV-leider minutenlang over VVD-adviseur Soumaya Sahla, die in 2005 gearresteerd werd voor betrokkenheid bij de zogeheten Hofstadgroep en later veroordeeld werd tot drie jaar celstraf. Inmiddels zet zij zich juist in om radicalisering tegen te gaan.
Wilders noemde haar ‘een veroordeelde terrorist die in de Kamer loopt’. Het debat ontspoorde toen Wilders ook Soumaya’s zus Fonda, nu D66-Kamerlid, erbij betrok.
Verhit debat
Meerdere partijen vonden de uitspraken van Wilders te ver gaan. VVD-fractievoorzitter Sophie Hermans benadrukte dat Soumaya Sahla niet voor de VVD-fractie werkt en dus geen toegang heeft tot het Kamergebouw. Ook verwerpt ze de verwijten. “We moeten iedereen beoordelen op de bijdrage aan het debat.”
[32]
”Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 behaalde GroenLinks acht zetels. Ondanks haar negende plaats op de kandidatenlijst kwam Bouchallikht toch in de Tweede Kamer vanwege haar 27.038 voorkeurstemmen”
Okay jongens, even een overzicht van deze waanzin.
Afgelopen week werd Kauthar Bouchallikth, “met de -th van think”, gepresenteerd als kandidaat #9 op de Tweede Kamerlijst van GroenLinks. Dat lijkt ons over de hele linie zeer welverdiend, want ze heeft een imposant CV en lijkt simpelweg heel goed in wat ze doet.
GroenLinks somt op Khautars kandidatenpagina haar vele bestuursfuncties en activiteiten op. GroenLinks verzuimt echter te melden dat Khautar óók vice-voorzitter van de Forum of European Muslim Youth and Students Organisations (FEMSYO) is, in de functie van Head of Member Organisation Relations, zoals hier op FEMYSO’s website te zien is. Khautar meldt dit zelf ook gewoon op haar eigen website.
Vervolgens ontstond de controverse. Carel Brendel wees erop dat FEMYSO de jeugdorganisatie van de Moslimbroederschap is. Vanuit de overheid en AIVD is er al bijna 10 jaar lang consensus over de aard en intenties van de Moslimbroederschap. Het enige dat sinds deze briefing uit 2011 door toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Donner is veranderd, is dat de organisatie in gewicht en invloed gegroeid is. De briefing concludeert:
“De AIVD heeft in het onderzoek naar de Moslimbroederschap in Nederland geconstateerd dat de activiteiten van de beweging op de lange termijn een risico zouden kunnen vormen voor de democratische rechtsorde in Nederland. (…) Ten eerste is het voorstelbaar dat het streven van de Moslimbroeders om de islam leidend te laten zijn in alle aspecten van het leven van moslims op lange termijn kan bijdragen aan een voedingsbodem voor (onverdraagzaam) isolationisme en polarisatie. (…) Ten tweede kan door het veiligheidsbewuste en heimelijke optreden van de Nederlandse Moslimbroeders niet uitgesloten worden dat er naast de geconstateerde intenties andere doelstellingen bestaan die strijdig kunnen zijn met de democratische rechtsorde in Nederland. (…) Ten derde is geconstateerd dat Nederlandse Moslimbroeders invloed trachten te verwerven in het maatschappelijk middenveld. Indien Moslimbroeders hierbij deelnemen aan of invloed uitoefenen op politieke besluitvorming zonder hun signatuur en daarmee hun belangen en intenties kenbaar te maken, kan dit tot een onwenselijke situatie leiden.”
Kauthars ontkenning Gezien dit ondermijnende oogmerk van de Moslimbroederschap is het dus erg begrijpelijk dat Kauthar zich haastte om zich van de Moslimbroederschap te distantiëren. Ze verwees daarbij naar deze tekst van FEMYSO, waarin de beschuldiging wordt afgedaan met dat FEMYSO “has faced repeated attacks by far-right and other groups accusing the organisation of having links with the Muslim Brotherhood. FEMYSO categorically denies these false and malicious allegations which are designed solely to undermine our organisation.”
De tekst en Kauthar zelf, gaan echter niet inhoudelijk in op de veelheid aan bevindingen die het tegendeel aantonen. Die bevindingen zetten we hier gister onder elkaar. Het betreft een overzicht op de website van Moslimbroederschap-koepelorganisatie Council of European Muslims (CEM, voorheen Federation of Islamic Organisations Europe, FIOE) zelf, rapporten door Duitse ministeries en veiligheidsdiensten, een CEM-bestuurslid dat FEMYSO op 22 oktober jl. nog vermeldde als een van de “other actors” van CEMs corona-aanpak, getuigenissen van ex-CEM-leden en een onderzoek door Georgetown University. De meest rokende smoking gun van allemaal, namelijk die FIOE-website die FEMYSO in 2004 zelf als een van hun zes centrale organisaties noemde, hier (mirror) en opklikbaar onderstaand.
Al die bevindingen concluderen dat FEMYSO wel degelijk de Europese jeugdtak van de Moslimbroederschap is.
Jesse Klavers volledig holle reactie Jesse Klaver koos er gister in zijn reactie echter voor klakkeloos de FEMYSO-lijn over te nemen, en de bevinding dat FEMYSO de Europese jeugdtak van de Moslimbroederschap is af te doen als xenofobische laster. *In werkelijk niets ging hij inhoudelijk in op de bevindingen.* Klaver:
“Precies twee dagen heeft Kauthar Bouchallikht kunnen genieten van haar plek op de kandidatenlijst van GroenLinks. Daarna kwam de eerste aanval en het zal zeker niet de laatste zijn. Helaas is dit de realiteit voor veel jonge moslims in Nederland. Zij moeten voortdurend hun loyaliteit bewijzen en laten zien waar ze staan. (…) Ik vind het ontzettend belangrijk om dit statement te maken. Niet alleen voor Kauthar. Zij heeft het lef getoond om haar hoofd boven het maaiveld uit te steken. Daar heb ik veel bewondering voor. (…) En ik voeg daaraan toe: wees niet bang, je staat er niet alleen voor. We’ve got your back!”
Ja, luister maat. Zo werkt dit niet. Er is maar één aantijging aan Kauthars adres, en dat is dat zij bestuurslid is van een organisatie die aantoonbaar aan de Moslimbroederschap gelieerd is, en de Moslimbroederschap op zijn beurt weer unaniem erkend is als ‘een mogelijk risico voor de Democratische rechtsorde in Nederland’.
Dat is een probleem. En dat wisten jullie van te voren, want GroenLinks koos er bewust voor Kauthars FEMYSO-bestuursfunctie niet te vermelden op de GroenLinks-kandidatenpagina, terwijl het wel gewoon prominent op haar persoonlijke website vermeld staat.
Klakkeloos het verweer van de verdachte organisatie zelf overnemen is partijleider- Tweede Kamer- en 14 zetels-onwaardig. GroenLinks heeft geen andere keus dan inhoudelijk op de kwestie in te gaan, want dit gaat niet weg. In afwachting van uw reactie verblijven we.
Onderstaand opklikbaar: Web archive van FIOE’s (nu CEM) eigen website in 2004, waarin FEMYSO expliciet wordt genoemd als een van de zes “centrale organisaties”.
GroenLinks-Kamerlid Kauthar Bouchallikht is van mening dat de Nederlandse regering excuses moet gaan aanbieden voor het slavernijverleden. Deze opmerking die Bouchallikht deed in de Tweede Kamer schoot in het verkeerde keelgat bij PVV-leider Geert Wilders en de Leidse hoogleraar Afshin Ellian. Zij vinden juist dat Bouchallikht haar excuses moet aanbieden wegens de wandaden die zijn voortgekomen uit de islam.
Volgens de GroenLinks-politica is er nog steeds niet echt sprake van gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk Nederland:
“Op 28 oktober 1954 trad het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking. Dat is een belangrijk constitutioneel document waarin onder andere staat dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelijkwaardig zijn. Bijna 70 jaar later moeten we helaas constateren dat die gelijkwaardigheid vooral bij woorden op papier is gebleven. Deze verhoudingen gaan ook langer terug dan 70 jaar. Als we het hebben over gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk, dan kunnen we niet wegkijken van onze geschiedenis.”
“Dat is een geschiedenis van exploitatie en uitbuiting, het slavernijverleden van Nederland. Ik hoop dat we in 2023, 150 jaar na de afschaffing, een belangrijke stap kunnen zetten en dat de regering eindelijk excuses zal aanbieden voor het slavernijverleden. Ik hoop ook dat die excuses gepaard zullen gaan met handelen, want zoals een Caribisch-Nederlandse parlementariër ook zei: het gaat niet alleen om woorden, maar ook om daden”, aldus Bouchallikht tijdens het begrotingsdebat voor Koninkrijksrelaties.
Maar zowel Wilders als Ellian delen niet de mening van de GroenLinks-politica. Beide heren zijn van mening dat Bouchallikht degene is die excuses moet gaan aanbieden voor dat wat de islam heeft veroorzaakt.
Wanneer gaat u namens profeet Mohammed, Ottomaans rijk, en latere islamitische landen excuses aanbieden voor slavernij. Dat was en is toegestaan volgens de sharia. Uw hoofddoek is symbool van sharia, dus ook van regels omtrent slavernij’, schrijft Ellian.
Wilders houdt er een soortgelijke mening op na: ‘Het is de hoogste tijd dat u excuses aanbiedt voor de eeuwenlange slavernij van de islam, voor het dragen van uw hoofddoek als symbool van de onderdanigheid van de vrouw, voor de islamitische haat naar joden, christenen en afvalligen. Het is de hoogste tijd dat u ontslag neemt.’
De Vlaamse Europarlementariër Assita Kanko voegt hieraan toe dat de islamitische slavernij zelfs veel groter was dan de westerse: ‘De Arabische slavenhandel eiste meer slachtoffers dan de Europese maar daarover zwijgt links. Ook over de hedendaagse slavernij, nl de onderdrukking van vrouwen en mensenhandel. Los huidige problemen op. Ik maak me meer zorgen over belastingen,bv. Wie is er geholpen met excuses?’
EINDE STUK
[26]
PROTOTYPICAL FASCISM IN CONTEMPORARY DUTCH POLITICSTHESISHENK BOVEKERK Prototypical Fascism in Contemporary Dutch Politics Henk Bovekerk (s475630) Tilburg University the Netherlands BA Liberal Arts & Sciences (Humanities major) Under the supervision of dr. A.C.J. de Ruiter Read by prof. dr. J.M.E. Blommaert Fall Semester 2011 http://www.henkbovekerk.nl/wp-content/uploads/2020/01/BA-Thesis-Henk-Bovekerk.pdf
UNIVERSSTUDENT KRIJGT 10 VOOR THESIS OVER ”FASCISTISCHE” PVV
Henk Bovekerk, UvT-student (Liberal Arts & Sciences) werd voor zijn thesis ‘Prototypical Fascism in Contemporary Dutch Politics: An Analysis‘, beloond met het hoogst haalbare: een tien.
Naar aanleiding van het boekje De Eeuwige Terugkeer van het Fascisme van Rob Riemen (2010) maakte Bovekerk een analyse van de PVV van Geert Wilders. Rob Riemen stelt dat Geert Wilders en zijn beweging het prototype zijn van hedendaags fascisme. Wat is eigenlijk fascisme? Is er inderdaad een terugkeer van het fascisme? En zijn Geert Wilders en zijn beweging het prototype van hedendaags fascisme? Op basis van het werk van historicus Robert O. Paxton over hoe het fascisme werkt, en na bestudering van de werken van onder andere Geert Wilders en Martin Bosma, concludeert Bovekerk dat we in Nederland inderdaad te maken hebben met een fascistische partij in een gevorderd stadium: de PVV.
Overigens is de scriptie van Bovekerk nog niet gepubliceerd in de Theses-database van de UvT. Volgens de universiteit zal dat nog een week duren. Update: Bovekerk publiceerde de scriptie inmiddels wel op zijn eigen site. Lees de scriptie hier.
Bovekerk werd bij het schrijven van de scriptie begeleid door arabist Jan Jaap de Ruiter. Tweede lezer is Jan Blommaert. Beiden staan bekend als tegenstander van de PVV. Op internet ontstond daarom direct na bekendmaking van het nieuws een discussie over de onafhankelijkheid van de begeleiders en het linkse imago van de universiteit.
Is het niet opvallend dat een student, die de PVV fascistisch noemt, zo’n hoog cijfer krijgt van een academicus die bekend staat als PVV-criticus? Op Twitter laat de arabist weten de thesis academisch briljant te vinden: “De thesis van Bovekerk is door mij, als begeleider en prof Jan Blommaert als tweede lezer met een 10 beoordeeld op grond van de kwaliteit. De PVV aanhangers moeten niet zo bang zijn voor een beetje kritiek en een scherpe academische analyse.”
Tegen Univers zegt de arabist: “Het cijfer voor deze thesis heeft enkel te maken met de academische kwaliteit ervan; daar waren zowel ik als de tweede lezer het over eens.”
Via Twitter laat Geert Wilders weten: “Op de KU in T zijn ze allemaal Stapel.” De wetenschappers van de UvT reageren daar vervolgens weer op via Twitter. “Tilburg University nodigt de heer Wilders van harte uit voor een inhoudelijk debat op onze schone campus .”
AMSTERDAM (ANP) – De PVV van Geert Wilders kan als extreemrechts worden bestempeld. Onderzoekers van de Anne Frank Stichting en de Universiteit Leiden stellen dat in de woensdag verschenen achtste Monitor Racisme en Extremisme.
Wilders reageerde direct woedend. ,,Ze zijn helemaal van de pot gerukt. Het is een belediging van de PVV en onze kiezers”, stelde de PVV-leider.
Volgens de onderzoekers is het probleem van ‘islamofobie’ in Nederland het afgelopen jaar aanzienlijk groter geworden. Ze spreken van een ‘negatief opinieklimaat’ over moslims en signaleren meer geweld tegen deze gemeenschap.
ANNE FRANKSTICHTINGMONITOR RACISME & EXTREMISMEACHTSTE REPORTAGE2008ONDER REDACTIE VAN JAAP VAN DONSELAAR EN PETER R.RODRIGUES ”HET EXTREEM-RECHTSE EN DISCRIMINATOIRE GEHALTE VAN DE PVV”BLADZIJDEN 167-199
HET EXTREEM-RECHTSE EN DISCRIMINATOIRE GEHALTE VAN DE PVV BLADZIJDE 170 In hoeverre is de pvv in verband te brengen met rechtsextremisme? En in hoeverre hebben uitingen van de pvv een discriminatoir karakter? Deze vragen worden niet zelden opgeworpen2 en zijn onlosmakelijk verbonden met de positie van de pvv in de Nederlandse samenleving. Ondanks het feit dat de pvv niet direct uit een extreemrechtse traditie is ontstaan, vormen deze vragen voor ons een goede reden om de pvv onder de loep te nemen.3 Onze aanpak is gebaseerd op die van twee al langer bestaande, longitudinale deelprojecten van de monitor, namelijk (a) onderzoek naar extreemrechtse formaties, dat overwegend sociaal-wetenschappelijk is en (b) onderzoek naar opsporing en vervolging van discriminatie, dat primair juridisch is. Ons onderzoek naar de pvv is dus multidisciplinair en bestaat uit twee delen. In het eerste staat de vraag centraal in hoeverre de pvv te beschouwen is als een extreemrechtse formatie. Het tweede deel gaat over de relatie tussen pvv en discriminatieverboden. 8.2 De pvv als extreemrechtse formatie De vijfde monitorrapportage (2002) bevat een deelonderzoek, getiteld Het extreem-rechtse en racistische gehalte van de lpf/Leefbaar-stroming. 4 Getracht werd genoemd ‘gehalte’ te bepalen aan de hand van drie indicatoren, ideologie, sociale genealogie en magneetfunctie. Ons onderzoek naar het extreemrechtse gehalte van de pvv heeft grotendeels langs dezelfde lijnen plaatsgevonden. Allereerst aan de hand van de vraag in hoeverre gesproken kan worden van een extreemrechtse ideologie. De tweede indicator, sociale genealogie, berust op de bevinding dat extreemrechtse
BLADZIJDE 171 groepen niet zomaar ontstaan, maar meestal uit andere extreemrechtse formaties voortkomen.5 Onder de oprichters van extreemrechtse organisaties bevinden zich heel vaak personen die voordien bij andere verwante, extreemrechtse organisaties aangesloten zijn geweest. Deze personele continuïteit geldt niet alleen voor de oprichters, maar evenzeer voor een aantal personen die zich gaandeweg bij een organisatie aansluiten. De derde indicator is de magneetfunctie: de aantrekkingskracht die de partij uitoefent op ‘radicalen’, personen die blijk hebben gegeven van uitgesproken extreemrechtse sympathieën. De indicatoren ideologie en magneetfunctie komen in de volgende paragrafen aan de orde. Over sociale genealogie kan hier worden volstaan met enkele opmerkingen. Noch onder de oprichters van de pvv noch onder de huidige Tweede Kamerfractie bevinden zich personen met een extreemrechtse ‘carrière’, althans voor zover wij hebben kunnen nagaan. De tweede vraag – het gaandeweg bij de organisatie aansluiten van ‘bekende’ rechtsextremisten – kan niet beantwoord worden, omdat de pvv tot dusverre geen leden heeft toegelaten. Omdat de pvv als formele organisatie vrijwel geen bemensing heeft, is van bovengenoemde sociale genealogie dus ook geen sprake. 8.2.1 Extreemrechtse ideologie in vogelvlucht De ideologie van extreemrechts in Nederland is oppervlakkig beschouwd in enkele zinnen te vangen. Men is in positieve zin georiënteerd op ‘het eigene’, heeft een afkeer van ‘het vreemde’, van politieke tegenstanders, van de gevestigde politiek in het algemeen, en men heeft een hang naar het autoritaire. Echter, binnen extreemrechtse groeperingen bestaan aanzienlijke verschillen van mening en scherpe tegenstellingen. Zo kan afkeer van het ‘vreemde’ gericht zijn tegen niet-westerse allochtonen in het algemeen, terwijl het in andere gevallen een primair antisemitische lading heeft. Dit geldt mutatis mutandis voor de oriëntatie op ‘het eigene’: dit kan betrekking hebben op het staatkundige Nederland, op een ‘Heelnederland’ (met Vlaanderen) of ook op de idee van verenigde ‘Germaanse’ volken in Europa, zoals Hitler voor ogen stond. Daarnaast kan het ideologische gehalte van diverse organisaties en van individuele rechtsextremisten nogal verschillen, variërend van een sterk ontwikkelde ideologische oriëntatie tot een die veeleer gebaseerd lijkt op enkele BLADZIJDE 172
racistische oneliners. Voorts kunnen zowel individuen als ook groepen verschillen qua radicalisme. De ideologische bewegingsruimte is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door wettelijke bepalingen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het verbieden van organisaties voor extreemrechts een reële dreiging geweest, terwijl sedert de jaren zeventig daarnaast strafrechtelijke discriminatieverboden van betekenis werden. Trends van radicalisering dan wel matiging bij extreemrechts komen zowel opeenvolgend als gelijktijdig voor, waarbij matiging niet zelden het gevolg is van (dreigend) repressief overheidsoptreden. In extreemrechtse kringen bestaat van oudsher veel onderling verschil van mening. Vaak monden deze uit in onderlinge geschillen en conflicten, soms zozeer dat men in de eerste plaats elkaar lijkt te bestrijden. Deze conflicten kunnen uiteenlopende achtergronden hebben, waaronder niet in de laatste plaats ideologische. Voor een beter begrip van de extreemrechtse ideologische kaart in Nederland kan gebruik gemaakt worden van onderscheid dat in de wetenschappelijke literatuur wordt gemaakt tussen enkele basisstromingen in de (West-Europese) extreemrechtse ideeënwereld; met name bruikbaar is Bjørgo’s onderscheid tussen en analyse van de zogeheten ‘nationaaldemocraten’ en de ‘raciale revolutionairen’.6 Bjørgo’s onderscheid tussen ‘nationaaldemocraten’ en de ‘raciale revolutionairen’ valt grotendeels samen met dat tussen ‘anti-immigratie activisten’ en ‘neonazi’s’. De overeenkomsten tussen beide extreemrechtse denkrichtingen zijn hierboven al genoemd: positieve oriëntatie op het ‘eigene’, afkeer van het ‘vreemde’, afkeer van politieke tegenstanders en van de gevestigde politieke orde, een autoritaire houding. Ook de politieke stijl vertoont overeenkomsten: rigoureus, autoritair, afwijzen van bestaande politieke codes en gedragsregels. Maar er zijn ook dimensies waarop geen – zelfs geen oppervlakkige – overeenkomst valt waar te nemen, zoals de houding ten aanzien van de Tweede Wereldoorlog en het Duitse nationaal-socialisme ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. De ‘raciale revolutionairen’, ofwel neonazi’s omarmen het nationaal-socialisme en identificeren zich met nazi-Duitsland. De ‘nationaaldemocraten’ daarentegen distantiëren zich van nazi-Duitsland en zijn geneigd zich juist te identificeren met het verzet tegen de nazibezetting; zij zien BLADZIJDE 173 zich als erfgenamen van verzet tegen vreemde overheersing. Een andere dimensie waarop een belangrijk verschil valt waar te nemen, is de houding ten opzichte van de parlementaire democratie. Terwijl de ‘nationaaldemocraten’ binnen de parlementaire democratie opereren en deze willen corrigeren in de door hen gewenste richting, nemen de ‘raciale revolutionairen’ het standpunt in dat de parlementaire democratie moet worden afgeschaft. In neonazi-jargon: ‘het systeem heeft geen fouten, maar het systeem is de fout’. Een derde dimensie waarop een in het oog springend verschil valt te benoemen betreft opvattingen over het gebruik van geweld om het uiteindelijke politieke doel te bereiken. Terwijl ‘raciale revolutionairen’ het gebruik van geweld gerechtvaardigd achten, wijzen ‘nationaaldemocraten’ dit middel af. Dit laatste althans in beginsel, want soms worden ook door ‘nationaaldemocraten’ bepaalde vormen van geweld als zelfverdediging beschouwd en derhalve gezien als een noodzakelijk kwaad. Hoewel de positieve oriëntatie op het ‘eigene’ en de afkeer van het ‘vreemde’ karakteristiek zijn voor beide extreemrechtse stromingen, worden verschillende definities, afgrenzingen en accenten gelegd. Zo zijn er verschillen wie tot het ‘vreemde’ en wie tot het ‘eigene’ worden gerekend. Bij de ‘raciaal revolutionairen’ is ‘ras’ van doorslaggevend belang, maar zijn er wel twee verschillende benaderingen te onderscheiden. In de eerste draait het bij ‘ras’ primair om joden en vervolgens volkeren die niet tot het ‘arische ras’ behoren (niet-westerse allochtonen). Joden zijn de ultieme vijand, trachten de wereld te overheersen en het arische ras te vernietigen, zo redeneert men. Maar even ‘volksvreemd’ zijn niet-westerse allochtonen en daarbij vormt huidskleur in de praktijk een belangrijk criterium. Bij deze benadering behoort de bevolking van omringende landen (Duitsers, Engelsen, Fransen) niet tot het vreemde. Het ‘eigene’, dat zijn ‘de Germaanse volkeren van Europa’. Bij de tweede, meer op Nederland gerichte benadering ligt het iets anders, omdat ‘ras’ primair betrekking heeft op Nederlanders en Vlamingen (die in feite als Nederlanders worden beschouwd). In deze Heelnederlandse benadering wordt vaak ook uitgegaan van een ‘stamverwantschap’ met blanke Zuid-Afrikanen. Gezien de geschiedenis van Zuid-Afrika worden vanuit deze zienswijze Engelsen als vreemden en zelfs als vreemde overheersers gezien. Ook Fransen worden als vreemd beschouwd en BLADZIJDE 174 gezien ‘hun’ onderdrukking van de Zuidelijke Nederlanden als vreemde overheersers. Maar niet-westerse allochtonen worden nóg meer als ‘vreemd’ beschouwd dan de blanke buurlanden en niet zelden gaat deze Heelnederlandse benadering gepaard met antisemitisme. Bij de ‘nationaaldemocraten’ zijn niet-westerse allochtonen het ‘vreemde’ en is het ‘eigene’ in veel mindere mate of zelfs in het geheel niet op ‘ras’ gebaseerd. Het gaat veeleer om de eigen natie, het eigen volk, het vaderland of eenvoudigweg ‘Nederland’. Men is gekant tegen de aanwezigheid van ‘niet-blanken’, vandaag de dag primair tegen moslims, die, zo redeneert men, het land overspoelen en zich steeds meer gaan gedragen als vreemde overheersers. Bij de ‘nationaaldemocraten’ staat antisemitisme niet op de voorgrond en soms is het zelfs vrijwel of geheel afwezig. Het onderscheid tussen ‘nationaaldemocraten’ en ‘raciale revolutionairen’ is een schematisch onderscheid. De sociale werkelijkheid is gecompliceerder. Er zijn allerlei gradaties, grijstinten en accenten.7 Een belangrijke interveniërende variabele is wat door Van Donselaar het aanpassingsdilemma is genoemd.8 In het kort: krachtige taboeïsering van ‘fout’ in de Tweede Wereldoorlog, nationaal-socialisme, betrokkenheid bij (politiek) geweld en vervolgens de (wettelijke) sancties die aan deze taboeïsering zijn verbonden, leiden op de voorgrond tot een verhulling of maskering. Achter de schermen daarentegen laat men zich in mindere mate leiden door de taboes. Anders gezegd: door het aanpassingsdilemma ontstaan verschillen tussen frontstage en backstage performances. 9 De afstand tussen voorgrond- en achtergrondkenmerken wordt vooral beïnvloed door de mate van overheidsrepressie waaraan een groepering blootstaat. Hoe groter de repressie – kans op vervolging, risico van verbod – des te groter de afstand tussen voor- en achtergrondkenmerken. Om zich een goed beeld te kunnen vormen van de ideologie van een bepaalde groepering dient men rekening te houden met de mogelijkheid dat bepaalde elementen op het eerste gezicht minder goed waarneembaar zijn. 8.2.2 Het ‘eigene’ en het ‘vreemde’ in de ideologie van de pvv Hameren op het ‘gevaar van islamisering’ is een hoeksteen van de ideologie van Wilders en van de pvv, nadat die begin 2006 was opgericht.10 In BLADZIJDE 175 de begintijd, voorjaar 2006, bracht de pvv ook andere punten naar voren: belastingverlaging, halvering aantal ambtenaren, hardere aanpak van immigratie en integratie, strengere straffen, invoering van bindende referenda, een nauwere band tussen kiezers en Kamerleden, directe verkiezing van burgemeesters, de minister-president én politiechefs en rechters. Verder stelde de pvv voor om in artikel 1 van de Grondwet vast te leggen dat de joods-christelijke en humanistische cultuur in Nederland dominant moeten zijn. Op weg naar de Kamerverkiezingen van november 2006 werd het thema ‘gevaar van islamisering’ verder uitgebreid: de komende vijf jaar zouden geen immigranten uit Marokko en Turkije mogen worden toegelaten, en zouden er geen nieuwe moskeeën en islamitische scholen bij mogen komen. Maar de meeste aandacht werd getrokken door Wilders’ inmiddels welbekende tsunami-metafoor.11 ‘Nederland staat aan de vooravond van een “tsunami van islamisering”. Moslims zullen de Nederlandse samenleving overspoelen en zorgen voor criminaliteit en overlast, ook op het platteland. Hun intolerante en gewelddadige cultuur zal de Nederlandse samenleving raken “in het hart, in onze identiteit”.’ Nadat in 2007 een nieuw kabinet (Balkenende iv) was aangetreden, bekritiseerde Wilders het feit dat twee staatssecretarissen (Albayrak en Aboutaleb) een dubbele nationaliteit hadden. De pvv diende een motie van wantrouwen in die weliswaar amper politieke steun kreeg, maar die wel leidde tot wekenlange discussies over dubbele nationaliteit. En tot een compliment van Vlaams Belang-voorman Dewinter, die opperde dat Wilders’ verzet tegen de dubbele nationaliteit navolging in België verdiende. In augustus 2007 werd het politieke programma van de pvv uitgebreid met een pleidooi voor verbod van de Koran. In een opiniestuk van Wilders in de Volkskrant viel onder andere het volgende te lezen.12 BLADZIJDE 176
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 175 ‘Verbied dat ellendige boek zoals ook Mein Kampf verboden is! Geef zo een signaal (…) dat de Koran in ons land nooit en te nimmer als inspiratie of excuus voor geweld mag worden gebruikt.(…) Ik heb genoeg van de islam in Nederland: geen moslimimmigrant er meer bij. Ik heb genoeg van de aanbidding van Allah en Mohammed in Nederland: geen moskee er meer bij. Ik heb genoeg van de Koran in Nederland: verbied dat fascistische boek.’ Aan de bestrijding van de islam werd eind 2007 een krachtig vervolg gegeven door het bekend worden van het voornemen van Wilders om een film te maken over de Koran, of beter: tegen de Koran. Het gerucht ging dat er beelden zouden worden vertoond van een brandende Koran. Toen Fitna eind maart 2008 werd uitgezonden bleek de inhoud in ideologisch opzicht niet veel nieuws te bevatten. Geen brandende Koran, wel opnieuw een krachtige waarschuwing tegen islamisering, dit keer voor een veel omvangrijker gehoor dan in voorgaande jaren. Een door Wilders frequent gebruikte slagzin luidt: ‘Stop de islamisering van Nederland’. Het ‘vreemde’ waar de pvv zich tegen afzet is primair, maar niet uitsluitend ‘islamisering’. In partij-jargon wordt tevens veelvuldig gerept van ‘niet-westerse allochtonen’. In oktober 2007 verscheen het pvv-immigratieplan: achttien maatregelen om de stroom echt in te dammen.13 Wilders lichtte bij de presentatie het plan als volgt toe.14 ‘De vreemdelingen blijven toestromen. De grootste groep wordt gevormd door gezinsvorming en gezinshereniging. Tot en met september van dit jaar zijn dat er al 17.297. Over heel 2006 worden dat er dan 23.000. Stel je eens voor wat dat betekent over tien jaar gezien. Daar komen asielzoekers en andere toestroom nog bij. Plus de illegalen, die letterlijk ontelbaar zijn. Ons opendeurbeleid zorgt ervoor dat we steeds een nieuwe “eerste generatie allochtonen” binnen krijgen – met alle problemen van dien.’ Enkele weken later in een interview met De Pers borduurde Wilders hierop verder.15 BLADZIJDE 177 1 7 6 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r ‘Autochtonen planten zich minder snel voort dan allochtonen. Nu zitten allochtonen, overwegend moslims, voornamelijk in de grote steden. Over twintig jaar zitten ze overal, van Apeldoorn tot Emmen en van Weert tot Middelburg.’ Wilders stelde voorts in april 2008 dat hij strijd voert ‘tegen de islamisering van Nederland en de massa-immigratie’.16 ‘Ik sta hierin niet alleen. Inmiddels blijkt dat zes op de tien Nederlanders de islam als bedreiging ziet en vindt dat de massa-immigratie de grootste fout uit onze geschiedenis is. Dat geeft hoop voor de toekomst.’ Dat de pvv gaandeweg radicaler is geworden kwam ook duidelijk naar voren tijdens de algemene beschouwingen in september 2008. Wilders kwalificeerde ‘Marokkanen, die hier de boel verzieken’ als ‘moslimkolonisten. Want ze zijn niet gekomen om te integreren, maar om de boel hier over te nemen, om ons te onderwerpen.’ De metafoor van moslims als kolonisten, vreemde overheersers is al jarenlang in zwang in extreemrechtse kringen, zoals het webforum Stormfront.org. ‘Islamisering’, ‘massa-immigratie’ en ‘niet-westerse allochtonen’ vormen de voornaamste bestanddelen van de door de pvv gepercipieerde dreigende beïnvloeding door en overheersing van het ‘vreemde’. Bij vrijwel alle extreemrechtse politieke partijen en bewegingen die Überfremdung hoog op hun politieke agenda hebben staan, valt ook enigerlei vorm van antisemitisme waar te nemen. Immers, in bepaalde extreemrechtse denkrichtingen worden joden gerekend tot ‘het vreemde’ waartegen men zich dient te verzetten (of radicaler: waarvan men zich dient te ontdoen). Soms is antisemitisme bij extreemrechts prominent en duidelijk aanwezig, maar veel vaker is antisemitisme gehuld in vage contouren en slechts op de achtergrond of binnenskamers waarneembaar. Dit laatste – antisemitisme op de achtergrond – hangt veelal samen met het controversiële karakter van antisemitisme sinds de Tweede Wereldoorlog, waardoor een partij met een openlijk antisemitisch profiel sterke weerstanden kan oproepen en repressieve reacties van overheidszijde kan uitlokken. BLADZIJDE 178
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 17 7 Bij de pvv valt van antisemitisme geen spoor te bekennen. Integendeel, er is sprake van een sterke affiniteit met Israël en het jodendom. ‘Joods’ wordt geenszins gekwalificeerd als het ‘vreemde’, maar juist als een bestanddeel van het ‘eigene’. Dit wordt onder andere tot uitdrukking gebracht in het pvv-pleidooi om in artikel 1 van de Grondwet de dominantie te verankeren van de ‘joods-christelijke en humanistische cultuur in Nederland’. De affiniteit van de pvv met Israël en jodendom valt samen met die van Wilders zelf, of is er wellicht een voortvloeisel van. In zijn jeugd heeft Wilders een paar jaar in Israël gewoond, komt er nog geregeld en beschikt er over een aanzienlijk netwerk van vrienden en bekenden. Van het ‘speciale gevoel van verbondenheid’ wordt door Wilders geen geheim gemaakt en dit is bij herhaling via de nieuwsmedia bevestigd. Met zowel de expliciete affiniteit met Israël als ook met de daarin besloten distantie van antisemitisme wijkt de pvv af van de meeste politieke partijen die zich keren tegen massale immigratie, niet-westerse allochtonen en ‘islamisering’, zoals het Front National in Frankrijk, Vlaams Belang in België en de Oostenrijkse fpö. Wat beslist wel tot het ‘vreemde’ wordt gerekend zijn Aruba en de Nederlandse Antillen. In maart 2005 – dus voordat de pvv werd opgericht – presenteerde Wilders zijn zogeheten Onafhankelijkheidsverklaring. 18 Daarin valt het volgende te lezen. ‘Gelet op het gevaar en de instroom van (drugs)criminaliteit, en gezien de grote corruptie en het bestuurlijk onvermogen van de Antillen, zal de regering met kracht moeten bevorderen dat de Antillen geen onderdeel meer zullen uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden.’ Afstoting van de Antillen wordt later door de pvv bij herhaling bepleit, waarbij krachttermen niet werden geschuwd. Wilders in de Tweede Kamer, mei 2008.19 ‘Voorzitter, de pvv is het zat, net als de burgers van Nederland. Het grotendeels corrupte boevennest dat al decennialang teert op de zakken van hardwerkende Nederlanders omdat zij inmiddels geheel failliet zijn, krijgt over een totaal van vier jaar 2,2 miljard keiharde euro’s uitgekeerd. In 2007 werd er al 410 miljoen euro voor de schuldsanering van de Antil BLADZIJDE 179
1 7 8 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r len gereserveerd. Sinterklaas weet de schurkeneilanden dus nog steeds te vinden. De pvv is helder: investeer dat geld in Nederland, bijvoorbeeld in de zorg om te voorkomen dat we hier in Nederland derde-wereldpraktijken krijgen.’ Zoals gezegd is ‘het eigene’ in het perspectief van de pvv de ‘joods-christelijke en humanistische cultuur in Nederland’. Ook ‘de Nederlandse identiteit’ en ‘onze westerse waarden’ zijn vaak genoemde elementen. Recent heeft de pvv zich uitgesproken voor eenwording van Nederland en Vlaanderen.20 Dit standpunt is gebaseerd op enerzijds de politieke crisis in België en de mogelijkheid dat België daardoor uiteindelijk zou kunnen scheuren; anderzijds op vermeende verbondenheid van Nederland en Vlaanderen. Er is, zo wordt betoogd, een gezamenlijke geschiedenis en een sterke lotsverbondenheid; de ‘afscheiding van het gedrocht België was een historische blunder’ en de grens tussen Nederland en België is ‘een kunstmatige’. Bovendien zou eenwording aantrekkelijk zijn, omdat de ‘herenigde Zeventien Provinciën’ een ‘economische en politieke grootmacht’ zou zijn, ‘een serieuze speler op het wereldtoneel’. Het pvv-betoog is in meer dan één opzicht opmerkelijk. Allereerst wordt duidelijk dat het nationalisme van de pvv niet samenvalt met de huidige staatkundige eenheid van Nederland. Laatstgenoemde wordt ter discussie gesteld ten faveure van een ‘Heelnederlands’ streven: een nieuwe ordening op basis van gezamenlijke taal, cultuur en geschiedenis. Voorts is er ook sprake van een ‘Grootnederlands’ streven (‘grootmacht’, ‘serieuze speler op wereldtoneel’). De Heelnederlandse en Grootnederlandse gedachte waren sterk verankerd in extreemrechtse bewegingen tijdens het interbellum, zoals de nsb en Zwart Front. Met het einde van de Tweede Wereldoorlog en de ondergang van deze bewegingen werd de eenwording van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden als politiek streven in Nederland sterk gemarginaliseerd. Sedert 1945 is het blijven voortleven in Nederlandse extreemrechtse kringen.21 In Nederland behoort de hereniging van Nederland en Vlaanderen al zo’n zeventig jaar grotendeels tot het extreemrechtse politieke domein, daarover zal niet veel discussie mogelijk zijn.22 Wel over de vraag of dit streven daardoor of exclusief als rechtsextremistisch kan worden bestempeld. In België is het streven naar onafhankelijkheid van Vlaanderen overigens in BLADZIJDE 180
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 179 mindere mate het domein van extreemrechts, al behoren groeperingen als Vlaams Belang wel tot de meest gedreven politieke voorvechters. In reactie op het opiniestuk van Wilders en Bosma liet Vlaams Belang een persbericht uitgaan met als kop ‘Vlaams Belang verwelkomt uitgestoken hand Wilders’.23 Met haar standpunten over het ‘eigene’ en het ‘vreemde’ schaart de pvv zich in wat door Mudde is aangeduid als de extreemrechtse partijfamilie. 24 Het gaat om een reeks partijen die, ondanks individuele verschillen, een overeenkomstige ideologie hebben waarin een nationalistische oriëntatie, xenofobie (afkeer van het vreemde) en law and order-denken een belangrijke plaats innemen. Maar ook al zouden er familiebanden zijn, van familiecontacten wil de pvv niets weten. Ondanks de ‘uitgestoken hand’ wordt krachtig afstand gehouden van het Vlaams Belang en eenzelfde distantie wordt betracht jegens het Franse Front National van Le Pen en jegens andere als extreemrechts bekend staande groeperingen. De vraag rijst of er verschillen bestaan tussen de ideologie van pvv frontstage en backstage, een onderscheid dat eerder in dit hoofdstuk is aangestipt. Over het interne reilen en zeilen van de pvv is echter zeer weinig bekend. De pvv is een kleine, gesloten formatie, die voor zover wij weten onderzoeksjournalisten en wetenschappelijk onderzoekers buiten de deur heeft weten te houden. Ook zijn er tot nu toe geen ‘dissidenten’ geweest die na een breuk met de partij een boekje hebben opengedaan. Op de vraag of er bij tijd en wijle binnenskamers extremere uitingen zijn gedaan dan in het openbaar moeten wij het antwoord schuldig blijven. 8.2.3 Magneetfunctie Bij de bepaling van het extreemrechtse gehalte van de pvv is naast ideologie de magneetfunctie van belang: de aantrekkingskracht die de partij uitoefent op ‘radicalen’, personen die blijk hebben gegeven van uitgesproken extreemrechtse sympathieën. Zo waren er uitgesproken sympathiebetuigingen vanuit kringen van oud-ss’ers en -nsb’ers voor de rechtsradicale Boerenpartij in de jaren zestig en de Nederlandse VolksUnie in de jaren zeventig.25 Op soortgelijke wijze mocht de Centrumpartij van Janmaat zich verheugen in sympathie van de zijde van de weduwe van nsb-leider Rost van Tonningen en haar nazistische ‘Consortium de BLADZIJDE 181 18 0 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r Levensboom’.26 Een recenter voorbeeld: de gelukwensen van het Vlaams Blok voor Fortuyn na het behaalde resultaat bij de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002.27 De magneetfunctie heeft verschillende kanten: (a) het zich aangetrokken voelen tot een formatie, ofwel positieve identificatie; (b) als gevolg daarvan personele overlapping met extreemrechtse formaties. Met het laatste bedoelen wij dat bijvoorbeeld persoon X, die eerder een politieke loopbaan had bij de Centrumdemocraten, de Nederlandse Volks-Unie of een andere extreemrechtse formatie, opduikt bij de pvv. Positieve identificatie kan leiden tot een personele overlapping, maar dat hoeft niet per se het geval te zijn, zoals bovengenoemde voorbeeld van het Vlaams Blok laat zien. En om maar bij dit voorbeeld te blijven: uitingen van positieve identificatie van het Vlaams Belang (opvolger van het verboden Vlaams Blok) met de pvv zijn er bij herhaling geweest: bij de door Wilders aangezwengelde discussie over dubbele nationaliteiten en bij diens pleidooi voor hereniging van Nederland en Vlaanderen.28 Om in het gehele land aan parlementsverkiezingen te kunnen deelnemen dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Een daarvan is het verzamelen van minimaal dertig ondersteuningsverklaringen bij kandidatenlijsten in elk van de negentien kieskringen.29 Een ondertekenaar moet in de desbetreffende kieskring wonen en kiesgerechtigd zijn. Bij de door de pvv verzamelde steunverklaringen voor verkiezingsdeelname in 2006 bleken er enkele tientallen te zijn die afkomstig waren van personen met een (bekende) extreemrechtse achtergrond30; ook werd bekend dat er door een medewerker van de pvv getracht was ondertekenaars te werven via een extreemrechts en uitgesproken antisemitisch webforum.31 Volgens een pvv-medewerker is getracht om bekende rechtsextremisten te weren.32 Het aantal ondertekenaars met een bekend extreemrechts profiel had dus hoger kunnen uitvallen. Op extreemrechtse webfora zijn uitingen van positieve identificatie geen zeldzaamheid, maar dat geldt ook voor het tegenovergestelde, namelijk BLADZIJDE 182
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 181 afkeer van de pvv. Zo is op Stormfront.org een ‘discussiedraadje’ Ben jij voor of tegen Wilders? met de mogelijkheid tot stemmen. Terwijl het aantal voor- en tegenstemmers ongeveer gelijk is, zijn in de ‘draad’ de tegengeluiden dominant.33 Een uitgesproken afkeer valt vaak te bespeuren bij neonazi’s die de sympathieën van Wilders voor Israël en jodendom onverteerbaar vinden. Maar anderen loven de pvv, of zijn vooral gecharmeerd van de maatschappelijke onrust die de pvv zou kweken en die een voedingsbodem zou kunnen vormen voor een nationaal-socialistische beweging. Op het webforum van Holland Hardcore zijn de geluiden eveneens gemengd, maar daarbij springt positieve identificatie meer in het oog, onder andere door de pro-Wilders-opstelling van enkele moderatoren.34 Ook het forum van de Vereniging van Nederlandse Nationalisten (vnn) zijn uiteenlopende opvattingen waar te nemen, zowel pro als contra. Al dan niet positieve identificatie valt voor een belangrijk deel samen met het ideologische profiel van de pvv, namelijk een ‘nationaaldemocratische’ oriëntatie en zeker geen ‘raciaal revolutionaire’. Bij formaties die tot de laatstgenoemde categorie behoren, zoals de Nederlandse Volks-Unie en Nationaal-Socialistische Aktie (nsa), valt geen enkel spoor van positieve identificatie te bespeuren, integendeel, zij keren zich uitgesproken fel tegen de pvv en met name tegen Wilders persoonlijk.35 Op de avond dat de film Fitna voor het eerst uitgezonden werd, hield een tiental aanhangers van nsa een spontane anti-Wilders-demonstratie in Den Haag (‘Wilders is een vieze zionist’). Dan het tweede element van de magneetfunctie personele overlapping. Hierboven is reeds gewezen op de aanwezigheid van (bekende) rechtsextremisten bij de ‘ondersteuners’ van verkiezingsdeelname. ‘Bedrijfsongevalletje’ of niet, het is een indicatie van belangstelling vanuit extreemrechtse kringen voor de pvv en deze wordt bevestigd door andere uitingen van positieve identificatie, zoals hierboven weergegeven. Maar de vraag in hoeverre zich onder de leden van de pvv personen met een extreemrechtse achtergrond bevinden kan niet worden beantwoord. De partij is weliswaar een vereniging, maar tot dusverre worden er geen leden toegelaten. Wilders heeft nagenoeg volledige controle over de pvv. BLADZIJDE 183 18 2 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r Over de precieze achtergrond hiervan heeft Wilders zich altijd op de vlakte gehouden,36 zodat we het moeten doen met enkele beredeneerde veronderstellingen: vrees voor ‘lpf-toestanden’, voor concurrenten die de partij willen overnemen en na de handtekeningenaffaire wellicht ook voor rechtsextremisten die de partij in opspraak brengen. Hierdoor blijft – net als bij ideologie – een mogelijk contrast tussen een frontstage-profiel van de pvv en een radicaler ‘personeel’ backstage-profiel buiten ons blikveld. Een niet onbelangrijk gevolg van de huidige organisatiestructuur van de pvv is dat de partij er geen interne democratie op nahoudt en de leiding dus neerkomt op een eigentijdse vorm van autoritair leidersbeginsel. De huidige partijorganisatie van de pvv is strikt genomen niet in strijd met de wet, maar scheert wel langs de grens. Met de verenigingsvorm als vereiste bij verkiezingsdeelname door een politieke partij heeft de wetgever wel een democratische grondslag voor ogen gehad. In nrc Handelsblad kwamen de hoogleraren Elzinga (staatsrecht) en Andeweg (politicologie) hierover aan het woord.37 Elzinga: ‘De kwalificaties autoritair en nietdemocratisch kun je van toepassing verklaren, maar juridisch gezien is er geen probleem. Een vereniging moet twee oprichters hebben en minimaal één lid. Daar voldoet hij aan.’ Andeweg ziet ‘een autocratisch geleide partij onder het mom van een vereniging’. Wilders moet zich volgens Andeweg in bochten wringen om aan de verenigingseis te voldoen. 8.3 De pvv en discriminatieverboden In dit deel wordt allereerst nagegaan in hoeverre de uitlatingen gedaan door Wilders namens de pvv in strijd zijn met het verbod van discriminerende belediging (art. 137c Sr) en het verbod van het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (art. 137d Sr). Het Openbaar Ministerie (om) heeft in juni 2008 besloten op een aantal aangiften tegen deze uitlatingen niet tot vervolging over te gaan (seponeren). Bezien wordt hoe de rechtspraak op grond van art. 137c en 137d Sr zich verhoudt tot het besluit van niet-vervolgen (sepot) dat door het om is genomen.38 BLADZIJDE 184
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 183 8.3.1 Vervolgbaar voor discriminatie? Het is van belang aan de hand van uitspraken van de Hoge Raad eerst het toetsingskader van art. 137c en 137d Sr te schetsen.39 Veroordelingen vonden vooral plaats bij vier typen uitingen die soms ook enige overlap kunnen vertonen: 1. discriminatoire scheldpartijen;40 2. het leggen van een causaal verband tussen een etnische minderheid en criminaliteit of profiteurschap;41 3. het stellen dat deze minderheden een gevaar zijn voor het ‘echte’ Nederland; met de term ‘intrinsiek conflictueuze tweedeling’ is deze tweespalt treffend door het Amsterdamse Hof verwoord;42 4. het aan minderheden onthouden van rechten of het bepleiten van hun verwijdering uit de maatschappij.43 De jurisprudentie van art. 137c Sr – verbod van discriminerende belediging – kent drie stappen in de beoordeling van een uiting. Als eerste wordt de vraag gesteld of er wel discriminatie is.44 Er moet sprake zijn van een belediging (krenking van de eer) die verband houdt met de beschermde gronden,45 op een manier die ‘de morele integriteit van de (leden van de) groep’ aantast. De beoordeling van de context waarin de discriminerende uiting is gedaan, is in de praktijk de tweede stap. De context, zoals het ‘maatschappelijk debat’, kan er namelijk voor zorgen dat deze uiting niet meer strafbaar is. Indien de context inderdaad een vrijwaring voor veroordeling biedt, kan er worden overgegaan tot de derde stap. Indien de bewoording onnodig grievend is, vervalt de mogelijke vrijwaring die de context had kunnen bieden. Bij art. 137d Sr – verbod van het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld – is alleen de eerste stap anders. Het gaat bij dit artikel om in het openbaar aanzetten tot haat of discriminatie.46 Haat wordt niet nader gedefinieerd, maar in de literatuur wordt aansluiting gevonden bij ‘vijandschap’ of ‘minachting’. Het lijkt vooral aan de orde wanneer een minderheidsgroep in verband wordt gebracht met een dreiging of criminaliteit. Aanzetten tot discriminatie omvat volgens de jurisprudentie onder andere het onthouden van rechten aan bepaalde bevolkingsgroepen.47 BLADZIJDE 185 18 4 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r Via uitspraken van Wilders wordt de rechtsopvatting bij de Nederlandse strafrechter over discriminatie besproken. Hierbij worden voor de betreffende uitingen van Wilders de bovenstaande stappen zoveel mogelijk aangehouden. 8.3.2 Reële parallellen voor een mogelijke veroordeling Op 30 juni 2008 besloot het om enkele aangiften over uitingen in De Pers en de Volkskrant te seponeren (waarover meer in de volgende paragraaf). Bij deze sepots heeft het om zich gebaseerd op de redenering dat Wilders kritiek uit op de godsdienst zonder daarbij de gelovigen te betrekken. Maar hoe stevig is deze redenering eigenlijk? Waar Wilders stelt: ‘Ik heb genoeg van de islam in Nederland: geen moslimimmigrant er meer bij.’48 blijkt dat zowel de islam als zijn volgelingen bedoeld worden. Alle moslims zijn bij voorbaat verdacht als ‘moslimextremist’ en er dienen maatregelen te worden getroffen,49 omdat er niet zoiets zou bestaan als de gematigde islam.50 Dit extremisme houdt kennelijk ook geweld in: ‘De islam is in mijn ogen een gewelddadige religie en de Koran is een gewelddadig boek.’51 Die gewelddadigheid haalt hij weer aan wanneer gevraagd wordt naar een verband tussen de islam en criminaliteit. ‘Eén op de vijf Marokkaanse jongeren staat als verdachte bij de politie geregistreerd. Hun gedrag vloeit voort uit hun religie en cultuur. Je kunt dat niet los van elkaar zien. De paus had laatst volkomen gelijk: de islam is een gewelddadige religie. […] Het zit in die gemeenschap zelf.’ (cursivering toegevoegd)52 In 2006 vond het Hof Den Bosch in navolging van de Hoge Raad uit 2002,53 dat met politieke uitingen die het geloof (in casu ook de islam) betroffen betrokkene zich daarmee uitlaat over alle mensen die tot die geloofsgemeenschap behoren.54 De vraag naar het beledigende element van het leggen van een verband tussen islam(ieten) en criminaliteit komt in meer recente jurisprudentie niet aan de orde. De Hoge Raad achtte in 2003 nog wel het ongenuanceerde verband tussen allochtonen en criminaliteit strafbaar op grond van art. 137c Sr.55 BLADZIJDE 186
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 185 Er wordt wel beweerd dat politici, gezien hun functie in de democratie, meer ruimte hebben in het maatschappelijke debat dan anderen. Een vergelijkbare uitspraak als de bovengenoemde komt van het Hof Den Haag, alwaar de voorzitter van de extreemrechtse Nieuwe Nationale Partij werd veroordeeld, maar dan voor het aanzetten tot haat (137d) op grond van zowel ras als religie.56 Het is blijkbaar goed mogelijk dat ook in geval van de uitingen van de parlementariër Wilders de context niet hun strafwaardigheid ontneemt. Hier komt, ook in geval van art. 137c, bij dat passages noodzakelijk dienen te zijn voor het (kunnen) voeren van het door verdachte bedoelde debat volgens het Hof Amsterdam.57 Als kern van het probleem wijst Wilders ‘de fascistische islam, de zieke ideologie van Allah en Mohammed zoals neergelegd in de islamitische Mein Kampf: de Koran’ aan.58 De maatstaf die het Amsterdamse Hof aanlegt, houdt de mogelijkheid open deze uiting onnodig grievend te achten, waardoor ze alsnog strafbaar zou zijn. Behalve voor de band tussen moslims en criminaliteit waarschuwt Wilders ook voor ‘die tsunami van een ons wezensvreemde cultuur die hier steeds dominanter wordt. Daar moet een halt aan worden toegeroepen’.59 Uit het verband met het door Wilders aangehaald bedreigend tempo van voortplanting,60 voorbehouden aan mensen en niet aan religies, blijkt wederom dat de dreiging van de islam niet anders gezien kan worden dan dat die uitgaat van de gelovigen zelf. Door verdere vergelijkingen met (wereld)oorlogen,61 wordt ook een beeld van een acute, gewelddadige bedreiging door de islam en daarmee moslims gecreëerd,62 te meer nu de islam er op uit zou zijn anderen te elimineren.63 Een vergelijking met de natuurramp die in 2004 bijna 300.000 doden veroorzaakte kan in het kader van art. 137c Sr ook worden geacht niet noodzakelijk te zijn binnen een maatschappelijk debat dat problemen op bepaalde terreinen aan de kaak stelt waarin allochtonen een aandeel hebben. Het Hof Den Bosch stelde in 2006 dat een enkele poster met de tekst ‘Stop het gezwel dat islam heet’ suggereert dat er sprake is van een schadelijk ziekteproces dat vraagt om ingrijpen. Het hof vond dit een overschrijding van de maatschappelijk geaccepteerde grenzen van een inhoudelijke discussie.64 Opvallend is dat het hier om een poster van de extreemrechtse Nationale Alliantie ging: een politieke partij die toentertijd in de deelraad van Rotterdam-Rijnmond verte- BLADZIJDE 187
18 6 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r genwoordigd was. Bij de oproep van Wilders om de tsunami te stoppen komt het element van ingrijpen verder binnen het bereik van art. 137c Sr. Wat art. 137d Sr aangaat, brengt het onthouden van rechten aan bepaalde bevolkingsgroepen dit artikel in beeld. ‘Maar over vier jaar moet u toch kunnen laten zien dat u iets tegen de islam heeft gedaan? “We willen genoeg. De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit, denaturalisatie van islamitische criminelen…”’65 Twee citaten illustreren ook in het licht van verwijdering het verband tussen enerzijds de gelovigen ‘Ik vind wel dat er minder moslims moeten zijn in Nederland’66 en anderzijds de godsdienst: ‘Gestreefd dient te worden naar minder islam in Nederland’.67 Het onthouden van rechten aan deze groep mensen aan de hand van hun godsdienst kan ook voldoen aan de delictsomschrijving van art. 137d Sr doordat het aanzet tot discriminatie.68 Artikel 90quater Sr geeft de definitie van discriminatie, waarbij een van de criteria is de uitsluiting of beperking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zo tast het voorgestelde moratorium van vijf jaar op de bouw van nieuwe moskeeën en islamitische scholen69 de vrijheid van godsdienst en onderwijs aan. Niet-westerse allochtonen, ook die met een Nederlandse nationaliteit zouden hun straf ‘moeten uitzitten in het land van afkomst’, waarbij Marokko en Turkije als land van herkomst worden aangewezen.70 Verder moeten, naast criminelen en hun families,71 ook Nederlanders met een andere etniciteit die ‘de Nederlandse taal niet alsnog leren’, worden uitgezet.72 Dit laatste lijkt vergelijkbaar met ongenuanceerde voorstellen om rechten aan allochtonen te onthouden die al eerder zijn gesanctioneerd door de Hoge Raad in 2001.73 Meer recent kwam het achterstellen van minderheden aan de orde in 2007.74 De verdachte werd schuldig bevonden aan het medeplegen van aanzetten tot discriminatie. De Hoge Raad beperkt zich tot een juridisch-technische beoordeling en laat inhoudelijk de bevindingen van het Hof onaangetast. Advocaat-generaal Vellinga onderstreept in zijn conclusie het standpunt van het Hof. ‘Medeburgers dienen gevrijwaard te blijven van uitlatingen van anderen die opwekken tot rassenhaat en rassendiscriminatie’, en naar het
BLADZIJDE 188
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 187 oordeel van het Hof ‘is het algemeen bekend dat de teksten “Blank” en “White Power” (met daarbij een op een voorrangsbord afgebeeld teken van White Power) het gedachtegoed “macht aan de blanken” vertegenwoordigen.’ Als deze teksten volgens het arrest ‘al onmiskenbaar de strekking [hebben] mensen die niet tot het blanke ras behoren achter te stellen’, dan zal het niet bevreemden dat het politieke streven dat dit expliciet beoogt nog steeds voor strafbaarheid in aanmerking komt. Het is voor de vraag van strafbaarheid wegens ‘aanzetten tot’ niet van belang of de pvv de sentimenten in de maatschappij heeft losgemaakt of slechts aanhaakt bij wat reeds leeft. Evenmin doet daaraan af dat het een politiek streven naar een electorale meerderheid betreft voor de gewraakte plannen (achterstelling van moslims). De Hoge Raad bepaalde al in 1996 dat een dergelijk streven niet in de weg staat aan strafbaarheid op grond van art. 137d Sr.75 Het is dus mogelijk dat ook hier de context niet de strafwaardigheid van de uitspraken ontneemt. Om in juridische zin van ‘ras’ te kunnen spreken is het geen noodzakelijke voorwaarde dat daarbij het taalkundige woord ‘ras’ wordt gebruikt. Het juridische begrip ras is namelijk breder dan het begrip in dagelijks spraakgebruik. Het kan ook slaan op godsdienstige minderheden. In dat kader betreffen de uitingen van Wilders vaak een combinatie van religie en ras. De termen migranten, islam, moslims en meer specifiek Turken en Marokkanen zijn in veel uitingen inwisselbaar. Sommigen verbinden problemen aan een ras en anderen aan een godsdienst. Zo schrijft Wilders maatschappelijke problemen zoals infrastructuur, files, huisvestingsproblemen en de verzorgingsstaat rechtstreeks toe aan migranten,76 waar hij eerder stelde dat ‘we […] een gigantisch probleem met moslims’ hebben: ‘het loopt aan alle kanten de spuigaten uit’.77 Het betreft kennelijk dezelfde problemen die worden geweten aan iemands etniciteit of religie, waarbij al eerder is aangetekend dat bij moslims ras en religie naadloos in elkaar kunnen overlopen.78 Wilders geeft zelf ook aan dat men een en ander ‘niet los van elkaar [kan] zien’.79 Artikel 4 van het Internationale Verdrag ter Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie bepaalt dat het bij ras ook gaat om organisaties die uitgaan van de superioriteit van een ras. Wilders vindt herhaaldelijk dat ‘[o]nze cultuur een betere is dan die van veel immigranten’,80 die zelfs ‘achterlijk’ wordt genoemd.81 Als er sprake is van ongelijkwaardige BLADZIJDE 189 18 8 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r cultuur,82 is er een connotatie met etniciteit, die zich onderscheidt van kritiek op een religie sec. Het resultaat is een opruiende sfeer van superioriteit van de Nederlandse cultuur, die als wezenskenmerk de ‘echte’ Nederlander’ heeft ‘die deze orde en spelregels hebben gevormd en dragen’.83 Als de uitspraken van Wilders naast elkaar worden gezet, ontstaat niet alleen een beeld waarbij de religie en de gelovigen voor dezelfde problemen verantwoordelijk worden gesteld. Een van de eerste dingen die de pvv doet als het de macht heeft, is de grenzen sluiten voor alle niet-westerse allochtonen,84 daarmee doelend op islamieten, vooral ‘uit landen als Marokko of Turkije’.85 Als daarbij wordt betrokken de uitlating over de gewelddadige Marokkaanse jongeren,86 is het duidelijk dat het beledigen alsmede het aanzetten tot haat in juridische zin op grond van zowel ras als religie bij de uitspraken van Wilders aan de orde kan zijn.87 8.3.3 Vervolgingsbeleid om Sinds 2006 zijn talrijke aangiften tegen Wilders gedaan. Schattingen liggen rond de vijfenveertig. Zo heeft al op 6 februari 2006 de El Tahweed-moskee in Den Haag aangifte tegen Wilders gedaan vanwege de (Deense) spotprenten die hij op zijn website had geplaatst.88 Aangiften volgden met name na interviews uit 2007 in De Pers, waarin Wilders stelde dat de grenzen dicht moesten voor islamieten en veel moslims het land uit moesten,89 en in de Volkskrant over onder meer het verbieden van de Koran. Na een jaar heeft het om de aangevers laten weten dat de aangiften zouden worden samengevoegd en dat extra tijd nodig zou zijn vanwege de te volgen voorschriften in een dergelijke zaak. Uiteindelijk werd op 30 juni 2008 de beslissing tot seponeren via een persconferentie bekendgemaakt.90 Van enkele aangevers is bekend dat zij hiertegen beklag aantekenen bij het Hof (Amsterdam).91 Eind september maakte een van de aangevers bekend dat het Hof zich voor het einde van 2008 over het beklag zal buigen.92 Over de sepots vallen procedureel drie punten op te merken.93 Wat als eerste opvalt is de relatief lange periode tussen aangifte(s) en het kenbaar maken van de beslissing of het om al dan niet tot vervolging overgaat. Deze doorlooptijden zijn ook volgens de minister in het algemeen te lang.94 Er valt in dit verband te pleiten voor kenbare termijnen voor de BLADZIJDE 190
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 189 vervolgingsbeslissing en voor het uitbrengen van de dagvaarding. In het geval van Wilders is echter sprake van een zogenoemde gevoelige zaak,95 namelijk de vervolging van een Kamerlid.96 Een Kamerlid geniet weliswaar immuniteit voor wat hij in de Kamer zegt, maar dat geldt niet buiten de Kamer.97 Gevoelige zaken worden altijd ter advisering aan het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (lecd) van het om voorgelegd. Conform de Aanwijzing Discriminatie dient de discriminatieofficier de voorgenomen vervolgingsbeslissing ter besluitvorming aan het College van procureurs-generaal aan te bieden, vergezeld van het advies van het lecd. Een dergelijke zaak vergt meer omzichtigheid en daardoor ook meer tijd. Naast de termijnen dient als tweede punt ook aandacht besteed te worden aan de communicatie van het om met de aangever(s). De ervaring leert dat een aangever veel geduld moet betrachten. De meeste aangevers tegen Wilders hadden na de ontvangstbevestiging veelal meer dan een jaar niets van het om vernomen, terwijl juist in gevoelige zaken deze communicatie belangrijk is. Het derde punt betreft de hoofdregel ten aanzien van vervolging uit de Aanwijzing Discriminatie. Bij overtreding van de discriminatiebepalingen dient altijd een strafrechtelijke reactie te volgen (dagvaarding of transactie) indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is. De ruimte om over te gaan tot een sepot is volgens de Aanwijzing beperkt, waarbij wordt opgemerkt dat in discriminatiezaken op voorhand wordt aangenomen dat opportuniteit aanwezig is. De beslissing tot een beleidssepot dient dan ook met grote terughoudendheid te worden genomen.’ Het om heeft desalniettemin gemeend de zaak zelf op deze wijze af te moeten doen. Uiteraard dient het om geen zaken voor de rechter te brengen waarvan zij weet dat deze kansloos zijn. In de zaak-Wilders was dat echter niet zo evident. Dat blijkt niet alleen uit de hiervoor geschetste analyse van de jurisprudentie, maar ook uit de lange duur van de besluitvorming over de aangiftes. Binnen juridisch Nederland zijn de visies op het vervolgingstraject ook verdeeld, zoals onder meer blijkt uit de stemming hierover in een van de vraagpunten op de jaarvergadering (2008) van de Nederlandse Juristen Vereniging.98 Andere argumenten om de zaak toch aan de rechter voor leggen, zijn de maatschappelijke commotie omtrent de uitspraken van Wilders en de grote hoeveelheid aangiften ertegen.
BLADZIJDE 191 19 0 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r In de sepots wordt onder meer gesteld dat er vanwege het belang van het maatschappelijke debat geen sprake van strafbaarheid zou zijn. Tevens zou strafbaarheid niet aan de orde zijn, omdat de uitlatingen gericht waren tegen het geloof en niet tegen de gelovigen. Bovendien werden volgens het om geen onnodig grievende bewoordingen gebruikt. Hier valt zoals gezien in de vorige paragraaf het nodige tegenin te brengen. Heeft een politicus niet ook een verantwoordelijkheid om tweespalt in de samenleving te voorkomen? Met dat doel zijn gedragscodes in het leven geroepen99 en internationale aanbevelingen gedaan.100 Het Europese Hof voor Rechten van de Mens (ehrm) heeft beslist dat beledigingen aan de Profeet strafbaar kunnen zijn vanwege de beledigingen die daar vanuit gaan voor moslims.101 Bovendien moet worden opgemerkt dat de moslims meer zijn dan louter een groep gelovigen. Het begrip heeft ook een etnische connotatie en raakt bijvoorbeeld ook de Nederlands-Marokkaanse gemeenschap. Wilders doet dat ook en betrekt bijvoorbeeld de cultuur bij crimineel gedrag van jonge Marokkanen.102 8.4 Slot In hoeverre is de pvv in verband te brengen met rechtsextremisme? En in hoeverre hebben uitingen van de pvv een discriminatoir karakter? Deze vragen zijn in dit hoofdstuk in twee delen aan de orde geweest en de voornaamste uitkomsten volgen hieronder. Wilders en de pvv beschouwen zichzelf niet als extreemrechts en wensen zich van extreemrechts te distantiëren. Men kan de ideologie van extreemrechts – in Nederland – op hoofdlijnen als volgt samenvatten: een positieve oriëntatie op ‘het eigene’, een afkeer van ‘het vreemde’, van politieke tegenstanders, van de gevestigde politiek in het algemeen, en een hang naar het autoritaire. Deze punten kan men – ondanks de verbale distantie van de pvv van rechtsextremisme – evenzeer aantreffen bij de pvv. De positieve oriëntatie van de pvv betreft Nederland, maar niet het huidige Koninkrijk der Nederlanden. Het ideale Nederland is ontdaan van de Antillen, terwijl Vlaanderen eraan is toegevoegd. Bij de pvv weegt etnische homogeniteit kennelijk zwaarder dan de huidige staatsgrenzen.
BLADZIJDE 192 het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 191 De afkeer van ‘het vreemde’ betreft vermeende ‘islamisering’, ‘niet-westerse allochtonen’ en komt tot uitdrukking in een reeks van krachtige aanduidingen, waarvan in het voorgaande veel voorbeelden zijn gegeven – ‘tsunami’, ‘schurkeneilanden’, ‘moslimkolonisten’ – die hier niet uitputtend zullen worden herhaald. Als men extreemrechtse denkrichtingen verdeelt in ‘nationaaldemocraten’ en ‘raciale revolutionair’ zou men de pvv kunnen rekenen tot de eerste categorie en niet tot de tweede. Karakteristieken van de ‘raciale revolutionairen’, of zo men wil: neonazisme, treft men bij de pvv niet aan. Wij vonden bij de pvv geen sporen van antisemitisme of van een positieve identificatie met nazi-Duitsland, integendeel. De pvv heeft ten dele een magneetfunctie: er zijn aanwijzingen dat rechtsextremisten door de pvv worden aangetrokken, maar dat geldt, voor zover wij kunnen overzien, niet voor rechtsextremisten met een neonazistische oriëntatie. Vanuit deze kring zet men zich tegen Wilders en de pvv af of neemt men zelfs een ronduit vijandige houding aan. Wilders heeft geen extreemrechtse achtergrond en dat geldt ook voor de andere leden van de pvv-fractie. De pvv is niet voortgekomen uit een extreemrechtse traditie, zoals in het verleden bij veel extreemrechtse groepen wel het geval was. Zo beschouwd is de pvv een vreemde eend in de bijt. De pvv is buitengewoon hiërarchisch georganiseerd. Tussen de kiezers en de minuscuul kleine partijtop bevinden zich – tot dusverre – geen leden. Vrijwel alle macht berust bij Wilders. De partijorganisatie van de pvv is niet democratisch en de kwalificatie ‘autoritair’ vinden wij niet vergezocht. Omdat de pvv geen leden toelaat, kunnen zich onder de pvv’ers ook geen personen met een eerdere extreemrechtse achtergrond bevinden. De vraag rijst wat er kan gebeuren als de pvv de deuren opent. Wij achten de kans bijzonder groot dat tientallen rechtsextremisten, die radicaler zijn dan de pvv, zullen proberen zich als lid aan te sluiten, niet alleen omdat de pvv aantrekkingskracht uitoefent, maar ook omdat er een aanzienlijk potentieel is van extreemrechtse activisten dat na de neergang van een aantal extreemrechtse partijen in de afgelopen jaren politiek dakloos is geworden. BLADZIJDE 193 19 2 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r In dit hoofdstuk is ook uitvoerig ingegaan op de vraag in hoeverre uitingen van de pvv in de context van de wettelijke discriminatieverboden een discriminatoir karakter hebben en op het vervolgingsbeleid van het om. Noch de juridische literatuur, noch de jurisprudentie is eenduidig. Veel hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en die vragen om een oordeel van een rechter. Wij hebben getracht de uitlatingen van Wilders in een bredere context te plaatsen en te vergelijken met recente arresten. Daaruit blijkt dat ook politici niet gevrijwaard zijn van veroordelingen als zij hun politieke idealen verwoorden. Deze lijn is ook terug te vinden bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.103 Daarnaast maakt Wilders gebruik van uitingen waarbij respectievelijk het criminaliseren, het aanbrengen van een maatschappelijke tweedeling of het uitsluiten van rechten belangrijke thema’s zijn. Wij hebben laten zien dat juist deze thema’s tot strafrechtelijke veroordelingen hebben geleid. In de afweging van het Openbaar Ministerie tot het al dan niet vervolgen is het aspect dat er ook sprake kan zijn van discriminatie op grond van ras geheel buiten beschouwing gelaten. Naar onze mening trekt Wilders de lijn van religie naar cultuur moeiteloos door. In recente uitspraken van de Hoge Raad is deze meervoudigheid bij achterstelling van moslims juist in de overwegingen betrokken. Reden te meer dat een rechter zich ten volle over de mogelijke strafwaardigheid van de uitlatingen uitspreekt. Anders gezegd: niet justitie dient te oordelen, maar de onafhankelijke rechter. De pvv is een relatief jonge partij met een navenant beperkte geschiedenis. Daardoor zijn de marges voor een afgewogen beoordeling smaller dan wij ons zouden wensen. Wetenschappers zouden de pvv liever op een wat langere termijn volgen. Hoe zou het de pvv bij een reeks van verkiezingen vergaan? Hoe zouden ledencongressen verlopen? En de verdere rechtsgang? Dergelijke vragen zijn nog niet te beantwoorden. Onze onderzoeksbevindingen zijn gebaseerd op een korte actualiteit en daardoor te beschouwen als een tussenbalans. Immers, het is waarschijnlijk dat in de nabije toekomst meer en specifieker wetenschappelijk onderzoek naar de pvv zal worden verricht. Wij hopen dat onze bevindingen daarbij van nut zullen zijn.
BLADZIJDE 194 het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 193 Noten 1 Frans van Deijl, ‘Ik lust ze rauw’, hp/De Tijd 6 februari 2004. 2 Zie bijvoorbeeld Y. Buruma, ‘Wilders, Mussolini en de burgerlijke samenleving’, Nederlands Juristenblad (njb) 2007, p. 1949. 3 Geert Wilders heeft aan ons onderzoek geen medewerking verleend, ondanks herhaalde verzoeken. 4 Zie J. van Donselaar & P. R. Rodrigues, Monitor racisme en extreem-rechts; vijfde rapportage. Amsterdam: Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden 2002, p. 59-88. 5 Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog: facistische en racistische organisaties in Nederland 1950-1990. Amsterdam: Bert Bakker 1991. 6 T. Bjørgo, Racist and right-wing violence in Scandinavia: patterns, perpetrators, and responses. Oslo: Tano Aschehoug 1997. Zie vooral dimensions of organisation and ideology (p. 53 e.v.), ideological dimension, p. 63-64. 7 Zoals de Britse facisme-onderzoeker Billig zich eens liet ontvallen: ‘One cannot expect that the fringes of the extreme right should conform to the logical and ordered categories of the social scientist.’ M. Billig, Fascists: a social psychological view of the National Front. London: Academic Press 1978. p. 103. 8 Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog, p 16 e.v.; Jaap van Donselaar, De staat paraat? De bestrijding van extreem-rechts in West-Europa. Amsterdam: Babylon-de Geus 1995, p. 9-14; 192. e.v. 9 De dramaturgische metafoor is ontleend aan Goffman’s klassiek geworden analyse van alledaagse interactieprocessen. E. Goffman, The presentation of self in everyday life. New York: Doubleday Anchor Book 1959. 10 Zie voor onstaan en ontwikkeling van de pvv ook A.P.M. Lucardie, Twee in, dertien uit: electoraal succes en falen van nieuwe partijen in 2006. Groningen: Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 2008. (29 augustus 2008); Huib Pellikaan & Sebastiaan van der Lubben, Ruimte op rechts? 2006. (29 augustus 2008). 11 Sanne ten Hoove en Raoul du Pré, ‘Wilders vreest “tsunami” moslims’, de Volkskrant 6 oktober 2006. (23 augustus 2008). 12 Geert Wilders, ‘Genoeg is genoeg: verbied de Koran’, de Volkskrant 8 augustus 2007. (23 augustus 2008). 13 Website pvv (22 augustus 2008). 14 Website pvv BLADZIJDE 195
19 4 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r 716&Itemid=120> (22 augustus 2008). 15 ‘Nederland wordt verkocht aan de duivel Mohammed’, De Pers 27 november 2007. 16 Weblog Geert Wilders 11 april 2008. (23 augustus 2008). 17 Zie Jaap van Donselaar, De staat paraat? 18 (30 augustus 2008). 19 (30 augustus 2008). 20 Geert Wilders en Martin Bosma, ‘Nederland en Vlaanderen horen bij elkaar’, nrc Handelsblad 7 juli 2008. 21 Vanaf medio jaren zeventig, toen extreemrechtse groepen als de Nederlandse VolksUnie, zich naar buiten toe primair als antivreemdelingenpartijen gingen manifesteren, kreeg de eenwording van Nederland en Vlaanderen minder prioriteit. Maar op de achtergrond en zeker intern heeft het thema bij extreemrechts altijd volop aandacht gehad en dat is tot op de dag van vandaag het geval. Zie C. Bouw, J. van Donselaar, C. Nelissen, De Nederlandse Volks-Unie: portret van een racistische splinterpartij. Bussum: Wereldvenster 1981, p. 88. 22 Een van de uitzonderlijke gevallen waarin politici zonder extreemrechtse signatuur voor hereniging van Nederland en Vlaanderen pleitten was in 2001. De senatoren Jurgens (pvda), Terlouw (d66) en Postma (cda) deden in het tv-programma Netwerk van 7 augustus een oproep tot eenwording van Vlamingen en Nederlanders. De Telegraaf en Trouw 8 augustus 2001. 23 Persbericht Vlaams Belang 8 juli 2008. (24 augustus 2008). 24 Cas Mudde, The ideology of the extreme right. Manchester: Manchester University Press 2000. 25 Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog, p. 121 e.v. 26 Ibidem, p. 202 e.v. 27 Zie J. van Donselaar & P. R. Rodrigues, Monitor racisme en extreem-rechts; vijfde rapportage, p. 72. 28 Overigens is de pvv door het vb ook wel eens als te radicaal bestempeld, bijvoorbeeld inzake het Koran-verbod. 29 De handtekeningeis geldt alleen voor partijen die niet in het parlement zijn vertegenwoordigd en is bedoeld om niet serieuze kandidaatstellingen te weren. 30 Deze achtergronden betroffen de Centrumpartij, Centrumdemocraten, Voorpost, BLADZIJDE 196
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 195 Centrumpartij ’86, Nederlands Blok en Nieuw Rechts. 31 Joep Dohmen, ‘pvv riep steun van extreem-rechts in’, nrc Handelsblad 13 januari 2007. Dit artikel is mede gebaseerd op Verkiezingsonderzoek van Kafka. Zie http://kafka.antifa.net/, artikelen, Verkiezingsonderzoek 11 november 2006. 32 De pvv-medewerker hierover in nrc Handelsblad van 13 januari 2007: ‘We hadden zes medewerkers. Dat was te weinig om iedereen als een soort detectivebureau te checken. Dus hebben we geprobeerd mensen, die een gevaar zouden kunnen zijn, eruit te filteren. (…) Er zijn gesprekken geweest en sommige namen hebben we gegoogled. Zo zijn er mensen uitgehaald. Hoeveel weet ik niet. Ik ken voorbeelden van mensen die achteraf van de Centrum Democraten bleken te zijn geweest.’ 33 (28 augustus 2008). 34 Zie (26 augustus 2008); (26 augustus 2008). 35 Zie op de website van de nvu bijvoorbeeld Wilders en zijn zionistische wortels. (25 augustus 2008). 36 Zo weigerde hij, ondanks herhaald verzoek, zijn medewerking aan een artikel van nrc Handelsblad over de partijorganisatie van de pv v. Zie Joep Dohmen, ‘Alleen Wilders lid pv v ’, nrc Handelsblad 21 april 2007. (28 augustus 2008). 37 Joep Dohmen, ‘Alleen Wilders lid pv v ’, nrc Handelsblad 21 april 2007. 38 Zie hoofdstuk 9, Opsporing en vervolging in 2007, voor het wettelijk kader en toelichting op het sepot(beleid). 39 Art. 147 Sr is gericht op het beschermen van een religie, en niet van personen zoals neergelegd in de discriminatieartikelen en valt buiten het bestek van dit onderzoek. 40 Hiervan is in dit onderzoek nauwelijks sprake, een uitzondering lijkt de verwijzing naar de verdachten van een steekpartij in Almere welke ‘drie beesten van Surinaamse komaf’ werden genoemd. Geert Wilders, Column op GeenStijl.nl 28 juli 2007. 41 hr 15 april 2003, nj 2003, 334, r.o .3.4 en 3.5. 42 Te kennen uit hr 2 april 2002, ljn AD8693. 43 hr 18 mei 1999, nj 1999, 634, bevestigd in herzieningsverzoek in hr 6 mei 2003, ljn AF7895. 44 A.L.J. Janssens, A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten. Kluwer: Deventer 2008, p. 155 e.v. en W. Wedzinga, in: C.P.M. Cleiren, J.F. Nijboer (red.), Strafrecht : tekst & commentaar, art. 137c e.v., Deventer: Kluwer 2008 (7e dr.), p. 765.
BLADZIJDE 197 19 6 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r 45 Art. 137c Sr kent de gronden ras, godsdienst of levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid en lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. 46 Hierbij hoort ook aanzetten tot geweld, maar dit is bij ons onderzoek naar de pvv niet aan de orde. 47 hr 18 mei 1999, nj 1999, 634, bevestigd in herzieningsverzoek in hr 6 mei 2003, ljn AF7895. 48 Geert Wilders, ‘ Genoeg is genoeg: verbied de Koran’, de Volkskrant 8 augustus 2007. 49 Raoul du Pré, ‘Ik geef het land weer terug aan de burger’, de Volkskrant 14 maart 2005. 50 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006. 51 ‘Nederlandse cultuur duizend keer beter dan islam’, Spits 9 november 2006. 52 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006; zie ook het interview in Contrast, maart 2007. 53 hr 2 april 2002, nj 2002, 421. ljn AD8693 54 Hof Den Bosch 10 november 2006, parketnr. 20-010210-05. 55 hr 15 april 2003, nj 2003, 334, r.o .3.4 en 3.5. 56 Hof Den Haag, 25 februari 2003, parketnr. 1101005302. 57 Hof Amsterdam 17 november 2006, ljn AZ3011. 58 Geert Wilders, ‘Genoeg is genoeg: verbied de Koran’, de Volkskrant 8 augustus 2007. 59 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006. 60 Ibidem. 61 ‘Wat drijft Geert Wilders’, interview in De Pers 13 februari 2007. 62 Column op GeenStijl.nl 6 februari 2007; zie ook Geert Wilders, ‘Genoeg is genoeg: verbied de Koran’, de Volkskrant 8 augustus 2007. 63 Ibidem, zo ook de aangifte van G. Spong e.a.. 64 Hof Den Bosch 10 november 2006, parketnr. 20-010210-05. Tegen het arrest loopt cassatieberoep. 65 ‘Wat drijft Geert Wilders’, De Pers 13 februari 2007. 66 Interviews Geert Wilders met Het Nieuwsblad (Vlaams) 9 februari 2008. 67 Cursivering toegevoegd. Zendtijd voor politieke partijen pvv, 10 februari 2008. 68 A.L.J. Janssens, A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten. Kluwer: Deventer 2008, p. 158 e.v. en W. Wedzinga, in: C.P.M. Cleiren, J.F. Nijboer (red.), Strafrecht : tekst & commentaar, art. 137c e.v., Deventer: Kluwer 2008 (7e dr.), p. 768, 653. 69 Verkiezingspamflet van de Partij voor de Vrijheid (pvv) voor de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2006; zie ook Joost Niemöller, ‘Wilders spreekt: Ik capituleer niet’, interview met hp/De Tijd 12 december 2007
BLADZIJDE 198
het extreemrechtse en discriminatoire gehalte van de pv v | 197 70 Column op GeenStijl.nl 24 juli 2007. 71 Joost Niemöller, ‘Wilders spreekt: Ik capituleer niet’, interview met hp/De Tijd 12 december 2007. 72 Eerste reactie Groep Wilders op Miljoenennota op www.geertwilders.nl 21 september 2004. 73 hr 29 mei 2001, nj 2001, 694 en zie met name Hof Den Haag 7 mei 1999, E.R. van Eck et al., (red.), Rechtspraak rassendiscriminatie 1995-2000. Rotterdam: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie, nr. 514 m.n. Van der Meij. 74 hr 28 augustus 2007, ljn BA5618, zie ook conclusie mr. Vellinga. 75 hr 16 april 1996, nj 1996, 527. 76 Interview met Duits persbureau dpa, 3 januari 2008. 77 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006. 78 P.R. Rodrigues, ‘De meervoudigheid van moslimdiscriminatie’, in: Anita Böcker et al. (red.), Migratierecht en rechtssociologie, Liber Amicorum Kees Groenendijk. Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2008, p. 479-486 en hoofdstuk 10, Jurisprudentie racisme en extremisme in 2007. 79 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘Wilders vreest “tsunami” moslims’, de Volkskrant 7 oktober 2006; zie ook Patrick Pouw, ‘Onze cultuur is gewoon beter’, Contrast, maart 2007. 80 Joost Niemöller, ‘Wilders spreekt: Ik capituleer niet’, interview met hp/De Tijd 12 december 2007. 81 Frans van Deijl, ‘Ik lust ze rauw’, hp/De Tijd 6 februari 2004; ‘retarded’ in: Dutch Politician Plans to Air Film Criticizing the Koran, Fox News Channel 25 januari 2008, op 00:48 min. (28 augustus 2008) en ap Television News 19 november 2004. 82 Dutch Politician Plans to Air Film Criticizing the Koran, Fox News channel 25 januari 2008. 83 Geert Wilders, Klare Wijn (manifest door Geert Wilders), 31 maart 2006. 84 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006. 85 Geert Wilders, ‘Den Haag laf tegen islamitisch extremisme’, nrc Handelsblad 22 juli 2005. 86 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006; zie ook het interview in Contrast, maart 2007. 87 Hof Den Haag 25 februari 2003, parketnr. 1101005302. 88 Algemeen Dagblad 7 februari 2006.
BLADZIJDE 199 19 8 | d av i d o v ic´, va n d o ns e l a a r , r odr ig u e s e n wa g e n a a r 89 ‘Wat drijft Geert Wilders’, De Pers 13 februari 2007. 90 Zie het persbericht: (29 augustus 2008). 91 Zie ‘Onbegrip bij klagers over besluit om’, de Volkskrant 1 juli 2008 (onder meer Nederland Bekent Kleur) en ‘Spong wil alsnog vervolging Wilders’, Algemeen Dagblad 30 juni 2008 (Spong e.a.). Het betreft het beklag bij het hof wegens niet of niet verder vervolgen ex art. 12 Sv. 92 anp-bericht 27 september 2008. 93 Opgemerkt moet worden dat op sommige aangiftes door het om nog niet beslist is. 94 Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 130, p. 6. 95 Aanwijzing Discriminatie, Staatscourant 2007, 233. 96 Y. Buruma, ‘Strafvervolging van een Kamerlid’, njb 2008, p. 749-750. 97 Art. 71 Grondwet. 98 njv jaarvergadering van 13 juni 2008 en zie ook Ybo Buruma, ‘Zonder grote woorden en zonder dubbele standaard, De Nederlandse Juristen-Vereniging over multiculturaliteit en recht’, njb 2008, p. 1647. De tekst van het vraagpunt 2 is opgenomen in njb 2008, p. 1417. 99 The Charter for political parties for a non-racist society. Zie voor de tekst: (8 augustus 2008). 100 cerd-Comité 2004, General Recommendation no. 30, Discrimination against NonCitizens, par. 12. 101 Dirk Voorhoof, ‘Europees Hof tolereert geen beledigingen aan adres profeet’, De Juristenkrant 2005/115, 1; ehrm 13 september 2005 (I.A. tegen Turkije), 42571/98, en recent ehrm 10 juli 2008 (Soulas tegen Frankrijk), European Human Rights Cases 2008, 112 m.n. Gerards. 102 Sanne ten Hoove, Raoul du Pré, ‘ De lijsttrekkers (3): Geert Wilders: “De paus heeft gelijk”’, de Volkskrant 7 oktober 2006. 103 R. Lawson, ‘Wild, Wilder, Wildst, Over de ruimte die het evrm laat voor de vervolging van kwetsende politici’, njcm-Bulletin 2008, p. 469-484. EINDE ANNE FRANK STICHTING RAPPORTAGE OVER WILDERS UIT:
ANNE FRANKSTICHTINGMONITOR RACISME & EXTREMISMEACHTSTE REPORTAGE2008ONDER REDACTIE VAN JAAP VAN DONSELAAR EN PETER R.RODRIGUES ”HET EXTREEM-RECHTSE EN DISCRIMINATOIRE GEHALTE VAN DE PVV”BLADZIJDEN 167-199