Medeplichtig aan internationale misdrijven!/Reactie op antwoord Metropoolregio

Image result for settlements/Images
ISRAELISCHE NEDERZETTINGEN IN DE BEZETTE PALESTIJNSE
GEBIEDEN
ILLEGAAL VOLGENS HET INTERNAYIONAAL RECHT

EBS, de Nederlandse tak van het bij schendingen van mensenrechten betrokken Israëlische bedrijf Egged, verzorgt sinds 2011 het busvervoer in Waterland.Scania

METROPOOLREGIO WERKT SAMEN MET EBS, DOCHTERBEDRIJF
VAN HET ISRAELISCHE BEDRIJF EGGED GROUP, DAT BETROKKEN
IS BIJ DE ILLEGALE NEDERZETTINGEN
HIERMEE WORDT METROPOOLREGIO EVENEENS MEDEPLICHTIG
EN COMPROMITTEEERT DE REIZIGERS!

 

METROPOOLREGIO VOLHARDT IN SAMENWERKING
BESMET BEDRIJF!
DUS EEN FELLE BRIEF!
MEDEPLICHTIG AAN INTERNATIONALE MISDRIJVEN/
ANTWOORD OP REACTIE METROPOOLREGIO
VOORAF
Recentelijk heb ik Metropoolregio Rotterdam/Den Haag
aangeschreven vanwege het feit, dat zij in zee wilden gaan
[en in het verleden al gedaan hebben] met Busbedrijf EBS, dochteronderneming
van het Israelische Busbedrijf Egged Group, dat is verweven met de
illegale Israelische nederzettingen
Natuurlijk was mijn eis, dat zij NIET met dit bedrijf in zee gingen!

 

 

 

ZIE
 
Op maandag 16 juli heb ik een reactie van dit Bedrijf ontvangen, waarbij zij
NIET ingingen op mijn argumentatie, maar zich verscholen achter formele wettelijke eisen, waaraan dit bedrijf [EBS] voldoet of zou voldoen
 
ZIE HUN MAIL DIRECT HIERONDER
 
Astrid Essed zou Astrid Essed niet zijn, als zij geen felle reactie
als antwootrd ontvingen!
 
Zie voor mijn reactie onder de mail van dit bedrijf
 
Astrid Essed
 
 
MAIL METROPOOLREGIO DD MAANDAG 16 JULI 2018
 
 
Informatie MRDH – Openbare Mappen <informatie@mrdh.nl>
To:‘Astrid Essed’
Jul 16 at 9:45 AM

Geachte heer, mevrouw

 

In goede orde ontvingen wij uw e-mail inzake de verlening van de concessie Voorne-Putten en Rozenburg (VPR) aan EBS Public Transportation B.V. (EBS) en de deelname door EBS aan de aanbesteding van de concessie Haaglanden Streek.

 

MRDH heeft beide concessies aanbesteed met inachtneming van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 bepalen op welke (verplichte resp. facultatieve) gronden een ondernemer wordt uitgesloten van deelname aan een aanbesteding. In het kader van beide aanbestedingsprocedures heeft EBS aangetoond dat de in artikel 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 beschreven uitsluitingsgronden niet op hen van toepassing zijn. Daartoe heeft EBS onder meer de zogenaamde Gedragsverklaring aanbesteden, zoals bedoeld in artikel 2.89 lid 2 en hoofdstuk 4.1 van de Aanbestedingswet 2012, overgelegd. In de Gedragsverklaring aanbesteden verklaart de Minister van Justitie en Veiligheid dat uit onderzoek is gebleken dat tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon geen bezwaren bestaan in verband met inschrijving op overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten, prijsvragen of opdrachten als bedoeld in de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied.

 

Omdat EBS heeft aangetoond dat de uitsluitingsgronden uit de Aanbestedingswet 2012 niet op haar van toepassing zijn, heeft de MRDH EBS toegelaten tot de aanbestedingsprocedures. Intrekking van de verleende concessie VPR, of het alsnog uitsluiten van EBS van deelname aan de aanbesteding van de concessie Haaglanden Streek, is niet aan de orde. Daarvoor ontbreekt een juridische grondslag.

 

Met vriendelijke groet,                               

MRDH e-mail

Metropoolregio Rotterdam Den Haag
Westersingel 12 |
3014 GN | Rotterdam

Postbus 21012 | 3001 AA | Rotterdam

 
 
MIJN REACTIE OP HUN ANTWOORD
AAN:
Metropoolregio Rotterdam Den Haag
T.a.v. de leden van:

– Algemeen bestuur
– Bestuurscommissie Vervoersautoriteit
– Adviescommissie Vervoersautoriteit
Onderwerp:
Beantwoording van uw reactie op mijn eis:
Stop met uw voornemen, in zee te gaan met busmaatschappij
EBS [Egged Bus Systems], dochter van het Israelische
Bedrijf Egged Group!
Vanwege mijn bezwaar

Moederbedrijf Egged Group’s betrokkenheid bij de
illegale Israelische nederzettingen”
Geacht Bestuur,
Vriendelijk bedankt voor uw reactie op mijn mail dd maandag

9 juli, waarin ik van u eiste, te stoppen met uw 

voornemen, in zee te gaan met busmaatschappij
EBS [Egged Bus Systems], dochter van het Israelische
Bedrijf Egged Group.
Ik gaf u in mijn mail duidelijk de reden te kennen,
namelijk vanwege de verwevenheid van het Israelische Moederbedrijf
Egged Group met de illegale Israelische nederzettingen.
Ook maakte ik u op niet misverstane wijze duidelijk, dat wanneer u toch
met EBS in zee zou gaan, u volgens de principes van het Internationaal
Recht, opnieuw medeplichtig zou worden aan internationale misdaad
en bovendien hierdoor de reizigers zou compromitteren.
Ik schreef ”opnieuw”, omdat u reeds eerder met EBS in zee gegaan bent. [1]
Zie de mail, die ik u heb toegestuurd
Zie ook de link naar de mail
 
OF

 

VOORAF
Opvallend is, dat u in uw mail op geen enkele wijze bent ingegaan op mijn
argumentatie, waarom u niet in zee moest [moet] gaan met een busbedrijf als
EBS.
Dat betekent, kort door de bocht dus, dat u geen weerwoord hebt op wat
ik aanvoer.

Daarom verschuilt u zich achter

een Aanbestedingswet,
die op zich juridisch dekkend is, maar slechts een klein deel van het
Verhaal vertelt:
UW MOTIVERING:
Welnu, om  in te gaan op uw brief:
In uw mail [brief] van vandaag [maandag] 16 juli, tracht u mijn bezwaren te weerleggen
met formeel-juridische argumenten, maar noch uw bewust gekozen formeel
juridische taalgebruik, noch uw naar de juridische letter plausibel lijkende
argumenten, maken ook maar een syllabe indruk op mij.
Niet alleen dat:
Volgens het INTERNATIONAAL RECHT -en als u zo juridisch
onderlegd bent als u in uw mail tracht te suggereren, zult
u weten, dat internationale wetten boven nationale wetgeving staan] [2]
zit u in alle opzichten fout.
Ook MOREEL zit u fout, mocht dat argument tenminste enige indruk
op u maken, gezien uw in uw mail gebruikte juridischje spitsvondigheden.
Ik citeer een belangrijke passage uit uw brief
” MRDH heeft beide concessies aanbesteed met inachtneming van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 bepalen op welke (verplichte resp. facultatieve) gronden een ondernemer wordt uitgesloten van deelname aan een aanbesteding. In het kader van beide aanbestedingsprocedures heeft EBS aangetoond dat de in artikel 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012 beschreven uitsluitingsgronden niet op hen van toepassing zijn. Daartoe heeft EBS onder meer de zogenaamde Gedragsverklaring aanbesteden, zoals bedoeld in artikel 2.89 lid 2 en hoofdstuk 4.1 van de Aanbestedingswet 2012, overgelegd. In de Gedragsverklaring aanbesteden verklaart de Minister van Justitie en Veiligheid dat uit onderzoek is gebleken dat tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon geen bezwaren bestaan in verband met inschrijving op overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten, prijsvragen of opdrachten als bedoeld in de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied.”
 
EINDE CITAAT UIT UW BRIEF

 

Zo, dacht u, daarmee heb ik deze troubleshooter Astrid Essed
afgeschud.
Mooi niet:

 

Ik heb mij laten informeren over de juridische artikelen, waaraan u
refereert
Artikel 2.86, Aanbestedingswet 2012
Artikel 2.87 Aanbestedingswet 2012
En later in uw brief noemt u
Artikel 2.89, Aanbestedingswet 2012, lid 2
Hoofdstuk 4, 1, Aanbestedingswet 2012
DE ARTIKELEN 2.86 EN 2.87 AANBESTEDINGSWET 2012

 

In de artikelen 2.86 en 2.87, Aanbestedingswet 2012,
waaraan u refereert, staan de uitsluitingsgronden voor ondernemers
geformuleerd.
Zie voor Artikel 2.86
Noot 3
Voor Artikel 2.87
Noot 4
In artikel 2.86 wordt volgens de Aanbestedingswet als uitsluitingsgrond
[kort weergegeven] genoemd:ondernemers, die zijn veroordeeld bij
een rechterlijke uitspraak voor deelname aan een criminele organisatie,
omkoping, fraude, witwassen van geld [Artikel 2.86]
In artikel 2.87 wordt als uitsluitingsgrond vooral weergegeven
faillissement, liquidatie, valse verklaringen. [Artikel 2.87]
Daarvan heeft EBS [volgens uw brief] een Gedragsverklaring aanbesteden overlegd,
waarin de Minister van Justitie en Veiligheid heeft verklaard [nu citeer ik
u, dat gaat makkelijker] ”  dat uit onderzoek is gebleken dat tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon geen bezwaren bestaan in verband met inschrijving op overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten, prijsvragen of opdrachten als bedoeld in de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied”
 
En aangezien er dus bij EBS geen sprake is van veroordeling voor deelname aan
een criminele organisatie [Art 2.86], noch van faillissement etc [2.87] en
er een Gedragsverklaring aanbesteden is overlegd [volgens artikel 2.89, lid 2, Aanbestedingswet en Hoofdstuk 4.1 Aanbestedingswet] [5], is de zaak voor u dus OKAY en
ontbreekt ”juridische grondslag” om tot uitlsuiting over te gaan.
VOOR ELKAAR
denkt u
ONZIN
zeg ik
ASTRID ESSED AAN HET WOORD
Opvallend aan uw betoog was [is], dat u op geen enkele manier ingegaan
bent op de door mij aangevoerde argumenten, waarom
In bovenstaande wees ik u al op de voorrang, die internationale wetgeving
heeft op nationale wetgeving.
En volgens het Internationaal Recht zijn, zoals u behoort te weten,
de Israelische nederzettingen, waarmee het Israelische Moederbedrijf Egged Group
verweven is [6] ILLEGAAL. [7]
En dat dat niet alleen vastligt in de Conventie van Geneve en in het
Haags Verdrag [8], blijkt wel uit het feit,
dat de EU keer op keer de illegaliteit van de Israelische nederzettingen
heeft bevestigd. [9]
EPILOOG
In uw onderstaande antwoord op mijn mail
bent op geen enkele wijze ingegaan op de argumentatie in
mijn eerdere brief, waarin ik u heb opgeroepen NIET in zee te gaan
met Busbedrijf EBS, vanwege de verwevenheid van Moederbedrijf Egged
Group met de illegale Israelische nederzettingen.
Niet alleen heb ik u daarin gewezen op het illegale karakter
van die nederzettingen, maar vooral ook met de humanitaire
ellende, die dat veroorzaakt voor de bezette Palestijnse burgerbevolking.
Daar hebt u kennelijk volledig lak aan en u blijft vasthouden aan
formeel juridische argumenten, dat EBS zich volgens de Nederlandse
wet niet schuldig zou hebben gemaakt aan fraude, niet behoort tot een
criminele organisatie en weet ik wat al niet meer.
Nou, dan heb ik nieuws voor u:
In ieder geval Moederbedrijf Egged Group behoort WEL tot
een criminele organisatie, want ze veroorzaken dagelijks humanitaire ellende,
of dragen er in ieder geval toe bij, aan de bezette Palestijnse bevolking.
En u ook, door willens en wetens met dergelijke bedrijven in zee te gaan.
Het Internationaal Recht, dat de Israelische nederzettingen illegaal
heeft verklaard, is geen abstract Verschijnsel, maar de humanitaire
Hoeksteen van de Gemeenschap der Volkeren, de Pijlstok voor
elementaire normen van Beschaving.
Daar hebt u lak aan.
U mag dan wel volgens uw ”Aanbestedingswet 2012” niet in
overtreding zijn, internationaalrechtelijk bent u medeplichtig
aan misdrijven als landdiefstal, de continuering van de Israelische
bezetting [zonder bezetting, geen nederzettingen] en het roven van water.
Steek dat maar in uw zak.
Vriendelijke groeten
Astrid Essed
Amsterdam
NOTEN
[1]
 Eind december 2017 werd bekend dat EBS vanaf eind 2018 het busvervoer mag uitvoeren in een ander deel van de Metropoolregio: de eilanden Rozenburg en Voorne-Putten. ”
THE RIGHTS FORUM
METROPOOLREGIO LAAT BESMET BUSBEDRIJF EBS
OPNIEUW TOE TOT AANBESTEDING
1 JULI 2018
” Daarnaast verzorgt EBS sinds eind 2011 het vervoer in Waterland, een vergunning die eind 2021 afloopt.”
THE RIGHTS FORUM
METROPOOLREGIO LAAT BESMET BUSBEDRIJF EBS
OPNIEUW TOE TOT AANBESTEDING
1 JULI 2018

 

[2]


ARTIKEL 94 GRONDWET

Hoofdstuk 5. Wetgeving en bestuur

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 94

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

[3]
[3]
NOOT 3
AANBESTEDINGSWET 2012/UITSLUITINGSGRONDEN
VOOR ONDERNEMERS
ARTIKEL 2.86, AANBESTEDINGSWET 2012

Hoofdstuk 2.3. Regels inzake aankondiging, uitsluiting, selectie en gunning

Afdeling 2.3.5. Uitsluiting, geschiktheid en selectie

§ 2.3.5.1. Uitsluitingsgronden

Artikel 2.86
1.

Een aanbestedende dienst sluit een gegadigde of inschrijver jegens wie bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak een veroordeling als bedoeld in het tweede lid is uitgesproken waarvan de aanbestedende dienst kennis heeft, uit van deelneming aan een overheidsopdracht of een aanbestedingsprocedure.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden aangewezen veroordelingen ter zake van:

a. deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 2, eerste lid, van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van de Raad, (PbEG 1998, L 351);
b. omkoping in de zin van artikel 3 van het besluit van de Raad van 26 mei 1997 (PbEG 1997, L 195) respectievelijk artikel 3, eerste lid, van Gemeenschappelijk Optreden 98/742/JBZ van de Raad (PbEG 1998, L 358);
c. fraude in de zin van artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (PbEG 1995, C 316);
d. witwassen van geld in de zin van artikel 1 van richtlijn nr. 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PbEG L 1991, L 166) zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG L 2001, 344).
3.

Als veroordelingen als bedoeld in het tweede lid worden in ieder geval aangemerkt veroordelingen op grond van artikel 140177178225226227  227a227b of 323a328ter, tweede lid420bis420ter of 420quat er van het Wetboek van Strafrecht.

4.

De aanbestedende dienst betrekt bij de toepassing van het eerste lid uitsluitend rechterlijke uitspraken die in de vier jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving onherroepelijk zijn geworden.

[4]
ARTIKEL 2.87 AANBESTEDINGSWET 2012
 
 
 

Hoofdstuk 2.3. Regels inzake aankondiging, uitsluiting, selectie en gunning

Afdeling 2.3.5. Uitsluiting, geschiktheid en selectie

§ 2.3.5.1. Uitsluitingsgronden

Artikel 2.87
1.

De aanbestedende dienst kan een inschrijver of gegadigde uitsluiten van deelneming aan een overheidsopdracht of een aanbestedingsprocedure op de volgende gronden:

a. de inschrijver of gegadigdeverkeert in staat van faillissement of liquidatie, diens werkzaamheden zijn gestaakt, jegens hem geldt een surseance van betaling of een (faillissements-)akkoord, of de gegadigde of inschrijver verkeert in een andere vergelijkbare toestand ingevolge een soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving;
b. jegens de gegadigde of inschrijver is een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak gedaan op grond van de op hem van toepassing zijnde wet- en regelgeving wegens overtreding van een voor hem relevante beroepsgedragsregel;
c. de inschrijver of gegadigde heeft in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout begaan die door de aanbestedende dienst aannemelijk kan worden gemaakt;
d. de inschrijver of gegadigde heeft niet voldaan aan verplichtingen op grond van op hem van toepassing zijnde wettelijke bepalingen met betrekking tot betaling van sociale zekerheidspremies of belastingen;
e. de gegadigde of inschrijver heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die door een aanbestedende dienst van hem waren verlangd of hij heeft die inlichtingen niet verstrekt.
2.

De aanbestedende dienst betrekt bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend onherroepelijke uitspraken die in de vier jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving onherroepelijk zijn geworden en bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, uitsluitend ernstige fouten die zich in de vier jaar voorafgaand aan het genoemde tijdstip hebb

en voorgedaan.
[5]

ARTIKEL 2.89, LID 2 AANBESTEDINGSWET

Hoofdstuk 2.3. Regels inzake aankondiging, uitsluiting, selectie en gunning

Afdeling 2.3.5. Uitsluiting, geschiktheid en selectie

§ 2.3.5.2. Bewijsstukken uitsluitingsgronden

Artikel 2.89
2.

Een gegadigde of inschrijver kan door middel van een gedragsverklaring aanbesteden, die op het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving niet ouder is dan twee jaar, aantonen dat de uitsluitingsgronden, bedoeld in de artikelen 2.86 en 2.87, onderdelen b en c, voor zover het een onherroepelijke veroordeling of een onherroepelijke beschikking wegens overtreding van mededingingsregels betreft, op hem niet van toepassing zijn.



AANBESTEDINGSWET 2012, HOOFDSTUK 4,1

AANBESTEDINGSWET 2012, HOOFDSTUK 4,1



Hoofdstuk 4.1. Gedragsverklaring aanbesteden

Afdeling 4.1.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1

Een gedragsverklaring aanbesteden is een verklaring van Onze Minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek naar de in de artikel 4.7 bedoelde gegevens is gebleken dat tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon geen bezwaren bestaan in verband met inschrijving op overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieovereenkomsten voor openbare werken, prijsvragen of opdrachten als bedoeld in de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied .

Artikel 4.2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder rechtspersoon verstaan een rechtspersoon als bedoeld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede daarmee gelijkgestelde organisaties als bedoeld inartikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 4.3

De beslissing omtrent de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4.4
1.

Een aanvraag om de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden wordt ingediend bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd.

2.

De aanvrager verstrekt bij zijn aanvraag:

b. de naam, voornamen en adresgegevens van voormalige bestuurders, vennoten, maten of beheerders van de rechtspersoon in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag die nog een beleidsbepalende functie binnen de rechtspersoon bekleden.
3.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie onderzoekt de volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter uitvoering van het derde lid.

Artikel 4.5
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden:

a. indien de aanvraag een natuurlijke persoon betreft: binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag;
b. indien de aanvraag een rechtspersoon betreft: binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
2.

De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde beslistermijnen kunnen eenmaal worden verlengd met vier onderscheidenlijk acht weken.

Artikel 4.6

Artikel 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4.1.2. Toetsingscriteria

Artikel 4.7
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt in zijn beoordeling van de aanvraag om een gedragsverklaring aanbesteden uitsluitend de gegevens met betrekking tot:

a. onherroepelijke veroordelingen als bedoeld in artikel 2.86, derde lid, en onherroepelijke veroordelingen wegens overtreding van de artikelen 134a140a en 285, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en wegens overtreding van de in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde misdrijven indien aan het bepaalde in dat artikel is voldaan;
b. onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijven die zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht voor zover aangewezen bij algemene maatregel van bestuur, onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijven die zijn opgenomen in de Wet op de economische delicten en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere misdrijven;
c. onherroepelijke beschikkingen op grond van artikel 56 van de Mededingingswet waarbij door de Autoriteit Consument en Markt geen boetevermindering op grond van clementie is verleend;
d. onherroepelijke beschikkingen van de Europese Commissie wegens overtreding van artikel 101 of artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarbij door de Europese Commissie geen boete-immuniteit of boetevermindering op grond van clementie is verleend.
2.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon is artikel 35, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van overeenkomstige toepassing.

3.

In het in het tweede lid bedoelde geval betrekt Onze Minister van Veiligheid en Justitie bij zijn beoordeling tevens de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gegevens van de in artikel 4,4 tweede lid, onderdeel b, bedoelde personen.

Artikel 4.8

Veroordelingen en beschikkingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, worden in de beoordeling betrokken voor zover zij in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk zijn geworden.

Artikel 4.9
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden van een natuurlijk persoon de met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie, bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens .

2.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie betrekt bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van een gedragsverklaring aanbesteden van een rechtspersoon de gegevens in de justitiële documentatie, bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , op naam van de rechtspersoon en omtrent de in artikel 4.7, tweede en derde lid, bedoelde personen.

Afdeling 4.1.3. Beoordeling

Artikel 4.10
1.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie weigert de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, ingeval de aanvrager een natuurlijke persoon is, indien binnen de in artikel 4.8 bedoelde termijn:

a. een of meerdere veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel a, onherroepelijk zijn geworden;
b. een of meer veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel b, onherroepelijk zijn geworden waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis is opgelegd of waarbij een of meer voorwaardelijke of onvoorwaardelijke geldboetes, taakstraffen of voorwaardelijke gevangenisstraffen of hechtenis zijn opgelegd met een gezamenlijke waarde van in totaal € 35 000 of meer;
c. een beschikking als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel c, waarin de overtreding wordt aangemerkt als zwaar of zeer zwaar, of een beschikking als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel d, onherroepelijk is geworden.
2.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie weigert de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, ingeval de aanvrager een rechtspersoon is, indien binnen de in artikel 4.8 bedoelde termijn:

a. een of meerdere veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel a, van die rechtspersoon of van een of meer personen als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid, onherroepelijk zijn geworden;
b. een of meer veroordelingen als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel b, van die rechtspersoon of van een of meer personen als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid, onherroepelijk zijn geworden waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis is opgelegd of waarbij een of meer voorwaardelijke of onvoorwaardelijke geldboetes, taakstraffen of voorwaardelijke gevangenisstraffen of hechtenis zijn opgelegd met een gezamenlijke waarde van in totaal € 35 000 of meer;
c. een beschikking als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel c, waarin de overtreding wordt aangemerkt als zwaar of zeer zwaar, of een beschikking als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdeel d, onherroepelijk is geworden.
3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ingeval van veroordelingen van personen als bedoeld inartikel 4.4, tweede lid, onderdeel b, die op het tijdstip van het nemen van het besluit omtrent de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden nog een beleidsbepalende functie binnen de rechtspersoon vervullen.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, wordt een taakstraf van 1 uur gelijkgesteld met een geldboete van 80 euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis van 1 dag met een geldboete van 160 euro.

Artikel 4.11
1.

Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte van de gedragsverklaring aanbesteden, stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onderdelen a en b, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel 22 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens te doen.

2.

De in artikel 4.5 gestelde termijn voor de beslissing op de aanvraag wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister van Veiligheid en Justitie de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken, dan wel tot de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is beëindigd.

3.

De aanvrager van de gedragsverklaring aanbesteden wordt in kennis gesteld van de opschorting.



[6]

WHO PROFITS
EGGED ISRAEL TRANSPORT COOPERATIVE SOCIETY
[7]
ILLEGALITEIT NEDERZETTINGEN
”The Fourth Geneva Convention prohibits an occupying power from transferring citizens from its own territory to the occupied territory (Article 49).
The Hague Regulations prohibit an occupying power from undertaking permanent changes in the occupied area unless these are due to military needs in the narrow sense of the term, or unless they are undertaken for the benefit of the local population.”
LAND EXPROPRIATION AND SETTLEMENTS IN THE INTERNATIONAL
LAW
”Individual or mass forcible transfers, as well as deportations of protected persons from occupied territory to the territory of the Occupying Power or to that of any other country, occupied or not, are prohibited, regardless of their motive.”
ARTICLE 49, FOURTH GENEVA CONVENTION
HAGUE CONVENTION 1907
[8]
ZIE NOOT 7
[9]
” The European Union reiterates that  all settlements in the occupied Palestinian territory, including East Jerusalem, are illegal under international law, constitute an obstacle to peace and threaten to make a two-state solution impossible”
EUROPEAN UNION
EXTERNAL ACTION
STATEMENT BY FREDERICA MOGHERINI ON THE LATEST\
DECISIONS BY THE ISRAELI GOVERNMENT REGARDING
THE SETTLEMENTS
BRUSSELS, 31 MARCH 2017
 
 

The Israeli government’s decisions on 30 March to establish a new settlement deep inside the West Bank, to issue tenders for almost 2,000 settlement units and to declare further land deep inside the West Bank as “state land” all threaten to further undermine prospects for a viable two-state solution, which remains the only realistic way to fulfill the aspirations of both sides and achieve just and lasting peace on the basis of a negotiated agreement between both parties.

The European Union reiterates that  all settlements in the occupied Palestinian territory, including East Jerusalem, are illegal under international law, constitute an obstacle to peace and threaten to make a two-state solution impossible. The European Union calls on Israel to end all settlement activity and to dismantle the outposts erected since March 2001 in line with prior obligations.

The European Union takes note of reports that Israel intends to restrict significantly future settlement construction in view of advancing Israeli-Palestinian peace. Affirmative steps are badly needed in order to reverse the negative trends that are imperilling the two state solution and thereby create a political climate conducive to resuming meaningful and credible negotiations. We expect declarations of intent to be followed by actions on the ground.

The European Union reaffirms its strong support for a just, sustainable and comprehensive resolution of the Israeli-Palestinian conflict, and peace and stability in the region, and will continue to work towards that end with both its Israeli and Palestinian counterparts, all other relevant stakeholders in the region – in particular in the framework of the Arab Peace Initiative, as we discussed at the recent Summit of the League of Arab States in Jordan – and with the rest of the international community.

Reacties uitgeschakeld voor Medeplichtig aan internationale misdrijven!/Reactie op antwoord Metropoolregio

Filed under Divers

Comments are closed.