Het proces tegen Joke Kaviaar [overgenomen van Steungroep 13 september]/RP: De Dienst Nationale Recherche en de Vervolging van Joke Kaviaar en de No-Border Beweging

HET PROCES TEGEN JOKE KAVIAAR [OVERGENOMEN VAN STEUNGROEP 13 SEPTEMBER]/ARTIKEL R.P./DE DIENST NATIONALE
Geachte lezers,
Zoals bekend dient het proces tegen schrijfster, dichteres en activiste tegen het inhumane asiel en migratiebeleid Joke Kaviaar, wegens opruiing 
op dinsdag 8 januari te Haarlem, om 13.45, voor de Meervoudige Kamer, Simon de Vrieshof 1
Hieronder heb ik vijf keer aandacht geschonken aan dit proces wegens opruiing, in de vorm van een Engelstalig op Indymedia UK verschenen artikel  twee opiniestukken , de solidariteitsoproep van de Steungroep 13 september [de Steungroep
rond Joke Kaviaar] en het indrukwekkende  Statement  van Joke Kaviaar zelf
Daarnaast zijn onder in het Persbericht  van de Steungroep nog te lezen  twee solidariteitsbetuigingen , een strijdbare video van Joke Kaviaar
en muziekgroep Zibabu  en het reeds genoemde en op deze website opgenomen  Engelstalige stuk van Indymedia UK
Zonder de door mij niet geplaatste bijdragen, waaronder nog een recente ook maar enigszins tekort te willen doen, wil ik hier aandacht schenken aan een byzonder artikel van R.P., ”De Dienst Nationale Rechereche en de vervolging van Joke Kaviaar en de No Border Beweging
Op indringende wijze wordt er inzicht gegeven in de opsporingsmethoden en politieke ”doelgroepen” van De Nationale Rechereche
Door welke opsporingsdienst Joke Kaviaar werd gearresteerd op 13 september 2011
Overigens staan op de website van de Steungroep twee  door mij geschreven Steunbetuigingen  aan Joke Kaviaar
Vriendelijke groeten
Astrid Essed
ARTIKEL
DE DIENST NATIONALE
RECHERECHE EN DE VERVOLGING VAN JOKE KAVIAAR EN DE NO-BORDERBEWEGING

6 januari 2012
roelof [monkey] riseup [Dt] net

 

Aan de vervolging van Joke Kaviaar voor vermeende “opruiing” tegen het “openbaar gezag” ging een langdurig onderzoek vooraf. Toen Joke op 13 september 2011 thuis werd gearresteerd en enkele dagen in volledige beperkingen werd opgesloten was dit onderzoek al in volle gang. Reeds een half jaar lang (vanaf 14 maart 2011) vond onder leiding van Officier van Justitie Guus Schram, belast met het onderzoek naar “asielgerelateerd extremisme”, door de Dienst Nationale Recherche (DNR), een onderzoek plaats met de naam “Gulkana”. Bijna twee jaar later zal het onderzoek dan nu toch, op 8 januari 2013, tot een rechtszaak leiden. Bij het onderzoek, en het optreden van de DNR, kunnen echter vele vraagtekens worden gezet. Waarom bijvoorbeeld een afdeling met de Orwelliaans aandoende naam Unit Contra Terrorisme en Activisme (UCTA) een dergelijk langdurig en uitgebreid onderzoek zou uitvoeren naar een betrekkelijk simpele verdenking van opruiing is op zijn minst raadselachtig.

 

 

Deze bijdrage aan de discussie, gestart door Steungroep 13 September voorafgaande aan de rechtszaak van Joke Kaviaar, heeft als eerste doel meer achtergrondinformatie te geven over de politieke aspecten en achtergronden van de zaak. De tekst zal proberen om de discussie over de rechtszaak en de vervolging verder te brengen dan tot nu toe is gedaan in de openbare media, met simpele “oneliners” en het woord-voor-woord overnemen van spaarzame persverklaringen en mededelingen van het Openbaar Ministerie.

Een korte blik op de geschiedenis van de DNR zal laten zien dat het vervolgen van activisten en het inzetten van vergaande opsporingsmiddelen de DNR niet vreemd is. Het tweede doel van het artikel is dan ook de mysterieuze sfeer omtrent de UCTA weg te nemen, en meer informatie te geven over de UCTA als onderdeel van de DNR, en diens rol bij het in de gaten houden en registreren van activisme, waaronder het onderzoek naar Joke Kaviaar. Er zal hierbij gebruik gemaakt worden van het aan de steungroep beschikbaar gemaakte, onvolledige, strafdossier en ook andere openbare documenten als beleidsdocumenten van het OM en DNR zullen worden geraadpleegd.

 

De DNR als klaploper van het “Recht”

De Dienst Nationale Recherche, kortweg DNR, is de opsporingsdienst van de Koninklijke Landelijke Politie Dienst (KLPD), en wordt in de volksmond ook wel de Nederlandse FBIgenoemd. De DNR is de voortzetting van de eerdere kernteams die na een geruchtmakende IRT-affaire werden ontbonden. Tot de opheffing van het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland / Utrecht in december 1993 werden buiten medeweten van het Openbaar Ministerie (OM) grote containerladingen drugs Nederland binnen gesmokkeld door het IRT. Zo hoopte de recherche destijds door te dringen tot de Nederlandse drugsmaffia. Ironisch genoeg werden hiermee juist enkele drugssmokkelaars groot gemaakt, die ook behoorlijke invloed (lees: corruptie) verwierven binnen het politieapparaat. Na een grootscheeps parlementair onderzoek door Commissie-Van Traa(1994-1996) werd het politieapparaat gereorganiseerd en werden bijzondere opsporingsmiddelen als observatie, infiltratie, pseudokoop, en het afluisteren van telecommunicatie aan strengere regels gebonden. Met de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (BOB, 2000) dient het gebruik van dergelijke opsporingsmethoden eerst goedgekeurd te worden door het OM. In ieder politieonderzoek dient een BOB-document te beschrijven welke bevoegdheden gebruikt zijn tijdens het onderzoek en op welke basis deze zijn ingezet, alsook tegen wie. Maar ook hier blijkt dat, precies tegen het ideaal van de BOB dat er verantwoording kan worden afgelegd, het OM en DNR wederom dezelfde scoringsdrang aan de dag leggen die allereerst kon leiden tot de IRT-affaire. Zo wordt vaak ontlastende informatie achtergehouden en wordt ook met bevoegdheden geknoeid, zoals we zullen zien.

De DNR houdt zich net als haar voorgangers bezig met de bestrijding van zware criminaliteit en werkt hiervoor samen met buitenlandse politiediensten en soms met deAlgemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Als opsporingsdienst is de DNR vooral geïnteresseerd in het netwerk van een persoon en minder in het individu zelf. De DNR vertoont hiermee veel gelijkenissen met de AIVD, met als belangrijk verschil dat de DNR alleen bevoegd is tot het verzamelen van informatie in betrekking tot strafbare feiten. Ook dienen opsporingsmiddelen zo beperkt mogelijk ingezet te worden en dienen gebruikte middelen in verhouding te staan tot het vermoedelijk gepleegde strafbare feit. Een onderzoek wordt geleid door een Officier van Justitie (OvJ) en dient op termijn te leiden tot een rechtszaak. Idealiter wordt alle onderzoeksinformatie met enige relevantie voor de rechtszaak in een zogenaamd strafdossier opgenomen, waar ook de verdediging over zal beschikken. Ook zal er in de rechtszaak door de Officier van Justitie (OvJ) verantwoording moeten worden afgelegd voor de gebruikte opsporingsmiddelen. Juist op dit punt van rekenschap afleggen gaat het wel eens mis met de DNR.

Dat de DNR ook de naam van “Nederlandse FBI” niet echt waar maakt (of juist wel, afhankelijk van je mening over de Amerikaanse opsporingsdienst) blijkt bijvoorbeeld als je de kranten erop naslaat. De DNR komt vooral in het nieuws vanwege de vele “uitglijders” en het stelselmatig overtreden van de wet. Het meer recentelijk illegaal inbreken op buitenlandse computers door de DNR is illustratief voor deze manier van werken. Volgens Wilbert Paulissen, diensthoofd van de Nationale Recherche, die daarom onlangs de Big Brother Awards in ontvangst mocht nemen, wordt er naast het inbreken op computers ook in “enkele gevallen” gebruik gemaakt van spionagesoftware, zogenaamde spyware, zoals dat in Duitsland met de Bundestrojaner tot enorme ophef leidde en door de rechter als “onconstitutioneel” veroordeeld werd. In Duitsland bleek dat de Bundestrojaner, ook wel “R2D2” of “0zapftis” geheten, in gebruik was door de Bundeskriminalamt (BKA), de Duitse equivalent van de DNR, en veel meer kon dan volgens de wet was vastgelegd voor “legale interceptie”. De Bundestrojaner gebruikt dezelfde spyware als gebruikt wordt door de DNR; dit wordt door Winfried Seibert, advocaat en woordvoerder van het Duitse bedrijfDigiTask bevestigd. In de Deutsche Welle van 11 oktober 2011 verklaard hij dat DigiTask de trojansoftware aan onder andere de Nederlandse overheid heeft verkocht. Ook volgens minister van Veiligheid en Justitie, Opstelten, wordt “dergelijke software” door de Unit Landelijke Interceptie van het (KLPD) gebruikt “waarmee ten behoeve van opsporingsdiensten toegang kan worden verkregen tot die computer en/of gegevens daarvan kunnen worden overgenomen.” Dat de software veel meer dan simpele intercepties blijkt uit onderzoek door de Duitse Chaos Computer Club, dat ook de spyware als eerste op het spoor kwam. Volgens dit bevat de software onder andere een keylogger, waarmee toetsaanslagen en dus paswoorden kunnen worden geregistreerd, kan het screenshots van je beeldscherm maken, zodat precies kan worden nagegaan wat iemand op haar/zijn computer doet, neemt het Skype-gesprekken en chatsessies op en kan het op afstand de microfoon en webcam bedienen, en ook email-correspondentie kopiëren. Terwijl dergelijke software een zeer grote inbreuk op iemands privacy en privéleven maakt weigert Opstelten duidelijkheid te gegeven over overeenkomstige software. Tweede Kamervragen door bijvoorbeeld Sharon Gesthuizen (SP) en Arjan El Fassed (Groenlinks), alsook Gerard Schouw en Magda Berndse (beiden D66), en ook WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur) verzoeken door de digitale privacyorganisatie Bits Of Freedom, bekend van de Nederlandse Big Brother Awards, krijgen nul op rekest. Dat er niet veel van de politiek verwacht kan blijkt ook wel uit de zure toon waarop het woord privacy door veel politici wordt uitgesproken. Dat er hierbij sprake is van een autoritaire tendens valt niet te ontkennen. Zo is privacy voor Fred Teeven, huidig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en oud-Officier van Justitie, een “academische discussie” waar hij zich verder geen zorgen over maakt, en is privacy ook volgens CDA fractievoorzitter Maxime Verhagen een “juridisch heilig huisje” dat best mag worden gesloopt. Net zo verklaren ook de politiële bestuurders, als Bernard Welten, hoofdcommissaris van regio Amsterdam-Amstelland, zonder schroom dat rechten niet voor verdachten gelden. Weltens uitspraak dat “het recht tegenwoordig als schuilplaats voor het kwaad [wordt] gebruikt” en zijn instemming met “wie de wet overtreedt, verspeelt zijn rechten”, zoals hem als vraag werd gesteld in 2003 op een symposium over strafrecht, sluit hier ook op aan.

Een ander voorbeeld van het zonder moeite overtreden van de wet door de DNR en het OM, en het verexcuseren hiervan door de politiek, komt naar voren in de vele “dwalingen” in rechtszaken waar informatie door het OM op onwettige wijze verkregen blijkt te zijn, in strijd met de rechten van verdachten of advocaten, of waar (ontlastende) informatie gewoonweg wordt achtergehouden. Hierbij valt te denken aan de Hells Angels zaak, het zogenaamde project Passage onderzoek, uit 2007 waar “per ongeluk” een uitgetypt tapbericht in het zaakdossier terecht kwam. Door de oplettende advocaat Nico Meijering kwam aan het licht dat de DNR gesprekken tussen verdachten en advocaten systematisch had afgeluisterd, in overtreding van het verschoningsrecht. Opmerkelijk genoeg was Guus Schram, die ook het grootste gedeelte van het Gulkana onderzoek naar Joke leidde, recentelijk overgenomen door G. Visser, ook actief als Officier van Justitie bij de Hells Angels zaak. Schram zag niets verkeerds aan de gang van zaken en deed het af als “incident” en ook Fred Teeven, huidige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, sprak van “incidenten”. Desgelijks was ook de aangespannen civiele rechtszaak tegen het onrechtmatig handelen van DNR en OM volgens Teeven niet de taak van een rechter, omdat de “richtlijnen” van het OM al waren aangescherpt. De rechter dacht hier gelukkig anders over en verklaarde het OM onontvankelijk.

Soortgelijke gevallen hebben zich volgens een verontrustend onderzoek van Zembla van 31 januari 2010 veel vaker voorgedaan en zijn dus zeker geen “incident” te noemen. De laatste 10 jaar zijn door het OM minstens 23 keer geheimhoudersgesprekken niet gewist en is 15 keer aantoonbaar belangrijke informatie achtergehouden. In een reactie op het Zembla onderzoek zegt H. Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, dat dergelijke “fouten” wel degelijk gevolgen hebben voor de “foute officieren”, zoals Zembla ze noemt, maar wil niet meer kwijt dan dat “[e]r een disciplinaire maatregel opgelegd [wordt]”. Verdere uitleg over wat een “disciplinaire maatregel” inhoudt wil Brouwer niet geven, hij “zie[t] niet in wat de toegevoegde waarde is om uit te leggen wat die maatregel precies inhoudt.” Volgens Zembla echter “blijkt dat alle officieren die één (of meerdere keren) in de fout zijn gegaan nog in functie zijn of zelfs promotie hebben gemaakt.” Een ernstig probleem ligt dus zowel bij het optreden van de DNR, als bij individuele OvJ’s, het OM en politici die het allen bijster weinig interesseert of politie en Justitie zich wel aan de wet houden.

Dat vooral het achterhouden van informatie door de DNR en het OM een terugkerend probleem is blijkt bijvoorbeeld ook uit de Deventer moordzaak waar belangrijke ontlastende verklaringen door het OM werden achtergehouden en waar de rechter moest oordelen op gebrekkige, onvolledige informatie, waarbij het optreden van de DNR en het OM zo rooskleurig mogelijk was geschetst. Een ander recenter voorbeeld is de uitspraak van de Hoge Raad die op 15 december 2012 die besloot dat het arrest van het gerechtshof in Den Bosch inzake de Zes van Breda moet worden vernietigd en de rechtszaak helemaal opnieuw moet. Ook hier bleek dat politie (DNR) en justitie (OM) “enkele voor de verdachten ontlastende verklaringen uit het [justitie]dossier [hadden] weggelaten.” Dit zou wellicht kunnen betekenen dat zes personen jarenlang (tot 10 jaar) ten onrechte in de cel hebben gezeten. Het probleem ligt alweer in de opmerkelijke manier waarop een bijzonder partijdig orgaan als het OM, dat enkel gericht is op het veroordeeld krijgen van een verdachte, de essentiële taak verricht van het selecteren van onderzoeksinformatie waarop een rechtszaak gebaseerd zal zijn. Aansluitend aan het gebrek aan sancties en zelfs promoveren voor OvJ’s die de wet overtreden, zoals Zembla al berichte, komen dergelijke eufemistisch genoemde “rechterlijke dwalingen” ook nog vaker voor dan tot nu toe wordt aangenomen, zo bepleit advocaat Geert-Jan Knoops in het Algemeen Dagblad van 24 december jl,

Op dezelfde wijze worden ook aan het illegaal inbreken op computers voor de DNR geen consequenties verbonden. De DNR kan ongestoord haar gang blijven gaan. Het inbreken op computers van verdachten wordt door Lodewijk van Zwieten, Officier van Justitie voor “cybercrime en interceptie”, zonder schaamte in de Volkskrant verdedigd met de woorden dat inbreken dan wel is “verboden”, maar voor de opsporing van cybercrime toch echt “onvermijdelijk”. Ook Minister Opstelten reageerde instemmend en beloofde aan de DNR plechtig onderzoek te zullen verrichten over hoe de wet zou moeten worden veranderd om het inbreken op computers alsnog wettelijk mogelijk te maken. Niet “of” het optreden wel gewenst was, was de vraag en of een wetswijziging wel nodig was, maar al direct – zonder verdere discussie – vroeg de minister zich af “hoe” het onwettige optreden van de DNR achteraf nog legaal kon worden gemaakt.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat er niet alleen sprake is van machtsmisbruik door de DNR zelf, maar dat ook de overheid faalt dergelijke instanties aan banden te leggen. Zeker zo alarmerend is ook het gebrek aan respons vanuit de samenleving zelf. Zo zijn ook de verschillende reacties vanuit de samenleving in Duitsland en in Nederland met betrekking tot het gebruik van spionagesoftware door de DNR opmerkelijk. In Duitsland gingen duizenden mensen de straat op, in Nederland geen. Van echt grootschalige protesten over het inperken van burgerrechten is in Nederland echter weinig te merken. De DNR heeft dus zo goed als vrij spel om naar eigen goeddunken te handelen, waarbij de wet geen obstakel vormt. Het enige obstakel (tot het chagrijn van DNR en politiek) dat soms wordt opgeworpen is door obstinate rechters die voet bij stuk durven te houden, ondanks de grote druk van de rechtse law-and-order politici. Meer fundamentele kritiek komt er alleen van de paar volhoudende bloggers en journalisten die de weg naar de WOB (Wet Openbaarheid en Bestuur) goed weten te vinden, als bijvoorbeeld Rejo Zenger, Brenno de Winter, Roger Vleugels, weblog Sargasso, en het activistische Artikel-140collectief, en ook vanuit organisaties als eerdergenoemde Bits of Freedom en het al langer bestaande politie- en inlichtingen onderzoeksbureau Buro Janssen & Jansen. Maar ook het doen van dergelijk onderzoek naar schendingen van privacy en rechten wordt steeds moeilijker doordat de WOB stelselmatig wordt uitgekleed door oud-Minister Donner en opvolgers; bovendien groeien de uitzonderingsgronden en beperkingen die aan de WOB worden gelegd gestaag.

Met deze geschiedenis van optreden van het DNR in het achterhoofd moge het dan ook duidelijk zijn dat de zorgen die Steungroep 13 September plaatst bij het “buitensporige” Gulkana onderzoek en het mogelijk “politiek show- en proefproces”, zoals ook in het persbericht van 27 december te lezen valt, niet uit de lucht komen vallen.

 

DNR jaagt op dierenrechtenactivisten: De BPRC-zaak

Een eerder “politiek show- en proefproces” speelde in 2004 in een strafzaak tegen enkele dierenrechtenactivisten. Begin dat jaar was in opdracht van het College van procureurs-generaal, het vijf-koppige bestuur van het Openbaar Ministerie (OM), onderzoek naar dierenrechtenactivisme al geprioriteerd als onderzoeken van “nationaal belang”, en was er een nationale Officier van Justitie voor “dierenrechten extremisme” aangesteld. De zaak uit 2004 vertoont veel gelijkenissen met de huidige zaak van Joke en het is daarom wellicht nuttig om bij deze zaak stil te staan.

In april 2004 vond er een symbolische onhekkingsactie plaats bij proefdiercentrum BPRC in Rijswijk. ‘s Nachts werd enkele meters hekwerk verwijderd als protest tegen dierproeven die in Nederland jaarlijks aan 700.000 dieren het leven kosten. De politie wist van de actie en filmde alles met infrarood camera’s. Bij terugkomst van de actie werden alle 8 actievoerders door de gereedstaande politie en recherche gearresteerd. De gearresteerde activisten werden, net als Joke, meerdere dagen in volledige beperkingen vastgehouden en werden verschillende keren verhoord door de recherche, waarbij ze geïntimideerd werden met lange straffen die zouden volgen. Hierbij werd hen medegedeeld dat ze het als dierenrechtenactivist wel eens moeilijk zouden kunnen krijgen met de aankomende terrorismewetgeving. Tegelijkertijd vonden er op verschillende adressen in Nederland huiszoekingen plaats waarbij rechercheurs van de DNR in kogelvrije vesten naar binnen stormden, achter schilderijen en boeken keken, en allerlei papierwerk en computers meenamen voor onderzoek. Vanaf het begin was duidelijk dat het de politie om meer te doen was dan de onthekkingsactie waarvoor de activisten waren gearresteerd. De arrestatie maakte deel uit van een grootschalige politieoperatie, waarbij de dierenrechtenbeweging in zijn geheel werd onderzocht vanwege de succesvolle en, voor Nederlandse begrippen, behoorlijk massale protestacties die op dat moment tegen het BPRC plaatsvonden. Tijdens de rechtszaak en hoger beroep die volgde werd duidelijk dat de DNR en AIVD in nauwe samenwerking voor, tijdens en na de actie telefoons hadden afgeluisterd, en mensen zelfs meer dan een maand hadden gevolgd. Zo kon een verdachte woord voor woord teruglezen waar hij het met zijn vriendin in de kroeg over had gehad en werd zelfs een zwempartij in een meertje minutieus, tot op de kleur van de onderbroeken, gerapporteerd. Verder bleek dat het dossier, naast allerlei compleet irrelevante informatie, volstond met allerlei verdachtmakingen en aannames, puur op basis van de vermeende “ideologische motieven” van de verdachten. In deze lijn drong Hofaanklaagster Plugge tijdens de rechtszaak aan op verzwaring van de tenlastelegging “openbare geweldpleging” tegen een hek, omdat de actie “doelbewust was gepland vanuit een ideologie en dergelijke radicale acties door dierenactivisten ontwrichtend zijn voor de democratie”. Hoe het symbolisch een gat knippen in een hek ontwrichtend zou zijn voor de democratie werd door Plugge niet aannemelijk gemaakt. Wel wist Plugge, zo vertelt een verdachte uit die tijd vandaag de dag, te vermelden dat “zij [de verdachten] het soort mensen waren die gebouwen in brand steken”. De gelijkenis met de zaak van Joke is hier treffend: niet het optreden zelf of enige acties zijn op zichzelf gevaarlijk, maar juist haar politieke stellingname is wat haar “verdacht” maakt. Hierin ligt dan ook het “politieke karakter” van de strafzaak en vervolging voor opruiing. Ook al werden de verdachten uit de BPRC-zaak uiteindelijk per persoon “slechts” tot een schadestelling van 500 euro veroordeeld – nog steeds behoorlijk voor een gat in een hek – en werden ze onmiddellijk vrijgelaten, de affaire heeft op de actievoerders en op de dierenrechtenbeweging uit die tijd een behoorlijke impact gehad. Het is niet niets om opgepakt te worden, door de media als “extremist” bestempeld te worden, en geïntimideerd te worden met lange eenzame opsluiting, of om je persoonlijke telefoongesprekken terug te kunnen lezen in een politiedossier, Ook al word je uiteindelijk vrijgelaten en blijkt dat de groots opgezette politieoperatie niets dan overdreven machtsmisbruik is geweest, het blijft een traumatische ervaring, die tijd nodig heeft om te verwerken.

Naast het directe, persoonlijke, traumatische effect, mag ook het bredere effect van een dergelijke politieke vervolging niet uit het oog verloren worden. Dit effect moet niet slechts gezocht worden in het zogenaamde “juridische” succes of verlies van de strafzaak of de representatie in de media, maar vooral in de afschrikkende werking die van een dergelijke vervolging uitgaat. Dit mechanisme wordt door Amerikaanse hoogleraar in de rechten, Dara Lovitz, het muzzle effect genoemd, waarbij het vervolgen en brandmerken van activisten als “extremist” of “terrorist” een gehele sociale beweging kan ontregelen door de verlammende werking op iedereen die sympathiseert en zich verbonden voelt met de vervolgde actievoerders.

 

DNR jaagt nu ook op No-Borderactivisten

Vergelijken we de zaak van Joke verder met de BPRC-zaak uit 2004, dan valt op dat er in beide gevallen sprake is van relatief lichte feiten – destijds geweld tegen een hek, en nu het schrijven van “opruiende” teksten – en dat er in beide gevallen – dat blijkt voor Gulkana uit het strafdossier en is ook de verwachting voor de rechtszaak tegen Joke – vooral gehamerd wordt op de politieke overtuiging zelf – niet op de daden – die uiterst gevaarlijk zou zijn. Eerder werd ook al iets soortgelijks beweerd door de AIVD, in het hetzerige rapport “Het vuur van verzet” over de no-borderbeweging, was op de eerste pagina al een citaat van een gedicht van Joke viel te lezen dat “opruiend” wordt genoemd. Zo wordt ook nu, maar dan door de DNR, op eenzelfde wijze Joke, die met open vizier haar kritiek geeft op het huidige asiel- en vreemdelingenbeleid, bestempeld als “extremist”, als lastpost, als onruststoker. In navolging van de politieke discussies van rechtse politici met moties tot het vervolgen van activisme als “terrorisme”, manifesten voor “nette dierenrechtenorganisaties”, of het beschimpen van actievoerders die voor rechten van asielzoekers opkomen als “gebruiken voor eigen belangen”, is de AIVD er deels in geslaagd om activisme neer te zetten als “potentieel terrorisme”. De DNR neemt nu deze criminalisering van de AIVD over en start een politieke vervolging en aansluitend showproces om de algehele no-borderbeweging in kwaad daglicht te stellen en sympathisanten af te schrikken.

Schram ontkent dat er sprake zou zijn van een politiek-gemotiveerde criminalisering en vervolging van de no-borderbeweging en doet dergelijk denken af als “complot”-denken. Zo zegt Schram in Vrij Nederland van 15 maart 2012 dat de aanhouding van Kaviaar voor opruiing “op zichzelf staat” en verder “niets te maken [heeft] met wat zij verder in een groep doet.” In het proces-verbaal van de DNR staat echter iets heel anders te lezen. Wettelijk wordt in de eerste twee weken het doel van een onderzoek vastgelegd, waarbij het onderzoek alleen mag plaatsvinden binnen de limieten als gesteld binnen deze “doelstellingen”. De “doelstelling(en) van het opsporingsonderzoek Gulkana” zijn volgens het proces-verbaal: “1. Doen ophouden feit”, “2. Ontmoedigen verdachte en groepering” en “3. Signaal afgeven aan verdachte, groepering en bevolking”. Volgens de tweede en derde doelstelling, naast het door Schram genoemde vervolgen van Joke wegens “opruiing” (doelstelling 1), is het onderzoek wel degelijk politiek gemotiveerd door het willen “ontmoedigen”, waarbij het afgeven van een “signaal” gezien moet worden als intimideren met het vervolgen van mogelijke andere activisten, van de verschillende actiegroepen die zich verzetten tegen het uitsluiten en deporteren van migranten, alsook de gehele no-borderbeweging. De vervolging van Joke moet dus welzeker gezien worden als het criminaliseren en trachten lam te leggen van de no-borderbeweging onder het mom van “vervolging voor opruiing”, teneinde daarmee ook andere vormen van protest of kritiek tegen de Nederlandse overheid af te schrikken. Ook hier kan er gesproken worden van een intentie om van staatswege een sociale beweging te muilkorven, om met Dara Lovitz te spreken. Voor zowel de BPRC zaak als voor de huidige zaak is er sprake van een strategie van “demobilisatie” en “onderdrukking”. Repressie van overheidswege moet volgens Amerikaanse politicoloog Jules Boykoff gezien worden als een “proces waarmee de randvoorwaarden voor dissidente actie, mobilisatie, en collectieve organisatie worden geremd door het verhogen van hun kosten of het minimaliseren van hun voordelen”.

“Kosten” voor dissidenten kunnen worden verhoogd door hen juridisch te vervolgen, door opgeblazen beschuldigingen, zoals in het verleden ook vaak met artikel 140 voor “criminele organisatie” is gebeurd tegen de kraakbeweging en tegen radicaal-linkse tijdschriften als Bluf! of Ravage, of met het van stal gehaalde opruiingsartikel, artikel 131. Dit vroegere “antirevolutie” artikel ter “bestrijding revolutionaire woelingen” werd in 1920 uitgeroepen om in de turbulente begin van de 20e eeuw, toen revoluties en opstanden door Europa waaiden, radicalen en radicale geschriften buiten de deur houden. Naast de bestaande strafbaarstelling tot “samenspanning” tot misdrijven “tegen de veiligheid van de staat”, werd met artikel 131 ook het ”voorbereiden” of ”aanzetten” daartoe strafbaar gesteld. Het censureren van teksten en brandmerken van auteurs kreeg met artikel 131 een wettelijke basis. Het “censuur”-artikel werd als eerste gebruikte tegen vier anti-koloniale Indonesische studenten (1927) en tegen vrijdenker Anton Constandse (1927), maar ook tegen dienstweigeraars, anti-militaristen, stakingsleiders, revolutionair socialist Henk Sneevliet, en meer recentelijk Roel van Duin (1966). Wat deze allen gemeen hebben is dat zij ongehoorzaam waren aan de geldende wetten en regels en vochten, en teksten publiceerden – voor vrijheden die nu als heel natuurlijk worden beschouwd, van anti-kolonialisme, vakbondsrechten, tot zorg om het milieu. Joke Kaviaar bevindt zich op dit punt in goed gezelschap. De tijden zijn dan wel veranderd, maar de methodes om critici van de overheid de mond te snoeren niet echt, zelfs het wetsartikel is hetzelfde gebleven, al is de naam veranderd en de inhoud alleen maar uitgebreid. De huidige vervolging van Joke Kaviaar en het gebruik van het “anti-opruiing” of “censuur”-artikel sluit aan bij de genoemde tactiek van het “verhogen van kosten” voor dissidenten. Door het starten van een onderzoek en strafzaak tegen een activiste gaat kostbare tijd en energie op aan een politiek strafproces, en is er minder tijd en energie over voor het kritiseren en het beletten van het overheidsoptreden tegen vluchtelingen.

Een andere methode bestaat uit het splitsen van een beweging in “gematigden” en “radicalen”. De overheid gaat de dialoog aan met de “gematigden”, op belofte dat die afstand zullen nemen van de “radicalen”, en zetten hardere maatregelen als rechtsvervolging of politiegeweld in tegen de “radicalen” om de “gematigden” af te schrikken en onder deze druk de kant van de overheid te laten kiezen. Dit samenspel tussen passieve en actieve repressie komt op dit moment het duidelijkst naar voren in de strijd voor de “Wij zijn hier” asielzoekers die op verschillende plekken in Nederland kampementen hadden opgeslagen en nu ontruimd zijn door de desbetreffende gemeentes. Het wegzetten van de “radicalere” actievoerders als “demogekkies”, zoals onlangs gedaan door blogster Jacqueline Makbouli schiet te binnen. Hoewel het trachten te beletten van de ontruiming van het Notweg kamp in Amsterdam door middel van een menselijke kring om het kamp in samenspraak en op verzoek van de vluchtelingen zelf gebeurde, was het sowieso niet erg slim, ook al was je het oneens met het plegen van lijdzaam verzet, “radicalere” medestanders – precies in de lijn van de al gaande criminalisering van actievoerders –“demogekkies” te noemen. Dit is zeker het geval als je, zoals Makboukli zelf verklaart op haar Twitter account en blog, solidariteit is met de vluchtelingen. Gezien Makbouli’s functie als strategisch adviseur Openbare Orde & Veiligheid in Amsterdam kunnen haar uitlatingen echter ook minder “dom” zijn en een ander doel dienen, namelijk allereerst het splitsen van een groot scala aan samenwerkingsverbanden tussen “radicalo’s” en “reformo’s”, en ten tweede de vluchtelingenproblematiek en de acties op straat te herdefiniëren van politiek probleem naar een “openbare orde” probleem, waarbij de schuld bij de vluchtelingen zelf komt te liggen, die “niet meewerken” en “terug moeten keren”. Ook de uitlatingen van burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam dat actievoerders “andere motieven hebben” en “misbruik maken” van vluchtelingen volgen dezelfde criminaliserende lijn, één tak van de beweging wordt gestigmatiseerd en bij een andere tak druk wordt gezet zich te distantiëren en de dialoog aan te gaan met de overheid, die – linea recta tegen de eisen van de vluchtelingen in – alleen maar wilt dat de vluchtelingen het land verlaten.

De belangrijkste verdediging tegen alle vormen van repressie, suppressie en demobilisatie is om je als beweging allereerst niet tegen elkaar uit te laten spelen en solidair te blijven met elkaar – hoe verschillend de politieke meningen ook moge zijn. Ten tweede is het belangrijk om als beweging of onderdeel daarvan niet al te happig te zijn op zogenaamde “dialoog” met de overheid waar verhullend taalgebruik met termen als “vrijwillige terugkeer” (terugkeer is nooit vrijwillig, maar gebeurd altijd onder grote druk van overheid, IND, IOM, of zelfs vluchtelingen”hulp”organisaties) vaak maskeert dat er sprake zou zijn dan iets anders dan loze, of valse, beloften. Ten derde is het van wezenlijk belang voor het behoud van een beweging om solidair te zijn en steun te betuigen aan iedereen die te maken krijgt met overheidsrepressie. Met vooral dit laatste punt is de kern om je als beweging niet teveel in de verdediging te laten drukken en het uiteindelijke doel van “open grenzen voor iedereen”, of op kortere termijn meer rechten voor vluchtelingen, niet uit het oog te verliezen, maar je tegelijkertijd ook te wapenen tegen repressie en coöptatie door de overheid. Hiervoor is solidariteit met Joke Kaviaar dus van wezenlijk belang voor het voortbestaan van de beweging als ook voor de verdere strijd.

 

Activisme als “Ideologisch gemotiveerde Misdaad”

Nog een vorm waarop overheidsrepressie van protest uitdrukking vindt is gelegen in de manier waarop door de DNR activisten neerzet worden als ideologische criminelen. De criminalisering van activisme en officieel beleid gericht hierop heeft een vlucht genomen met de reorganisatie van de Unit Terrorismebestrijding en Bijzondere Taken (UTBT). Vanaf 2005 is de UTBT, de na 11 September opgerichte antiterrorisme eenheid van de DNR, gereorganiseerd tot de Unit Contra Terrorisme en Activisme (UCTA) waardoor activisme ook voor het eerst echt officieel onder de schaduw van terrorismebestrijding valt. Het immense effect hiervan valt af te lezen aan de hoeveelheid interne rapporten en beleidsdocumenten die sinds die tijd door de UCTA/DNR zijn verschenen waarin protest en andere vormen van sociaal verzet worden benoemd als “ideologisch gemotiveerde misdaad”, en daarbij als potentieel “terroristisch” worden aangemerkt en onder de noemer van “terrorismebestrijding” worden tegengegaan. Enkel het bestaan van een politiedienst als UCTA die tot taak heeft zowel terrorisme als activisme te onderzoeken onder dezelfde noemer “ideologisch gemotiveerde misdaad” is op zichzelf al stuitend en spreekt boekdelen over hoe er over activisme in de kantoren van de DNR gedacht wordt en laat zien dat de DNR activisme nadrukkelijk niet ziet als onderdeel van een levendige, publieke samenleving, maar vooral als veiligheidsprobleem wat dient te worden bestreden, of waar Zweedse criminolooog Magnus Hornquist vooral op wijst in wat hij noemt een nieuwe “veiligheidsmentaliteit”, waar, “[f]ear becomes a controlling mechanism for the maintenance of the social order” en waar “any element of non-conformity is construed as a threat”, en waar men denkt dat het beknotten van iedere vorm van protest het antwoord is op volgens de “veiligheidsmentaliteit” in een “steeds gevaarlijkere wereld”. Volgens dit denken wordt iedere vorm van protest al snel tot crimineel en onwenselijk gedrag bestempeld, en met de post-9/11-mania zelfs als “terrorisme” gezien. De classificatie van protest als “ideologische misdaad” kan als eerste stap in deze richting van hetverterrorismiseren van protest worden gezien, en volgt ook erg precies het scenario geschetst door Hornquist in het artikel The Birth of Public Order Policy, wanneer veiligheid het “ordeningsprincipe” wordt van de samenleving en “the focus is shifted to what a person might do instead of what a person has done.” Dit “might do” of “mogelijkerwijze”, in plaats van “gedaan hebben” is precies wat ook verweven zit in het concept “ideologische misdaad” en laat zien hoever onder andere de DNR al is afgezakt naar een simplistisch veilighiedsdenken.

De noemer “ideologisch gemotiveerde misdaad” duikt als eerste op in een memorandum van het OM uit 2004 waarin het beleid voor de jaren 2005-2010 wordt uitgezet. In dit memorandum, de strafrechtelijke aanpak van georganiseerde misdaad in Nederland 2005 – 2010, wordt “ideologisch gemotiveerde misdaad” als nieuw speerpunt voor misdaadbestrijding genoemd. Ook al wordt het concept nog niet nader gedefinieerd, nu al is duidelijk dat het OM zich ook voorstander toont om “maatregelen der terrorismebestrijding” tegen activisme te gebruiken, in navolging van de discussie die op dat moment in de Tweede Kamer wordt gevoerd over de aanstaande terrorismewetgeving en de kamerbreed gedragen motie om dierenrechtenactivisme als terrorisme te beschouwen. Zo worden in het OM memorandum “de aanslagen in New York (2001) en Madrid (2004)” gelijkgesteld aan “militante vormen van antiglobalisme of dierenactivisme” en wordt er gesproken over “militante ideologieën” van waaruit “aanslagen” worden gepleegd. Er worden echter geen voorbeelden van dergelijke “aanslagen” door antiglobalisme- of dierenactivismeactivisten gegeven, wat ook logisch is, aangezien er vooralsnog geen enkel slachtoffer is gevallen door de militantere vormen van bijvoorbeeld dierenactivisme. De meest bekende en oudste militante vorm van dierenbevrijding wordt bedreven door het Animal Liberation Front (sinds 1978 actief in Nederland onder de naamDierenbevrijdingsfront, DBF). Het ALF heeft nog nooit een enkel individu lijfelijke schade toegebracht. Eén van de richtlijnen van het ALF is niet voor niets “to take all necessary precautions against harming any animal, human and non-human.” Om dus over “aanslagen”, van het Engelse woord assassination, te spreken is absurd. Dat het OM dan ook zo achteloos het doden van duizenden mensen onder dezelfde noemer van “ideologisch gemotiveerde misdaad” kan plaatsen als protesten tegen bijeenkomsten van de G8 of Wereldbank, protesten voor een betere behandeling van dieren, en ook logischerwijs de no-borderbeweging, is alweer tekenend voor hoe het OM naar vormen van sociaal verzet kijkt. Een verklaring hiervoor is zoals we zullen zien, dat niet specifieke acties door het OM worden gezien als “terroristisch”, maar ideologieën zelf als zodanig worden weggezet.

Dit blijkt wel als we het Criminaliteitsbeeld 2005 van de DNR erbij pakken, die als antwoord op de OM memo uitkwam, en waar “ideologisch gemotiveerde misdaad” als beleidstermvan het OM wordt omgezet tot werkterm van de DNR en voor het eerst wordt gedefinieerd als, “de criminele activiteiten van personen en organisaties die uit naam van een zekere ideologie de rechtsorde aantasten”. Deze definitie wordt uitgebreid met het vervolgrapportIdeologische misdaad, Deelrapport Criminaliteitsbeeldanalyse 2007 als “de verzameling misdrijven, met inbegrip van voorbereidingshandelingen, die zijn gepleegd vanuit een levensbeschouwing.” Veel duidelijker kan het niet: het is de ideologie zelf of nog ruimer, de “levensbeschouwing”, die als gevaarlijk en potentieel terroristisch wordt beschouwd door zowel de DNR als door het OM. In 2005 gaat het nog om ideologieën die de “rechtsorde aantasten” en in 2007 heeft het werkterrein van de term zich al uitgebreid tot allemisdrijven en voorbereidingshandelingen vanuit een “levensbeschouwing”, wat breder wordt beschouwd dan ideologie. Geheel volgens deze vage definities staan beide rapporten vol met aannames en redeneringen die worden toegeschreven aan groepen, maar niet hard worden gemaakt, of elkaar in sommige gevallen zelfs tegenspreken. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over “gewelddadige activisten” die zijn vrijgesproken door de rechter. Dat een politiedienst die zich zou moeten bezighouden met “feiten”, strafbare weliswaar, echter iemand kwalificeert als “gewelddadig”, terwijl een persoon is vrijgesproken van enig strafbaar feit blijkt dat de DNR haar boekje te buiten gaat en zichzelf, alweer, boven de rechterlijke macht plaatst. Met het begrip “ideologische misdaad” wordt ieder fenomeen dat maar de potentie heeft de wet te overtreden, wat voor verzet als burgerlijke ongehoorzaamheid nu juist een “recht” is, op één grote hoop gegooid. Het onderscheid tussen “georganiseerde criminaliteit” en legitieme vormen van sociaal verzet wordt hiermee volledig losgelaten. Zo wordt in het rapport uit 2007 onder “ideologische misdaad” geschaard: “terreur aanslagen”, “zelfmoord”-aanvallen, “moord”, “brandstichting” en “gewapende strijd” evenals “vreedzaam” en “gewelddadig” “radicaal dierenrechtenactivisme”, “links-extremisme”, “activisme”, “acties” en “demonstraties”. Waar de DNR zich eerder uitsluitend richtte op “georganiseerde misdaad”, benoemd door Comissie van-Traa als “groepen die primair gericht zijn op illegaal gewin systematisch misdaden plegen met ernstige gevolgen voor de samenleving (…) en bereidheid te tonen fysiek geweld te gebruiken of personen door middel van corruptie uit te schakelen”, waarbij “ernstige gevolgen voor de samenleving” het centrale element is, werd deze taak uitgebreid tot “terrorisme-gerelateerde misdrijven” met de eerder genoemde UTBT. Met de wildgroei van het eerdergenoemde veiligheidsdenken werd ook de UTBT omgevormd tot UCTA en daarmee uitgebreid van het vervolgen van “terrorisme” tot het vervolgen van ookactivisme als “potentieel terrorisme”. Dat er bij activisme wellicht soms de wet wordt overtreden, maar toch echt geen sprake is van “ernstige gevolgen voor de samenleving” of “terrorisme” is kennelijk een gegeven wat zowel de UCTA als OM is ontgaan. Hier is dus duidelijk sprake van een “veiligheidsmentaliteit” die alle meer rationele gedachten en zorgen overstijgt, en waarbij klaarblijkelijk – om weer Hornquist te citeren – “[n]either the assessment of the problem nor the response need be proportionate to a concrete threat. It is more a question of who succeeds in establishing their definition of the situation and less one of what the threat really consists of”. Het is dan ook volgens dergelijk veiligheidsdenken waar de DNR aan leidt niet onverwacht dat op dezelfde wijze de termen “terrorisme” en “activisme” lukraak door elkaar worden gebruikt, zodat aan het einde van het rapport activisme zonder moeite kan worden neergezet als een vorm van “terrorisme”. De ernst van de dreiging die van “activisme” uitgaat is voor de DNR ondergeschikt gemaakt aan de vrijwel volledige hypothetische “mogelijkheid” op een concrete “dreiging”.

In deze zelfde trant weet het rapport nog te vermelden dat ideologische misdaad geen categorie uit het Wetboek van Strafrecht is en “niet per se terroristisch” van aard is, omdat de term “ruimer” is gedefinieerd en “lichtere criminele activiteiten” omvat. Zo kunnen dus ook lichte overtredingen die normaliter onder het civiel recht, in plaats van strafrecht vallen, worden onderzocht als “ideologische misdaad”. Op die manier wordt er niet precies één op één geschreven dat activisme als zodanig terroristisch van aard is, maar dat het wel aannemelijk is dat activisten op enig moment terroristische aanslagen zullen plegen. Zo kan, aldus de DNR, zich immers altijd “als terrorist ontpoppen.” Ideologische misdaad wordt hiermee een container begrip voor de DNR, vrij te gebruiken naar believen tegen politieke tegenstanders, niet erg anders dan publiekelijk al gebeurt met de term “extremisme”. Het grootte probleem van dergelijk definiëren is dat “ideologische misdaad” als term in interne rapporten van de DNR, en als beleidsterm van het OM, weliswaar niet direct in de publieke criminalisering van actievoerders en sociale bewegingen wordt gebruikt – hier is de term “extremisme” al voor opgetuigd –, maar dat de term gebruikt wordt om politieonderzoek en vervolgingen van actievoerders te sturen. Iedere vorm van protest kan hierdoor in potentie door de politie worden onderzocht als ideologische misdaad, waarbij als extra “bonus” een groot scala aan antiterrorismebevoegdheden de DNR ter beschikking staan, en ook samenwerking met de AIVD en het verkrijgen van inlichtingen van diens hand aannemelijker is. Zelfs al worden ergens bij een protestactie geen strafbare feiten gepleegd, dan nog kan de politie besluiten het te onderzoeken als ideologische misdaad, zeker aangezien ideologische misdaad, zoals we al lazen, geen juridisch strafrechtelijk begrip is. Dat dit op grote schaal gebeurt zal duidelijk worden als over een paar pagina’s de politieke registratie van activisten in politiedatabanken wordt beschreven. Dat dit zo makkelijk kan heeft te maken met de interpretatie die de DNR kan geven wanneer ergens sprake zou zijn van ideologische motieven. Een “ideologische motivatie” is volgens de DNR “aannemelijk als er aanwijzingen zijn of uit feiten of omstandigheden blijkt dat een ideologisch of levensbeschouwelijk motief in het geding is”. Maar de interpretatie van ideologie, filosofie, of levensbeschouwing en het duiden van een fenomeen als “ideologisch” is geheel afhankelijk van de invulling die de DNR er aan geeft. Met andere woorden, een misdaad wordt een “ideologische misdaad” wanneer de DNR beslist dat dit zo is.

Zo wordt bijvoorbeeld over de “ideologie” van het “Communisme” vermeld dat bij aanhangers van deze “tamelijk obscure beweging (…) betrokkenheid bij geweld aannemelijk is”. Hieruit blijkt wel dat de DNR kennelijk nog steeds gevangen zit in het oude Koude Oorlog vijand-denken. Zoals politie- en inlichtingenonderzoeksbureau Jansen & Janssen ook in het hun analyse van de rapporten over “ideologische misdaad”, Politieke Politie in Nederland, treffend stelt: “[d]at Stalin tijdens zijn regime veel geweld heeft gebruikt, maakt de NCPN in Nederland nog niet tot een groep van ideologische misdadigers.” En daar ligt precies de kern van het probleem, niet dat Stalin geen massamoordenaar zou zijn maar, dat de DNR hier enkel en alleen op aanname van iemands persoonlijke politieke opvattingen een persoon als geheel beschouwd als “gewelddadig” en dus “verdacht” of zelfs potentieel “terrorist”. Logischerwijze zullen alleen bepaalde opvattingen, die afwijken van de hedendaagse dominante ideologie, als verdacht worden beschouwd, terwijl anderen juist boven kritiek worden verheven. Hiermee beweegt het politieapparaat zich, zoals ook beargumenteerd door Jansen & Janssen, in de richting van een politieke politie, een “gedachtenpolitie”. Zo schrijft de DNR over “kapitalisme”, de ideologie die achter het grootste gedeelte achter de huidige politieke structuren ligt en ook de dominante kijk op de wereld het sterkst bepaald, dat deze “op zichzelf niet voor een ideologie staat”. Dit is wellicht ook de reden dat de DNR zo weinig oog heeft voor de wereldwijde financiële fraude en witteboordencriminaliteit. Dat de huidige dominante orde in hoge mate ideologisch bepaald is, en dat overheidsoptreden zeker ook “ideologisch” getint en gemotiveerd is, volgens bijvoorbeeld het neoliberale gedachtegoed kapitaal en producten boven mensen stellen, of de nationalistische ideologie waar burgers tegen niet-burgers – zoals asielzoekers – worden gezet, kunnen we dus maar beter vergeten. Als we de DNR moeten geloven is de huidige politieke orde en grootste gedeelte van de maatschappij ontdaan van enige “ideologie” of “levensbeschouwing”. De kern van deze visie is dat ideologieën als zodanig gevaarlijk zijn en iedere vorm van ideologie, politiek handelen van individuen – anders dan vanuit de huidige kapitalistische, neoliberale, representatief democratische, vrijemarkt ideologie – als zodanig moeten worden bestreden. Iedere vorm van kritiek op de overheid wordt daarbij dan ook als “ideologisch” en dus gevaarlijk beschouwd.

 

Politieke Registratie van Actievoerders

Nu we iets begrijpen van de mogelijke psyche van de opsporingsambtenaren, waarin actievoerders “ideologische criminelen” en “potentiële terroristen” zijn en “demonstraties” gelijk staan aan “terreur”, kunnen we het deel van het Gulkana onderzoeksdossier, waar als justitiedossier over beschikt kan worden, misschien ook beter plaatsen. Voor we dit doen komen we eerst kort terug op de eerdergenoemde OM-memo. Hierin komt namelijk nog een ander heikel punt naar voren, namelijk de innige relatie tussen OM, DNR en AIVD als er wordt vermeld dat bij onderzoeken naar ideologische misdaad “nadrukkelijk verbinding moet zijn met de politiële inlichtingenfunctie en met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst”. Een dergelijke “nadrukkelijke verbinding” staat echter op gespannen voet met de wettelijke scheiding tussen inlichtingen- en opsporingsfunctie. Ieder van de 25 regionale politiekorpsen huist dan wel ook de Regionale Inlichtingendienst (RID) als voorpost van de AIVD en beschikt over de een tot 20 politieagenten met “dubbele pet”, maar deze afdeling is al sinds oprichting onderwerp van kritiek en zou los moeten staan van de politiefunctie die primair is gericht op het opsporen van criminaliteit, niet op het verwerven van inlichtingen. Voor zover een RID-agent haar/zijn werk openbare orde gelegenheden betreft valt zij/hij als politie-ambtenaar onder gezag van de burgemeester. Voor zover het gaat om de inlichtingentaak valt hij als RID-er onder gezag van de AIVD en houdt zij/hij bijvoorbeeld het Regionale Inlichtingen Knooppunt (RIK), de regionale versie van de nationale politiedatabank NIK, bij. Dit al schamele onderscheid wordt met de zogenaamde “terrorismebestrijding” waar ook ideologische misdaad onder valt nog meer losgelaten. Al wordt er officieel geen fysieke papieren informatie uitgewisseld tussen politie en AIVD, anders dan de zogenaamde ambtsberichten, op basis van persoonlijke contacten is het toch erg aannemelijk dat dergelijke AIVD-informatie wel degelijk ook – zij het vanuit afgeschermde bron, of “van horen zeggen” – in een opsporingsonderzoek terechtkomt. Zeker nu er zowel bij het OM als bij de DNR, onder het mom van “terrorismebestrijding”, enkele AIVD-werknemers huizen die als brug dienen tussen AIVD en DNR/OM. Bij de DNR is dit de zogenaamde “artikel 60” ambtenaar of liaison (sinds 2002 twee bij de UCTA, en sinds 2003 één bij de Dienst Nationale Recherche Informatie, DNRI – sinds 2008 IPOL). Bij het OM zit de AIVD aan tafel in de vorm van in ieder geval twee Landelijke Officieren van Justitie voor “terrorismebestrijding” (in ieder geval één voor “dierenrechtenextremisme” en één – wellicht dezelfde – voor “asielextremisme”, als waarschijnlijk ook één voor meer “algemene” terrorismebestrijding). De Landelijke officier van Justitie (LOvJ) houdt kantoor bij de AIVD, heeft weet van alle operationele operaties, en moet beoordelen of de door de AIVD aangeleverde informatie als ambtsbericht bruikbaar wordt geacht door het OM. In het 29e toezichtrapport van de CTIVD (Comissie van Toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten) wordt er in dit verband op gewezen dat het “nadrukkelijk niet de taak [is] van de LOvJ [Landelijk Officier van Justitie] te toetsen op waarheid van de[ze] informatie.” Met andere woorden: de AIVD levert informatie aan het OM/DNR waar de juistheid niet van getoetst hoeft te worden en waarvan ook de bron, vanwege het geheimzinnige karakter van de AIVD, niet te herleiden is. Ook hier is het duidelijk dat het oordeel van de rechter in een strafzaak, helemaal wanneer de AIVD betrokken is, uiteindelijk erg afhangt van welke informatie het OM besluit vrij te geven in het “justitiedossier”. Dat het OM zo makkelijk selectief kan zijn met het naar buiten brengen van informatie uit het onderzoek ligt in het verschil tussen het politiedossieren zaak- of justitiedossier. In het politiedossier zit alle onderzoeksinformatie, terwijl het zaakdossier waar een rechtszaak op gebaseerd is en waar ook de verdediging over dient te beschikken, enkel de informatie bevat die het OM relevant acht voor de zaak. Dat hiermee gesjoemeld wordt en ontlastende informatie voor verdachten wordt achtergehouden is iets wat we al hebben gezien, met de Hells Angels zaak en de eerdergenoemde Zembla uitzending, en zal ook over enkele pagina’s weer duidelijk worden. Uiteindelijk huist er bij de UCTA ook een liaisonvan de Britse recherche, waarschijnlijk van de National Public Order Intelligence Unit (NPOIU) die een grote databank van “domestic extremists” onderhoudt en informatie aanlevert van en naar Engeland op het gebied van “ideologische misdaad”. Ook schijnen de AIVD en DNR sinds enige jaren personeel uit te wisselen om zo hun onderlinge communicatie te verbeteren en concurrentiedrift – zo bewoog de BVD, de voorganger van de AIVD, zich als concurrent van de recherche op het gebied van georganiseerde misdaad bleek uit de Van Traa Commissie aan banden te leggen, en zijn momenteel de rollen omgedraaid en manoeuvreert de DNR zich op het gebied van terrorismebestrijding.

Het maar al te graag willen registreren van actievoerders als “binnenlandse extremist”, zoals in Engeland, komt ook naar voren bij de DNR. Voor de bewijslast van zogenaamde “opruiing” door Joke is binnen het proces-verbaal in het justitiedossier Gulkana één zeer interessant document aanwezig, afkomstig van de Dienst Internationale Politiesamenwerking (IPOL). IPOL is de samenvoeging van de Dienst Nationale Recherche Informatie en de Dienst Internationale Politiesamenwerking, beide afgeleid van de eerdere Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) en bestaat sinds april 2008 als één centrale afdeling binnen de KLPD waar informatie wordt geanalyseerd en uitgewisseld met Nederlandse en buitenlandse diensten. IPOL beheert onder andere verschillende politiedatabanken zoals het Nationaal Informatie Knooppunt (NIK) en diens regionale en bovenregionale versie (RIK en DIK). In het NIK worden sinds 2006 alle “incidenten” van dierenrechtenactivisme, door IPOL “dierenrechtenextremisme” genoemd, bijgehouden en, zo blijkt nu, worden ook tal van andere protestthema’s onder de noemer “extremisme” geregistreerd. Onder “mutaties” blijkt in ieder geval één IPOL databank, waarschijnlijk het NIK, vol te staan met registraties en verslagen van acties gerelateerd aan no borders, anti-globalisme, en kraken. Dergelijke “mutaties” bestaan onder andere uit vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid als publiekelijk aangekondigde picketlines en lawaaidemonstraties, tot directie acties als blokkades van detentiecentra, maar ook “voorbereidingen”, het registreren van “kentekens” van auto’s bij “krakersbolwerken”, en video-opnames met “bike cams” bij een lawaaidemonstratie. Het lijkt zowaar alsof iedere stap die actievoerders maar zetten nauwlettend in de gaten wordt gehouden door de verschillende politiediensten en geregistreerd wordt bij IPOL. Diensten als divisie zwacri (Zware Criminaliteit) van de recherche, eerder genoemde UCTA, en de Kmar (Koninklijke marechaussee) buitelen in de zes pagina’s over elkaar heen en blijken bij IPOL een vergaarpot gevonden te hebben voor alles wat zij maar kwijt willen over activisme. Ook hierbij wordt, net zoals bij het concept “ideologische misdaad”, geen onderscheid gemaakt tussen strafbare en niet-strafbare handelingen, waarbij ook over de zogenaamde “strafbare” handelingen als “niet voldoen aan ambtelijk bevel” de ernst en noodzaak voor registratie als “extremisme” zeker betwist kan worden.

De motivatie voor al deze registraties en het gebruik van het label “extremisme” voor niets anders dan legitieme vormen van verzet wordt duidelijk uit een mutatie door een anonieme “verbalisant”. Bij één van de “mutaties” schrijft deze dat zij/hij de “betrokkenheid van verdachte J.K. als extremist tegen het asielbeleid in Nederland in de periode tussen 6 maart 2006 en 14 januari 2011” van IPOL heeft vernomen en dat haar “kennelijke afkeer van het Nederlandse asiel- of vreemdelingenbeleid doet vermoeden dat de opruiingen (…) als welgemeende oproep op het internet zijn geplaatst.” Hier wordt een grote sprong gemaakt, dus laten we stap voor stap kijken wat er hier precies gebeurt. Allereerst is het feit dat Joke als actievoerster veel demonstreert, of dan toch bekend is zich af te zetten tegen het “Nederlandse asiel- of vreemdelingenbeleid” voor een willekeurige politie-ambtenaar reden genoeg haar het label “extremist” toe te schrijven. Deze persoonlijke mening van een politie-ambtenaar wordt geregistreerd in de IPOL databank, en is daarmee verworden tot “feit” of “mutatie”. Als laatste komt dit “feit” nu weer terug in het strafdossier wat als bewijsmateriaal zal dienen tegen Joke in de rechtszaak. Hier worden niet eens iemands politieke idealen verdacht gemaakt, zoals met ideologische misdaad, maar puur het feit als zodanig dat iemand politiek actief is, is reden genoeg een persoon te stigmatiseren als “extremist” en dan ook nog eens dit “activisme” tegen haar te gebruiken als bewijs van zogenaamde “welgemeende opruiing”.

Uit de registraties in het dossier is nog niet heel veel te zeggen over de schaal van het observeren, registreren en verdacht maken van actievoerders, maar dat het gebeurt, en ook dat er hier wel heel erg “breed” geregistreerd wordt is een feit. De politie, IPOL, beheert klaarblijkelijk een centrale database waarin een lijst van actievoerders wordt bijgehouden en waar ook bezoeken aan demonstraties en autokentekens worden geregistreerd. Dit alles gebeurt puur op basis van iemands politieke bewogenheid. Met het bijhouden en registreren van alles wat maar met activisme te maken heeft bevinden de politie, en vooral de DNR en UCTA, zich op het hellend vlak van politieke vervolging. Ook de politiek zelf, die hier kennelijk geen goede controle op heeft of wenst te hebben, schuifelt hiermee samen met de DNR in de richting van een politieke politie- en inlichtingendienst, en een politiestaat. Als we de politieke registratie van actievoerders èn de politieke labeling van actievoerders als “ideologisch gemotiveerde misdadigers” door de DNR in beschouwing nemen wordt het duidelijk dat enige vorm van kritiek op het overheidsbeleid als verdacht zal worden beschouwd, en ook politiek handelen en bepaalde politieke sympathieën als verdacht kenmerk zullen worden geregistreerd. Het bijhouden van dergelijke politieregistraties is zeker niet zo onschuldig als het misschien op het eerste gezicht lijkt, en draagt ook altijd het gevaar van een berufsverbot in zich. Zo is niet uit te sluiten dat geregistreerde actievoerders hier later last mee krijgen, bijvoorbeeld door op basis van dergelijke registratie uitgesloten te worden van beroepen waar een “verklaring omtrent goed gedrag” voor nodig is, naast de meer directe vormen van repressie ten opzichte van actievoerders in de vorm van politieoptreden, politieonderzoek voor ïdeologische misdaad” en strafvervolging voor bijvoorbeeld zogenaamde “opruiing“.

 

Vervolging van Joke Kaviaar of Vervolging van De No-Borderbeweging?

De arrestatie, opsluiting, vervolging en intimidatie van Joke Kaviaar door de Nationale Recherche, en de rechtszaak van 8 januari aanstaande staan, zoals we hebben gezien, niet op zichzelf en zijn ook niet enkel gericht op de “opruiing” die gepleegd zou zijn door Joke. Veeleer is de vervolging van Joke voor “opruiing” een strategie die als doel heeft de gehele no-borderbeweging te criminaliseren als zijnde “extremistisch”, te demobiliseren, en energie en tijd die nu besteed wordt aan een offensieve strijd voor open grenzen voor iedereen, om te buigen naar een defensieve strijd gericht op zelfbescherming. De officiële reden voor de huiszoeking en arrestatie van Joke Kaviaar was, aldus gegeven door OvJ Guus Schram in Vrij Nederland, dat dit moest gebeuren om de “opruiing te doen stoppen en om te onderzoeken wie die opruiing heeft gepleegd”. Bij het waarheidsgehalte van deze uitspraak – we weten inmiddels dat dit slechts een van de drie doelstellingen van het Gulkana onderzoek vormt – kunnen nog meer vraagtekens worden gezet dan we tot nu toe hebben gedaan. In dit laatste gedeelte zullen we, ook nu we wat meer weten van de geschiedenis van de DNR en de verhoudingen tussen politie en OM, het overheidsoptreden betreffende de zaak Joke Kaviaar systematisch aanschouwen en de laatste bezwaren tegen het optreden van de DNR en de aanstaanden rechtszaak één voor één benoemen.

Allereerst was de arrestatie van Joke in het geheel onnodig aangezien de auteur van de gewraakte teksten als welbekend mocht worden beschouwd. De gewraakte teksten,RARA, wiens rechtsorde is het?Neederland wordt schoongeveegdLeers, het vuur en de dood, en Waar blijft de Hollandse opstand?, zijn stuk voor stuk, zoals gebruikelijk is voor Joke haar teksten, ondertekend door haarzelf en zijn ook onder haar eigen naam op haar website – bestaande uit alweer haar eigen naam – jokekaviaar.nl, alsook op sites als Indymedia geplaatst. Ook zijn er video- en muziekopnames te vinden op jokekaviaar.nl waarop Joke zelf de teksten ten gehore brengt. Nergens zijn de gewraakte teksten onder een andere naam te vinden, en dit wordt ook beaamd in het proces-verbaal. Over de auteur van de teksten kan dus geen twijfel bestaan, ook omdat de site al voor vele jaren door onder andere de DNR wordt bezocht zo blijkt uit bezoekersstatistieken, en de DNR dus wel erg goed op de hoogte zou moeten zijn van alles wat er maar op haar website te vinden valt. Dat er geen misverstaan kan bestaan hierover is ook omdat Joke met goede reden op eigen titel schrijft. Ze schrijft namelijk om, zo zegt ze zelf in Vrij Nederland, “mensen (..) wakker [te] schudden” en een discussie op gang te brengen over hoe wij als samenleving om gaan met vluchtelingen in Nederland en de rest van Europa. Ze schrijft hoe vreemdelingen “illegaal” worden gemaakt en daarbij iedere kans op een humaan leven wordt ontnomen, en ze schrijft hoe vreemdelingenrecht paradoxaal genoeg juist deafwezigheid van iedere vorm van rechtsbescherming inhoudt. Als haar teksten “opruiend” zouden zijn omdat ze mensen probeert wakker te schudden, op te laten staan tegen onrecht, dan zou alle politieke proza wel als “opruiend” kunnen worden gedefinieerd. Eerder was juist de arrestatie gericht op precies dit politieke feit, dat Joke staat voor haar woorden en openlijk de strijd aangaat. Dat is waarschijnlijk ook de werkelijke reden dat de DNR vanuit haar nauwe veiligheidsdenken een voorbeeld denkt te moeten stellen. En ook hier sijpelt de politieke dimensie van de zaak door, want dit vervolgen van politieke proza en vervolgen van een dissident die oproept tot verzet tegen inhumane wetten door middel van het opruiingsartikel is ook precies waar de huidige vervolging in de eerdergenoemde lijn van artikel 131 kan worden geplaatst en waar de DNR zichzelf ook in de lange lijn van politieke vervolgingen door een autoritaire overheid plaatst: Constandse, Sneevliet, van Duin, en nu Kaviaar.

Dat het doel van de arrestatie ook zou bestaan uit de zogenaamde “opruiing” te stoppen is – al zou het slechts deels de reden zijn – ook nonsens, of – als het welgemeend is van Schram – niet bijster slim. Naast het feit dat er daarbij misbruik van bevoegdheden is gemaakt – een arrestatie is immers niet bedoeld om iemand te dwingen tot handelen, daar het eerst aan een rechter is om te bepalen of teksten inderdaad “opruiend” zijn – was de kans op gehoor aan een dergelijk verzoek erg klein. Zo ook zou censurering van het internet eerder nog meer verzet opleveren, zoals ook gebeurde toen de website jokekaviaar.nl door het Landelijk Parket offline werd gehaald op 7 december 2011 en hij de volgende dag alweer terug online was gezet door hackerscollectief Anonymous. Ook de vele kopieën – mirrors – die van de website en de gewraakte teksten hier en daar verschenen op het internet getuigen hiervan. Verder was ook het dreigement van Schram om na vrijlating, toen de teksten nog steeds – of alweer – online te vinden waren, van een “tweede pleegperiode” te spreken en te dreigen met tweede opsluiting alweer misbruik van een machtsmiddel en politieke censurering het werkelijke doel.

Dit brengt ons naar de huiszoeking en de inbeslagname van spullen. Wederom zou ik willen beargumenteren dat er hier sprake is van buitensporig machtsmisbruik. Een machtiging tot huiszoeking wordt gegeven door een OvJ indien er sprake is van een “dringende noodzakelijkheid”. Hier was echter geen sprake van: de auteur van de teksten was immers bekend en de huiszoeking, in beslagname van computer, uitlezen van emailberichten, inbeslagname van usb sticks, kopiëren van telefoonklappers en adresboeken, en maken van meer dan 300 foto’s van alle kamers en voorwerpen in het huis, missen iedere relevantie voor het onderzoek naar zogenaamde opruiing. Eerder is er bij het gehele onderzoek, en zo ook bij de huiszoeking, sprake van een visoperatie – ironisch genoeg ook de naam van de opvolger van Schram G. Visser – waar onder het mom van een onderzoek naar “opruiing” een operatie op touw is gezet om Joke’s politieke activiteiten alsook de gehele sociale beweging waar zij deel van uitmaakt in kaart te brengen. Als daarbij Joke voor “opruiing” achter de tralies zal verdwijnen, dan is dat natuurlijk mooi meegenomen, zo redeneert het OM.

Dit brengt ons op het laatste punt, namelijk de oorspronkelijke aanklacht op welke basis het Gulkana onderzoek in 2010 werd gestart en op welke basis Joke op 13 september 2011 werd gearresteerd. Deze aanklacht luidde destijds: “opruiing met terroristisch oogmerk”. De terrorisme-verzwaring was destijds een raadsel. Ook al wist Schram in Vrij Nederland te vertellen dat het OM van mening was dat Joke met haar teksten “oproept tot het gebruiken van geweld” en daarbij de “staat onder druk [zet] om niet door te gaan met haar beleid” en dat daarom de verdenking “met terroristisch oogmerk” was toegevoegd, nog steeds werd het gebruik van het terrorisme-artikel gezien als al helemaal buitensporig en absurd. Dat deze verdenking nu is komen te vervallen zal natuurlijk allereerst als een opluchting komen, maar nog steeds blijft het initieel gebruik van het terrorisme artikel niet verklaard. Volgens een woordvoerder van het Landelijk Parket in het Noord Hollands Dagblad van 29 december 2012 “was er aanvankelijk wel degelijk reden om te vrezen voor een terroristisch oogmerk. ‘Maar we vinden het vooral belangrijk dat ze terechtstaat en zich moet verantwoorden voor haar woorden.’” Dat het “verantwoorden voor woorden” zwaarder zou wegen, en meer prioriteit zou hebben dan een verdenking van terrorisme, is wel heel erg ongeloofwaardig. Logischerwijs zou een verklaring gezocht kunnen worden in het feit dat – naast de overduidelijk afschrikkende werking die van de beschuldiging van “terrorisme” uitgaat – er voor terrorisme, of “terrorisme-gerelateerde misdrijven”, geen “redelijk vermoeden van een strafbaar feit” hoeft te bestaan, maar “aanwijzingen” hiertoe afdoende zijn. Waaruit een “aanwijzing” zou moeten bestaan is niet gespecificeerd in de wet, en valt dus vrij te interpreteren, naar goeddunken van de opsporingsinstantie. Een mening als geuit in het IPOL bestand door de naamloze “verbalisant” zou wellicht afdoende kunnen zijn. Ook kunnen er bij “terrorisme-gerelateerde misdrijven” makkelijker gebruik worden gemaakt van vergaande opsporingsbevoegdheden, mogelijkerwijs een andere goede reden voor het gebruik van de terrorisme-verzwaring tijdens het onderzoek, maar niet in de rechtszaal, waar rechters toch minder ontvankelijk blijken voor het extreme veiligheidsdenken wat zo gemeengoed is geworden voor de DNR.

 

Ten slot

Samenvattend kunnen we zeggen dat het onderzoek van bijna twee jaar door de DNR en meer specifiek UCTA niet erg logisch is als onderzoek naar slechts “opruiing”. Het is daarvoor te lang, te breed, en met een te buitensporige inzet van middelen. Een dergelijk onderzoek kan ook nooit in verhouding staan tot het beoogde stoppen van een simpel strafbaar feit, of het “verantwoording laten afleggen” voor schrijfsels. Daar kunnen de woorden van Schram in Vrij Nederland niets aan veranderen.

 

“Ideologische misdaad”, politieke registraties van actievoerders, een verleden van machtmisbruik, het illegaal inbreken in computers, het mogelijk achterhouden van informatie, de nauwe samenwerking tussen DNR en AIVD, OvJ’s die zelfs promotie weten te maken na het overtreden van “richtlijnen”… Uiteindelijk is de zaak van Joke symptoom voor een groter probleem, waar politie en politici elkaar afschermen voor kritiek en waar een ieder die bezwaar durft te maken tegen het misdadige overheidsbeleid ten aanzien van vluchtelingen verdacht wordt gemaakt, of – zoals bij Joke – gepoogd wordt om dergelijke kritiek, en de spreker zelf, monddood te maken. Enige vorm van gerechtigheid in de rechtszaak van 8 januari is dan ook niet te verwachten. Wat de uitspraak ook zal zijn, het zal een een politiek-gemotiveerde rechtszaak blijven, waar een actievoerster op basis van haar politieke overtuiging zich moet verantwoorden voor haar woorden, terwijl “adequate” politici mensen terugsturen naar landen die dan wel niet helemaal “veilig”, maar ook weer niet “categoriaal onveilig” zijn, zoals Teeven het onverschillig weet te stellen.

 

Een begin aan gerechtigheid zou gemaakt kunnen worden door helemaal geen rechtszaak te laten plaatsvinden, door geen politieke onderdrukking door opsporingsdiensten te laten plaatsvinden, en dat de waarheid, dat het beleid moorddadig en inhumaan is, mag worden uitgesproken en niet wordt weggestopt en verdacht gemaakt in politiek gemotiveerde rechtszaken en vervolgingen. Een rechtvaardig begin zou zijn als politici het lef zouden hebben Ministers op het matje te roepen voor het afschermen van diensten als DNR, UCTA of het OM, en om opheldering te vragen over de registraties van actievoerders bij dienst IPOL en de verdere verdachtmaking en criminaliseren van actievoerders en sociale bewegingen. Het wordt tijd voor een nieuwe Van Traa Commissie, waarbij de onderste steen boven moet komen.

Reacties uitgeschakeld voor Het proces tegen Joke Kaviaar [overgenomen van Steungroep 13 september]/RP: De Dienst Nationale Recherche en de Vervolging van Joke Kaviaar en de No-Border Beweging

Filed under Divers

Comments are closed.