”’ SAMENVATTING Vanaf het midden van de jaren tachtig nam het aantal asielzoekers fors toe. Waren er in 1985 ruim 5 600 asielzoekers, in 1990 waren dat er ruim 21 000 en in 1994 ruim 52 000.””
TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL
VERGADERJAAR 1995-1996
24 440 ASIELBELEID
NR 2 RAPPORT
file:///C:/Users/Astrid/Downloads/Asielbeleid.pdf
[SAMENVATTING STAAT OP BLZ 2]
[53]
” De prognose voor 1995 is 35 000”
TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL
VERGADERJAAR 1995-1996
24 440 ASIELBELEID
NR 2 RAPPORT
file:///C:/Users/Astrid/Downloads/Asielbeleid.pdf
[SAMENVATTING STAAT OP BLZ 2]
Reacties uitgeschakeld voor NOTEN 52 EN 53/Daar gaan we weer!
”Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst. Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.”
“Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent. Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.” zo lees ik in een interview met de Volkskrant Jan van de Beek in de Volkskrant. Ik dacht: ‘Je hebt leugens, verdomde leugens en statistieken.’ En toen ik er wat verder indook dacht ik aan appels en peren waarmee knollen voor citroenen worden verkocht.
Van wie deze uitspraak over statistiek is, is onbekend. De Amerikaanse auteur Mark Twain schreef hem toe aan de Britse premier Benjamin Disraeli, maar, als je Wikipedia mag geloven, dan is de uitdrukking: “in geen enkel werk van Disraeli te vinden en de vroegste bekende verschijningen waren jaren na zijn dood. Er zijn verschillende andere mensen genoemd als bedenkers van het citaat, en het wordt vaak toegeschreven aan Twain zelf.” Ik moest denken aan deze uitspraak bij het lezen van het interview. Een interview over zijn nieuwe boek Migratiemagneet Nederland. Mythen. Feiten. Oplossingen. Even vooraf. Ik heb het boek nog niet gelezen en baseer me alleen op zijn uitspraken de Volkskrant en gedaan bij Bar Laat van 22 oktober 2024.
“Als je onderzoek doet, moet je proberen niet links en niet rechts te zijn maar zo zuiver mogelijk je onderzoek te doen en in de spiegel te kijken wat zijn mijn vooroordelen? Waar zou je kunnen struikelen?” Aldus van de Beek bij Bar Laat. Hij wil ‘niet politiseren’. Nu is dat al een eerste spiegel waarin hij zichzelf wat vertekend waarneemt. De uitspraak over het belasten van de samenleving en de verzorgingsstaat door asielzoekers, is een politieke uitspraak. ‘Belasten’ is een waardeoordeel en waardeoordelen zijn politiserend. “We zitten op een omslagmoment. Het moet mogelijk zijn om een coalitie te smeden van flink wat EU-landen die af willen van het asielrecht in zijn huidige vorm,” in de Volkskrant, is politiseren. ‘Af willen’ van rechten is politiseren. “Je kunt wel zeggen: er wordt te weinig gebouwd, maar er is niet tegenop te bouwen. De kosten voor zorg lopen op, de onderwijskwaliteit daalt. Dat mag je best een crisis noemen.” Iets een crisis noemen is politiseren. Sterker nog, door te zeggen dat je niet wilt politiseren, politiseer je. Je politiseert omdat je als ‘neutraal en feitelijk’ bestempeld en daarmee iedereen die het anders ziet labelt als ‘bevooroordeeld en niet feitelijk’. Op dit punt is Van de Beek al ‘gestruikeld’ om zijn eigen woorden te gebruiken.
Hij noemt iedereen die naar een ander land gaat, migrant. En zo heb je dan arbeidsmigranten, studiemigranten en asielmigranten. Het verbaast me daarom dat hij de ‘vakantiemigranten’ niet heeft meegenomen. Die groepen gaat hij vervolgens met elkaar vergelijken op ‘bijdragen aan de samenleving’ en daarop scoren de asielmigranten het slechtst. Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk doen asielzoekers het slechter op de arbeidsmarkt dan mensen die hier naar toe worden gehaald door een werkgever en maken ze meer aanspraak op sociale voorzieningen dan mensen die hier komen studeren. Als je naar hier wordt gehaald om te werken heb je werk en als je naar hier komt om te studeren dan heb je geld om te overleven. Als vluchteling heb je dat niet. Dan begin je echt bij nul en omdat het gemiddeld bijna twee jaar duurt voordat je als statushouder ergens woont en dan pas mag beginnen met je inburgering, begin je eigenlijk diep in de min. En dus is het niet vreemd dat een veel groter deel van hen een beroep doet on sociale voorzieningen.
Natuurlijk is het percentage van de groep die asiel heeft verkregen dat na tien jaar nog hier woont, groter dan dat van degenen die hier komen voor arbeid of studie. Een studie duurt ongeveer vier jaar. Degenen die blijven hebben hier werk, een partner en waarschijnlijk allebei gevonden. Iets soortgelijks gaat ook op voor mensen die hier voor werk naartoe komen. De tijden dat je na veertig jaar trouwe dienst bij een werkgever met pensioen gaat, zijn allang voorbij. Na een jaar of vier ben je weer toe aan ‘een nieuwe uitdaging’ en die kan overal liggen. Iemand die asiel zoekt, komt hier omdat de persoon een veilig heenkomen zoekt, omdat het land van herkomst door oorlog of de politieke situatie voor de persoon te gevaarlijk is. In de landen waar het gros van de huidige vluchtelingen vandaan komen, landen als Afghanistan, Syrië en Eritrea, is nog steeds in oorlog of is de politieke situatie van dien aard dat velen hun leven er niet zeker zijn.
“‘Dan is er de factor culturele afstand tot het herkomstland. Als die te groot is, is dat nadelig voor integratie. Dat pakt slecht uit voor participatie op de arbeidsmarkt en leidt tot oververtegenwoordiging in criminaliteit. Wat helpt, zijn gemengde relaties.” En “ juist asielmigranten uit andere delen van Afrika en het Midden-Oosten, veelal moslims, hebben weerstand tegen gemengde relaties. Daar hapert de integratiemotor.” Aldus Van de Beek in de Volkskrant. Om te integreren moet de club waarin je verwacht wordt te integreren wel open staan voor je integratie. Het narratief waarvan Van de Beek hier de milde variant geeft, ze zijn ‘te verschillend’, en dat ook in steeds extremere mate door partijen als de BBB en de PVV wordt gehanteerd, draagt niet bij aan het ‘open staan’ en het zal de belangstelling voor een gemengd huwelijk onder de kant van de geboortige Nederlanders, niet echt doen toenemen. Dat narratief is een self-fulfilling prophecy.
Wat al deze groepen met elkaar gemeen hebben, is dat het mensen zijn die naar een ander land trekken. De reden voor vertrek naar dat andere land is echter zeer verschillend. Door ze op één hoop te gooien en te spreken over arbeidsmigratie, studiemigratie, asielmigratie worden onvergelijkbare groepen op één hoop gegooid en daarvan wordt de kwetsbaarste groep, de asielzoekers, het slachtoffer. Het wegpoetsen van deze verschillen is politiseren. Daar een bruinkleurig cultureel sausje over gieten is politiseren. Van de Beek vergelijkt appels met peren, verkoopt knollen voor citroenen en onderbouwt dit met statistiek.
EINDE
Reacties uitgeschakeld voor NOOT 51/Daar gaan we weer!
Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18-tot 65-jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een uitkering. Drie jaar later – vier-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage gedaald naar 51 procent. Nog eens anderhalf jaar later (zes jaar na het verkrijgen van de vergunning) ontvangt 46 procent van het cohort een uitkering. Daarna verloopt de daling minder snel, waarschijnlijk als gevolg van de coronacrisis: statushouders hebben vaker een tijdelijk contract en zijn vaker werkzaam in die sectoren die hard door de crisis worden geraakt (horeca, uitzendbranche). In de meest recente twaalf maanden verloopt de daling weer wat sneller hetgeen zou kunnen duiden op het einde van het effect van de coronacrisis. Inmiddels, ruim zeven jaar na het verkrijgen van de vergunning, is iets meer dan een derde nog afhankelijk van een uitkering. Dit kunnen overigens ook statushouders met een (deeltijd)baan zijn.”
Vluchtelingen met verblijfsvergunning mogen in Nederland gewoon aan het werk. In de praktijk is het voor vluchtelingen vaak wel lastiger om een (fulltime) baan te vinden. Hoe staat het ervoor met de integratie van vluchtelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Aandeel werknemers onder statushouders neemt toe
Het CBS volgt periodiek de maatschappelijke positie van statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning hebben gekregen. De meest recente publicatie van deze cohortstudie CBS 2023 Asiel en Integratie is gepubliceerd in begin 2024. Uit de CBS-studie blijkt dat na zeven jaar 45 procent van alle 18- tot 65-jarige statushouders een fulltime baan heeft. De meeste werkende statushouders werken in deeltijd (53 procent) en met een tijdelijk contract (79 procent). Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; maar ook de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten worden kleiner. Na een kleine daling die vermoedelijk te maken had met de coronacrisis neemt het aandeel werkenden in de afgelopen maanden weer toe. Van de werkenden, werkt bijna 5 procent als zelfstandige.
Aandeel bijstandsgerechtigden daalt verder
Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18-tot 65-jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een uitkering. Drie jaar later – vier-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage gedaald naar 51 procent. Nog eens anderhalf jaar later (zes jaar na het verkrijgen van de vergunning) ontvangt 46 procent van het cohort een uitkering. Daarna verloopt de daling minder snel, waarschijnlijk als gevolg van de coronacrisis: statushouders hebben vaker een tijdelijk contract en zijn vaker werkzaam in die sectoren die hard door de crisis worden geraakt (horeca, uitzendbranche). In de meest recente twaalf maanden verloopt de daling weer wat sneller hetgeen zou kunnen duiden op het einde van het effect van de coronacrisis. Inmiddels, ruim zeven jaar na het verkrijgen van de vergunning, is iets meer dan een derde nog afhankelijk van een uitkering. Dit kunnen overigens ook statushouders met een (deeltijd)baan zijn.
In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden in Nederland, in de eerste zeven-en-een-half jaar na verkrijgen van de vergunning nog niet zoveel voor. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014, ontvangt 97 procent een bijstandsuitkering, 3 procent een werkloosheidsuitkering en minder dan 0,5 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het aandeel uitkeringsgerechtigden dat een werkloosheidsuitkering ontvangt is met 8 procent het hoogst onder Afghanen. Dat komt doordat Afghanen relatief snel aan het werk waren en dus inmiddels wel een arbeidsverleden hebben opgebouwd.
Steeds meer statushouders volgen onderwijs
Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgt 29 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Drie jaar later (op 1 oktober 2018) volgt 41 procent van hen onderwijs. Dit percentage daalt daarna naar 38 procent in 2022. Van de statushouders die in 2015 een vergunning kregen volgt 44 procent op 1 oktober 2022 onderwijs en voor degenen die in 2016 een vergunning kregen is dit 46 procent. Voor het cohort 2017 is dit 54 procent, voor het cohort 2018 55 procent, voor het cohort 2019 37 procent en voor het cohort 2020 29 procent. Een interessant gegeven is dat niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar vaker onderwijs volgen naarmate ze langer in Nederland zijn. Zij volgen vaak een opleiding binnen het middelbaar beroepsonderwijs.
Toename mbo gestopt; stijging deelname aan hbo en wo
Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, stromen zij van het voortgezet onderwijs vooral uit naar het middelbaar beroepsonderwijs en het praktijkonderwijs. Waar er van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen ongeveer 350 personen (15 procent) praktijkonderwijs of vmbo volgen in 2015, zijn dat er in 2018 ongeveer 1 010 (23 procent). In 2022 is het percentage gedaald naar 14 procent (650 personen). Het lagere deelnamepercentage wordt veroorzaakt doordat het cohort 2014 inmiddels wat ouder is geworden en uit het onderwijs is gestroomd.
Statushouders die het voortgezet onderwijs verlaten, stromen met name door naar het middelbaar beroepsonderwijs. Het aandeel statushouders uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt is eerst gestegen van 12 procent in 2015 naar 55 procent in 2018 en vervolgens iets gedaald naar 50 procent in 2022. De daling van het aandeel mbo gaat gepaard met een stijging van deelname aan hbo en wo (van 2 procent in 2015 naar 10 procent in 2022), met name onder Turkse statushouders zien we dit. In de meest recente jaren zien we daarnaast ook een stijging van het aandeel personen dat een brugklas of internationale schakelklas volgt. Dit kan verklaard worden door een toename van kinderen uit cohort 2014 die de brugklasleeftijd hebben bereikt.
Uitkering nog steeds belangrijkste inkomstenbron
Het aandeel statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron loopt voor cohort 2014 gestaag op tot 31 procent zeven jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Voor de statushouders uit 2015 en 2016 zien we vergelijkbare patronen. Hoewel steeds meer statushouders een (deeltijd) baan hebben, leveren die banen vaak onvoldoende inkomsten op. Hierdoor kan een uitkering ook voor deze groep de voornaamste inkomstenbron zijn.
Opleiding onder Syriërs
Het grootste deel van de statushouders die bij het krijgen van hun vergunning 12 tot 18 jaar oud zijn volgt in eerste instantie onderwijs in een internationale schakelklas (ISK). Van de jonge Syriërs volgt 44% onderwijs in de ISK in het jaar nadat zij hun verblijfsvergunning kregen.
Naarmate de 12-18-jarige statushouders ouder worden en langer in Nederland wonen, stijgt het aandeel jonge statushouders dat onderwijs volgt op het mbo. In eerste instantie volgen zij voornamelijk onderwijs op mbo-1-niveau.
In de jaren die volgen stroomt een substantieel deel van de statushouders via mbo-1 of het vmbo door naar de hogere mbo-niveaus. Met het behalen van een diploma op mbo-2-4-niveau is een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt behaald. Vier jaar nadat zij hun vergunning kregen, volgt 38% van de Syriërs die toen 12 tot 18 jaar oud waren onderwijs op mbo-2-4-niveau. Onder de overige statushouders is dit met 30% wat lager.
Het overgrote deel van de niet-leerplichtige statushouders die 18 tot 30 jaar oud waren toen zij hun vergunning kregen, volgt geen onderwijs in Nederland. Wel stromen zij steeds vaker op een later moment alsnog het onderwijs in. Dit is voor een deel te verklaren doordat zij eerst het verplichte inburgeringstraject volgen. Pas daarna komen zij in aanmerking voor het bekostigd onderwijs.
Bron: SCP, Syrische statushouders op weg in Nederland: de ontwikkeling van hun positie en leefsituatie, 2020.
Geactualiseerd mei 2024
EINDE
Reacties uitgeschakeld voor NOOT 49/Daar gaan we weer!
Als het asielzoekers makkelijker wordt gemaakt om te werken, heeft dit substantiële voordelen voor zowel de Nederlandse maatschappij als de asielzoekers zelf. Het zou over een periode van tien jaar bijna 2 miljard euro aan extra welvaart opleveren. Dit blijkt uit een rapport uitgevoerd in opdracht van RefugeeConnect in samenwerking met werkgevers en maatschappelijke organisaties, zoals VluchtelingenWerk Nederland. VluchtelingenWerk is erg blij met de uitkomsten van het onderzoek.
Het onderzoek is uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en bevat een maatschappelijke kosten- en batenanalyse. Die laat zien wat de voor- en nadelen zijn van een verruiming van werkmogelijkheden voor asielzoekers aan de hand van verschillende scenario’s. Het onderzoek gaat uit van de aanname dat asielzoekers dezelfde mogelijkheden krijgen om te werken als de huidige groep Oekraïense vluchtelingen. De laatstgenoemde groep mag vanaf de eerste dag in Nederland werken zonder tewerkstellingsvergunning en zonder 24-wekeneis.
Een asielzoeker mag in Nederland pas aan het werk wanneer zijn of haar asielaanvraag minstens 6 maanden in behandeling is. Bovendien kunnen asielzoekers alleen werken met een tewerkstellingsvergunning die de werkgever moet aanvragen bij het UWV. Tot voor kort mocht de asielzoeker vanaf dat moment maximaal 24 weken werken over een periode van 52 weken (de 24-wekeneis). Deze eis heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State opgeheven, mede dankzij VluchtelingenWerk. De afschaffing van de 24-wekeneis is een eerste stap. Maar ook de andere barrières moeten worden weggenomen, zodat asielzoekers eerdere en betere toegang krijgen tot werk. Dat dit ook de Nederlandse maatschappij veel oplevert, toont dit onderzoek nu aan.
Werkende asielzoeker integreert sneller
De opstellers van het rapport concluderen dat eerdere toegang tot werk voor asielzoekers bijdraagt aan een snellere en betere integratie in de samenleving. Daarnaast biedt het een oplossing voor het personeelstekort in Nederland. Bovendien brengt het onderzoek de financiële voordelen in kaart wanneer asielzoekers eerder aan het werk gaan: dit is maar liefst 1,7 miljard over een periode van 10 jaar. Zo zal de overheid lagere kosten hebben, omdat werkende asielzoekers bijdragen aan hun eigen opvang en omdat zij later als statushouders minder een beroep op de bijstand zullen doen. Daarbij levert het de overheid ook meer inkomsten uit belastingen op wanneer asielzoekers werken.
Maarten van Panhuis, oprichter van RefugeeConnect: ‘Toch zijn er nog een groot aantal barrières die het moeilijk maken voor mensen in de asielprocedure om aan de slag te gaan. Met dit rapport kunnen we eindelijk aantonen dat er aanzienlijke voordelen gepaard gaan met het verruimen van de werkmogelijkheden. We hopen dan ook dat de uitkomsten van dit rapport zullen helpen bij het wegnemen van deze obstakels.’
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van RefugeeConnect, VluchtelingenWerk Nederland, Microsoft, Ben & Jerry’s, Ikea Nederland, MPeople, Refugee Talent Hub en Untapped Talents.
”Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent.”
VOLKSKRANT
WE REKENEN CONTINU MET MENSEN, WAAROM ZOU JE DAN GEEN SOMMEN MOGEN LOSLATEN OP MIGRATIE
Hij behandelt alle vormen van migratie, zowel door arbeid, studie als asiel. Alsof hij met zijn pleidooi voor rigoureuze selectie anticipeert op tegenspraak, heeft Van de Beek de vele tientallen paragrafen in zijn uitputtende boek steeds voorzien van een vragende titel. Zoals: ‘Asiel is toch maar een klein deel van de immigratie?’ Waarop hij dan antwoordt: dat is ‘een volstrekte misvatting’.
VOLKSKRANT
WE REKENEN CONTINU MET MENSEN, WAAROM ZOU JE DAN GEEN SOMMEN MOGEN LOSLATEN OP MIGRATIE
Wat betreft asielmigratie: bij de vaak gehoorde opmerking dat asiel slechts 10 tot 12 procent van de totale immigratie betreft, geeft Van de Beek een bijsluiter. Van de arbeidsmigranten is na tien jaar nog maar 21 procent in Nederland, van de studiemigranten 18 procent. Bij asielmigranten is dit 55 procent, bij gezinsmigranten 59 procent.
VOLKSKRANT
WE REKENEN CONTINU MET MENSEN, WAAROM ZOU JE DAN GEEN SOMMEN MOGEN LOSLATEN OP MIGRATIE
Met andere woorden: ‘De bijdrage van asiel aan de bevolkingsgroei is veel groter dan op het eerste gezicht lijkt.’ En dat is van belang om te weten, ‘want geen andere vorm van immigratie belast de samenleving en verzorgingsstaat zozeer als asiel’.
VOLKSKRANT
WE REKENEN CONTINU MET MENSEN, WAAROM ZOU JE DAN GEEN SOMMEN MOGEN LOSLATEN OP MIGRATIE
”De bevolkingsgroei is de toename van het inwonersaantal in een bepaald land of gebied gedurende een bepaalde tijd. Als de toename negatief is, is er sprake van bevolkingsdaling of negatieve bevolkingsgroei. Vooral tijdens een demografische transitie kan er een zeer sterke bevolkingsgroei zijn.”
De afgelopen tien jaar vormden asielzoekers gemiddeld 11 procent van de migranten die naar Nederland kwamen. Dat staat in de Staat van de Migratie 2023, een jaarlijks overzicht van de migratiecijfers van het ministerie van Justitie dat vandaag is verschenen.
In 2022 steeg het aantal immigranten met 61 procent ten opzichte van 2021. De ongebruikelijk hoge stijging komt met name door de komst van vluchtelingen uit Oekraïne (108.000 mensen). Ook het aantal kennismigranten en internationale studenten steeg, net als het aantal asielzoekers (die laatste groep met 33 procent, naar 49.000).
Het ging in 2022 in totaal om 403.000 immigranten. Daar stonden 179.000 mensen tegenover die Nederland verlieten, zodat er een zogenoemd positief migratiesaldo was van 224.000. Het ministerie spreekt van een “bewogen migratiejaar”.
29.000 woningen voor statushouders
De meeste mensen vertrekken op enig moment weer zelfstandig uit Nederland. Maar zeker niet allemaal: in 2022 kregen bijvoorbeeld 29.000 vluchtelingen met een asielstatus een corporatiewoning toegewezen.
Vandaag riep demissionair staatssecretaris Van der Burg provincies en gemeenten opnieuw op om extra opvangplaatsen voor asielzoekers te organiseren. Want weliswaar ligt het aantal asielaanvragen in Nederland dit jaar lager dan aanvankelijk werd verwacht, toch heeft opvangorganisatie COA niet genoeg plekken.
Meeste immigranten uit EU-landen
In de hele wereld is het aantal vluchtelingen de voorbije tien jaar opgelopen. Wereldwijd zijn er nu zo’n 108 miljoen mensen op de vlucht, van wie ruim de helft buiten het eigen land verblijft. De landen met de meeste ‘nieuwe’ vluchtelingen waren in 2022 Syrië, Oekraïne en Afghanistan.
Meer dan de helft van de nieuwe migranten in Nederland bestond in 2022 uit mensen uit andere EU-landen: 129.000. Zij kunnen zich binnen de Unie onder voorwaarden vrij bewegen om te werken of studeren. De grootste EU-groep in Nederland komt uit Polen.
Ongeveer een derde van de migranten die afgelopen jaar naar Nederland kwamen bestaat uit reguliere migranten van buiten de Europese Unie. Hoofdzakelijk gaat het om migranten die voor werk of studie naar Nederland komen of die zich hier bij hun gezin voegen.
Asielmigratie vormde in 2022 11% van de totale migratie naar Nederland. Dit percentage is de afgelopen jaren weinig veranderd. Ruim 80% van de migranten kwam werken, studeren of voor de liefde. De rest van de migranten waren onder andere vluchtelingen uit Oekraïne. Dat blijkt uit de Staat van Migratie, een jaarlijkse rapportage van het ministerie van Justitie en Veiligheid met ontwikkelingen, feiten en cijfers over migratie.
Migratieontwikkelingen
In 2022 kwamen 403.108 personen naar Nederland. Dat is 61 % meer dan het jaar ervoor. Ook wereldwijd is een stijging van migratie te zien ten opzichte van 2021. Internationale gebeurtenissen hebben grote invloed op migratie, zoals de aanval van Rusland op Oekraïne. In 2022 kwamen ruim 108.000 vluchtelingen uit Oekraïne naar ons land. 2022 was een bewogen migratiejaar. Het zwaartepunt lag bij het aanpakken van de meest acute uitdagingen in de opvangcrisis.
Feiten en cijfers zijn van belang
Er is in de maatschappij veel discussie over migratie en asiel. De ontwikkelingen gaan snel. Feiten, cijfers en goede informatie zijn dus van belang. In de Staat van Migratie staat in cijfers uitgelegd wie Nederland binnenkomt en hoeveel mensen vertrekken. Daarnaast vind je er cijfers over de integratie van migranten, zoals over huisvesting en inburgering. Het COA is dit jaar gestart met de campagne ‘Wat is waar over asielopvang?’. Daarmee geven we antwoorden op veel gestelde asielvragen.
” Het aantal mensen dat naar verwachting in Nederland asiel aanvraagt dit jaar, is in lijn met de prognose van november 2023. Dat blijkt uit een brief van staatssecretaris Van der Burg van asiel en migratie aan de Tweede Kamer. Bij ongewijzigd beleid komen er dit jaar naar verwachting tussen de 32.000 en 63.000 nieuwe asielzoekers naar Nederland. De totale asielinstroom komt dan mogelijk uit tussen de 49.800 en 78.500. Het gaat dan bijvoorbeeld ook om mensen die opnieuw asiel aanvragen en nareizigers door gezinshereniging. Met de aanhoudende oorlog in Oekraïne is ook een prognose opgenomen voor de instroom van vluchtelingen uit Oekraïne.”
Het aantal mensen dat naar verwachting in Nederland asiel aanvraagt dit jaar, is in lijn met de prognose van november 2023. Dat blijkt uit een brief van staatssecretaris Van der Burg van asiel en migratie aan de Tweede Kamer. Bij ongewijzigd beleid komen er dit jaar naar verwachting tussen de 32.000 en 63.000 nieuwe asielzoekers naar Nederland. De totale asielinstroom komt dan mogelijk uit tussen de 49.800 en 78.500. Het gaat dan bijvoorbeeld ook om mensen die opnieuw asiel aanvragen en nareizigers door gezinshereniging. Met de aanhoudende oorlog in Oekraïne is ook een prognose opgenomen voor de instroom van vluchtelingen uit Oekraïne.
Uitdagingen en perspectief
Vorig jaar en dit jaar zijn er belangrijke stappen gezet om meer grip te krijgen op migratie. Binnen Europa zijn afspraken gemaakt in het asiel- en migratiepact. Aan de buitengrenzen van Europa is de afspraak sneller te kijken wie een goede kans maakt op asiel en wie niet. Daarmee ontstaat er meer grip op wie Europa binnenkomt. Voor de groep met weinig kans op asiel wordt ingezet op terugkeer naar het eigen land als blijkt dat ze niet mogen blijven. Met landen als Marokko, Tunesië, Turkije, Egypte en Nigeria zijn afspraken gemaakt over het bestrijden van mensensmokkel, mensenhandel en terugkeer naar eigen land.
Voor gemeenten geldt sinds begin dit jaar de Spreidingswet. Het doel is genoeg opvangplekken te hebben die beter over het land verspreid zijn. Op dit moment is er nog steeds een tekort. Ook zijn er te veel statushouders in de asielopvang. Dit zijn mensen die in Nederland mogen blijven, maar nog geen eigen huisvesting hebben. Om de druk in de asielopvang omlaag te brengen zijn zogeheten doorstroomlocaties geopend. Statushouders kunnen daar tijdelijk verblijven, in afwachting van een permanente woning. Meer dan 30 gemeenten hebben aangegeven ook hiermee aan de slag te willen.
Aantal opvangplekken
Op basis van het verwacht aantal asielzoekers dat komt, de snelheid van de procedure en hoeveel mensen huisvesting krijgen in een gemeente, verwacht het COA dat er op 1 januari volgend jaar bijna 97.500 opvangplekken nodig zijn. Dit aantal kan oplopen naar 133.500 opvangplekken op 1 januari 2026. Vanuit de Spreidingswet is vastgesteld dat er uiterlijk per 1 juli volgend jaar 96.000 opvangplekken moeten zijn. De Spreidingswet kent een raming voor 2 jaar (tot 1 februari 2026) en deze is vastgesteld op 96.000 plekken. Dat aantal blijft leidend voor gemeenten. Wijzigingen tussendoor zijn mogelijk als er sprake is van een (nieuwe) oorlog of natuurramp, dat is op dit moment niet aan de orde.
Het blijft van belang om vooruit te kijken naar 2026 en hierover blijft het ministerie in gesprek met betrokken partijen. Daarbij ligt de focus op het beheersen van de instroom, mede door de Europese inzet, het beheersen van de doorstroom door de productie van de IND en het vergroten van de uitstroom van statushouders uit de asielopvang.
Huisvesting statushouders
Gemeenten hebben de wettelijke plicht om statushouders een passende woonruimte aan te bieden. Dat betekent dat de gemeenten de eerste helft van dit jaar voor 18.750 mensen een woning moeten toewijzen. Daar bovenop komt de achterstand van eind vorig jaar van ongeveer 6.400. Daarmee komt het totaal aantal op ruim 25.000 statushouders die voor 1 juli dit jaar een woning moeten krijgen. Omdat er teveel statushouders in de asielopvang blijven, moet het tempo omhoog. Dat is ook beter voor de mensen zelf, die kunnen integreren door bijvoorbeeld te werken of een opleiding te volgen. Voor de tweede helft van dit jaar moeten 17.000 statushouders worden gehuisvest.
Oekraïne
De oorlog in Oekraïne is nog altijd niet voorbij. Hierdoor blijven er ook vluchtelingen uit dit land naar Nederland komen. Voor dit jaar gaat het naar verwachting om 28.000 nieuwe mensen uit Oekraïne. De verwachting is dat per 1 januari volgend jaar rond de 136.000 vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland verblijven. Hiervoor zijn 120.000 gemeentelijke opvangplekken nodig op 1 januari volgend jaar. Als gevluchte Oekraïners eigen inkomsten hebben door bijvoorbeeld werk, is het plan van hen een eigen bijdrage te vragen als tegemoetkoming in de kosten van opvang.
”‘Dat joden nergens welkom waren, heeft verschillende oorzaken’, stelt Caestecker: ‘Het ging om een totaal verpauperde groep vluchtelingen, ze kwamen met duizenden tegelijk. Bovendien vreesde men voor een aanzuigende werking, want ook in landen als Polen en Hongarije was er een enorme druk op joden. Vergeet niet dat er in 1939 ook een half miljoen vluchtelingen uit Spanje kwamen, waar Franco na de burgeroorlog een dictatuur installeerde.’
Weer heeft het Nederlandse vluchtelingenbeleid een slachtoffer geëist. De Afghaanse vluchteling Nezam Azimi, die door de overheid in 2006 werd uitgezet, blijkt in de Afghaanse hoofdstad Kabul te zijn vermoord door de Taliban, na eerst te zijn ontvoerd en gemarteld.
Azimi had in 2001 in Nederland asiel aangevraagd, omdat hij zich verzette tegen de onderdrukking van vrouwen door de Taliban en daardoor problemen had gekregen met de moslimfundamentalisten. Zijn leven liep gevaar en hij moest vluchten. Maar zijn asielaanvraag werd afgewezen. Tijdens zijn jarenlange verblijf in Maastricht zette hij zich in voor de steungroep Vluchtalarm Maastricht en voor Amnesty International. Nadat hij uitgeprocedeerd raakte, vroeg Gerd Leers, de toenmalige burgemeester van Maastricht en de huidige minister van Immigratie en Asiel, aan de toenmalige minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk om Azimi alsnog verblijfsrecht te geven. Tevergeefs, want ijzeren Rita, die later “getraumatiseerd” bleek door haar eigen misdaden, bleef bij haar besluit en stuurde Azimi de dood in.
“Nu is precies gebeurd waar wij altijd bang voor zijn geweest”, laat Paul Rutten van Vluchtalarm Maastricht weten. Azimi hield zich de afgelopen jaren in Afghanistan schuil voor de Taliban, die hem zochten. Omdat hij werk nodig had, kon hij niet langer meer ondergronds door het leven gaan. Zo werd hij ontdekt door de Taliban. De Nederlandse overheid is mede schuldig aan zijn dood, omdat men keihard weigerde om hem bescherming te bieden.
Leers zegt de dood van Azimi te betreuren. Maar als verantwoordelijk minister deporteert hij dag in dag uit vluchtelingen naar landen vol geweld en armoede. Daar maalt hij niet om. Zo biedt hij het Afghaanse meisje Sahar, die al 10 jaar in Nederland leeft, maar al te graag een enkele reis richting boerka aan. Ook de dood van Azimi rechtvaardigt de minister met de bekende mantra “regels zijn regels”. Hij wijst er namelijk op dat “de procedure destijds zorgvuldig was”. Met andere woorden: minister Leers van nu vindt dat burgemeester Leers van toen onzinnig bezig was toen hij met een brief aan Verdonk probeerde om Azimi in Nederland te houden.
Ali Mohammed al-Showaikh, een vluchteling die direct nadat hij vorig jaar door Nederland was uitgezet naar Bahrein werd gearresteerd en gedetineerd, heeft afgelopen donderdag zonder eerlijk proces een levenslange gevangenisstraf gekregen. VluchtelingenWerk Nederland en Amnesty International reageren vol afschuw op deze onterechte veroordeling en stellen dat Nederland zich, met het terugsturen van Al-Showaikh, schuldig heeft gemaakt aan een ernstige mensenrechtenschending.
UPDATE 4 JUNI 2020
De Nederlandse ambassadeur van Bahrein is zeer kritisch over de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND): die had informatie bij de ambassade moeten inwinnen over de risico’s van deze uitzetting. Volgens hem waren die risico’s groot, alleen al om het feit dat Al-Showaikh sjiiet is. Uit een eerder verschenen inspectierapport bleek al dat steken had laten vallen in het onderzoeken van zijn asielrelaas. Volgens Amnesty is het hoog tijd dat de IND zijn levensgevaarlijke fouten erkent, ervan leert en nieuwe voorkomt.
(einde update)
05-03-2019
Oneerlijk proces
Hoewel algemeen bekend is hoe Bahrein omgaat met familieleden van politiek activisten besloot Nederland om Al-Showaikh uit te leveren aan Bahrein. Amnesty en VluchtelingenWerk Nederland roepen de Nederlandse overheid op om alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat Bahrein Al-Showaikh in vrijheid stelt.
Sinds oktober zat Al-Showaikh zonder vertrouwelijke toegang tot een advocaat gevangen, tekende hij onder druk een bekentenis en zijn er sterke aanwijzingen dat hij is mishandeld. Afgelopen donderdag werd hij veroordeeld op basis van brede en vaag geformuleerde terrorismewetgeving. Ook kreeg hij een boete van 1.170 euro en werd zijn nationaliteit ingetrokken, waardoor hij nu ook stateloos is.
Verantwoordelijkheid Nederlandse overheid
Door Ali Mohammed al-Showaikh terug te sturen naar zijn land van herkomst maakte Nederland zich schuldig aan het non-refoulementprincipe (het verbod op terugzending naar een land waar de vluchteling vervolging te vrezen heeft of waar zijn leven of veiligheid in gevaar is). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had moeten weten dat Al-Showaikh in Bahrein gevaar zou lopen. VluchtelingenWerk Nederland en Amnesty International roepen de Nederlandse overheid op om:
Alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat Al-Showaikh in vrijheid wordt gesteld.
Onafhankelijk onderzoek te doen naar de werkwijze van de IND.
Voorlopig te stoppen met uitzettingen naar Bahrein en geen negatieve beslissingen te nemen.
Angst voor vervolging
Al-Showaikh reisde in 2017 naar Nederland uit angst voor vervolging. Zijn broer ontvluchtte Bahrein al eerder vanwege zijn politieke activiteiten en kreeg asiel in Duitsland. Bahreinse autoriteiten staan er om bekend politieke opposanten en hun familieleden te beschuldigen van terrorisme om hen zo het zwijgen op te leggen. Human Rights Watch maakt in hun meest recente jaarboek melding van een zaak waarbij drie familieleden van de mensenrechtenactivist Sayed Ahmed al-Wadaei veroordeeld zijn voor dubieuze, aan terrorisme gerelateerde aanklachten die als vergelding lijken te dienen voor zijn activiteiten.
Ondanks de openbare informatie en de verslechterde mensenrechtensituatie in Bahrein, heeft Nederland Al-Showaikh gedwongen naar Bahrein uitgezet. Vlak voor zijn uitzetting gaf Al-Showaikh nog aan dat hij desnoods bereid was zelfstandig te vertrekken naar een ander land om uitzetting naar Bahrein te voorkomen.
Australische voetballer Hakeem
Recent was de zaak van de voetballer Hakeem Ali al-Araibi, een door Australië erkende vluchteling, in het nieuws. Tijdens zijn huwelijksreis in Thailand werd hij opgepakt omdat de Bahreinse autoriteiten via Interpol een verzoek tot zijn uitlevering hadden gedaan. In afwezigheid was Al-Araibi veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf voor ‘aan terrorisme gerelateerde vergrijpen’, waaronder een aanval op een politiestation, terwijl hij op dat moment aan het voetballen was. Onder druk van de Australische autoriteiten is hij vrijgelaten en kon hij veilig terugkeren naar Australië.