Noten 61 t/m 129 bij ”Bekladding standbeelden Piet Hein, Witte de With en consorten/Koloniale rovers en moordenaars

NOTEN 61 T/M 129 BIJ ”  BEKLADDING STANDBEELDEN/PIET HEIN, WITTE DE WITH EN CONSORTEN, KOLONIALE ROVERS, MOORDENAARS EN SLAVENHANDELAARS”


De bekladding op het beeld van Piet Hein RIJNMOND

BEKLADDING BEELD VAN KOLONIALE SCHURK PIET HEINhttps://nos.nl/artikel/2337020-actiegroep-bekladt-beeld-piet-hein-en-gevel-witte-de-with-in-rotterdam.html

Rotterdamse kunstinstelling Witte de With krijgt andere naam

ANP Producties

BEKLADDING GEVEL KUNSTINSTELLING ”WITTE DE WITH”https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20200612_76769269/rotterdamse-kunstinstelling-witte-de-with-krijgt-andere-naam?utm_source=google&utm_medium=organic

In Bristol rollen demonstranten het beeld van slavenhandelaar Edward Colston naar de rivier de Avon. BEELD GETTY IMAGESHTTPS://WWW.PAROOL.NL/WERELD/NIEUWE-BEELDENSTORM-LAAIT-OP-TOPPLE-THE-RACISTS~BC38E68D/

Jan Pieterszoon Coen
Jan Pieterszoon Coen

JAN PIETERSZOON COEN, KOLONIALEMASSAMOORDENAARhttps://www.volkskrant.nl/opinie/-iemand-als-coen-hoor-je-niet-te-eren~a2774480/https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen

Image result for standbeeld jan pieterszoon coen/Foto's

STANDBEELD JAN PIETERSZOON COEN IN HOORN

Actiegroep De Grauwe Eeuw geweerd uit straatnamen overleg gemeente Utrecht

ZO HOORT HET!BEKLAD HET STANDBEELD VAN DEZE KOLONIALEELLENDELING, J.P. COEN, EN VERTEL, WIE HIJ INWERKELIJKHEID WAS, IN FELLE BEWOORDINGEN/OF BETER NOG, VERWIJDER ENVERNIETIG HET!https://eenvandaag.avrotros.nl/item/actiegroep-de-grauwe-eeuw-geweerd-uit-straatnamen-overleg-gemeente-utrecht/

Joannes Benedictus van Heutsz
Van Heutsz in goudgeborduurde rok, geschilderd door Hannké (1909)(Rijksmuseum, Amsterdam)

VAN HEUTSZ, EEN ANDERE KOLONIALE BLOEDJAShttps://nl.wikipedia.org/wiki/Joannes_Benedictus_van_Heutsz#Gouverneur-generaal_van_Nederlands-Indi.C3.ABhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Joannes_Benedictus_van_Heutsz

MICHIEL DE RUYTERMICHIEL DE ROVERMEDEPLICHTIGE AAN SLAVENHANDEL

Klik op het plaatje voor een grotere versie.

CARTOON OVER MICHIEL DE RUYTER, DE ROVERhttp://www.doorbraak.eu/cartoon-beschermheer-nederlandse-slavenhandel-tour/

MICHIEL DE RUYTER ALS BEVRIJDER VAN BLANKE”CHRISTENSLAVEN”/GOED WERK, MAAR TEGELIJKERTIJDWERKTE HIJ HEEL PROFIJTELIJK MEE AAN DE DEHUMANISERINGVAN ZWARTEN TOT SLAVEN, DOOR ZIJN HAND EN SPANDIENSTENIN HET IN STAND HOUDEN VAN DE SLAVENHANDEL

ZO ZAG EEN SLAVENSCHIP ERUIT, DAT MENSEN ALSVEE VERVOERDE

[61]
VOOR DE VERKOOP ALS SLAVEN VAN MOORSE KAPERS DOOR MICHIEL DE RUYTER,
ZIE NOOT 58

[62]
”Het eiland Gorée (Goeree) ontruimden de Britten op 22 oktober na een ultimatum, en ze moesten de lading van acht van hun koopvaarders verkopen. De Ruyter ontmoette er onverwacht een jeugdvriend uit Vlissingen: Jan Compagnie (Jan Kompany bij Brandt) die, als kind tot slaaf gemaakt, later vanuit Afrika naar Zeeland vervoerd was en nu als zetbaas van de WIC werkte”
WIKIPEDIAMICHIEL DE RUYTER/STRAFEXPEDITIE TEGEN ENGELAND
https://nl.wikipedia.org/wiki/Michiel_de_Ruyter#Strafexpeditie_tegen_Engeland

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAMICHIEL DE RUYTER
https://nl.wikipedia.org/wiki/Michiel_de_Ruyter

[63]

”’Het was op deze reis, dat de Ruyter op de wal begroet werd in onvervalst Vlissings dialect door de lokale hoofdman. Het bleek dat die als kind als verstekeling a/b van een  VOC-schip naar Vlissingen was meegenomen,  waar hij als leeftijdgenoot van de jonge Michiel met hem op school had gezeten. Hij was later teruggekeerd naar zijn eigen land en was er koning o.i.d. geworden. Hij was destijds in Vlissingen Jan Compagnie genoemd. Deze oude schoolvriend werd door de Ruyter a.b. van zijn vlaggenschip genodigd en gefêteerd”’
STICHTING MICHIEL DE RUYTERSLAVENHANDEL

https://www.deruyter.org/slavenhandel-1

[64]
””Niet bepaald de manier waarop je met “handelswaar” omgaat. (bron: overlevering & scheepsjournaal)”
STICHTING MICHIEL DE RUYTERSLAVENHANDEL

https://www.deruyter.org/slavenhandel-1

[65]
”De Ruyter ontmoette er onverwacht een jeugdvriend uit Vlissingen: Jan Compagnie (Jan Kompany bij Brandt) die, als kind tot slaaf gemaakt, later vanuit Afrika naar Zeeland vervoerd was en nu als zetbaas van de WIC werkte”

WIKIPEDIAMICHIEL DE RUYTER/STRAFEXPEDITIE TEGEN ENGELAND
https://nl.wikipedia.org/wiki/Michiel_de_Ruyter#Strafexpeditie_tegen_Engeland

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAMICHIEL DE RUYTER
https://nl.wikipedia.org/wiki/Michiel_de_Ruyter

[66]
”Het verhaal gaat dat op het in 1664 ook heroverde eiland Goeree (Senegal) de Ruijter een oude Afrikaanse jeugdvriend uit Vlissingen tegenkwam, die als jongetje daarnaar toe was verscheept en bij hem op school had gezeten. Ze zouden elkaar 46 jaar niet hebben gezien en samen vol vreugde jeugdherinneringen hebben opgehaald. Deze man, die in Vlissingen de naam Jan Kompagnie had 
gekregen, was inmiddels onderkoning van Goeree. Het is een mooi en in de loop der tijd vele malen opnieuw verteld en geromantiseerd en aangedikt verhaal. Maar of het waar is kan worden betwijfeld, zoals de historicus Dirk Tang aantoont die er onderzoek naar deed. De Ruijter zelf heeft er namelijk in zijn journaal over deze tocht met geen woord over gerept evenmin als diens zoon Engel en anderen die bij de tocht aanwezig waren en journaals bijhielden. En in Vlissingse archieven is tot op heden geen spoor van Jan Kompagnie aangetroffen. Alleen in een door een onbekende bijgehouden journaal wordt over hem gesproken en dit lijkt later aangedikt weer terecht gekomen in de biografie die Gerhard Brandt schreef na de dood van de admiraal in opdracht van zoon Engel de Ruijter”

MICHIEL DE RUYTER IN HET ATLANTISCH GEBIED(WEST AFRIKA EN DE CARIBEN]ALEX VAN STIPRIAAN [ERASMUS UNIVERSITEIT]
https://alexvanstipriaan.com/wp-content/uploads/2016/01/2015-Michiel-de-Ruijter-in-het-Atlantisch-gebied.pdf

[67]

De actiegroep Michiel de Rover, waar ook Doorbraak aan deelneemt, kondigde onlangs een protestactie aan tegen de koloniale en nationalistische inhoud van de film “Michiel de Ruyter”. Daarna barstte er een stevig publiek debat los over deze zeeschurk. Media en anderen bestoken de actiegroep momenteel met allerhande vragen. Tijd voor een Q&A over De Ruyter, de zogenaamde Gouden Eeuw en het Nederlandse kolonialisme.”DOORBRAAK.EURAGEN EN ANTWOORDEN OVER DE KOLONIALEZEESCHURK MICHIEL DE RUYTER21 JANUARI 2015

http://www.doorbraak.eu/vragen -en-antwoorden-de-koloniale- zeeschurk-michiel-de-ruyter/ 

[68]’”Spijt en excuses en sorry zijn voor mij hetzelfde”[Interviewer] ”Maar waarom is het voor Nederland dan zo moeilijk om bijvoorbeeld over het slavernijverleden om, om een excuus te maken?””Het slavernijverleden, daarvan is mijn punt altijd geweest:Dat is 150 jaar geleden.Ik vind het….ik heb het altijd gratuit gevonden om te zeggen over iets wat 150 jaar is geleden is gebeurd in die context, in die totaal andere situatie om daarvoor excuses te maken dus te zeggen, ja, de mensen toen hebben het fout gedaan,dat vind ik van een, dat vind ik, vanwege dat grote tijdsverschil en het feit dat je die context van 150 jaar geleden nooit zo kunt wegen, vind ik onjuist.””

YOUTUBE.COMMARK RUTTEZOMERGASTEN IN 5 MINUTEN

PREMIER RUTTE OVER EXCUSES NEDERLAND OVER HET SLAVERNIJVERLEDEN:2.34-3.12

https://www.youtube.com/watch?v=Mx04YMtMDZs  
[69]

”Omdat de plannen al in een vroeg stadium door de corruptie van de klerken waren uitgelekt, keek heel Europa gespannen toe of het Hein zou lukken. De Terra Firma-vloot uit Zuid-Amerika die het zilver uit Peru moest vervoeren, bleef in de havens liggen toen het duidelijk werd dat Hein inderdaad in het gebied aanwezig was. De St-Jacobsvloot uit Mexico werd echter niet op tijd gewaarschuwd en voer uit naar Cuba, waar een storm een gedeelte naar de Nederlandse vloot dreef die in de buurt van Havana al een tijd te wachten lag en bijna op het punt stond terug te keren. Op 8 september (juliaanse kalender) vielen vijftien schepen vrijwel zonder gevecht in Heins handen; tijdens de hele expeditie verloor hij slechts 150 man door ziekte en desertie.

Deze overval, de Slag in de Baai van Matanzas, leverde 11.509.524 gulden op (na aftrek van de kosten kennelijk zo’n zeven miljoen want de stadhouder had recht op 10% van de winst en kreeg volgens een latere opgaaf van Johan de Witt 700.000 guldens), een gigantisch bedrag voor die tijd: het equivalent in koopkracht van ruwweg een half miljard euro in huidig geld, terwijl de Nederlandse economie toen ongeveer twee orden van grootte kleiner was dan de huidige”

WIKIPEDIAPIET HEIN (ZEEVAARDER)/DERDE TOCHT
https://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Hein_(zeevaarder)#Derde_tocht

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIAPIET HEIN (ZEEVAARDER)  

https://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Hein_(zeevaarder)

[70]

WIKIPEDIAKAAPVAART
https://nl.wikipedia.org/wiki/Kaapvaart#:~:text=Kaapvaart%20was%20een%20vorm%20van,lading%20in%20beslag%20te%20nemen.

[71]

De overstap van kaapvaart naar slavenhandel lag in eerste instantie niet echt voor de hand. Het werd zelfs in de beginjaren der compagnie op calvinistische gronden verworpen  

HISTORIENDE NEDERLANDSE SLAVENHANDEL IN DE 17E EN18E EEUW27 JUNI 2013
http://www.historien.nl/geschiedenis-van-de-nederlandse-slavenhandel/
TEKST

De Nederlandse slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw wordt over het algemeen als zeer winstgevend omschreven. Maar klopt die stelling ook? Een onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel.

Het Nederlandse handelsverleden wordt dikwijls geassocieerd met de successen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Vuistdikke handboeken zijn verschenen over dit onderwerp en de publicatiestroom over deze roemruchte handelsonderneming is nog lang niet ten einde. De herinnering aan de VOC is in de hedendaagse literatuur nog springlevend, maar de geschiedenis van haar wellicht even roemruchte, op “de West” varende tegenhanger wordt enigszins tekort gedaan. Misschien heeft dit tekort aan aandacht ook te maken met het feit dat deze West-Indische Compagnie (WIC), in tegenstelling tot de VOC, voornamelijk periodes van economische tegenspoed en onzekerheid kende en dat het voornaamste deel van haar handelswaar uit slaven bestond.

Slavenhandel: een winstgevend bedrijf?

De handelssuccessen van de WIC lijken paradoxaal: de slavenhandel was kennelijk niet succesvol genoeg en het lijkt dan voor de hand te liggen om over te gaan op andere “handelswaar”. De WIC deed dit echter niet; de Nederlandse slavenhandel bleef bijna twee eeuwen standhouden, tot uiteindelijk in 1818 ook in de Nederlanden de handel in slaven werd afgeschaft. Er moet dus een goede reden zijn geweest om deze verlieslijdende handel te continueren. Maritiem historicus Willem Flinkenflögel laat in zijn werk “Nederlandse slavenhandel” (1621-1803) de zeventiende eeuwse Zeeuwse arts en slavenkeurder D.H. Gallandat aan het woord. Gallandat stelt “dat er vele bedrijven plaatshebben, die ongeoorloofd zouden schijnen, indien er geen bijzonder voordeel in te vinden was. Getuige hiervan is de slavenhandel, die men alleen door het voordeel dat hij aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheden kan vrijspreken”. Maar over welk voordeel voor de kooplieden heeft Gallandat het hier? Ook Flinkenflögel stelt immers dat de koopmanslogica van Gallandat geen stand lijkt te houden tegen de hedendaagse opvatting dat de Nederlandse slavenhandel weliswaar een hardnekkig bestaan leidde, maar in termen van winst niet bijster interessant was. Om de “waarom-vraag” te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk om eerst een uiteenzetting te geven over de vroegste geschiedenis van de WIC.

Oprichting van de WIC

De Brit Jonathan Israel stelt in zijn werk “Nederland als centrum van de wereldhandel, 1585-1740” heel duidelijk dat de Nederlandse zeelieden zich in de beginfase van deze kaperoorlog afzijdig hielden. De Lage Landen waren volgens Israel tegen het einde van de vijftiende eeuw gespecialiseerd in het vervoer van bulkgoederen, zoals de graanhandel op het Oostzeegebied. Graanoverschotten werden naar het Middellandse Zeegebied getransporteerd, waar de Nederlandse zeelieden zout haalden. Dit zout was nodig voor een ander belangrijk Nederlands handelsproduct: haring. De Europese handel verliep voor deze Nederlandse handelaren dermate voortvarend dat er geen behoefte was aan de perikelen met Spanje in bijvoorbeeld het Caribisch gebied.

Rond 1590 ziet Israel een keerpunt. Vanaf die tijd spreekt hij van de hegemonie in de wereldhandel van de Nederlandse stapelmarkt. Dit zou het gevolg zijn van een belangrijke verandering in de oorlog tegen Spanje. De Spanjaarden hadden het embargo tegen de Nederlanders beëindigd omdat zij dringend door de Nederlanders moesten worden voorzien van Baltisch graan en scheepsbenodigdheden, terwijl ze het embargo tegen Engeland in stand hielden. Naast de handel met de Spanjaarden voerden de Zeven Provinciën ook een groot en succesvol offensief uit (1591). De ontstane situatie zorgde voor het aantrekken van een handelselite, waardoor de economie een enorme impuls kreeg.

In 1598 kondigde de Spaanse koning echter strenge maatregelen aan om de zoutafname van de Nederlanders een halt toe te roepen. Vanaf dit moment waren de Nederlandse handelaren genoodzaakt het zout uit het Caribisch gebied te halen. Dit werd door de Spanjaarden zoveel mogelijk bestreden, maar voordat het tot een echt conflict kon komen, zorgde het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) ervoor dat het zout weer in Spanje gehaald kon worden.

Dat de Nederlandse zouthalers na de beëindiging van het Twaalfjarig Bestand kennelijk geen vertrouwen hadden in de Spaanse gastvrijheid blijkt uit het feit dat onmiddellijk na afloop van het Bestand werd overgegaan tot de oprichting van de “Geoctroyeerde Westindische Compagnie”. Omdat de Nederlanden inmiddels weer volop in oorlog waren met Spanje en de kosten voor de vloot zoveel mogelijk gedekt moesten worden, was de WIC genoodzaakt haar inkomsten voornamelijk op oorlogsbuit en kaapvaart te baseren.

De eerste dertig jaar van haar bestaan werd de WIC vooral gekenmerkt door een zeer agressief en expansief beleid om met name het katholiek Spanje en Portugal zo hard mogelijk te treffen. Kaapvaart, in tegenstelling tot zeeroverij door de overheid toegestaan, en gebiedsverovering waren hiervoor de meest effectieve middelen. Volgens Johannes de Laet, die in zijn “Iaerlijck Verhael” de verrichtingen van de WIC beschrijft, werden de Spanjaarden en Portugezen tussen 1623 en 1636 van niet minder dan 547 schepen beroofd.

Van kaapvaart naar slavenhandel

De overstap van kaapvaart naar slavenhandel lag in eerste instantie niet echt voor de hand. Het werd zelfs in de beginjaren der compagnie op calvinistische gronden verworpen. In zijn werk “The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600-1815” haalt Johannes Menne Postma een citaat aan uit het toneelstuk “Moortje”, van de Nederlandse dichter Brederode: “Inhumane custom! Godless rascality! That people are being sold, like horselike slavery. In this city there are also those, who engage in that trade. In Farnabock, but God will know”.

Na de verovering van Recife in Brazilië vond er een ommekeer plaats en werd de slavenhandel al snel begonnen. Deze verandering was mogelijk doordat de commerciële voordelen van de slavenhandel inmiddels volledig duidelijk waren. Volgens de Leidse hoogleraar P.C. Emmer behaalden de Engelsen met hun slavenhandel gemiddelde winstpercentages van zes tot zeven procent. In deze tijd niet bijster veel, in die tijd volgens Emmer volstrekt normaal. Een tweede factor die de slavenhandel niet alleen mogelijk maakte maar zelfs legitimeerde was het feit dat belangrijke theologen de slavenvaart niet langer in strijd achtten met het calvinistische gedachtegoed. Indien er werd gehandeld in niet-christenen, werd de slavenhandel toegestaan.

Nu in principe niets de Nederlandse slavenhandel nog in de weg stond, wilden de slavenhalers zich verzekeren van een regelmatige aanvoer van slaven ten behoeve van de plantages. Om dit te bewerkstelligen werden er plaatsen aan de West-Afrikaanse kust veroverd om als “slaven-inzamelingspunt” te dienen. In 1637 werd Elmina, het grote Portugese slavenhandelbolwerk, door Nederlanders aangevallen en ingenomen. Elmina zou vanaf dit moment tot aan de opheffing van de WIC het hoofdkwartier van de compagnie in West-Afrika zijn. In 1641 volgde een andere Portugese nederzetting, Luanda. De WIC breidde haar macht aan de Afrikaanse westkust gestaag uit, waardoor de slavenhandel pas echt goed op gang kon komen. Dit was ook hard nodig, daar de Nederlanders in Brazilië de op de Portugezen veroverde suikermolens weer in gebruik wilden nemen. De meeste slaven waren echter gevlucht en de toenmalige bestuurder van Nederlands-Brazilië, Johan Maurits van Nassau (1636-1644) werd bedolven onder verzoeken om voor voldoende aanvoer van “levend ebbenhout” te zorgen. Afrikaanse slavenhandelaren haalden slaven uit Dahomey, Angola en andere West-Afrikaanse landen en ruilden ze aan de kust tegen goederen uit de Republiek. De slaven werden vervolgens naar Amerika getransporteerd alwaar ze weer geruild werden tegen tropische producten, die dan weer naar de Republiek vervoerd werden. Deze handel is beter bekend onder de naam “driehoeksvaart”.

Een belangrijke rol was voor Curaçao weggelegd. Dit eiland werd langzamerhand het Nederlandse verzamelcentrum voor slaven. Vanaf Curaçao werden slaven vervoerd naar Spaans Zuid-Amerika en de Franse en Engelse eilanden in de regio. De meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was.

Problemen voor de WIC

Voorgedrukt koopcontract voor een 18-jarige slaaf, getekend te Lima, Peru, 13 oktober 1794. Bron: wikipedia

Hoewel de slavenhandel onverminderd doorging, kwam de WIC in grote problemen. De compagnie ontketende in de eerste helft van de jaren veertig van de zeventiende eeuw een nieuwe reeks roofovervallen op Spaanse bezittingen in het Caribisch gebied, maar onttrok daarvoor manschappen aan Nederlands-Brazilië. De WIC weigerde ook in te stemmen met een voorgesteld bestand van de nieuwe Portugese koning, nadat Portugal in december 1640 tegen de Spanjaarden in opstand was gekomen en zich had losgemaakt. Een bestand zou immers de gebiedsuitbreiding in Nederlands Brazilië tot stilstand brengen en een einde maken aan de roofovervallen op Portugese schepen. Het bestand werd echter toch gesloten, met als gevolg dat de Portugese suikereconomie in Brazilië weer sterk kon opleven. De concurrentie met de Nederlandse suikerplanters nam sterk toe, waardoor ook de polarisatie tussen de Nederlandse en Portugese planters toenam. Een opstand der Portugezen was het gevolg. Nederlands-Brazilië was verloren. Nadat de rust tussen de Nederlanders en de Portugezen was teruggekeerd werden er verdragen en handelsovereenkomsten gesloten, waardoor de rust tussen deze twee groepen bestendigd werd.Heel anders was de relatie met de Engelsen. De Engelse marine slaagde er keer op keer in om de Nederlandse slavenvaart grote schade te berokkenen.

Op de Afrikaanse kust zaten Nederlanders en Engelsen elkaar enorm in de weg, maar geen van beide partijen wist het tij in het eigen voordeel te keren, wegens gebrek aan manschappen.Afgezien van de buitenlandse concurrentie lag de grootste factor die het monopolie van de WIC aantastte volgens P.C. Emmer in eigen land. Na het faillissement van de WIC in 1674 ten gevolg van het echec in Brazilië, werd in hetzelfde jaar een nieuw octrooi aan de compagnie verleend (ook wel de tweede WIC genoemd). Groot verschil was dat het handelsmonopolie van de WIC niet werd voortgezet. Iedereen die handel wilde drijven in het Atlantisch gebied, kon zijn gang gaan, op voorwaarde dat er een belasting werd betaald aan de WIC. Alleen de slavenhandel bleef een WIC-aangelegenheid. Ondanks dit slavenhandelsmonopolie slaagde de WIC er niet in om winst te maken, zelfs niet met enorme overheidssubsidies. Volgens Emmer had dit te maken met factoren die niets met slavenhandel te maken hadden. Zo werd de tweede WIC opgezadeld met schulden van de eerste WIC en werd een dure, gedecentraliseerde districtsstructuur zonder wijzigingen overgenomen. Bovendien was de tweede WIC ook geen zuivere slavenhandelsrederij. Zij verdedigde ook en aantal forten en koloniën in het Caribisch gebied en Afrika, waarmee enorme kosten gemoeid waren.

De periode van vrije slavenhandel

Ook aan het WIC-monopolie op de slavenvaart kwam een einde. Volgens Flinkenflögel was het WIC-monopolie op de slavenhandel vele planters en reders een doorn in het oog, daar zij het in strijd met de “mare liberum” gedachte achtten. Daarnaast was het in de achttiende eeuw zo dat de vraag naar slaven het aanbod overtrof. Tussen 1730 en 1738 verviel het monopolie van de WIC en werd de vrije slavenhandel een feit. Wat overbleef was dat de vrije slavenhandelaren nu “recognitiegelden” dienden te betalen aan de WIC. Het was het einde van de WIC als transatlantisch slavenexporteur.Met de geleidelijke opheffing van het WIC monopolie op de slavenhandel namen de Zeeuwen met hun “Middelburgse Commercie Compagnie” (MCC) een vooraanstaande rol in wat betreft de Nederlandse slavenhandel. In 1754 had de MCC zo”n belangrijke plaats veroverd op het gebied van de slavenhandel, dat zij niet langer verplicht was de recognitiegelden aan de WIC af te dragen.

Relatie tussen verlies en sterfte

Vanaf 1730, het aanbreken van de periode van vrije slavenhandel, kan met enige zekerheid iets worden gezegd over de rentabiliteit van de Nederlandse slavenhandel. Volgens P.C. Emmer komt dit doordat er vanaf dat moment geen vermenging meer was van overheidstaken en commerciële activiteiten. Emmer stelt echter ook dat een er slechts een beeld te geven is van winst en verlies, aangezien alleen de boekhouding van slechts één slavenhandelsrederij, de MCC, bewaard is gebleven. Zelfs van de WIC is geen enkele complete boekhouding terug gevonden. Postma voegt daaraan toe dat vergelijking moeilijk is doordat elke slavenhandelende natie zijn eigen munteenheid, gewichtseenheden en maten kende. In de Nederlanden waren zelfs twee monetaire systemen: de Zeeuwen gebruikten het Vlaamse pond, de rest van de Republiek hield vast aan de gulden. Daarnaast hanteerden de slavenhandelaren een variëteit aan maateenheden. Op basis van gegevens over de waarde van schepen, gebouwen en andere bezittingen komt Emmer tot een jaarlijks winstpercentage van twee tot drie procent, wat hij normaal acht voor die tijd. Hij stelt echter ook de vraag waarom de directeuren van de MCC hier genoegen mee namen. Immers, het geld had net zo goed simpelweg op de bank gezet kunnen worden. Emmer vermoedt dat de investeerders in de compagnie hoopten op snelle en hoge winsten. Zonder tegenslagen was dat ook vast mogelijk geweest, maar de werkelijkheid was anders. Een aantal slavenreizen van de MCC leverden inderdaad vijftig tot tachtig procent winst op, maar minstens evenveel ondernemingen eindigden met een negatief resultaat. Dit had met name te maken met de hoge sterfte onder de slaven (voor oorzaken, zie tabel 1), waardoor verliespercentages van twintig tot dertig procent vrij normaal waren.

Het is enigszins vreemd dat de Engelsen, gelet op de winstpercentages, aanzienlijk succesvoller waren in de slavenhandel. Engelse slavenhalers boekten een gemiddeld winstpercentage van zes tot zeven procent, ruim het dubbele van de Nederlanders. Hoe was dit nu mogelijk? Emmer wijst opnieuw op de sterfte onder de slaven. De Engelsen kochten over het algemeen gezondere en conditioneel beter slaven in op de welvarende delen van de Afrikaanse kusten. Ook verzorgden de Engelsen hun slaven beter. Zo hadden de Engelsen een ingenieus luchtverversingssysteem ontwikkeld, tot jaloezie van de Nederlanders.

Vrijman citeert uit een niet nader genoemde bron om de situatie op de Nederlandse slavenschepen te omschrijven:“Vochtig weer en sterken wind belet hebbende de luchtgaten te openen begonnen koortzen en roode loop de negers te plaagen: hun vertrek was zoo ondraaglijk heet, dat ik er maar een oogenblik in konde verblyven. De hitte alleen maakte dit niet onmogelyk; de planken waren zoo met bloed bevlekt dat deze arme menschen als het ware daarin zwommen. Als zy door de ziekte door hun vel en hun vleesch komen, kwynen zy nog enige tyd in die toestand; door het liggen op de planken, waardoor de uitstekende knoken, vooral by de zieken, dikwijls ontveld worden, treed dikwijls koud vuur in, totdat de barmhartige God hen den dood toezend, om dit leven van ellende te eindigen”.

De Engelse schepen beschikten ook over meer scheepsartsen met ervaring in de slavenhandel en deze artsen wisten de sterfte eveneens te beperken. In tegenstelling tot Emmer heeft Vrijman echter juist kritiek op de Engelsen en Fransen en roemt hij de Nederlanders: “Door schade en schande wijs geworden, behandelde de Loffelijke Westindische Compagnie” haar transporten buitengewoon goed, althans in vergelijking met hetgeen de zwarten op de Engelsche en Fransche schepen te verduren hadden..De Edele Compagnie huldigde een gezond koopmansprincipe; een goede behandeling van de koopwaar is de beste waarborg, dat de lading goed geconditioneerd overkomt, met de minste verliezen door sterven, ziekten en anderszins. Vooral op Engelsche schepen kon het bar toegaan. In laatere tijden voeren eenige wel een dokter, maar die was er dan ook naar!”. De beschrijvingen van Vrijman lijken de feitelijke waarheid echter geweld aan te doen.

Neergang van de slavenhandel in de achttiende eeuw

Tegen het einde van de achttiende eeuw kreeg de Nederlandse slavenhandel een enorme klap te verwerken. De planters in Suriname hadden zoveel geld in Nederland geleend, dat zij op een gegeven moment niet langer in staat waren om de rente te betalen, laat staan dat zij bij machte waren om de hoofdsom terug te betalen en velen van hen gingen failliet. De financiële crisis die in 1773 volgde zorgde voor een scherpe terugval in de afname van slaven in Suriname. De reders probeerden de Staten-Generaal te bewegen tot het afschaffen van de belasting op het “uittreden”schepen. De Staten-Generaal stemden in 1789 in, omdat de handel op de West van levensbelang was voor de Nederlandse planters in dat gebied. De Staten-Generaal meende dat de slavenhandel aangemerkt diende te worden als onafscheidelijk van de bloei en voorspoed van de koloniën in de West.

Het aantal uittredingen na 1780 was inmiddels gedaald tot slechts drie tot vier per jaar. Het lijkt dan voor de hand te liggen dat de campagne om een einde te maken aan de slavenhandel juist in Nederland succes zou hebben. Niets was echter minder waar. Juist in Nederland waren in deze tijd nauwelijks protesten te horen tegen de slavenhandel, terwijl er in Engeland vreemd genoeg een effectieve lobby voor de afschaffing van de slavenhandel ontstond. De Nederlanders wilden echter van geen wijken weten en meenden dat de winsten in de slavenhandel weliswaar laag waren, maar dat deze tak van commercie voor de Nederlandse economie van groot belang was.

Het economisch belang van de Nederlandse slavenhandel

De indruk kan ontstaan zijn dat de slavenhandel een essentieel onderdeel van de Nederlandse economie vormde en dat afschaffing van de slavernij de economisch totaal ontwricht zou worden. Volgens P.C. Emmer is die gedachte beslist niet waar. Hij stelt dat de Nederlandse slavenhalers op hun hoogtepunt jaarlijks dertig slavenschepen lieten uitvaren, maar dat deze schepen samen nog geen één procent vormde van de totale koopvaardijvloot, die toen geschat werd op ongeveer vierduizend schepen. Ook voor de werkgelegenheid vormde de slavenvaart geen absolute noodzakelijkheid. Emmer stelt het aantal zeevarenden op slavenschepen op duizend tot twaalfhonderd, en dat in de hoogtijdagen. Als er in ogenschouw wordt genomen dat de werkgelegenheid in de scheepvaart vele malen groter was (volgens Emmer ongeveer 44.700 in 1770) dan vormen de ruim duizend slavenhalers slechts een zeer kleine, haast onbetekende groep.

Vervolgens meent Emmer dat deze marginale aantallen het belang van goederen en slaven die naar West-Afrika en West-Indië werden geïmporteerd en geëxporteerd, kunnen verhullen. Op één of andere manier was dit alles van vitaal belang voor de Nederlandse economie. Hij baseert zijn stelling op een aantal interessante cijfers. Rond 1770 voerden de Nederlanden voor 60 miljoen gulden in uit de buitengebieden. Slechts 20 miljoen kwam echter voor rekening van de VOC. De overige veertig miljoen werd door Afrika en de West geleverd, waarvan de helft direct uit de Nederlandse koloniën kwam. De slavenhandel heeft indirect zo”n vijftien procent van de invoer voor haar rekening genomen. De slavenhandel was derhalve een belangrijke motor van de Nederlandse import en export.

Maar was de slavenhandel van essentieel belang voor de gehele Nederlandse economie? Met andere woorden: hadden de Nederlanden zonder slavenhandel gekund, bijvoorbeeld als zij als enigen ter wereld een verbod op slavenhandel naleefden? Emmer meent dat de Nederlanden zonder veel moeite van slavernij hadden kunnen afzien. Nederlandse plantages hebben nooit meer dan de helft van de geïmporteerde suiker en koffie geleverd, en dit zou gemakkelijk door het buitenland kunnen worden opgevangen. Daar een groot deel van de Atlantische handel en scheepvaart mogelijk werd gemaakt door de inzet van buitenlandse gastarbeiders, zou het hoogstens betekenen dat er minder gastarbeiders naar de Nederlanden waren gekomen op zoek naar werk. Maar dan nogmaals: waarom de invoering en vooral voortzetting van de slavernij, terwijl investeerders hun geld wellicht ook in andere, winstgevende projecten konden steken? Emmer verwerpt deze gedachte met de stelling dat het kapitaal dat in de slavenhandel geïnvesteerd was, niet zo simpel ergens anders onder te brengen was. Ook acht hij het niet als vanzelfsprekend dat de schepen die actief waren in de slavenhandel, dan zomaar op andere routes konden worden ingezet. “In de moderne economie gaan de experts steeds uit van de veronderstelling dat er voor elke economische activiteit wel een alternatief bestaat en dat er steeds sprake is van economische groei. Beide verschijnselen waren in het Nederland van de zeventiende en achttiende eeuw helemaal niet vanzelfsprekend”, aldus Emmer. Bovendien maakten Amsterdamse handelshuizen goede winsten bij het transport en de verkoop van plantageproducten.

Bijzondere belangen van de slavenhandelaars 

Hoewel Emmer een plausibele verklaring geeft voor de voortzetting van de slavernij, kunnen er toch kanttekeningen worden geplaatst. Slavenhandel mag dan wel een belangrijke motor voor de in- en export geweest zijn, het was volgens Emmer ook geen absolute noodzaak voor het gezond houden van de Nederlandse economie. De slavenhandelaren leden een financieel onzeker bestaan, waarbij verlies en winst elkaar snel en met grote marges afwisselden. Dat lijkt in ieder geval een weinig aantrekkelijk toekomstbeeld voor deze handelaren. Is het dan werkelijk de goede hoop die velen van hen hadden, dat de slavenhandel op en dag wel die vaste winst opleverde waar velen van hen ongetwijfeld naar verlangden? Of waren er juist andere motieven, om toch zo lang en zo hardnekkig aan de slavenhandel vast te houden. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, dienen de werken van Postma en Flinkenflögel ter hand genomen te worden.

Postma geeft in navolging van Emmer eveneens aan dat de slavenhandelaren deels werden gedreven door goede hoop. “Even if an assessment of profitability of individual slaving ventures shows erratic and low financial gains, there was always the gambling mentality to keep slave traders going; the next venture could always be better”. Aangezien zowel Postma als Emmer dit argument naar voren brengen, kan worden aangenomen dat deze ogenschijnlijke naïviteit van de slavenhandelaren een bepaalde rol speelde. Ook zegt Postma dat de slavenhandel niet op zichzelf stond. Het was een onderdeel van een veel groter systeem waartoe ook de plantages, nederzettingen en nationale economie behoorden. Maar dan slaat Postma een andere weg in. Hij stelt namelijk dat “many of the merchants involved in the slave trade also owned plantations in Surinam, and they knew that unless fresh slaves were brought from Africa, their other investment would suffer. This is illustrated by the slaving firm, Coopstad en Rochussen of Rotterdam, and also by repeated requests written by West-Indian planters”. Dit is een zeer belangrijk gegeven. Daar veel planters dus zelf eigenaar van één of meerdere plantages waren en zij dus niet als slavenhandelaren maar als planters afhankelijk waren van de slavenhandel, kan er worden gesproken van eigen belang als belangrijke reden voor het voortzetten van de slavenhandel.

Flinkenflögel voegt daaraan toe dat het niet enkel ging om slavenhandelaren die eigenaars van de plantages waren. De meeste rederijen hadden ook reusachtige kredieten aan plantage-eigenaren verstrekt, en het aanleveren van slaven was zodoende noodzaak, om te voortkomen dat hun onderpand failliet ging. Het lot van de Nederlandse West-Indische plantagekoloniën lag daardoor in handen van Nederlandse geldschieters van wie een aantal tevens slavenhandelaar was. Slavenhandel en plantagebezit waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. De handel in dienstbaren, zoals de slaven ook wel genoemd werden, stond niet op zichzelf, maar was slechts een component van de complexe handel tussen de Republiek, West-Afrika en West-Indië.

Het einde van de slavenhandel

Het begin van het einde van de slavenhandel begon in de jaren zeventig van de achttiende eeuw. Hoewel de slavenhandel eerste jaren nog een hoogtepunt bereikte, bracht de economische recessie van 1773 de activiteiten rond de slavenhandel een zware klap toe. In 1780 tenslotte koos de Republiek openlijk de kant van de Amerikaanse opstandelingen tijdens de Amerikaanse Revolutie. Hierdoor raakte de Republiek in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) verzeild. Helaas voor de Nederlanders was de Engelse Marine heer en meester op de wereldzeeën en de oorlog had dan ook rampzalige gevolgen voor de Nederlandse slaafvaart. Veel Nederlandse schepen werden door de Engelsen buitgemaakt, het aantal vervoerde slaven daalde drastisch en in 1783 kwam er zelfs geen enkele slaaf aan in West-Indië. De slavenhandel werd echter niet beëindigd. Met het einde van de oorlog met Engeland in 1784 kwam de slavenhandel weer op gang en in 1793 werd zelfs een kleine piek bereikt (tabel 2)

Het was slechts een tijdelijke opleving. In 1795 kwam de Republiek, nu de Bataafse Republiek geheten, als bondgenoot van Frankrijk opnieuw in oorlog met Engeland. Vrijwel direct kwam de volledige Nederlandse Atlantische slavenhandel stil te liggen. Na het Verdrag van Amiens (1802) volgde nog een laatste opleving, maar de hervatting van de oorlog in 1803 betekende de doodssteek voor de Nederlandse slavenhandel. Net zoals in de periode 1799-1802 kwamen de Nederlandse plantages onder Brits protectoraat en werden daardoor ook bevoorraad door Engelse slavenhandelaren in plaats van de Nederlanders.

Na de beëindiging van de oorlog in 1815 keerde de rust terug, maar niet de slavenhandel. Net als de Amerikanen hadden de Britten de handel in slaven wettelijk verboden. In principe kon dit de Nederlanders er niet van weerhouden de slavenhandel weer op te pakken. De in 1813 uit ballingschap in Engeland teruggekeerde koning Willem I stemde de Britten gunstig door geen toestemming te geven voor een voortzetting van de slavenhandel. Of dit een humanitaire overweging was, valt moeilijk na te gaan. Tactisch was het in ieder geval wel. In ruil voor het afwijzen van slavenhandel wist Willem I zich te verzekeren van Engelse steun bij de uitbreiding van het Nederlandse koninkrijk en was er grote kans dat de Nederlandse gebieden die tijdens de oorlogen onder Brits protectoraat gekomen waren, weer overgingen in Nederlandse handen.

De Nederlandse slavenhandel werd uiteindelijk in juni 1814, per koninklijk decreet, voorgoed afgeschaft.

Conclusie

De periode van de Nederlandse slavenhandel wordt gekenmerkt door complexiteit. Belangrijk is in ieder geval dat slavenhandel in eerste instantie geen doelstelling van de WIC was, terwijl de WIC vaak onlosmakelijk wordt verbonden met deze handelspraktijken. Slavenhandel ontstond pas toen de economische voordelen (met Engelse en Franse slavenhandel als voorbeeld) en economische noodzaak (arbeid voor de plantages in de West) duidelijk werden.

Duidelijk is ook dat slavenhandel geen zuiver Europese (en later ook Amerikaanse) aangelegenheid was. De Afrikaanse slaven werden immers gekocht van Afrikaanse, inheemse slavenhandelaars. De blanken waagden zich slechts in de kuststreken.

Was de slavenhandel nodig? Achteraf bekeken niet, maar tot in de hoogste regionen van de regering heerste de overtuiging dat het een absolute noodzaak was, om de plantages te voorzien van arbeidskrachten. Emmer heeft uiteengezet dat dit niet nodig was: zonder suiker en koffie van de Nederlandse plantages zou het via de Engelsen geïmporteerd kunnen worden. Ook hoefden de plantages in principe niet afhankelijk te zijn van de Nederlandse slavenhalers: immers, tijdens de perioden van Brits protectoraat werden dezelfde plantages door Britse slavenhalers bevoorraad. Postma heeft echter aangetoond dat de Nederlandse slavenhandel noodzakelijk was omdat slavenhandel en plantage-economie onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Vele slavenhandelaren bezaten plantages en derhalve bevoorraadden ze hun eigen projecten. Hetzelfde geldt voor de rederijen en de kredietverstrekkers. De plantage-eigenaren hebben diep in de schulden gezeten en om de investeringen veilig te stellen, dienden slaven te worden geleverd.

Het einde van de slavenhandel werd voor een groot deel bepaald door externe gebeurtenissen. De oorlogen met Engeland gaven echter de doodssteek. Daar de slavenhandel al lang had stilgelegen en de afschaffing gepaard ging met Britse steun voor de uitbreiding van het Nederlandse koninkrijk alsmede de teruggave van de tijdens de oorlogen verloren gebieden, was de Nederlandse slavenhandel vanaf 1814 voorgoed verleden tijd.

EINDE ARTIKEL
[72]
THE DUTCH IN THE ATLANTIC SLAVE TRADE 1600-1815JOHANNES POSTMA

https://www.cambridge.org/core/books/dutch-in-the-atlantic-slave-trade-16001815/778CDAEC8F25E4C6901EA2576CFB5DB6

[73]

””This attitude prevailed until 1621, when the Dutch West India Company (West Indische Compagnie, hereafter referred to as WIC), came into being.Some of the shareholders suggested participation in the slave trade:however, after consultations with theologians the directors agreed that the trade in human beings was morally not justified and should therefore not be practiced by the company.”Bladzijde 11
FOUNDATIONS OF THE SLAVE TRADE 

THE DUTCH IN THE ATLANTIC SLAVE TRADE 1600-1815JOHANNES POSTMA
https://www.cambridge.org/core/books/dutch-in-the-atlantic-slave-trade-16001815/778CDAEC8F25E4C6901EA2576CFB5DB6

[74]

”Over de uitspraken van de Nederlandse predikanten over de slavenhandel is veel gediscussieerd. Brakel, de Teellincks, Smijtegelt, Poudroyen, De Raad en Voetius zijn genoemd als predikanten die de slavenhandel afwezen, en Jacobus Hondius nam deze mensendiefstal op in zijn ”Swart Register van duysent Sonden”.

REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

TEKST

Cham. Die naam werd vaak genoemd als christelijke Europeanen de slavenhandel probeerden te rechtvaardigen. Ook predikanten namen niet altijd een ondubbelzinnig standpunt in. Uiteindelijk was het mede aan pleidooien vanuit kerkelijke kring te danken dat de mensonterende praktijken werden afgeschaft.

Veel slaven werden van Afrika naar Amerika verhandeld. In 1728 kwam een van hen echter naar Nederland: een elfjarige jongen, Capitein, genoemd naar de kapitein van wie zijn eigenaar hem kreeg. Deze zwarte jongeman, afkomstig van de Goudkust, werd predikant. Ondanks zijn afkomst verdedigde Jacobus Joannes Eliza Capitein in zijn oratie op 10 maart 1742 de ”Slaverny.” Hij vond de slavenhandel niet strijdig met de christelijke vrijheid: geestelijke vrijheid kan samengaan met lichamelijke onvrijheid.

Vol idealen keerde hij nog in datzelfde jaar terug naar zijn geboortegrond: „Mij, die een blinde Heyde! een arme slaave was, laat de Heere nu uitsenden in dien grooten ruymen en ryken oogst der Mooren om mynen broederen Christus Jezus aan te bieden.” Maar zijn blanke collega’s keken op hem neer en zijn volksgenoten zagen hem als een verrader. Nauwelijks dertig was ds. Capitein toen hij op raadselachtige wijze stierf.

De slavenhandel was door velen geaccepteerd, en dat heeft kennelijk zelfs deze ex-slaaf beïnvloed. Gepensioneerde kapiteins van slavenschepen waren gerespecteerde burgers. Slavernij werd nogal eens gezien als een middel om heidenen met het Evangelie in aanraking te brengen. Daar kwam echter weinig van terecht. Anderen wezen op slavernij als mogelijkheid om mensen tijdens een oorlog in leven te laten die anders zouden worden gedood.

Discussie

Over de uitspraken van de Nederlandse predikanten over de slavenhandel is veel gediscussieerd. Brakel, de Teellincks, Smijtegelt, Poudroyen, De Raad en Voetius zijn genoemd als predikanten die de slavenhandel afwezen, en Jacobus Hondius nam deze mensendiefstal op in zijn ”Swart Register van duysent Sonden”.

Classisvergaderingen in Amsterdam en op Walcheren schreven in 1628 al dat het „niet christelyck was lyffeygene te hebben.” De Middelburgse pastor Smijtegelt noemde het „grove dieverij” om een mens te stelen. „Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die enen mens steelt, zegt God, zal zekerlijk gedood worden. Ex. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een negotie van gemaakt. Ach! mochten die menschen die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph: ik ben dieffelyk ontstoolen uit myn land?”

Ook Justus Vermeer verwees naar Exodus 21:16, toen hij schreef over „den onbehoorlijken slavenhandel, in vreemde landen; als men daar mensen (met ons uit enen bloede) als beesten drijft, koopt en verkoopt, daarover de ongunste Gods zeer te vrezen is.”

Poudroyen vond „dat het den christenen niet en betaemt haer in desen rouwen, onsekeren, verwarden, periculeusen ende onbillicken handel te steken, ende daerdoor yemant sijn quaet vermeerderen ende executeur te zijn van yemants quellinge ende ellende.”

Kritiek op Udemans

Udemans stelde in ”’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip” (1638) –handboek voor de christen-koopman-zeevaarder– dat slaven mochten weglopen. Hij noemde de mogelijkheid om slaven na een bepaalde tijd vrij te laten: zeven jaar nadat ze zich tot het christelijk geloof hadden bekeerd. Tegenover historici die er de vinger bij legden dat Udemans de slavenhandel niet ondubbelzinnig afwees, stelde dr. L. J. Joosse dat de Zierikzeese predikant „vanuit de Bijbel trefzeker kooplieden tot een negatieve koers” tegenover deze handel wilde brengen, „al accepteerde hij volkenrechtelijk kortstondig uitzonderingen van slavernij.”

Andere predikanten –„coccejaans gekleurde kerkleiders” (Joosse)– rechtvaardigden de slavenhandel wel, onder meer met Chams vervloeking als argumentatie. Voetiaanse predikanten lieten het tegenovergestelde geluid horen, maar het ontbrak aan politieke of juridische actie. De slavenhandel bleef nog lang bestaan.

Kerkslaven

Tot de jaren 1820 was de trans-Atlantische stroom van Afrikaanse slaven ten minste viermaal groter dan de totale stroom van blanke emigranten naar Amerika. De Rooms-Katholieke Kerk nam eeuwenlang deel aan de slavernij. Deze kerk hield op grote schaal negerslaven op suikerplantages en als huisslaven. Dat gebeurde niet alleen in Zuid-Amerika, maar ook in Azië en Afrika. Het Vaticaan bood later ook maar minimaal steun aan het abolitionisme, de pogingen om de slavernij af te schaffen.

Die pogingen kwamen onder meer voort uit protestantse groepen in Amerika en Engeland: de quakers in het midden van de achttiende eeuw, de baptisten en methodisten niet lang daarna. Het was een van de thema’s waarmee ze zich afzetten tegen gevestigde kerken zoals de anglicaanse Church of England.

Anderen sloten zich bij de antislavernijbeweging aan. De christelijke inslag bleek uit de vele tekeningen die werden vervaardigd van geknielde zwarten die met gevouwen handen en de ogen ten hemel geslagen om vrijheid en een menswaardige behandeling smeekten.

John Newton (1725-1807), een tot bekering gekomen slavenhandelaar die predikant werd, had invloed op William Wilberforce (1759-1833), die als parlementariër een van de leiders van de antislavernijbeweging werd.

Reveil

In Nederland werd het verzet tegen de slavernij sterk door Engeland beïnvloed. Dat land zette Nederland onder druk om de slavenhandel te stoppen. Daarmee was de slavernij in de Nederlandse koloniën echter nog niet afgeschaft.

De Utrechtse hoogleraar J. J. G. Jansen heeft erop gewezen dat er slechts één cultuur is geweest die de slavernij afschafte: de christelijke. De verlichting heeft daaraan volgens hem geen bijdrage geleverd.

De mannen van het vroege Reveil waren aanvankelijk echter beducht voor het abolitionisme. In zijn ”Bezwaren tegen den geest der eeuw” (1823) duidde Isaäc da Costa de beweging nog als een gevaarlijk symptoom van de tijdgeest. Hij hekelde het feit dat medelijden met de slaven gepaard ging met „gevoelloosheid voor de geestelijke nood van de halve wereld”, geestelijke slavernij onder „liberale dwingelanden.” Willem Bilderdijk was dezelfde mening toegedaan.

Da Costa vond dat slavernij in de Bijbel niet werd veroordeeld. Van dat standpunt kwam hij echter terug. Wat bekend werd van de wreedheden en misstanden op de slavenplantages, was niet met christelijke uitgangspunten te verenigen. Da Costa was onder de indruk van het vlammende betoog tegen de slavernij dat Elizabeth Fry, overgekomen uit Engeland, begin 1840 hield op Reveilbijeenkomsten in Den Haag en Amsterdam: „Wij zagen en hoorden haar. Zulke kennismakingen zijn époques in het leven.”

Drie petities

Fry pleitte voor de oprichting van een landelijke antislavernijvereniging. Vooral mr. G. Groen van Prinsterer zette zich ervoor in om de bestaande comités te bundelen. Hij probeerde wel te bewerkstelligen dat de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) een protestants-christelijke grondslag kreeg. In de statuten die hij opstelde, stond dat iedere vergadering met gebed zou worden geopend. De liberalen liepen dan ook boos weg.

Het gevolg was dat koning Willem II drie verschillende petities tegen slavernij ontving: één ondertekend door 56 Reveilmannen –onder wie Groen van Prinsterer en Da Costa–, een van 125 liberalen en de derde was afkomstig van 128 Rotterdamse vrouwen met voornamelijk Engelse achternamen.

De koning wees de adressen in 1842 af. Hij onthield ook zijn goedkeuring aan de statuten van de antislavernijvereniging die vanuit het Reveil was opgericht. De regering vond dat de slavernij op termijn wel zou moeten worden afgeschaft, maar dit moest geleidelijk verlopen. De actievoerders legden zich er voorlopig bij neer. Het thema werd soms door andere strijdpunten naar de achtergrond gedrongen.

Zwarten hebben harten

De antislavernijgevoelens werden door ds. N. Beets in een gedicht verwoord:

Och Neêrlands machtigen en braven!
Verbreekt ons juk;
Brengt, brengt uwe arme negerslaven
Toch eindlijk, eindlijk uit den druk.
Wij zijn wel zwarten,
Maar hebben harten,
Zoo goed als gij.
En zoo uw harten beter zijn,
Verlost dan de onzen van de pijn!
Veel lijden wij.

Voor de Reveilvrienden leidde de actie tegen de slavernij overigens tot blijvende samenwerking tussen gelijkgezinden in verschillende steden. Zo schreef J. W. Gefken in 1842 aan H. J. Koenen: „Wat ook van de Zaak worde, gij zult het met mij verblijdend vinden, dat hier vereeniging en verlangen om vereenigd te werken onder de broeders ontstaat.”

Nadat Gefken in 1851 tevergeefs de slavernij ter sprake had gebracht, stelde hij op 6 april 1853 tijdens de zestiende bijeenkomst van de Christelijke Vrienden met succes voor om de in 1842 opgerichte maatschappij die de slavernij wilde afschaffen (NMBAS) te revitaliseren. De overgebleven bestuursleden, Groen van Prinsterer, Elout van Soeterwoude en Gefken, stuurden een circulaire rond en op 25 juli 1853 had een eerste vergadering plaats. Daar werden de statuten uit 1842 ongewijzigd overgenomen.

Uitstel

De maatschappij streefde haar doelstellingen na door de uitgave van een blad, het indienen van adressen (petities) bij koning en parlement en het vrijkopen van slaven in Suriname. De leden van de beweging die in de Tweede Kamer zaten, lieten daar van zich horen.

Nog in datzelfde jaar 1853 werd er een staatscommissie ingesteld die over het slavernijbeleid moest adviseren. Groen van Prinsterer verliet de commissie overigens binnen een jaar, omdat hij van haar omslachtige werkwijze een onaanvaardbaar lang uitstel van de slavenemancipatie verwachtte.

Dat uitstel kwam er toch, als gevolg van de verdeeldheid binnen de politiek en de verflauwende belangstelling van het publiek voor het onderwerp. Net als in Engeland stonden liberalen en orthodoxe christenen met hun streven naar afschaffing van de slavernij tegenover conservatieve politici, al lagen de tegenstellingen in Nederland minder scherp.

De planters in Suriname betoogden in anonieme pamfletten dat emancipatie niet alleen de koloniën zou bedreigen. Door het verlies van de koloniale handel waarop ieders welvaart gebaseerd was, zou het voortbestaan van het moederland zelf groot gevaar lopen.

Uiteindelijk schafte Nederland de slavernij in 1863 toch af. Dat gebeurde in hetzelfde jaar als in Verenigde Staten, maar pas 68 jaar na Denemarken, 30 jaar na Engeland en 15 jaar na Frankrijk.

De NMBAS had zich in 1862 al opgeheven. De leden kregen het verzoek voortaan de Maatschappij tot bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere heidensche bevolking in de kolonie Suriname te steunen.

EINDE ARTIKEL
[75]

”Officieel bestond op het grondgebied van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden geen slavernij, maar in werkelijkheid was de status van slaven in de Lage Landen een grijs gebied. In de zestiende eeuw werd, volgens de zestiende-eeuwse Leuvense professor Petrus Gudelinus, in Mechelen een ontsnapte slaaf bevrijd, onder de redenering dat slavernij niet erkend werd in de Lage Landen.[1] In de praktijk werd deze uitspraak vaak genegeerd: met name Spaanse en Portugesekooplieden namen met regelmaat slaven mee naar Nederland als bedienden

WIKIPEDIAGESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ/SLAVERNIJ IN DE LAGE LANDEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij#Slavernij_in_de_Lage_Landen

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAGESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE SLAVERNIJ
https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_slavernij

[76]
”Veel slaven werden van Afrika naar Amerika verhandeld. In 1728 kwam een van hen echter naar Nederland: een elfjarige jongen, Capitein, genoemd naar de kapitein van wie zijn eigenaar hem kreeg. Deze zwarte jongeman, afkomstig van de Goudkust, werd predikant. Ondanks zijn afkomst verdedigde Jacobus Joannes Eliza Capitein in zijn oratie op 10 maart 1742 de ”Slaverny.” Hij vond de slavenhandel niet strijdig met de christelijke vrijheid: geestelijke vrijheid kan samengaan met lichamelijke onvrijheid.”


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[77]

Dissertatio politico-theologica de servitute, libertati christianæ non contraria.”

WIKIPEDIA

JACOBUS CAPITEIN/DISSERTATIE

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacobus_Capitein#Dissertatie

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

JACOBUS CAPITEIN

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacobus_Capitein

[78]

WIKIPEDIA

JACOBUS CAPITEIN

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacobus_Capitein

[79]

„Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die enen mens steelt, zegt God, zal zekerlijk gedood worden. Ex. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een negotie van gemaakt. Ach! mochten die menschen die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph: ik ben dieffelyk ontstoolen uit myn land?” 


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[80]

REFORMATORISCH DAGBLAD

HISTORICUS: VERZET SMIJTEGELT TEGEN SLAVERNIJ VERDIENT PLAQUETTE

https://www.rd.nl/kerk-religie/historicus-verzet-smijtegelt-tegen-slavernij-verdient-plaquette-1.1580318

Volgens drs. Peter Sijnke is de Middelburgse predikant Bernardus Smijtegelt een voorloper van de anti-slavernijbeweging. Smijtegelt verdient daarom een herinneringsplaquette, vindt de historicus.

Slavenhandel was in de zeventiende en achttiende eeuw breed geaccepteerd, vertelt de gepensioneerde stadsarchivaris van Middelburg. „De zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde Hugo de Groot zag die zelfs als gewone handel.”

In Smijtegelts dagen had de slavenhandel een flinke vlucht genomen. „De Middelburgse Commercie Compagnie richtte zich vanaf 1732 op het vervoeren van slaven van Afrika naar Amerika toen het monopolie van de West-Indische Compagnie op de driehoekshandel verviel. Schepen namen goederen als fluweel, geweren en brandewijn mee, en verhandelden die met Afrikaanse vorsten in ruil voor slaven. Die werden vervolgens verscheept naar Amerika. Op de terugreis namen zij cacao en suiker mee naar Zeeland.”

Smijtegelt was in zijn verzet tegen slavenhandel een uitzondering, stelt Sijnke. „Veel collega’s van hem vonden met een beroep op de Bijbel slavernij legitiem.”

Zelfs de zwarte predikant Jacobus Capitein (1717-1747) verdedigde de slavernij. „Vaak verdedigde men die met een beroep op de vervloeking van Cham in het Bijbelboek Genesis. Zwarte mensen zouden zijn nazaten zijn.”

Al voor 1740 fulmineerde Smijtegelt in zijn preken tegen de slavernij, met de handelaren onder zijn gehoor. „Vanaf de kansel noemde Smijtegelt de handel in mensen een grove en vreselijke zonde. De verhandelde Afrikanen waren „diefelijk ontstolen” uit hun vaderland. Hij preekte: „Die een mens steelt, zegt God, zal zeker gedood worden. Dat soort dieverij wordt begaan in de slavenhandel. Is het niet droevig, dat christenen daarvan een handel hebben gemaakt?””

Volgens Sijnke zou een steen of plaquette bij Smijtegelts huis aan de Herengracht in Middelburg het mooiste zijn geweest. „Maar helaas weten we niet meer in welk huis hij precies woonde. Daarom is een plaquette bij het monument voor de afschaffing van de slavernij een passende plek.”

Bij dit monument werd maandag herdacht dat 156 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft.

Afkeer

Bij dat voorstel sluit dr. Huib Uil, stadshistoricus van Zierikzee, zich aan. „Zo’n herinnering laat zien dat er ook tegengeluiden waren tegen de slavenhandel.”

De ouderling van de oud gereformeerde gemeente in Nederland in Zierikzee nuanceert wel het beeld van Smijtegelt als een uitzondering in het verzet tegen slavernij. „Dan zou er ook kritiek hebben geklonken van andere predikanten op zijn standpunten.”

Volgens Uil is Smijtegelt meer een overgangsfiguur op weg naar een verbod op slavernij. „De zeventiende-eeuwse predikant Godefridus Udemans had al voor die tijd een genuanceerde opvatting over slavernij. Slaven die christen werden, moesten van hem na zeven jaar vrijgelaten worden. Bovendien kweekte deze Zierikzeese predikant afkeer tegen slavernij. De zeventiende-eeuwse predikanten Georgius de Raad in Vlissingen en Johannes de Mey in Middelburg sloten zich daarbij aan. Smijtegelt scherpte dat standpunt verder aan door slavernij beslist af te keuren. De volgende stap was het verbieden van slavernij.”

Kan een plaquette over Smijtegelts verzet tegen slavernij ook aandacht vragen voor zijn bevindelijk-gereformeerde prediking? Dat idee spreekt Uil niet aan. „We mogen hem zeker in achting houden, maar laten we de persoon niet verheerlijken. De beste manier om Smijtegelt in herinnering te houden, is door zijn preken te lezen.”

EINDE ARTIKEL OVER SMIJTEGELT

[81]NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

De zeventiende-eeuwse dominee Jacobus Hondius uit Hoorn is sinds kort herontdekt. Want hij en zijn orthodoxe collega-predikanten spraken zich wel degelijk tegen de slavenhandel uit.

Gisteren, 1 juli, is weer herdacht hoe Nederland in 1863 de slavernij afschafte. Die had toen zo’n 250 jaar bestaan, sinds ’we’ rond 1600 de wereldzeeën waren gaan bevaren. In de veroverde gebieden werden Aziaten en Afrikanen op grote schaal gekocht, te werk gesteld en gemarteld als ze zich verzetten.

’Je moet het in de tijd zien’, wordt vaak gezegd. Inderdaad, in Azië en Afrika was slavernij een bekend verschijnsel. De Nederlanders deden niet veel anders dan flink gebruik maken van een bestaande praktijk in een verre vreemde wereld. Toch waren er vanaf het begin mannen van gezag die de vinger op de wonde plek legden.

Zoals Jacob de Hond, meer bekend als Jacobus Hondius, die jarenlang predikant was in Hoorn. Terwijl de havenstad groeide en bloeide, schepen van de VOC en de WIC de haven verlieten en volgeladen met exotische waar terugkeerden, preekte hij twee keer per zondag in de Grote Kerk.

En hij schreef. In het Zwart Register van Duizend Zonden somde hij alle zonden op waar een kerkganger zich verre van diende te houden. De slavenhandel hoorde daarbij. Dat andere volkeren zich hier wel mee bezighielden, was voor hem geen argument. ’Leden van onze kerk horen zich niet te besmetten met zulke onbarmhartige handel’, waarschuwde hij. Zij begaan een grove zonde als ze ’slaven kopen om weer te verkopen en met die ongelukkige mensen handel te drijven, net als met andere waren en goederen, alsof het maar beesten waren.’ Want, schreef hij, ’Het zijn immers mensen van een en dezelfde aard als zij zelf zijn’.

Hondius is herontdekt. Hij heeft een ereplekje in de kortgeleden verschenen Gids Nederlands Slavernijverleden en wordt de laatste jaren vaker genoemd als lichtend voorbeeld. Dat heeft iets grappigs, want veel van zijn andere uitspraken zou men niet zo prijzen. Hij beschouwde bijvoorbeeld ook het kerkorgel en het Sinterklaasfeest als zondig, en vond dat een vrouw haar hoofd moest bedekken.

Hondius behoorde tot de orthodoxe stroming in de protestantse staatskerk. Die predikanten – zo heeft de kerkhistoricus G.J. Schutte vastgesteld – waren behoorlijk kritisch tegenover slavenhandel en slavernij. Zodat ze in de 21e eeuw opeens weer een kleine heldenrol hebben gekregen. Want ze doen heel herkenbare uitspraken.

Zo schreef dominee Festus Hommius uit Leiden in 1617 dat slavenhandel een grove zonde was. Omdat je mensen daarmee ’berooft van hun kostbaarste goed: de vrijheid’. In 1653 schreef de Zuid-Hollandse predikant Cornelius van Poudroyen: ’Het betaamt christenen niet zich in deze harde, onzekere, verwarde, gevaarlijke en oneerlijke handel te mengen, en zo iemands ongeluk te vergroten en de uitvoerder te zijn van iemands kwelling en ellende.’

De Zeeuwse predikant Georgius de Raad nam in 1665 helemaal geen blad voor de mond: ’Men lokt ze in onze schepen, rooft ze, voert ze tegen hun wil weg, scheidt de ouders van de kinderen, de kinderen van de ouders, de mannen van de vrouwen, de vrouwen van de mannen’, schreef hij. ’Ik zwijg nog maar van de ongehoorde en heidense wreedheid die de christenen plegen tegenover de heidense slaven in de schepen, en van de manier waarop de slaven op onze plantages worden ontvangen.’ Hij besluit: ’Ons land is aan het zinken, en de zonden die dagelijks in de slavenhandel worden gepleegd, zouden wel eens de zwaarste ballast kunnen wezen, die het schip ten gronde doet gaan.’

Het bleef bij woorden. Slavernij was nu eenmaal economisch erg interessant en in de praktijk werd slavenhandelaren en plantage-eigenaren dus weinig in de weg gelegd. Er waren zelfs predikanten die het verschijnsel verdedigden. Afrikaanse krijgsgevangenen werden via de slavenhandel van de dood gered en wellicht zelfs tot bekering gebracht, zeiden ze. Of: stond er niet al in de Bijbel dat de zwarte zonen van Cham, de zoon van Noach, waren vervloekt om eeuwig andere volkeren te dienen?

Zo werd slavernij ’gewoon’ en zou tot in de negentiende eeuw voortduren. Maar toch, er zijn altijd mensen geweest die beter wisten. Het verleden is ook weer niet zó’n vreemd land als wel eens wordt gezegd.

EINDE ARTIKEL

[82]

KERKELIJKE VERGADERINGEN

[83]

Classisvergaderingen in Amsterdam en op Walcheren schreven in 1628 al dat het „niet christelyck was lyffeygene te hebben  


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[84]

””Ook Justus Vermeer verwees naar Exodus 21:16, toen hij schreef over „den onbehoorlijken slavenhandel, in vreemde landen; als men daar mensen (met ons uit enen bloede) als beesten drijft, koopt en verkoopt, daarover de ongunste Gods zeer te vrezen is.”

REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[85]

”Zo stelde hij in ”’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip” (1638) –handboek voor de christen-koopman-zeevaarder– dat slaven mochten weglopen.Ook noemde hij de mogelijkheid,  om slaven na een bepaalde tijd vrij te laten: zeven jaar nadat ze zich tot het christelijk geloof hadden bekeerd.”


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[86]

”dat het den christenen niet en betaemt haer in desen rouwen, onsekeren, verwarden, periculeusen ende onbillicken handel te steken, ende daerdoor yemant sijn quaet vermeerderen ende executeur te zijn van yemants quellinge ende ellende.” 


REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[87]

”Zeventiende eeuwse dominee Festus Hommius uit Leiden schreef, in 1617 dat slavenhandel een grove zonde was. Omdat je mensen daarmee ’berooft van hun kostbaarste goed: de vrijheid’.NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

 [88]

 ’Men lokt ze in onze schepen, rooft ze, voert ze tegen hun wil weg, scheidt de ouders van de kinderen, de kinderen van de ouders, de mannen van de vrouwen, de vrouwen van de mannen’, schreef hij. ’Ik zwijg nog maar van de ongehoorde en heidense wreedheid die de christenen plegen tegenover de heidense slaven in de schepen, en van de manier waarop de slaven op onze plantages worden ontvangen.’  

NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

[89]

”’’Ons land is aan het zinken, en de zonden die dagelijks in de slavenhandel worden gepleegd, zouden wel eens de zwaarste ballast kunnen wezen, die het schip ten gronde doet gaan.’NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

[90]
DOORBRAAK.EU
DE NEDERLANDSE SLAVERNIJGESCHIEDENIS IN DE OOST

Op 12 juni organiseerden Doorbraak en Grenzeloos een bijeenkomst over slavernij en slavenhandel in Azië, onder het bewind van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en in later tijden. De auteur Reggie Baay zou daar spreken, maar bleek te zijn verhinderd. Wel leverde hij de onderstaande tekst af die ter plekke werd voorgelezen.

Op de bijeenkomst sprak ook historicus Matthias van Rossum.

Begin januari dit jaar verscheen mijn boek “Daar werd wat gruwelijks verricht”, een monografie over de (koloniale) slavernij in wat eerst Nederlands Oost-Indië heette en later Nederlands-Indië. Het is, zoals ook op de achterflap vermeld wordt, “het eerste boek waarin de geschiedenis van de slavernij in ‘ons Indië’ in zijn geheel verteld wordt”, dat wil dus zeggen vanaf de tijd van de VOC tot aan het einde van de kolonie Nederlands-Indië aan het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw.Aan de basis van dit boek lag mijn verwondering, of beter gezegd mijn verbijstering over het feit dat dit deel van de

Nederlandse slavernijgeschiedenis in de koloniën geen plek heeft in ons collectieve geheugen en geen deel uitmaakt van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Althans niet zoals die in ons onderwijs wordt behandeld. En dat terwijl de slavernij in de Oost qua omvang en duur op z’n minst gelijk is aan die in de West.

Mijn boek is bedoeld als eerste aanzet over dit onderwerp. In alle bescheidenheid. Geschreven in de hoop dat anderen verder onderzoek doen en publicaties het licht doen zien om daarmee onze kennis erover steeds meer te vergroten én te verspreiden, totdat uiteindelijk de slavernij in de Oost ook deel gaat uitmaken van ons collectieve geheugen én van ons onderwijs met betrekking tot de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de voormalige koloniën. Ik roep daar aan het slot van mijn boek ook expliciet toe op. Want er is wat betreft de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de Oost nog zo ontzettend veel te onderzoeken én te schrijven. In dit opzicht zouden we kunnen spreken van een stiefmoederlijke behandeling. Is het immers niet tekenend dat het tot januari 2015 heeft geduurd voordat de eerste monografie over dit onderwerp verscheen?

Kleurrijke tragiek

Enkele maanden na de publicatie van mijn boek, om precies te zijn half mei, verscheen met “Kleurrijke tragiek” van de hand van de historicus Matthias van Rossum een nieuw boek over de slavernij in de Oost. En hopelijk is dit de eerste in een lange reeks publicaties over de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de Oost die nog zal volgen.

In “Kleurrijke tragiek” wordt de geschiedenis van slavernij in Azië beschreven tijdens de periode van de VOC en het boek bevat weer nieuwe informatie over de slavernij in die periode. Als zodanig vergroot het boek onze kennis van de slavenhandel en slavernij daar en geeft het meer bekendheid aan deze al te lang ‘vergeten’ episode uit onze nationale geschiedenis. Prima dus!

In zijn boek stelt Matthias van Rossum ook – op een toon die enigszins afwijkt van de rest van zijn boek – dat ik in “Daar werd wat gruwelijks verricht” verkeerde accenten leg en verwarring zou stichten. Hij doet dat met weinig omslag waardoor de lezer de onderbouwing ervan voor een deel gaandeweg zelf in het vervolg van zijn boek moet ontdekken. Het gaat daarbij volgens hem om drie zaken, te weten de aard van de slavernij in respectievelijk de West en de Oost, de rol van de VOC als slavenbezitter en de rol van de VOC in de slavenhandel.

Mij is bij deze gelegenheid gevraagd hierop te reageren. Dat doe ik bij deze dan ook graag. Temeer omdat deze ‘kritiek’ op internet inmiddels een eigen leven lijkt te gaan leiden. “Het boek doet een belangrijke poging om slavernij in Azië als ‘echte’ slavernij te zien, maar desondanks gaat Baay nog te veel mee in het beeld dat slavernij in Azië – als huishoud- en ambachtslavernij – wezenlijk verschilde van slavernij in het Atlantisch gebied”, schrijft van Rossum (pagina 16). Hij vindt dat dit verschil, namelijk dat in de West het merendeel van de slaven werd ‘gebruikt’ voor grootschalige plantageslavernij, terwijl het merendeel van de slaven in de Oost in en om (in de meest brede zin) de ‘huishoudens’ tewerk werden gesteld, onjuist en irrelevant. Verderop in zijn boek lezen we hoe deze visie wordt onderbouwd: door uit te gaan van een ‘verengde’ definitie van huisslavernij en er vervolgens op te wijzen dat slaven in de Oost niet alleen als bedienden in de huishouding, maar ook voor de meest uiteenlopende werkzaamheden werden gebruikt (zoals overigens ook uitvoerig in mijn boek te lezen valt): als sjouwers, kalkbranders, lossers en laders, mijnwerkers, arakstokers, vissers, houthakkers en ook als slaven op de “tuinen”, maar niet voor grootschalige plantageslavernij… Simpelweg omdat die er niet was, behalve, zoals ik in een apart hoofdstuk uitvoerig beschrijf, op het eiland Banda ten behoeve van de nootmuskaat- en foelieteelt. En opvallend genoeg ontbreekt deze uitzondering in “Kleurrijke tragiek”.

Plantage- en huisslavernij

Het argument van “werkdifferentiatie” wordt vergezeld van een ander argument, namelijk dat de behandeling van slaven in de Oost net zo wreed, of als men het anders wil formuleren, niet milder was of kon zijn dan in de West. In hoofdstuk drie van “Daar werd wat gruwelijks verricht” heb ik al aan de hand van uitgebreide casuïstiek aangetoond dat wat de wrede behandeling van slaven betreft er geen significante verschillen behoefden te bestaan tussen de Oost en de West. Hiermee is echter niet bewezen dat het verschil tussen de plantageslavernij in de West en de huisslavernij in de Oost niet ter zake doende is. Maar, en dat heb ik in mijn boek met het eerder aangehaalde hoofdstuk ook willen aantonen, het bewijst alleen dat mishandeling inherent is aan slavernij. Waar ook ter wereld en los van de arbeid die men als slaaf gedwongen moet verrichten. Inherent aan een toestand waarbij men de zeggenschap over het eigen leven is kwijtgeraakt en waarbij men door een ander mens als zijn of haar bezit wordt beschouwd.

En dan is er nog iets. Wat het verschil tussen de slavernij in de Oost en de West zo belangrijk en relevant maakt zijn de economische implicaties ervan. Waren de economische belangen van de slavernij in de Oost overwegend individueel, namelijk die van de individuele slavenhouders, die in de West waren overwegend collectief, van groepen plantage-eigenaren en geldschieters, de vermaarde plantagelobby. Economische belangen die nauw verweven waren met de moederlandse economie. Dat de economische implicaties van dit verschil evident én relevant waren en zijn, bewijst de afschaffingsproblematiek halverwege de negentiende eeuw. Lees de verslagen van de afschaffingsdebatten er maar op na. Gemakkelijker is het overigens om mijn hoofdstuk vier te lezen over de afschaffingsgeschiedenis van de slavernij in de Oost en in de West. Het verschil tussen de plantageslavernij in de West en de ‘huisslavernij’ in de Oost en de economische implicaties van dit verschil vormden immers de kernargumenten in de Nederlandse politieke afschaffingsdiscussie. Dit verschil ontkennen doet geen recht aan de historische werkelijkheid.

VOC als slavenbezitter

Het tweede “verkeerde accent” betreft de rol van de VOC als slavenbezitter, die zou door mij, naar de mening van Van Rossum, te sterk zijn aangezet. En dit zou dan leiden tot een “vertekenend beeld”. Gelukkig nuanceert hij een en ander en geeft hij toe dat ik de feiten wel degelijk juist weergeef (maar dat gebeurt kennelijk naar zijn mening wel erg laat, namelijk op pagina 60 van mijn boek). “Dit kan onterecht”, gaat Van Rossum verder, “tot het beeld leiden dat VOC-werk vrijwel alleen door slaven werd gedaan. Dat is niet juist.” (pagina 17), luidt zijn conclusie tot slot. Ik hoef niemand te vertellen dat we hier te maken hebben met een klassieke drogredenering: je schuift iemand – uiteraard onterecht – iets in de schoenen om vervolgens je punt te kunnen maken. Dat doet alleen maar afbreuk aan een discussie. Het is even onzinnig als wanneer ik zou beweren dat Van Rossum met zijn boek de indruk wekt dat de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de Oost zich beperkt tot de periode van de VOC. Om vervolgens te concluderen dat dat niet juist is.

Tenslotte zou ik in mijn boek verwarring stichten door de relatief grote rol die ik de VOC tijdens haar bestaan toebedeel als het gaat om de handel in slaven in Azië. “Ook dat klopt niet”, stelt Van Rossum. “De oorlogvoerende monopolist heeft inderdaad tienduizenden slaven verhandeld”, gaat hij verder, “maar het VOC-personeel speelde hier een nog veel grotere rol dan de VOC.” (pagina 17) Van Rossum toont zich met deze visie een medestander van de Nederlandse historici die ervan uitgaan dat de bemoeienissen van de VOC met de slavenhandel in Azië gering tot zeer gering zijn geweest. Dat behoeft nadrukkelijk nuancering.

Nog los van het feit dat het er misschien aanmerkelijk meer zijn dan de “tienduizenden” waarover Van Rossum spreekt (nader toekomstig onderzoek moet daar uitsluitsel over geven), is het juist dat de handel in slaven van de private onderneming die de VOC was, afgezet tegen de totale handel bedreven door de ontelbare, voornamelijk kleine, Aziatische slavenhandelaren, in de loop der jaren betrekkelijk gering was. In mijn boek spreek ik dan ook van de VOC-slavenhandel als “bijhandel”. Het is eveneens juist dat vele compagniesdienaren zich al die jaren – ook als het gaat om slaven – bezig hebben gehouden met smokkelhandel ten eigen bate en dat die slavenhandel qua aantallen die van de Compagnie waarschijnlijk flink overstijgt. Hierbij zijn nogal wat Nederlandse historici er altijd vanuit gegaan dat de ‘illegale’ handel in slaven door haar dienaren zich altijd heeft ontrokken aan het zicht van de bewindvoerders en dat de VOC weinig tot niets met de slavenhandel van haar dienaren te maken had. Dat beeld behoeft correctie.

Shell

Het was sowieso voor de smokkelende VOC-dienaren niet goed mogelijk om hun activiteiten en ‘smokkelwaar’ goed verborgen te houden. Immers deze “morshandel” kon vaak alleen plaatsvinden met behulp van de schepen van de Compagnie én in het bijzijn van anderen, zoals de overige bemanning van een VOC-schip. Uit de archieven blijkt dan ook dat de bewindvoerders van de VOC redelijk goed op de hoogte waren van de illegale slavenhandel van hun personeel. Het feit dat er ‘beleid’ op was gemaakt en dat er regelgeving op dit terrein bestond (zoals ik ook in mijn boek beschrijf) ondersteunt dit nog eens. De illegale handel in slaven door haar personeel werd door de bewindvoerders in nogal wat gevallen bewust oogluikend toegestaan. Als een soort ‘arbeidsvoorwaarde’. We zouden het kunnen vergelijken met een modern concern als Shell die via ‘gunstige’ arbeidsvoorwaarden, bonussen of emolumenten het personeel aan zich bindt en tevreden houdt. Door haar werknemers toe te staan voor persoonlijk gewin en niet zelden met gebruikmaking van de faciliteiten van de VOC in slaven te handelen, hield de Compagnie die werknemers tevreden en loyaal; ze konden zo immers genoeg bijverdienen om hun inkomsten op peil te houden of aanmerkelijk te vergroten. Daar had de VOC dus voordeel bij. Daarnaast profiteerde de Compagnie nog op een andere manier van deze slavenhandel van haar personeel. Vastgelegd was immers dat de Compagnie het recht had om uit de ‘lading’ slaven die door werknemers werden aangevoerd, de besten (vaak waren dat de sterksten of meest vaardigen) te mogen uitkiezen ten bate van de VOC. Zo had zij niet alleen tevreden bijverdienende werknemers, maar ook nog eens gratis de beste (en dus duurste) slaven. Het ‘probleem’ was overigens dat de bewindvoerders de omvang, de winstgevendheid én de schade voor het eigen bedrijf van de morshandel altijd hebben onderschat…

Zoals ik in mijn boek beschrijf, beheerste de VOC bovendien al vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw, betrekkelijk kort na haar aankomst in de Indische archipel, de slavenhandel in de regio. Zij zette de slavenhandel daar geheel naar haar hand door middel van regelgeving; zij beheerste de aanvoerroutes, heerste over de belangrijkste slavenmarkt in de regio (die van Batavia), oefende invloed uit op de prijzen én gedroeg zich als een monopolist door bijvoorbeeld simpelweg de aanvoer van (specifieke groepen) slaven te verbieden als dat haar belangen schaadde (bijvoorbeeld als de Compagnie zelf grote aantallen van die slaven op de markt wenste te ‘dumpen’).En tot slot, maar zeker niet minder belangrijk, de slavenhandel in Azië is voor de VOC jarenlang een aanzienlijke bron van inkomsten geweest in de vorm van de heffing van “tholpenningen”, “redemptiegeld” of “slavenbelasting”, zoals ik ook in mijn boek uiteenzet. Voor elke door de particuliere slavenhandelaren aangevoerde slaaf hief de Compagnie in de loop van de achttiende eeuw bijvoorbeeld een bedrag van tien rijksdaalders. Een bedrag dat nu ongeveer gelijkstaat aan zo’n 250 euro. Rekenen we dat door, dan moet dit de VOC alleen al – omgerekend en voorzichtig geschat – tot aan het einde van haar bestaan vele, vele miljoenen euro’s hebben opgeleverd. Inkomsten die rechtstreeks in de Compagniekas vloeiden en dus (ook) direct werden verkregen uit de slavenhandel. Op basis van deze zaken mogen we, zoals ik in mijn boek doe, naar mijn mening dan ook gerust spreken van de VOC als een grote en bepalende speler in de slavenhandel in de Oost.

Slavernij na de VOC

Overigens, door nu zo uitvoerig in te gaan op de rol van de VOC, ligt het gevaar op de loer dat de nadruk veel te veel komt te liggen op de slavernij tijdens de VOC-tijd. Of op de VOC zelf. En dat kan niet de bedoeling zijn. Het gaat immers om de gehele Nederlandse slavernijgeschiedenis in de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Wat minstens zo belangrijk is, is dat toen de VOC ophield te bestaan, de slavernij in Indië onder de verantwoordelijkheid viel van de Nederlandse staat, de koloniale overheid. En die hield zonder mankeren de slavernij en slavenhandel in Oost-Indië in stand. Sterker nog, die handelde ook zelf in slaven en die ging gewoon door met het vergaren van inkomsten door het heffen van slavenbelasting. De moeizame afschaffingsgeschiedenis in deze voormalige kolonie verdient hier dan ook aandacht, én het verbijsterende feit dat – met name vanwege de angst voor hoge kosten en politieke onrust – de Nederlandse koloniale overheid de slavernij en slavenhandel – ondanks de formele afschaffing op 1 januari 1860 – nog tot ver in de twintigste eeuw gewoonweg gedoogde, zoals ik ook uitvoerig in mijn boek uiteenzet. Die rol van de overheid met betrekking tot de slavernij in Nederlands-Indië zou op een avond als deze ook een belangrijk punt van discussie moeten zijn.

Niet minder belangrijk is, denk ik, het door mij in hoofdstuk zes van mijn boek gememoreerde opmerkelijke feit dat deze lange en schaamtevolle periode van slavernij en slavenhandel in de Oost, in tegenstelling tot die in de West, zorgvuldig en volledig uit onze nationale geschiedenis en ons collectieve geheugen lijkt te zijn gebannen. Het kan toch niet zo zijn dat we nu slechts één deel van onze slavernijgeschiedenis kennen en erkennen en het andere deel ervan simpelweg achterwege laten? Is het niet tijd dat ook de slavernij en slavenhandel in de Oost deel gaat uitmaken van onze kennis van de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de voormalige koloniën? En zo ja, dient die dan ook niet – ondanks een andere afschaffingsdatum – opgenomen te worden in de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij? En zouden we ook niet eens stil moeten staan bij de gevolgen van onze vroegere bemoeienissen met slavernij en slavenhandel voor het Indonesië van nu?Reggie Baay

EINDE ARTIKEL

[91]
”His son, Justus Heurnius (1587–1653?) was a doctor, missionary and a botanist, and the first European to collect, document and record many of the South AfricanCape plants”
WIKIPEDIAJOHANNES HEURNIUS
https://en.wikipedia.org/wiki/Johannes_Heurnius
[Johannes Heurnius was de vader van Justus Heurnius, tegenstander van de door de VOC bedreven slavenhandel]

[92]

”Het  argument van de slavenhandelaren dat in de tropen de slavenarbeid gewettigd is, verklaart Heurnius ongegrond. Hij getuigt dat door de zondeval ieder mens, donker of blank, in het zweet zijns aanschijns zijn brood eet (Genesis 3:19). De slaven zijn er niet om de vieze en de zware arbeid van anderen te verrichten. „Zij zijn uw gelijken en medemensen”, zegt Heurnius 

REFORMATORISCH DAGBLAD

KERK VERZETTE ZICH IN ZEVENTIENDE EEUW AL TEGEN SLAVERNIJ

https://www.rd.nl/opinie/kerk-verzette-zich-in-zeventiende-eeuw-al-tegen-slavernij-1.1585597

TEKST

Al in de zeventiende eeuw eerder verzette Justus Heurnius, zendeling in de Oost, zich tegen de slavenhandel.

Drs. Peter Sijnke pleit voor een herinneringsplaquette voor Bernardus Smijtegelt in Middelburg (RD 6-7). Dit om zijn verzet tegen de slavernij te honoreren. Terecht wordt in dit artikel Smijtegelts afkeer van de slavenhandel geprezen.

Wel wekt dit artikel de indruk dat Smijtegelt de enige Nederlandse predikant was die fulmineerde tegen de slavenhandel. Echter, niets is minder waar. Al voor Smijtegelt waren er in Holland predikanten die de slavenhandel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) bekritiseerden. Een van hen was de predikant Justus Heurnius (1587-1652) uit Leiden. Indien terecht een herinneringsplaquette voor Smijtegelt wordt geplaatst, dan verdient Heurnius een borstbeeld in de Statenpassage van de Tweede Kamer in Den Haag, vanwege zijn zorg voor ziel én lichaam als zendeling in Oost-Indië.

Als predikant te Kalslagen, een buurtschap dicht bij Aalsmeer, schrijft hij in 1618 ”Vermaning om de evangelische taak ten opzichte van de Indiërs snel aan te vatten”. Dit geschrift draagt hij op aan de Staten-Generaal, prins Maurits en de bewindvoerders van de VOC.

In 1624 vertrekt Heurnius naar Indië en wordt predikant te Batavia om daar zendingswerk te verrichten. In 1632 begint hij aan zendingswerk op het eiland Ambon in de Indonesische Archipel.

In Oost-Indië komt hij in aanraking met slavenhandelaren en zakenlieden van de VOC. Hij verkondigt hen dat krijgsgevangenen niet als slaven verkocht mogen worden. Het enige wat de oorspronkelijke bewoners van Oost-Indië aangeboden moet worden, is Gods liefde voor de zondaar in Christus, naastenliefde en medeleven. Heurnius verbiedt ook de plaatselijke inwoners hun kinderen te verkopen aan slavenhandelaren.

Het argument van de slavenhandelaren dat in de tropen de slavenarbeid gewettigd is, verklaart Heurnius ongegrond. Hij getuigt dat door de zondeval ieder mens, donker of blank, in het zweet zijns aanschijns zijn brood eet (Genesis 3:19). De slaven zijn er niet om de vieze en de zware arbeid van anderen te verrichten. „Zij zijn uw gelijken en medemensen”, zegt Heurnius.

Landstaal

Hij vertaalt ook delen van de Bijbel in het Maleis, sticht een theologische faculteit en betoont christelijke naastenliefde. Met het vele zendingswerk dat Heurnius in voormalig Oost-Indië verricht is hij een van de eerste zendelingen die het zielenheil van mens op het zendingsveld combineert met hun lichamelijke heil.

Na zijn terugkeer in Nederland in 1639 deelt Heurnius aan de VOC zijn bevindingen mee over de misstanden in de slavenhandel. Ook informeert hij de classis van Amsterdam hierover.

Heurnius stond in zijn kritiek op de slavernij niet alleen. Onder andere de Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius keurde slavenhandel af, alsmede een studiegenoot van Heurnius, de predikant Jacob Hondius. De classis van Amsterdam heeft naar aanleiding van Heurnius verslag haar afkeer van de slavenhandel van de VOC bij de Staten-Generaal kenbaar gemaakt. Die vaardigde daarop verordeningen uit om de naaste niet als een beest maar als een schepsel Gods te behandelen.

Zwarte bladzijde

Vanwege trage communicatie tussen toenmalig Oost-Indië en Holland delegeerde de Staten-Generaal veel van haar macht aan de VOC. Dit bood de VOC gelegenheid om naar eigen believen te handelen en zo kon zij haar activiteiten betreffende de slavenhandel onverminderd voortzetten.

De slavenhandel is een zwarte bladzijde in onze nationale geschiedenis. Echter ook een zwarte bladzijde in wereldwijde geschiedenis. Immers niet alleen Hollanders bedreven deze handel, maar ook Portugezen, Spanjaarden, Engelsen, Fransen, Joden, Turken et cetera. Gelukkig waren er in die tijd theologen als Heurnius, Smijtegelt en Voetius die hierover staat en kerk ter verantwoording riepen.

Tot slot, indien we, terecht, als samenleving voor Smijtegelt een herinneringsplaquette plaatsen, dan pleit ik voor een borstbeeld van Justus Heurnius in de Statenpassage van de Tweede Kamer in Den Haag. Justus Heurnius, die zendeling was voor ziel en lichaam in het voormalig Oost-Indië; de zendeling die oppositie voerde tegen de slavenhandel.

EINDE ARTIKEL

[93]

”According to Smedley and Marks the European concept of “race”, along with many of the ideas now associated with the term, arose at the time of the scientific revolution, which introduced and privileged the study of natural kinds, and the age of European imperialism and colonization which established political relations between Europeans and peoples with distinct cultural and political traditions.[34][39] As Europeans encountered people from different parts of the world, they speculated about the physical, social, and cultural differences among various human groups. The rise of the Atlantic slave trade, which gradually displaced an earlier trade in slaves from throughout the world, created a further incentive to categorize human groups in order to justify the subordination of African slaves

WIKIPEDIA

RACE (HUMAN CATEGORIZATION)/COLONIALISM

https://en.wikipedia.org/wiki/Race_(human_categorization)#Colonialism

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

RACE (HUMAN CATEGORIZATION)  

https://en.wikipedia.org/wiki/Race_(human_categorization)

[94]

WIKIPEDIA

JAN PIETERSZOON COEN

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen

[95]

”Zoals Jacob de Hond, meer bekend als Jacobus Hondius, die jarenlang predikant was in Hoorn. Terwijl de havenstad groeide en bloeide, schepen van de VOC en de WIC de haven verlieten en volgeladen met exotische waar terugkeerden, preekte hij twee keer per zondag in de Grote Kerk.”NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

De zeventiende-eeuwse dominee Jacobus Hondius uit Hoorn is sinds kort herontdekt. Want hij en zijn orthodoxe collega-predikanten spraken zich wel degelijk tegen de slavenhandel uit.

Gisteren, 1 juli, is weer herdacht hoe Nederland in 1863 de slavernij afschafte. Die had toen zo’n 250 jaar bestaan, sinds ’we’ rond 1600 de wereldzeeën waren gaan bevaren. In de veroverde gebieden werden Aziaten en Afrikanen op grote schaal gekocht, te werk gesteld en gemarteld als ze zich verzetten.

’Je moet het in de tijd zien’, wordt vaak gezegd. Inderdaad, in Azië en Afrika was slavernij een bekend verschijnsel. De Nederlanders deden niet veel anders dan flink gebruik maken van een bestaande praktijk in een verre vreemde wereld. Toch waren er vanaf het begin mannen van gezag die de vinger op de wonde plek legden.

Zoals Jacob de Hond, meer bekend als Jacobus Hondius, die jarenlang predikant was in Hoorn. Terwijl de havenstad groeide en bloeide, schepen van de VOC en de WIC de haven verlieten en volgeladen met exotische waar terugkeerden, preekte hij twee keer per zondag in de Grote Kerk.

En hij schreef. In het Zwart Register van Duizend Zonden somde hij alle zonden op waar een kerkganger zich verre van diende te houden. De slavenhandel hoorde daarbij. Dat andere volkeren zich hier wel mee bezighielden, was voor hem geen argument. ’Leden van onze kerk horen zich niet te besmetten met zulke onbarmhartige handel’, waarschuwde hij. Zij begaan een grove zonde als ze ’slaven kopen om weer te verkopen en met die ongelukkige mensen handel te drijven, net als met andere waren en goederen, alsof het maar beesten waren.’ Want, schreef hij, ’Het zijn immers mensen van een en dezelfde aard als zij zelf zijn’.

Hondius is herontdekt. Hij heeft een ereplekje in de kortgeleden verschenen Gids Nederlands Slavernijverleden en wordt de laatste jaren vaker genoemd als lichtend voorbeeld. Dat heeft iets grappigs, want veel van zijn andere uitspraken zou men niet zo prijzen. Hij beschouwde bijvoorbeeld ook het kerkorgel en het Sinterklaasfeest als zondig, en vond dat een vrouw haar hoofd moest bedekken.

Hondius behoorde tot de orthodoxe stroming in de protestantse staatskerk. Die predikanten – zo heeft de kerkhistoricus G.J. Schutte vastgesteld – waren behoorlijk kritisch tegenover slavenhandel en slavernij. Zodat ze in de 21e eeuw opeens weer een kleine heldenrol hebben gekregen. Want ze doen heel herkenbare uitspraken.

Zo schreef dominee Festus Hommius uit Leiden in 1617 dat slavenhandel een grove zonde was. Omdat je mensen daarmee ’berooft van hun kostbaarste goed: de vrijheid’. In 1653 schreef de Zuid-Hollandse predikant Cornelius van Poudroyen: ’Het betaamt christenen niet zich in deze harde, onzekere, verwarde, gevaarlijke en oneerlijke handel te mengen, en zo iemands ongeluk te vergroten en de uitvoerder te zijn van iemands kwelling en ellende.’

De Zeeuwse predikant Georgius de Raad nam in 1665 helemaal geen blad voor de mond: ’Men lokt ze in onze schepen, rooft ze, voert ze tegen hun wil weg, scheidt de ouders van de kinderen, de kinderen van de ouders, de mannen van de vrouwen, de vrouwen van de mannen’, schreef hij. ’Ik zwijg nog maar van de ongehoorde en heidense wreedheid die de christenen plegen tegenover de heidense slaven in de schepen, en van de manier waarop de slaven op onze plantages worden ontvangen.’ Hij besluit: ’Ons land is aan het zinken, en de zonden die dagelijks in de slavenhandel worden gepleegd, zouden wel eens de zwaarste ballast kunnen wezen, die het schip ten gronde doet gaan.’

Het bleef bij woorden. Slavernij was nu eenmaal economisch erg interessant en in de praktijk werd slavenhandelaren en plantage-eigenaren dus weinig in de weg gelegd. Er waren zelfs predikanten die het verschijnsel verdedigden. Afrikaanse krijgsgevangenen werden via de slavenhandel van de dood gered en wellicht zelfs tot bekering gebracht, zeiden ze. Of: stond er niet al in de Bijbel dat de zwarte zonen van Cham, de zoon van Noach, waren vervloekt om eeuwig andere volkeren te dienen?

Zo werd slavernij ’gewoon’ en zou tot in de negentiende eeuw voortduren. Maar toch, er zijn altijd mensen geweest die beter wisten. Het verleden is ook weer niet zó’n vreemd land als wel eens wordt gezegd.

EINDE ARTIKEL

[96]

WIKIPEDIA

SWART REGISTER  VAN DUYSENT SONDEN DOOR JACOBUS HONDIUS (1679)

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Swart_register_van_duysent_sonden_door_Jacobus_Hondius_(1679).jpg

”En hij schreef. In het Zwart Register van Duizend Zonden somde hij alle zonden op waar een kerkganger zich verre van diende te houden. De slavenhandel hoorde daarbij. Dat andere volkeren zich hier wel mee bezighielden, was voor hem geen argument. ’Leden van onze kerk horen zich niet te besmetten met zulke onbarmhartige handel’, waarschuwde hij. Zij begaan een grove zonde als ze ’slaven kopen om weer te verkopen en met die ongelukkige mensen handel te drijven, net als met andere waren en goederen, alsof het maar beesten waren.’ Want, schreef hij, ’Het zijn immers mensen van een en dezelfde aard als zij zelf zijn’.”
NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

[97]
”En hij schreef. In het Zwart Register van Duizend Zonden somde hij alle zonden op waar een kerkganger zich verre van diende te houden. De slavenhandel hoorde daarbij.”

NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

[98]
”Leden van onze kerk horen zich niet te besmetten met zulke onbarmhartige handel’, waarschuwde hij. Zij begaan een grove zonde als ze ’slaven kopen om weer te verkopen en met die ongelukkige mensen handel te drijven, net als met andere waren en goederen, alsof het maar beesten waren.’ Want, schreef hij, ’Het zijn immers mensen van een en dezelfde aard als zij zelf zijn’

NOORDHOLLANDS DAGBLAD”ONS LAND GAAT DOOR SLAVENHANDEL TE GRONDE”STRENGE DOMINEES UIT DE GOUDEN EEUW HERONTDEKT

https://www.noordhollandsdagblad.nl/cnt/dmf20190702_82091154/ons-land-gaat-door-slavenhandel-ten-gronde-strenge-dominees-uit-de-gouden-eeuw-herontdekt?utm_source=google&utm_medium=organic

Jacobus Hondius [1629-1691]

Thema: Verzet, abolitionisme

Adres: Kerkplein, Hoorn

Beschrijving:

Dominee Jacobus Hondius (1629-1691) was van 1661 tot aan zijn dood gereformeerd predikant in Hoorn. Hij trouwde in 1671 in de Grote Kerk met Annetje Jongmaets. Acht jaar later schreef hij zijn bekendste werk Swart Register van duysent Sonden. Dit was een alfabetisch overzicht van elke zonde die een gelovig mens kon begaan.

In zijn werk spreekt hij veel mensen aan die regelmatig naar zijn preken kwamen luisteren, zoals de stadsbestuurders en directeuren van de VOC en de WIC. Hij veroordeelde bijvoorbeeld de slavenhandel van de compagnieën: ‘Soodanige menschen die Slaven koopen om weder te verkoopen … alsof het maer beesten waren: Daer het immers menschen zijn van de selfde nature gelijck als sy.’ Ook gaf hij aan dat Gods zegen niet zou rusten op het geld dat met deze onmenselijke handel werd verdiend.”MAPPING SLAVERYHOORN
https://mappingslavery.nl/en/kaarten-nederland/hoorn-2/

[99]

”Andere predikanten –„coccejaans gekleurde kerkleiders” (Joosse)– rechtvaardigden de slavenhandel wel, onder meer met Chams vervloeking als argumentatie. Voetiaanse predikanten lieten het tegenovergestelde geluid horen, maar het ontbrak aan politieke of juridische actie. De slavenhandel bleef nog lang bestaan.

REFORMATORISCH DAGBLAD

PREKEN TEGEN SLAVERNIJ EN SLAVENHANDEL

https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/preken-tegen-slavernij-en-slavenhandel-1.320826

[100]

”Een VOC-officier verbaasde zich over de gruwelijke orders die hij moest uitvoeren:  De mensen stierven zonder ook maar één geluid te laten horen, behalve één die Nederlands sprak. Die zei: ‘Heeren, heeft dan niemand van U medelijden?’ Alles wat gebeurde was zo afschuwelijk dat we erdoor verstomd waren. Alleen God weet wie gelijk heeft. Wij allen, als praktizerende Christenen, waren vervuld met afschuw over de manier waarop deze zaak werd afgehandeld en we hadden geen plezier in dergelijke aangelegenheden.” 
TROUWOPTREDEN JP COEN HAD WEL WAT MINDERGEKUND9 JULI 2011
https://www.trouw.nl/home/optr eden-jp-coen-had-wel-wat-minde r-gekund~a871a84c/
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 35

[101]
[101]

”In 1783 ontstond er een anti-slavernij beweging onder het Britse publiek. In dat jaar vormde een groep Engelse quakers de eerste abolitionistische organisatie. De quakers bleven van het grootste belang gedurende de hele geschiedenis van de beweging”……………
”Een netwerk van lokale abolitionistische groepen werd opgericht. Ze voerden campagne door middel van publieke bijeenkomsten, pamfletten en petities. De beweging had de steun van quakers, baptisten en methodisten en ze probeerden ook het industrieel proletariaat mee te krijgen. Zelfs vrouwen en kinderen, voorheen een niet-politieke groep, raakten betrokken. Sierra Leone werd een kolonie voor Britse ex-slaven in Afrika dankzij de quakers.”
WIKIPEDIAABOLITIONISME (SLAVERNIJ)/BRITSE RIJK
https://nl.wikipedia.org/wiki/Abolitionisme_(slavernij)#Britse_Rijk

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIAABOLITIONISME (SLAVERNIJ)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Abolitionisme_(slavernij)

”. Quakers proberen, vaak met anderen samen, mensen tot elkaar te brengen om verzoening, gerechtigheid en vrede te bevorderen. In de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk speelden zij een belangrijke rol bij de afschaffing van de slavernij.
WIKIPEDIAQUAKERS/GESCHIEDENIS
https://nl.wikipedia.org/wiki/Quakers#Geschiedenis

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAQUAKERS
https://nl.wikipedia.org/wiki/Quakers

[102]

Nederland is niet het enige land waar beelden en vernoemingen van mensen die verdiend hebben aan slavenhandel het moeten ontgelden. In Bristol in Engeland werd zondag het beeld van slavenhandelaar Edward Colston de haven in geduwd door demonstranten bij een antiracismeprotest.
NOSACTIEGROEP BEKLADT BEELD PIET HEIN EN GEVEL WITTE DE WITH IN ROTTERDAM
https://nos.nl/artikel/2337020-actiegroep-bekladt-beeld-piet-hein-en-gevel-witte-de-with-in-rotterdam.html

BBC

EDWARD COLSTON STATUE: PROTESTERS TEAR DOWN SLAVE TRADER MONUMENT

8 JUNE 2020

https://www.bbc.com/news/uk-52954305

A slave trader’s statue in Bristol has been torn down and thrown into the harbour during a second day of anti-racism protests across the UK.

It comes after largely peaceful demonstrations across the weekend saw some clashes with police.

On Sunday evening, police in central London issued a dispersal order for the City of Westminster compelling people to leave the area after skirmishes.

Boris Johnson tweeted that the protests had been “subverted by thuggery”.

Thousands of protesters massed for a second day in London, as well as cities across the UK including Bristol, Manchester, Wolverhampton, Nottingham, Glasgow and Edinburgh.

Protests were generally peaceful, with aerial footage showing thousands of demonstrators flooding the roads outside the US embassy in Vauxhall, south London, before marching towards Parliament Square and Downing Street.But there were some disturbances, leading to 12 arrests in London – the majority for public order offences and one for criminal damage. Eight officers were injured, police said.

The Metropolitan Police’s Superintendent Jo Edwards said following a “predominantly peaceful protest” in the capital, officers were faced with further “scenes of violence and disorder” which were “entirely unacceptable”.

At around 20:00 BST, bottles were thrown at police and there were clashes near Parliament.

The crowd shouted “no justice, no peace” as they moved down Whitehall and let off smoke bombs.

As darkness fell, lines of police in riot gear took up positions to contain a small group of protesters in Westminster, the BBC’s Tom Symonds said.

A police officer received a head injury and a Section 35 dispersal order was issued until 06:00 on Monday.The Prime Minister later tweeted: “People have a right to protest peacefully & while observing social distancing but they have no right to attack the police. These demonstrations have been subverted by thuggery – and they are a betrayal of the cause they purport to serve. Those responsible will be held to account.”

Colston was a member of the Royal African Company, which transported about 80,000 men, women and children from Africa to the Americas.

On his death in 1721, he bequeathed his wealth to charities and his legacy can still be seen on Bristol’s streets, memorials and buildings.After the statue was toppled, a protester was pictured with his knee on the figure’s neck – reminiscent of the video showing George Floyd, the black man who died while being restrained by a Minnesota police officer.
The statue was later dragged through the streets of Bristol and thrown into the harbour. The empty plinth was used as a makeshift stage for protesters.

Home Secretary Priti Patel called the tearing down of the statue “utterly disgraceful”, adding that “it speaks to the acts of public disorder that have become a distraction from the cause people are protesting about”.

“It’s right the police follow up and make sure that justice is undertaken with those individuals that are responsible for such disorderly and lawless behaviour,” she said.

In a statement, Avon and Somerset Police confirmed there would be an investigation into the “act of criminal damage”.

Historian Prof David Olusoga told BBC News that the statue should have been taken down long before.

He said: “Statues are about saying ‘This was a great man who did great things.’ That is not true, he [Colston] was a slave trader and a murderer.”In a statement the Mayor of Bristol Marvin Rees said he knew the removal of the statue would divide opinion but it was “important to listen to those who found the statue to represent an affront to humanity”.

In Parliament Square, the statue of Sir Winston Churchill was sprayed with graffiti, and a Black Lives Matter sign attached – an act described as “stupid and counterproductive” by foreign office minister James Cleverly.And in Warwickshire, protesters caused the closure of the M6 for around an hour following on from the demonstrations in Coventry city centre.

It comes after clashes on Saturday night between police and protesters saw missiles and fireworks aimed at police and bikes thrown by some demonstrators.

The Metropolitan Police said 14 officers were injured, including a mounted officer who came off a horse as it bolted down Whitehall.

Met Chief Dame Cressida Dick said she was “appalled” by the scenes of unrest on Saturday night, which led to 14 arrests.Ms Patel said there was “no excuse for violent behaviour” and said the protests should stop.

However, speaking on Sunday morning, shadow foreign secretary Lisa Nandy backed the demonstrations, saying people “cannot be silent in the face of racism”, but she urged protesters to take precautions and socially distance.The Labour MP told the BBC’s Andrew Marr she was “proud” of young people demanding change.

[103]

”Monuments named in commemoration of Colston include the Colston Tower and Colston Hall. Colston Avenue and Colston Street are named after him. A regional bread bun, the Colston bun, is named after him.[4][16] A statue of him is on the exterior of Bristol Guildhall of 1843–46.[17] There is a 1870 stained-glass window by Clayton and Bell to his memory in the north transept of St Mary Redcliffe.[18]

He is also remembered, particularly by some schools, charities and the Society of Merchant Venturers, on Colston Day (13 November), which celebrates the granting of a royal charter to the Society of Merchant Venturers in 1639, at a church service held at St Stephen’s Church until 2017”

WIKIPEDIA

EDWARD COLSTON/MEMORIALS

https://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Colston#Memorials

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA

EDWARD COLSTON

https://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Colston

[104]

”Although it is unknown how much Colston gave to charity, his name permeates Bristol on buildings and landmarks. Colston supported and endowed schools, almshouses, hospitals and churches in Bristol, London and elsewhere.[4] Many of his charitable foundations survive to this day.[14]

In Bristol, he founded almshouses in King Street and Colstons Almshouses on St Michael’s Hill, endowed Queen Elizabeth’s Hospital school, and helped found Colston’s Hospital, a boarding school which opened in 1710 leaving an endowment to be managed by the Society of Merchant Venturers for its upkeep. He gave money to schools in Temple (one of which went on to become St Mary Redcliffe and Temple School) and other parts of Bristol, and to several churches and the cathedral.

David Hughson, writing in 1808, described Colston as “the great benefactor of the city of Bristol, who, in his lifetime, expended more than 70,000L. [£] in charitable institutions”

[105]

”Although it is unknown how much Colston gave to charity, his name permeates Bristol on buildings and landmarks. Colston supported and endowed schools, almshouses, hospitals and churches in Bristol, London and elsewhere.[4] Many of his charitable foundations survive to this day

WIKIPEDIA

EDWARD COLSTON/PHILANTHROPIC WORKS

https://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Colston#Philanthropic_works

ORIGINELE BRON

WIKIPEDIA 

EDWARD COLSTON  

https://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Colston

[106]

[106]

WIKIPEDIAWIKIPEDIAJOANNES BENEDICTUS VAN HEUTSZ  https://nl.wikipedia.org/wiki/ Joannes_Benedictus_van_Heutsz

Officier en koloniaal bestuurder, die vorm gaf aan een nieuwe imperialistische politiek, gericht op de buitengewesten. Staat bekend als de pacificator van Atjeh en werd jarenlang door vele Nederlanders als een held beschouwd. Gezien het feit dat bij de pacificatie circa 70.000 inlanders omkwamen, werd hij later symbool voor een verderfelijk koloniaal bewind.”PARLEMENT & POLITIEKJ.B. VAN HEUTSZ
https://www.parlement.com/id/v g09llzb6jzy/j_b_van_heutsz
ARTIKEL
Twee studenten richtten hun actie tegen dat beeld om ‘de groei van de fascistische gedachte in deze tijd’ te bestrijden. Eén van hen was de 22-jarige Relus ter Beek, die het nog tot minister van defensie en commissaris van de Koningin in Drenthe bracht, ondanks het strafblad (vijftig gulden boete of tien dagen hechtenis) dat hij toen opliep.”TROUWPARADOX VAN EEN ONTTAKELDE HELD19 JANUARI 1999https://www.trouw.nl/home/ paradox-van-een-onttakelde- held~a98e8ba9/TEKST

Welke Nederlanders hebben zo’n grote invloed gehad op de twintigste eeuw dat na hen de wereld niet meer dezelfde was? Beroemd, berucht of onderschat, wie veroorzaakte een wending in onze levenswijze, markeerde een doorbraak in ons denken? Met het eind van de eeuw in zicht blikt Podium in Tijdsgewricht iedere dinsdag terug op invloedrijke landgenoten in de afgelopen honderd jaar.

De actualiteit van Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) omspant deze hele eeuw. In 1902 werd hij in Nederland met eerbewijzen overladen als ‘pacificator van Atjeh’. Nu, aan het einde van de eeuw, scharen de Atjehers zich nog steeds niet onder het gezag van Jakarta en komen er van noord-Sumatra dezelfde berichten als honderd jaar geleden: guerrilla en schending van mensenrechten.

Toen en nu zag Van Heutsz kans volstrekt tegengestelde reacties op te roepen. Aan het begin van deze eeuw was er in de Tweede Kamer (niet alleen aan de linkerzijde) een kleine en hardnekkige kern, die vol afschuw over het optreden van de militaire en civiele gouverneur van Atjeh sprak. Aan het eind van de eeuw, in 1893 kwam de Nederlandse ambassadeur in Jakarta naar Atjeh met een door oud-Knil-militairen betaalde kopie van een plaquette met Van Heutsz’ kop voor het gouvernementshuis of het museum in de hoofdstad Banda Atjeh. De ambassadeur deed dat op verzoek van een tot minister gepromoveerde oud-gouverneur van Atjeh.

“Het eerste Nederlandsch-fascistische machtsvertoon” noteerde de schrijver, Frans Coenen bij Van Heutsz’ pompeuze herbegrafenis vanuit het paleis op de Dam op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Dat was op 9 juni 1927 – dus vijf jaar na Mussolini’s mars op Rome en vijf jaar voor Hitlers aantreden als rijkskanselier. “Créateur de valeurs” karakteriseerde op 15 juli 1935 de toenmalige premier Hendrikus Colijn hem bij de onthulling door koningin Wilhelmina van het Van Heutsz-monument bij het Olympiaplein in Amsterdam. Colijn doelde daarbij vooral op de door Van Heutsz’ overwinningen verwerkelijkte eenheid van de kolonie. Een mooie paradox: de Indonesische president Soekarno maakte in de jaren vijftig, dwars tegen Nederland en Colijns erfgenamen in, hetzelfde thema tot zijn ideaal: ‘Van Sabang tot Merauke’.

In 1892 schreef majoor Van Heutsz in een brochure, teleurgesteld door het (zo’n 20 jaar durende) falen van het Indische leger, dat “de Atjehers zich nooit anders dan gedwongen zullen onderwerpen en dat slechts hij, die toont de macht te bezitten om zijn wil te doen eerbiedigen, de meester zal zijn, aan wiens bevelen zij zich zullen onderwerpen”.

In 1898 kreeg hij met zijn benoeming tot civiel en militair gouverneur van Atjeh de kans het hele programma uit te voeren. In het beeld van Van Heutsz overweegt de herinnering aan het militaire geweld, maar het is op z’n minst rechtvaardig er ook aan te herinneren hoe hij als gouverneur van Atjeh zich verzette tegen het elders verwerken van de zojuist in Atjeh gevonden aardolie door de Koninklijke Olie. Het economisch voordeel daarvan moest aan de bevolking van Atjeh ten goede komen. “Het gaat toch niet aan dat de ontwikkeling van het gewest opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die eens bijzonder voordelig exploiteren wil”, schreef hij de gouverneur-generaal in Batavia. Maar Van Heutsz miskende het bijzondere karakter van de misprijzend als ‘een maatschappij’ aangeduide Koninklijke. De minister van koloniën in Den Haag liet de gouverneur-generaal weten dat Van Heutsz moest inbinden.

Een paar jaar later, zelf gouverneur-generaal in Batavia, botst Van Heutsz weer op Den Haag. Hij heeft tot groot ongenoegen van de Nederlandse gemeenschap in Indië een subsidie gegeven aan het tijdschrift Bintang Hindia dat op een voorzichtige wijze leiding probeerde te geven aan de culturele ontwikkeling van de enigszins geschoolde Indonesiërs, onder wie nogal wat militairen van Indonesische afkomst. Dat paste in Van Heutsz’ beleid, net als zijn steun aan de ontwikkeling van het volksonderwijs, want bedenk wel: hij was benoemd door minister Idenburg om diens ‘ethische’ politiek in Indië uit te voeren. Van de kritiek in Indië trok Van Heutsz zich niets aan – zo was nu eenmaal zijn karakter – maar de arm van zijn tegenstanders was lang. Idenburgs opvolger als minister in Den Haag kwam er tenslotte aan te pas om het subsidie aan het tijdschrift te verbieden.

In de jaren zestig was het Van Heutsz-monument in Amsterdam het mikpunt van de voor deze nuances niet zo toegankelijke provo’s. “Zou er in deze stad een standbeeld van Van Heutsz staan, / men moest het onopvallend maar vandaag nog slopen” dichtte J.B. Charles in die jaren in zijn cyclus over Amsterdam, maar hij vond merkwaardig genoeg het eerst weerklank in Coevorden, Van Heutsz’ geboortestad, waar ook een Van Heutsz-monument staat. Twee studenten richtten hun actie tegen dat beeld om ‘de groei van de fascistische gedachte in deze tijd’ te bestrijden. Eén van hen was de 22-jarige Relus ter Beek, die het nog tot minister van defensie en commissaris van de Koningin in Drenthe bracht, ondanks het strafblad (vijftig gulden boete of tien dagen hechtenis) dat hij toen opliep.

Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, in een uithoek van Amsterdam (en daarom onttrokken aan het oog van oproerkraaiers) ligt Van Heutsz begraven in een negen meter diepe grafkelder onder een on-Nederlands ogend (3,5 meter hoog en 2,5 meter breed) mausoleum van grijsrood en onverwoestbaar Zweeds graniet van de architect D. Rosenberg en met merkwaardig, art déco-achtig beeldhouwwerk van B. Ingen Housz.

Het in 1932 in Batavia, naar een ontwerp van Dudok gebouwde monument hebben de Indonesiërs na de oorlog gesloopt. Het andere Amsterdamse monument (van de architect G. Friedhoff en de communistische – alweer zo’n paradox – beeldhouwer Frits van Hall) is inmiddels onttakeld doordat de plaquette met Van Heutsz’ portret is verdwenen.

Misschien is er aanleiding alsnog een plaquette aan te brengen en dan liefst niet met de beeltenis van een martiale militair, maar van een civiele bestuurder uit de tropen die in voorgalerij van zijn huis, in pyjama, pantoffel bungelend aan zijn voet, een sigaartje rookt. Dat beeld hebben zijn bewonderaars ons ook geschilderd.” Op 9 april 1965 plaatsten Alard van Lenthe en de latere Minister van DefensieTer Beek, dan redacteuren van de Rooie Drentse Courant, bij het beeld een bord met daarop de tekst: Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw; om het geschokte vertrouwen van het Ned.-Indische bestuur opnieuw te funderen. De dochter van Van Heutsz diende hierop een aanklacht tegen Van Lenthe en Ter Beek in. Zij werden veroordeeld tot het betalen van een boete van 50 gulden”
EINDE ARTIKEL

TWEEDE ARTIKEL

Hoewel succesvol, is Van Heutsz’ manier van optreden heden ten dage op zijn zachtst gezegd omstreden te noemen. Hij trad genadeloos op en hij wordt als verantwoordelijke gezien voor de massale slachtpartijen die er tijdens deze langdurige oorlog in de Atjehse dorpen werden aangericht. Tienduizenden, volgens sommigen zelfs zeventigduizend Atjehers vonden de dood.”

NPO ANDERE TIJDEN
VAN HEUTSZ

http://www.npogeschiedenis.nl/ andere-tijden/afleveringen/199 9-2000/Van-Heutsz.html

TEKST

VAN HEUTSZ

In Amsterdam is een discussie over het Van Heutsz monument. Wat te doen met een besmette koloniale erfenis?

Het Van Heutsz monument in Amsterdam

Je moet het wel even weten: het gevaarte op de Apollolaan is bedoeld als monument voor generaal J.B. van Heutsz. Te zien is een ruim vier meter hoge vrouwenfiguur op een stenen sokkel, onder een enorme zonneboog. En verder twee leeuwen met wapenschilden van Amsterdam en Batavia, een vijvertje en een aantal reliëfs met verwijzingen naar Nederlands-Indië. Niets dat wijst op een eerbetoon aan de generaal, die Atjeh met harde hand onder Nederlands bewind bracht aan het begin van de vorige eeuw.

Van Heutsz heeft zijn monument in zekere zin aan zijn graf te danken. Hij werd begraven op 4 juni 1927, in een imposante graftombe op de Nieuwe Ooster Begraafplaats in Amsterdam. Voor deze tombe was geld ingezameld, naar later bleek zoveel, dat er na de bouw genoeg over was om ook elders in de stad een monument op te richten. Niet iedereen zat daarop te wachten. Vooral in socialistische kringen bestond veel weerstand tegen Van Heutsz en was men fel gekant tegen een eerbetoon aan de gouverneur-generaal. Twee jaar lang discussieerden voor- en tegenstanders in en buiten de gemeenteraad over het monument. Uiteindelijk kwam het tot een soort ruil-overeenkomst: de socialisten kregen een monument voor Domela Nieuwenhuis en de kolonialen een monument voor Van Heutsz.

De gemeente schreef in 1930 een ontwerpwedstrijd uit, die werd gewonnen door beeldhouwer Frits van Hall en architect G. Friedhoff. Zij hadden samen het ontwerp ingestuurd dat nu nog te zien is op de Apollolaan. Wel is de bronzen plaquette met daarop de beeltenis van Van Heutsz sinds 1984 verdwenen. Toch ging het ook de makers niet zozeer om Van Heutsz, maar om het verbeelden van de historische betrekkingen tussen Nederland en Indie. De staande vrouw symboliseert het Nederlandse gezag in Nederlands-Indie, de vijver staat voor het water tussen Nederland en Indie, en de stralenboog verbeeldt de vriendschap tussen de twee. Van Hall heeft waarschijnlijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat Van Heutsz nog omstredener zou worden. Tegen collega Jan Meefout zou hij hebben gezegd: ‘Vervang het door de letters Vrijheid, Merdeka of Indonesia, en je hebt een Vrijheidsbeeld’.

Sinds 1935 is het monument regelmatig onder vuur komen te liggen. Een van de meest opmerkelijke protesten kwam van de zoon van Van Heutsz zelf, in 1943. Van Heutsz junior, die lid was van de SS, protesteerde tegen het monument voor zijn vader omdat het ‘te week’ zou zijn. De meeste protesten kwamen echter uit linkse hoek. Zeker in de jaren zestig stond het Van Heutsz-monument symbool voor de Nederlandse koloniale onderdrukking en het was een populair doelwit van de provo’s. Tweemaal, in 1967 en in 1984 werd het getroffen door een bomaanslag. In 1984 werd de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz gestolen. De plaquette, en ook de letters van zijn naam, zijn nooit teruggevonden.

In 1997 stond het monument opnieuw in de belangstelling toen de gemeente aankondigde het te willen renoveren. Tegenstanders van het monument protesteerden tegen elke vorm van eerbetoon aan Van Heutsz, en al helemaal tegen het opnieuw ophangen van de plaquette met de beeltenis van Van Heutsz. De renovatie beperkt bleef tot het zandstralen van het monument en het wieden van onkruid, maar de onrust was gezaaid. Oud-provo Roel van Duyn maakte er een politieke kwestie van door bij de verkiezingscampagne voor de Groenen in 1998 een fictief gesprek met Van Heutsz te voeren bij het monument. Als afsluiting onthulde hij demonstratief een blanco plaquette.

Eind 1998 diende het Comité Herdenking Gevallenen Nederlands-Indie een aanvraag in tot naamsverandering van het monument. De deelraad Amsterdam Oud-Zuid zat nu in een lastig parket, aangezien het monument intussen ook in de procedure zat om rijksmonument te worden. In de hoop dat een externe instantie uitkomst zou kunnen bieden werd begin 1999 Instituut Clingendael om een advies gevraagd. Wat moet er gebeuren met het monument, dat de gemeente al 65 jaar last bezorgt? Clingendael heeft een aantal discussierondes georganiseerd met historici, vertegenwoordigers van belangengroepen, en buurtbewoners. Deze week komt het advies. Moet de Van Heutsz-plaquette terugkomen, krijgt het monument een nieuwe naam, wordt het een slachtoffer-monument, komt er een extra informatiebordje?

Andere monumenten voor Van Heutsz

Het monument aan de Apollolaan is niet het enige dat herinnert aan Van Heutsz. Aan de Vijzelstraat in Amsterdam is, hoog in het gebouw van de ABN-AMRO, een afbeelding van Van Heutsz te zien, samen met Jan Pietersz. Coen en Daendels. In Arnhem staat de buste die oorspronkelijk in de hoofdstad van Atjeh stond en ook in zijn geboorteplaats Coevorden staat een beeld. Bij dit laatste gedenkteken plaatsten de latere Minister van Defensie Relus ter Beek en Allard van Lenthe, toentertijd provo en redacteuren van de ‘Rooie Drentse Courant’, op 9 april 1965 een bord met een protest. Op dit bord stond te lezen: ‘Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw’ om het geschokte vertrouwen van het Nederlands-Indische bestuur opnieuw te funderen’.

Van Heutsz en Atjeh

Johannus Benedictus van Heutsz werd op 3 februari 1851 geboren te Coevorden. De beroemdste generaal uit de Nederlandsch-Indische geschiedenis zou vooral bekend worden als de ‘Pacificator van Atjeh’. De uit een familie van beroepsmilitairen stammende Van Heutsz nam op 16-jarige leeftijd dienst bij het Instructie Bataljon te Kampen. De infanterie, ‘de koningin van het slagveld’ werd zijn grote liefde. Toen in 1873 de oorlog met Atjeh uitbrak, ontstond er bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) grote behoefte aan manschappen en officieren. De avontuurlijke Van Heutsz meldde zich aan en vertrok naar Indië.

De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de handelsorganisatie die de handel met Indië verzorgde, werd in 1799 failliet verklaard. Haar bezittingen gingen over in handen van de Nederlandse staat. De VOC had echter, omdat het een handelsorganisatie was, nooit de ambitie gehad het land, dat gelegen was achter de handelsposten (factorijen) langs de kust, aan haar bestuur te onderwerpen. Ze was slechts uit op handel met de verschillende inlandse vorsten. In de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen de grote Europese naties steeds meer land aan hun bestuur toe te voegen en zich op deze wijze koloniën toe te eigenen. Ook Nederland was begonnen met het onderwerpen van de inlandse vorsten aan het Nederlandse gezag, daarmee de kolonie Nederlandsch-Indië creërend. In dat licht moet de langste en bloedigste van de Nederlandse koloniale oorlogen gezien worden, tegen het machtige en onafhankelijke sultanaat Atjeh. Deze oorlog in het noordoostelijke deel van het eiland Sumatra duurde van 1873 tot 1912.

De oorlog verzandde al snel, nadat de eerste pogingen Atjeh in te lijven in 1873 waren mislukt. Rond 1890 kwam hierin verandering met de oprichting van het ‘Korps Marechaussee te voet’, gericht op het bestrijden van de guerrilla door middel van contra-guerrilla. Van Heutsz, intussen opgeklommen tot chef-staf van de militaire troepenmacht in Atjeh, kreeg de kans zijn bekwaamheid te tonen in de uitzichtloze oorlog. De soldaten waren intensief getraind, bewapend met een korte karabijn, klewang en rentjong (Atjehse kris), lichte bepakking, tropenhoed in plaats van ongeschikte helm en maakte zo weinig mogelijk gebruik van dragers. Het korps, bestaande uit Ambonezen en Javanen, met inlandse en Afrikaanse onderofficieren en Europese officieren, zou uitgroeien tot een elitekorps en als leerschool fungeren voor de reguliere troepen. Het gebruikte een offensieve tactiek, vooral bestaande uit onophoudelijke patrouilles en achtervolgingen. Het korps was in staat snelle acties en verrassingsaanvallen uit te voeren en bleek het antwoord op de guerrilla van de Atjehers. In 1896 en 1897 werd het kerngebied van Atjeh onder Nederlands gezag geplaatst. Van Heutsz’ credo ‘Hard toeslaan, zonder wankelmoedigheid’ kan gezien worden als een typering van de tactiek van het korps.

Van Heutsz behaalde zijn eerste grote succes tijdens de expeditie naar Pedië in juni 1898. Zijn persoonlijke leiderschap droeg in hoge mate bij aan het succes, maar ook de wetenschappelijke adviezen van de arabist en islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, die officieren leerde dat de islamitische Atjehers een Jihad (heilige oorlog) vochten tegen de Nederlanders en pas op zouden geven wanneer ze de ‘voet op den nek’ zouden voelen. Hoewel succesvol, is Van Heutsz’ manier van optreden heden ten dage op zijn zachtst gezegd omstreden te noemen. Hij trad genadeloos op en hij wordt als verantwoordelijke gezien voor de massale slachtpartijen die er tijdens deze langdurige oorlog in de Atjehse dorpen werden aangericht. Tienduizenden, volgens sommigen zelfs zeventigduizend Atjehers vonden de dood. Toch wordt hij ook nu nog in door militair-historici gezien als een specialist op het gebied van het voeren van de contra-guerilla.

In 1898 werd Van Heutsz Gouverneur van Atjeh. Het korps, dat met haar hoge mobiliteit tot in alle hoeken van Atjeh kon komen, rekende met behulp van technologische ontwikkelingen, zoals het repeteergeweer, stoomschepen die troepen sneller konden verplaatsen in de archipel en beteren medische verzorging, rond de eeuwwisseling af met een groot deel van het verzet. In 1903 onderwierp de Sultan van Atjeh zich aan de Nederlandse overheersing. Daarna bestond de oorlog voor een groot deel uit opstanden in geïsoleerde gebieden, maar het duurde toch tot 1912 voordat het hardnekkige Atjeh geheel bij de kolonie was ingelijfd.

Als beloning voor de pacificatie van Atjeh werd Van Heutsz in 1904 benoemd tot Gouverneur Generaal van Nederlandsch-Indië, de hoogste post binnen het koloniale bestuur. Hij zou deze functie bekleden tot 1909 en in die periode de eilanden buiten Java, de buitengewesten, onder Nederlands gezag brengen. Daarmee wordt Van Heutsz door velen gezien als de man die Nederlandsch-Indië tot een eenheid smeedde; de eenheidsstaat, waarin het huidige Indonesie zijn oorsprong vindt. Van Heutsz keerde, nadat hij de functie van Gouverneur-generaal had neergelegd, terug naar Nederland, maar ging in 1922 vanwege zijn gezondheid in Zwitserland wonen. Daar overleed hij op 11 juli 1924 te Montreux, 73 jaar oud. Drie jaar later volgde een officiële staatsbegrafenisbegrafenis. Met veel eerbetoon en onder grote belangstelling werd de kist vanaf het Paleis op de Dam naar de Nieuwe Ooster Begraafplaats vervoerd.

Het Van Heutsz regiment

De naam Van Heutsz leeft voort in het nog altijd bestaande Regiment van Heutsz en is het meest gedecoreerde regiment van de Koninklijke Landmacht. Dit Regiment werd in 1950 opgericht als opleidingseenheid, met als doel de voortzetting van de traditie van het KNIL, dat na de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië werd opgeheven. In oktober 1950 werd een deel van het Regiment Van Heutsz in het kader van de Verenigde Naties uitgezonden naar de oorlog in Korea. Het regiment kreeg in 1955 een eigen vaandel uitgereikt door Koningin Juliana en was begin 1991 het grootste regiment binnen de Landmacht. Herstructurering bracht het voortbestaan in gevaar, maar het regiment Van Heutsz overleefde. Tijdens parades wordt nog altijd in het karakteristieke uniform, met tropenhoed, korte karabijn en klewang het vaandel gepresenteerd.

Tekst: Rob Bruins Slot en Laura van Hasselt
Reportage: Gerda Jansen Hendriks, Laura van Hasselt, Rob Bruins Slot
EINDE ARTIKEL

[107]
GEMEENTE UTRECHT STOPT SAMENWERKING MET ACTIEGROEP DE GRAUWE EEUW/STANBEELDEN KOLONIALE  MISDADIGERS DE NOORDZEE IN!ASTRID ESSED21 NOVEMBER 2017
https://www.astridessed.nl/gemeente-utrecht-stopt-samenwerking-met-actiegroep-de-grauwe-eeuw-standbeelden-koloniale-misdadigers-de-noordzee-in/

[108] 
PIM FORTUYN

” Op het standbeeld van Pim Fortuyn werd zwarte tape aangebracht.”
NOSACTIEGROEP BEKLADT BEELD PIET HEIN EN GEVEL WITTE DE WITH IN ROTTERDAM
https://nos.nl/artikel/2337020-actiegroep-bekladt-beeld-piet-hein-en-gevel-witte-de-with-in-rotterdam.html

SIR WINSTON CHURCHILL
”Ook het standbeeld in Londen van Winston Churchill, Brits premier in de Tweede Wereldoorlog, was het doel van activisten toen het van de week werd beklad”
NOSACTIEGROEP BEKLADT BEELD PIET HEIN EN GEVEL WITTE DE WITH IN ROTTERDAM
https://nos.nl/artikel/2337020-actiegroep-bekladt-beeld-piet-hein-en-gevel-witte-de-with-in-rotterdam.html

Actiegroep ‘Helden van Nooit’ heeft vannacht verf gespoten op standbeelden en gebouwen in Rotterdam. Op de gevel van een gebouw aan de Witte de Withstraat staan rode handafdrukken. Op het standbeeld van Piet Hein in Rotterdam-Delfshaven staan de woorden ‘killer’ en ‘dief’.

De actiegroep schrijft in een verklaring dat de rode handen staan voor het koloniale geweld van Witte de With, een 17e-eeuwse zeevaarder die onder meer expedities leidde in Nederlands-Indië.

De groep is tegen de verheerlijking van de periode waarin Nederland kolonies stichtte, slaven verhandelde en kunst roofde en willen dat “onterechte helden”, zoals Piet Hein, worden verworpen. “Het standbeeld van de rovende moordenaar is een schaamteloos vertoon van koloniale nostalgie.”De rode handen zijn gespoten op het gebouw van Kunstkwartier Rotterdam. In 2017 speelde al een discussie over een naamsverandering voor het kunstcentrum, maar dat is nog niet gebeurd, is te lezen bij Rijnmond. Op het standbeeld van Pim Fortuyn werd zwarte tape aangebracht.

Minister Van Engelshoven van Cultuur noemt het bekladden van beelden “buitengewoon spijtig”. Voorafgaand aan de ministerraad zei ze dat ze geen voorstander is van het omhalen van beelden zoals dat in sommige landen gebeurt. “Dat helpt niet in het voeren van de discussie.””De geschiedenis wis je niet uit met het weghalen van een beeld”, zei Van Engelshoven verder. “We moeten juist zorgen dat die geschiedenis van ons allemaal wordt.”

Nederland is niet het enige land waar beelden en vernoemingen van mensen die verdiend hebben aan slavenhandel het moeten ontgelden. In Bristol in Engeland werd zondag het beeld van slavenhandelaar Edward Colston de haven in geduwd door demonstranten bij een antiracismeprotest.

Ook het standbeeld in Londen van Winston Churchill, Brits premier in de Tweede Wereldoorlog, was het doel van activisten toen het van de week werd beklad. Vannacht is het beeld ingepakt met platen om het te beschermen tegen actievoerders.Premier Johnson veroordeelt het bekladden van het beeld van Churchill, die in Groot-Brittannië nog altijd veel aanzien geniet. “Absurd en beschamend”, schrijft hij op Twitter, al wijst hij er wel op dat Churchill er opvattingen op na hield die vandaag de dag veroordeeld zouden worden. Zo liet de staatsman zich denigrerend uit over Mahatma Gandhi, die nu geldt als de belangrijkste leider van de Indiase onafhankelijkheidsstrijd.

WIKIPEDIAWINSTON CHURCHILL
https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

[109]
ZIE NOOT 108
[110]

DOORBRAAK.EU/GEBLADERTEHET RECHTS POPULISME VAN PIM FORTUYNJANUARI/FEBRUARI 2002
https://www.doorbraak.eu/gebladerte/10804f49.htm
TEKST

Het rechts-populisme van Pim Fortuyn

Met Leefbaar Nederland (LN) en lijsttrekker Pim Fortuyn heeft de Nederlandse partijpolitiek er een stroming bij: het rechts-populisme. Het gaat om een variant van extreem-rechts die zich ideologisch nestelt tussen de VVD en kleine openlijk racistische partijen. LN stevent af op een hoop Kamerzetels en zou een machtsfactor kunnen worden waarmee gevestigde partijen terdege rekening moeten gaan houden. Een analyse van het rechts-populisme van LN.

Uit onderzoek blijkt dat de nieuwe partij vooral aantrekkingskracht heeft op witte 50+ mannen die eerder op de VVD stemden. LN speelt in op de groeiende groep ontevreden rechtse stemmers die zich afzetten tegen de politieke eenheidsworst van de 4 grote partijen, maar die zich niet thuis voelen bij marginale extreem-rechtse clubjes. Dat zijn immers broedplaatsen van beruchte fascisten met wie men liever niet geassocieerd wordt. Fortuyn is voor hen dan ook de juiste man op de juiste plek. Hij voldoet aan alle voorwaarden die PvdA-voorzitter Ruud Koole ooit formuleerde voor de opkomst van een Nederlandse Berlusconi: een goedgebekte, charismatische leider met een flink kapitaal en een invloedrijk dagblad, radio- of tv-programma achter zich, gesteund door een partij die zich voegt naar zijn wensen, en ook naar zijn nukken.1

Fortuyn stelt voor de LN-verkiezingscampagne 8 miljoen gulden ter beschikking, veel meer dan andere partijen in hun campagnes steken. Die miljoenen heeft hij gekregen van projectontwikkelaars en onroerend goed-handelaren. Hij mag bovendien rekenen op de steun van De Telegraaf, die steeds dolenthousiast over hem bericht. Onder de 800.000 Telegraaf-abonnees bevinden zich veel potentiële LN-stemmers.

Achterkamertjespolitiek

Het rechts-populisme heeft een aantal specifieke kenmerken en een eigen samenhangende ideologie. Dat komt bij Fortuyn en LN duidelijk naar voren. Om te beginnen vindt Fortuyn dat de economie aan het “verzieken” is door de overheidsbureaucratie, de torenhoge staatsuitgaven en een geldverslindend apparaat van luie en overbodige ambtenaren. Fortuyn zegt het kapitalisme weer “gezond” te willen maken. In zijn eerste toespraak als kersverse lijsttrekker op het LN-congres van 25 november 2001 stelde hij dat de overheidsbureaucratie met een kwart kan worden teruggebracht. In “de collectieve sector”, bij de politie, de gezondheidszorg, het onderwijs en het openbaar vervoer, dient er volgens hem een mentaliteitsverandering te komen. Er zou niet steeds meer geld ingepompt moeten worden, maar de ambtenaren zouden maar eens harder en met meer plichtsbesef moeten gaan werken. Fortuyn valt ook de verzorgingsstaat aan. De WAO bijvoorbeeld zou afgeschaft moeten worden, omdat die onbetaalbaar zou zijn geworden.

Terwijl rechtse partijen als de VVD zich goed thuis voelen in de gevestigde partijpolitiek, cultiveert het rechts-populisme daar een rancuneuze protesthouding tegen. Fortuyn loopt te hoop tegen de mateloze corruptie van een veronderstelde elite, tegen achterkamertjespolitiek en de consensus van het poldermodel. “Er is een incestueus circuit, dat de reacties vertoont van een gesloten gemeenschap: er heersen bepaalde meningen en codes, en wee je gebeente als je daar tegenin gaat.”2 Hij wil een einde maken aan het “gezapige geleuter” van “ingeslapen” politici, die deel uitmaken van een “vermolmd”, “verstikkend” en “vastgeroest” systeem.3 In zijn kritiek op “de elite” slaat Fortuyn nogal eens door naar theorieën over samenzweringen die tegen hem zouden worden opgezet, bijvoorbeeld bij de media. Nederland zou “een relatiocratie” zijn, “een ons-kent-ons land” dat hem het spreken systematisch zou beletten. Hij waant zich een outsider en een underdog.2

Rechts-populisten zeggen op te komen voor “de gewone man” en “de zwijgende meerderheid”. Die zou het slachtoffer zijn van een zichzelf verrijkende elite, die ook nog eens lukraak “gemeenschapsgelden” zou uitdelen aan werklozen en andere profiteurs van sociale voorzieningen. “De gewone man” zou bijvoorbeeld veel last hebben van “autootje pesten”. Van Fortuyn krijgt de auto alle ruimte. “De auto is gewoon een melkkoe geworden met die belachelijke bedragen die voor parkeren gevraagd worden.” Het enige milieuprobleem waar hij zich nog wel ernstige zorgen over maakt, betreft “de troep die mensen op straat gooien”.4 “De gewone man” blijkt in de praktijk eerder een bevoorrechte witte middenklasser te zijn die veel overeenkomsten vertoont met Fortuyn zelf. Die vindt Nederland “een corrupt land, net zo corrupt als Italië en Frankrijk, alleen trekken we hier geen chequeboek, maar geven we opdrachten of baantjes weg.”2

Sterke man

Waar politici van gevestigde rechtse partijen vaak een zeer burgerlijk-fatsoenlijke indruk willen wekken, hangt de rechts-populistische Fortuyn de sterke man uit die zijn achterban bespeelt via een recht voor z’n raap-imago. Hij doet zich voor als de straatvechter die in z’n eentje een einde gaat maken aan de teloorgang van de normen en waarden. Terwijl Fortuyn “de elite” politiek gekonkel verwijt, zette hij in augustus 2001 zelf de LN-top voor het blok. Als hij geen lijsttrekker mocht worden, dan zou hij een eigen partij oprichten en een heleboel potentiële stemmers van LN weglokken. Slikken of stikken dus. De LN-top ging door de knieën.

LN-voorman Jan Nagel wil breken met de “oude politieke cultuur”. Om uit alle lagen van de bevolking kiezers te kunnen aantrekken, doet LN zich anti-intellectueel voor en presenteert zich liefst als een partij zonder ideologie. “Het gaat niet langer om links of rechts in de politiek, maar om oud tegen nieuw.”5 Fortuyn leverde de partij een kant-en-klaar verkiezingsprogramma dat niet meer was dan een uittreksel van zijn talloze publicaties. Standpunten van andere LN-ers kwamen er niet in voor. De politiek van LN is de politiek van Fortuyn. LN is Fortuyn.

Rechts-populisten keren zich af van alle andere partijen en stellen zich a- of anti-politiek op. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een partij als de VVD heeft het rechts-populistische LN nauwelijks een partij-apparaat. Daar zit men ook niet op te wachten. Men geeft de partijleden sowieso weinig zeggenschap. LN drijft op een machtige partijtop, die zich via de media direct richt tot het kneedbare stemvee. LN vormt zo meer een politieke stroming dan een partij. Partijen hebben namelijk hun langste tijd gehad, verklaarde Fortuyn in zijn congrestoespraak.

Koude oorlog

Problemen zien rechts-populistische volksmenners niet alleen van boven komen, van “de elite”, maar ook van buiten, bijvoorbeeld van migranten en vluchtelingen. Fortuyn stelt zich daarbij veel harder op dan de gevestigde rechtse partijen. Al jarenlang trekt hij fel van leer tegen de multiculturele samenleving en de vermeende “islamisering van onze cultuur”. Hij wil “een koude oorlog tegen de islam”, want “moslims zijn op weg om West-Europa te veroveren”. Men moet moslims “net zo behandelen als de communisten tijdens de Koude Oorlog”. Want “de grootste bedreiging voor de wereldvrede komt van de islam, waarbij het onderscheid tussen liberale en fundamentalistische islam slechts betrekkelijk is”.6

In zijn verkiezingsprogramma stelde hij dat Nederland maximaal 10.000 vluchtelingen per jaar zou moeten toelaten. Toen dat quotum door een krappe meerderheid van LN-leden werd geschrapt, verklaarde Fortuyn: “Geen quotum kan ook nul zijn. U heeft mij gekozen, maar niet geëist dat ik mijn verstand inlever.”7 Elke vorm van interne partijdemocratie is hem vreemd. Fortuyn wil toe naar het Deense model. “Denemarken voert een zeer restrictief vluchtelingenbeleid waarbij inburgering niet een wens, maar een keiharde eis is. Ik wil niet meedoen met de asielzoekersindustrie die er in Nederland ontstaan is en waarin inmiddels al zo’n 7 miljard gulden omgaat. Het geld dat we overhouden als we hier minder buitenlanders toelaten moet naar Lubbers, dus naar de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen. Hij kan dat geld goed gebruiken om die mensen in eigen omgeving te helpen.”8 Terwijl Fortuyn zich openlijk extreem-rechts uitlaat en zegt “Dit land is vol”, stelt het LN-partijprogramma hetzelfde net iets voorzichtiger met “Nederland is niet vol, maar het is wel erg druk in ons landje”.

Een ander stokpaardje van Fortuyn vormt de vermeende hoge criminaliteit onder “buitenlanders”, die zou worden veroorzaakt door een gebrek aan voldoende Nederlander zijn. “Het wordt tijd uiterst beheerst, maar effectief en keihard terug te slaan en met name de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen zonder omwegen medeverantwoordelijk te stellen voor de misdragingen van groepen mensen uit hun gemeenschap. We hebben hier een volk en een natie te vormen om te kunnen overleven en dat betekent dat ze óf ten volle meedoen en meeleven en zich Nederlander voelen, óf teruggaan van waar ze zijn gekomen.”7 Daarom moeten “de buitenlanders” volgens Fortuyn gedwongen worden om geresocialiseerd te worden tot Nederlander. “Er moet een verplicht vak komen over Nederlandse geschiedenis, identiteit, normen en waarden.”9

Kunt u dat schrappen?

De VVD, het CDA en D66 vrezen dat Fortuyn met zijn racistische verkiezingspraatjes veel kiezers bij hen weglokt. Om dat te voorkomen gooien ze er zelf ook nog een flinke schep vluchtelingenhaat bovenop, waar ze overigens niet vies van zijn. VVD-er Van den Broek-Laman Trip bijvoorbeeld pleitte onlangs in de Eerste Kamer voor bevolkingspolitiek “omdat de hoge bevolkingsdichtheid in Nederland in de toekomst problemen met zich meebrengt”. GroenLinkser De Boer vroeg haar daarop of ze soms dacht aan de invoering van een quotum voor vluchtelingen. “Het kan zijn dat het te vol wordt”, reageerde de VVD-er. Maar die woorden nam ze meteen weer terug. “Pardon voorzitter, kunt u dat schrappen?”10

VVD-er Klein Molekamp suggereerde rond dezelfde tijd in de Tweede Kamer dat migranten de afbraak van het milieu en het gebrek aan woningen zouden veroorzaken. “Als je je ambities op milieugebied wil waarmaken, moet je de immigratiestromen beperken”, zei hij.11 Dat verband legde ook het CDA. “Voor het huisvestingsbeleid en voor de kwaliteit van de leefomgeving is het goed om een Europese quotering voor asielzoekers in te stellen, en alleen de echte vluchteling toe te laten. Daardoor kan het tekort aan huizen worden verminderd”, aldus CDA-er Rietkerk.11

In zo’n klimaat kon ook D66 niet achterblijven. D66-minister Van Boxtel stelde voor om de gezinsvorming en -hereniging door migranten drastisch in te perken, tot grote vreugde van de VVD en het CDA. Die hoeven nu niet meer te wachten totdat LN in de Tweede Kamer zit, en er zich een meerderheid aftekent voor een vluchtelingenbeleid waarvoor Janmaat een gat in de lucht zou zijn gesprongen. Want met een rechtser wordend D66 dreigt daarvoor nu al een Kamermeerderheid gevonden te kunnen worden. Met dank aan de griezel Fortuyn.

Noten

  • 1. “Een Berlusconi op het Binnenhof”, Marcel ten Hooven. In: Trouw, 27.11.2001.
  • 2. “Hollandse taboes”, Stan de Jong. In: HP/De Tijd, 29.9.2000.
  • 3. “Knuppel in het Haagse hoenderhok”, Addie Schulte. In: Het Parool, 24.11.2001.
  • 4. “‘Ik ben jullie praatjes zat'”, Marcel Ham. In: Milieudefensie 11/12, nov/dec 2001.
  • 5. “Breken met de oude politieke cultuur”, Jaco van Lambalgen en Peet Vogels. In: Leidsch Dagblad, 9.11.2001.
  • 6. “Premier Pim”, Ad Fransen. In: HP/De Tijd, 31.8.2001.
  • 7. “‘Geen quotum kan ook best nul zijn'”. In: Het Parool, 26.11.2001.
  • 8. “Een elitaire stem des volks”, Jaap Roelants. In: Algemeen Dagblad, 8.9.2001.
  • 9. “‘Ik doorbreek de laatste taboes'”, Jesse Budding. In: StudieWeek 12, 1998.
  • 10. “‘Nederland is vol. Pardon, kunt u dat schrappen?” In: Het Parool, 21.11.2001.
  • 11. “Zorgen om bouwproductie”. In: Trouw, 21.11.2001.

[111] 

Pim Fortuyn heeft met zijn racistische uitspraken veel haat gezaaid. Dat bleek eens te meer uit de 10 dagen durende nationalistische orkaan die direct na zijn dood op 6 mei 2002 opstak. Alles wat links was werd bedreigd, zonder dat men daar bij machte was om te reageren. Toen de storm ging liggen, bleek er een ongekende parlementaire ruk naar rechts te hebben plaatsgevonden.

Direct na de moord op Fortuyn werd Nederland beheerst door één vraag: was de dader een vluchteling of migrant, of erger nog: een moslim? Er is de afgelopen 10 jaar door beleidsmakers, politici en opiniemakers zo’n door en door racistische en nationalistische sfeer gecreëerd dat iedereen het wist: als het geen blanke is, dan breekt de pleuris uit. De onderhuidse dreiging van racistisch geweld, die inmiddels ‘normaal’ geworden is in onze samenleving, was een avond lang voor iedereen overduidelijk voelbaar. Er hing een pogromstemming in de lucht. Er ging daarom een zucht van verlichting door kringen van migranten, vluchtelingen en linksen toen bekend werd dat de vermoedelijke dader een witte man was.”

DOORBRAAK.EU/GEBLADERTEGEEN TRANEN OM DOOD VAN FORTUYNZOMER 2002
https://www.doorbraak.eu/gebladerte/10839f52.htm
TEKST

Geen tranen om dood van Fortuyn

Pim Fortuyn heeft met zijn racistische uitspraken veel haat gezaaid. Dat bleek eens te meer uit de 10 dagen durende nationalistische orkaan die direct na zijn dood op 6 mei 2002 opstak. Alles wat links was werd bedreigd, zonder dat men daar bij machte was om te reageren. Toen de storm ging liggen, bleek er een ongekende parlementaire ruk naar rechts te hebben plaatsgevonden.

Direct na de moord op Fortuyn werd Nederland beheerst door één vraag: was de dader een vluchteling of migrant, of erger nog: een moslim? Er is de afgelopen 10 jaar door beleidsmakers, politici en opiniemakers zo’n door en door racistische en nationalistische sfeer gecreëerd dat iedereen het wist: als het geen blanke is, dan breekt de pleuris uit. De onderhuidse dreiging van racistisch geweld, die inmiddels ‘normaal’ geworden is in onze samenleving, was een avond lang voor iedereen overduidelijk voelbaar. Er hing een pogromstemming in de lucht. Er ging daarom een zucht van verlichting door kringen van migranten, vluchtelingen en linksen toen bekend werd dat de vermoedelijke dader een witte man was.

Driekleur

Pogroms bleven gelukkig nog uit, maar Nederland werd wel ondergedompeld in een 10 dagen durende krankzinnige orgie van nationalisme en aanvallen op links, die uiteindelijk uitmondde in een parlementaire ruk naar rechts. In de media, bij stille tochten, bloemenzeeën en condoleanceregisters werd steeds bezworen dat de moord “on-Nederlands” zou zijn. Overal doken de driekleuren op om de vermeende “veramerikanisering” van de politiek een halt toe te roepen. “Moordenaar van het volk”, stond gekrast onder een foto van de vermoedelijke dader, die door voorbijgangers bespuugd werd. De mensenmassa’s gingen de straat op om Nederland te beschermen, nu “de democratie” aangevallen was, en de natie haar “maagdelijkheid” en “onschuld” verloren had. Fortuyn werd postuum uitgeroepen tot “Neerlands hoop in bange dagen” en “verlosser van het vaderland” die “ons zou bevrijden uit het moeras van immigratie en criminaliteit”. “Jij gaf ons weer hoop”, stond te lezen op een spandoek bij zijn begrafenis. Fortuyn zou een “goddelijke opdracht” gehad hebben, zo werd beweerd in deze vlaag van religieus fanatisme, en nu “voor ons gestorven” zijn. “Ook deze messias is dood”, jammerde men. “Dat het niet voor niets zal zijn.” Ook de leden van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) spraken over “het offer” dat hun leider “voor ons gebracht” had. Iemand scandeerde zelfs: “Pim is de nieuwe Jezus”, waarop de massa antwoordde: “Jaaaaa!”.

Fortuyn werd direct tot martelaar verklaard en zelfs vergeleken met John F. Kennedy, Martin Luther King, Malcolm X en Desiderius Erasmus. In zijn nagedachtenis werd de verkiezingscampagne stilgelegd. Maar de stille tochten en de begrafenis werden door LPF tot pure propagandabijeenkomsten gemaakt. Ook in de media gingen de rechts-populisten gewoon door, zonder dat iemand hen nog werkelijk wilde of durfde tegen te spreken. Sterker nog, zelfs verklaarde tegenstanders wilden in Fortuyn plotseling geen racist meer zien en begonnen te spreken over zijn “verkwikkende” ideeëngoed. Fortuyn wilde onder meer bezuinigen op onderwijs en gezondheidszorg, mensen de WAO uitgooien, milieuwetten afschaffen en de grenzen sluiten. Hij minachtte moslims en vrouwen, en zelfs een flink deel van de kandidaten op zijn eigen lijst. De man die minister Borst “erger dan Bin Laden” noemde, wilde “de puinhopen van paars” aanpakken met een nog veel rechtser beleid. Sommigen zeiden dat Fortuyn belangrijke problemen aankaartte, maar misschien niet altijd met de juiste oplossingen kwam. Maar hij problematiseerde migranten en niet het racisme, de uitkeringen en niet de armoede. Hij had het over een gebrek aan veiligheid, maar niet over solidariteit. Maar zijn problemen waren de onze niet, niet die van links. Toch noemden LPF-ers Fortuyn “een held” die “de signalen van deze tijd begreep”. Iedereen leek het er na de moord over eens: we moeten nu verder “in de geest van Pim”. Het poldermodel van paars kon de vuilnisbelt op, want waarom zou men nog langer een consensussfeer in stand houden als links zo goed als verdwenen is? De sociaal-democratie als beheersingsmodel was verleden tijd. Fortuyn heeft laten zien dat de bevolking inmiddels ook voldoende direct via de media bespeeld en beheerst kan worden.

Samenzwering

Er kwam na de moord een heksenjacht op gang tegen links en de media. Iedereen die Fortuyn ooit in de extreem-rechtse hoek had geplaatst, waar hij inderdaad thuishoorde,(1) zou hebben bijgedragen aan zijn “demonisering” en dus medeschuldig zijn aan zijn moord. Net als het begrip “politiek correct” is “demonisering” inmiddels een wapen om het bekritiseren van de hernieuwde opkomst van extreem-rechts onmogelijk te maken. Media ontvingen dreigbrieven en een aantal journalisten kreeg flinke klappen. Op diverse plekken op internet werd beweerd dat de media grotendeels in handen zouden zijn van “de joden”. In het rechts-populistische wereldbeeld leeft het idee van een grote “linkse” samenzwering van media, gevestigde politiek en gesubsidieerde buitenparlementaire actiegroepen. Het zou een samenzwering zijn tegen “het Nederlandse volk” om “criminelen en migranten” de hand boven het hoofd te houden. Fortuyn zou voor de machthebbers een gevaar hebben gevormd, en daarom zou men in “achterkamertjes” besloten hebben om hem te laten elimineren, zo werd wel gespeculeerd. “Melkert moordenaar”, was zodoende overal te horen, en: “Stop de linkse dictatuur”. Leefbaar Nederland-coryfeeën als Henk Westbroek en Fred Teeven en LPF-leiders als Mat Herben en Peter Langendam stookten dat vuurtje steeds weer op. “De kogel kwam van links” en “Links is schuldig aan de moord”, zeiden ze. “Links moet dood” en “Links gaat er aan” was ook te horen in de straten van Rotterdam. Er hing daar dagenlang een dreigende sfeer. “Wie niet mee klapt is een linkse” en “Wie links stemt is een moordenaar”. Vlak voor de verkiezingen deed advocaat Spong er nog snel een schepje bovenop door een rechtszaak aan te kondigen tegen journalisten, politici en actievoerders die Fortuyn “gedemoniseerd” zouden hebben.

Al snel werd bekend dat de mogelijke dader actief was geweest in een milieu-organisatie. Daarna kwam de Telegraaf iedere dag met nieuwe onthullingen, die aannemelijk moesten maken dat zowat de halve milieubeweging medeplichtig was aan de moord op Fortuyn en aan vele andere misdrijven. En dat zou zelfs gelden voor GroenLinks, want “Rosenmöller is ook zo’n milieu-activist”. Milieu-organisaties werden overspoeld met bedreigingen. De rechts-populisten grepen de gelegenheid aan om hun pijlen te richten op heel links en anti-racistisch actievoerend Nederland. “De volkswoede komt over extreem-links. Daar ligt het gevaar, niet bij ons”, dreigde LPF-er Langendam. Intimidaties en vernielingen waren aan de orde van dag. Justitie hielp een handje bij deze bijltjesdag en criminalisering van links door plotseling 3 activisten op te pakken die 2 maanden eerder een vanilletaart naar Fortuyn zouden hebben gegooid. Daarbij werd gesuggereerd dat ze banden zouden hebben met de dader van de aanslag.

Korreltje zout

De meeste actiegroepen besloten zich maar even stil te houden. De aangekondigde demonstratie tegen racisme op 11 mei in Rotterdam werd afgelast. Sommigen stelden verklaringen op waarin men zich distantieerde van de moord en drongen er vervolgens bij andere groepen en individuen op aan om die mede te ondertekenen. Maar met zulke verklaringen plaatst men zichzelf in een verdachtenbankje. Bovendien werken zulke verklaringen als een selectiemechanisme. Want wie niet tekent maakt zich extra verdacht. Daarbij hoeft links helemaal geen verantwoording af te leggen aan de gevestigde orde. “Fysiek geweld tegen personen behoort niet tot het repertoire van de Nederlandse actiebeweging”, zo stond in een verklaring die mede werd opgesteld door actieblad Ravage. Wie zoiets ondertekent veroordeelt zichzelf tot pacifisme en machteloosheid. Politiek geweld heet nu plotseling “on-Nederlands” te zijn, maar in werkelijkheid is het net als elders ook in Nederland altijd aanwezig in de maatschappij en de politiek. Om maar een voorbeeld te noemen: de Nederlandse staat en Europa weren en deporteren dagelijks met grof geweld vluchtelingen, en daar vallen regelmatig doden bij. En laten we ook het racistische geweld vanuit de bevolking naar aanleiding van 11 september niet vergeten. Radicaal-links kan sowieso niet pacifistisch zijn, want bij revolutionaire omwentelingen zal de staat zeker niet vanzelf haar geweldsmonopolie afstaan. En ook bij anti-fascistische acties vallen wel eens klappen. Wie zegt dat politieke moorden in principe onacceptabel zijn, die moet eens langs komen bij de jaarlijkse herdenking van de anti-fascistische verzetsstrijdster Hannie Schaft. Vertegenwoordigers van alle politieke richtingen eren dan een vrouw die in koelen bloede nazi’s neerschoot. Wat vanzelfsprekend niet wil zeggen dat de moord op Fortuyn okee was. De politieke omstandigheden zijn in Nederland momenteel niet zodanig dat moord te rechtvaardigen is. Daarbij geldt over het algemeen ook dat een politieke moord structurele misstanden nauwelijks kan wegnemen. Gelukkig waren er ook meer offensieve geluiden in verklaringen te lezen, zoals: “Wij benadrukken de noodzaak om ook na de verkiezingen door te gaan met het bij elkaar brengen van een brede en actieve beweging tegen racisme.”

Helaas is Fortuyns rechts-populisme ook in sommige actiekringen in vruchtbare aarde gevallen. Ravage gaf bijvoorbeeld al in maart te kennen blij te zijn met Fortuyn omdat hij de corrupte gevestigde politiek aanviel. Hij zou zeker geen racist zijn. Over de geplande demonstratie tegen Fortuyn van de anti-racisme organisatie Nederland Bekent Kleur schreef de redactie dan ook: “Nederland Bekent Sleur, die al jaren in een diepe vormcrisis verkeert bij gebrek aan serieus bedreigende extreem-rechtse activiteiten, grijpt de halve appel met beide handen aan. De subsidie voor 2003 is weer veilig gesteld.” (2) Na de moord beweerde Ravage-redacteur Alex van Veen dat de “controversiële uitspraken” van Fortuyn “met een korreltje zout” moesten worden genomen en dat hij dus geen racist was. “Wat bezielt clubs als de Internationale Socialisten en De Fabel van de illegaal om op een dergelijke wijze een man als Fortuyn neer te zetten? Wat voor belang hebben ze daarbij?”, vroeg hij zich af.(3) Het voor de hand liggende antwoord op deze vraag is vanzelfsprekend: de anti-fascistische strijd. Maar dat voldoet voor Van Veen kennelijk niet meer. Het lijkt erop dat ook hij in de ban is geraakt van de dezer dagen vaak geopperde samenzwering van politici, media en gesubsidieerde actievoerders. LPF-kopstuk Herben ging zelfs zover om te suggereren dat gesubsidieerde actievoerders die straks door toedoen van Fortuyn wellicht hun baantjes kwijt gaan raken, in sommige gevallen zelfs van moord niet zullen terugschrikken.

Faire manier

Van Veen vond verder dat anti-racisten Fortuyn geen racist hadden mogen noemen. Ze hadden hem op een “faire manier” moeten bestrijden en zijn vrijheid van meningsuiting moeten respecteren. Maar wanneer Fortuyn kans gezien had om zijn woorden via regeringsbeleid werkelijk in daden om te zetten, dan hadden die voor flinke groepen mensen dodelijk kunnen uitvallen. De zwaar bewaakte grenzen rond Europa zijn nu al verantwoordelijk voor duizenden doden. Wat als men zou gaan proberen ze volledig dicht te metselen, onder druk van het in heel Europa opkomende extreem-rechts? Verder had De Fabel van Van Veen ook niet mogen schrijven dat in maart in Rotterdam een derde van de kiezers bij de gemeenteraadsverkiezingen heeft gestemd op extreem-rechts, op Fortuyns Leefbaar Rotterdam dus. Ook door anderen is wel gezegd dat de Fortuyn-stemmers geen racisten zijn. “Een groot deel van de kiezers van LN zal Fortuyns racisme verafschuwen. Velen van hen zullen slechts hun stem willen laten horen over sociale problemen in Nederland”, aldus bijvoorbeeld de Internationale Socialisten. Het dogma dat “de bevolking”, “de gewone mensen” in principe “goed” zijn, en dus geen racisten, houdt grote delen van links in een wurggreep. Nadat 1,3 miljoen kiezers op de racist Fortuyn gestemd hadden, kwam daarom ook vanuit links direct weer de paternalistische uitleg van “de proteststem”. De “gewone mensen” zouden hooguit niet weten wat ze doen als ze op een racist gaan stemmen. Maar hoe kwam het dan dat Fortuyn in de opiniepeilingen steevast steeg nadat hij racistische uitspraken had gedaan, en weer daalde wanneer hij zich een tijdje minder grof uitliet over migranten en de islam?

Noten

  • 1. “Het rechts-populisme van Pim Fortuyn“, Harry Westerink. In: Fabel Archief.
  • 2. “The show must go off…”, redactioneel. In: Ravage 4, 15.3.2002.
  • 3. “Het vrije woord”, Alex van Veen. In: Ravage 7, 17.5.2002.

[112]
WIKIPEDIAWINSTON CHURCHILL
https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

[113]

”Een tapijtbombardement is een bombardement waarbij een groot aantal bommen wordt afgeworpen boven een doel, waarbij niet-individuele doelen worden aangevallen, maar hele doelgebieden. Tapijtbombardementen worden overwegend uitgevoerd met strategische bommenwerpers en het doel is vaak een grootstedelijk gebied. De dood van burgers wordt bij een dergelijke aanval op de koop toe genomen, of is uitdrukkelijk het doel van het bombardement. De techniek van tapijtbombardementen wordt ingezet om oorlogsindustrie uit te schakelen, om massieve verdedigingsstellingen uit te schakelen of om het moreel van de bevolking te breken.”
WIKIPEDIATAPIJTBOMBARDEMENT
https://nl.wikipedia.org/wiki/Tapijtbombardement

”De eerste aanval die volgens de strategie van het Area Bombing Directive werd uitgevoerd was het bombardement van Lübeck van 29 maart 1942. Deze werd gevolgd door diverse bombardementen op het Ruhrgebied. In de nacht van 30 op 31 mei 1942 werd de stad Keulen aangevallen met 1000 Britse bommenwerpers. Van 24 juli tot 3 augustus 1943 werd Hamburg gebombardeerd. Hierbij werden op grote schaal brandbommen ingezet en ontstond een vuurstorm. Er vielen hierbij naar schatting 42.000 doden. De Britse luchtaanval met het hoogste percentage slachtoffers was het bombardement op de stad Pforzheim op 23 februari 1945, waar bij een aanval van 22 minuten ruim 30% van de bevolking om het leven kwam. In totaal kwamen door Britse bombardementen in Duitsland tussen de 420.000 en 570.000 mensen om het leven. Ook de verliezen van de RAF waren hoog. Van de 125.000 ingezette militairen sneuvelden er 55.000.”
WIKIPEDIATAPIJTBOMBARDEMENT
https://nl.wikipedia.org/wiki/Tapijtbombardement

[114]
”Het is verboden steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet verdedigd worden, met welke middelen ook aan te vallen of te bombardeeren.”
ARTIKEL 25, 

Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land, ‘s-Gravenhage, 18-10-1907

https://wetten.overheid.nl/BWBV0006273/1910-01-26

[115]
””I am strongly in favour of using poisoned gas against uncivilised tribes. The moral effect should be so good that the loss of life should be reduced to a minimum. It is not necessary to use only the most deadly gasses: gasses can be used which cause great inconvenience and would spread a lively terror and yet would leave no serious permanent effects on most of those affected.”

Winston Churchill’s Secret Poison Gas Memo

https://web.archive.org/web/20150110002152/http://www.globalresearch.ca/articles/CHU407A.html

[116] 

A staggering 50,000 M Devices were shipped to Russia: British aerial attacks using them began on 27 August 1919, targeting the village of Emtsa, 120 miles south of Archangel. Bolshevik soldiers were seen fleeing in panic as the green chemical gas drifted towards them. Those caught in the cloud vomited blood, then collapsed unconscious.

The attacks continued throughout September on many Bolshevik-held villages: Chunova, Vikhtova, Pocha, Chorga, Tavoigor and Zapolki. But the weapons proved less effective than Churchill had hoped, partly because of the damp autumn weather. By September, the attacks were halted then stopped. Two weeks later the remaining weapons were dumped in the White Sea. They remain on the seabed to this day in 40 fathoms of water.

THE GUARDIAN

WINSTON CHURCHILL’S SHOCKING USE OF CHEMICAL WEAPONS

https://www.theguardian.com/world/shortcuts/2013/sep/01/winston-churchill-shocking-use-chemical-weapons

TEXT

The use of chemical weapons in Syria has outraged the world. But it is easy to forget that Britain has used them – and that Winston Churchill was a powerful advocate for them S

ecrecy was paramount. Britain’s imperial general staff knew there would be outrage if it became known that the government was intending to use its secret stockpile of chemical weapons. But Winston Churchill, then secretary of state for war, brushed aside their concerns. As a long-term advocate of chemical warfare, he was determined to use them against the Russian Bolsheviks. In the summer of 1919, 94 years before the devastating strike in Syria, Churchill planned and executed a sustained chemical attack on northern Russia.

The British were no strangers to the use of chemical weapons. During the third battle of Gaza in 1917, General Edmund Allenby had fired 10,000 cans of asphyxiating gas at enemy positions, to limited effect. But in the final months of the first world war, scientists at the governmental laboratories at Porton in Wiltshire developed a far more devastating weapon: the top secret “M Device”, an exploding shell containing a highly toxic gas called diphenylaminechloroarsine. The man in charge of developing it, Major General Charles Foulkes, called it “the most effective chemical weapon ever devised”.

Trials at Porton suggested that it was indeed a terrible new weapon. Uncontrollable vomiting, coughing up blood and instant, crippling fatigue were the most common reactions. The overall head of chemical warfare production, Sir Keith Price, was convinced its use would lead to the rapid collapse of the Bolshevik regime. “If you got home only once with the gas you would find no more Bolshies this side of Vologda.”The cabinet was hostile to the use of such weapons, much to Churchill’s irritation. He also wanted to use M Devices against the rebellious tribes of northern India. “I am strongly in favour of using poisoned gas against uncivilised tribes,” he declared in one secret memorandum. He criticised his colleagues for their “squeamishness”, declaring that “the objections of the India Office to the use of gas against natives are unreasonable. Gas is a more merciful weapon than [the] high explosive shell, and compels an enemy to accept a decision with less loss of life than any other agency of war.”

He ended his memo on a note of ill-placed black humour: “Why is it not fair for a British artilleryman to fire a shell which makes the said native sneeze?” he asked. “It is really too silly.”

A staggering 50,000 M Devices were shipped to Russia: British aerial attacks using them began on 27 August 1919, targeting the village of Emtsa, 120 miles south of Archangel. Bolshevik soldiers were seen fleeing in panic as the green chemical gas drifted towards them. Those caught in the cloud vomited blood, then collapsed unconscious.

The attacks continued throughout September on many Bolshevik-held villages: Chunova, Vikhtova, Pocha, Chorga, Tavoigor and Zapolki. But the weapons proved less effective than Churchill had hoped, partly because of the damp autumn weather. By September, the attacks were halted then stopped. Two weeks later the remaining weapons were dumped in the White Sea. They remain on the seabed to this day in 40 fathoms of water.

EINDE ARTIKEL 

[117]

”I am strongly in favour of using poisoned gas against uncivilised tribes……”  

ZIE NOOT 115

[118]”However, the King-Emperor himself, George V, was not so standoffish and actually asked to meet Gandhi. Several Buckingham Palace officials were worried about the decorum of allowing Gandhi, dressed in loin-cloth and sandals, with bare legs, to meet the monarch. Gandhi answered this point afterwards by observing that “the King wore enough for the two of us”.

Gandhi and King George had no common ground on which to agree, but the encounter passed in a spirit of politeness and good manners.”

VIRILY.COM

GANDHI’S VISIT TO ENGLAND IN 1931

TEXT

Mohandas Karamchand Gandhi (1869-1948) is generally known to history by his honorific title of “Mahatma”, which means “venerable”. It was a well-deserved title, given that he was surely one of the most remarkable figures of the 20th century.

Gandhi spent much of his early life in South Africa, but after that he rarely left his native India. One such occasion was in 1931, when he made a considerable impression on the people of Great Britain during a visit that lasted for nearly three months from September to December.

The occasion was the London Round Table Conference held at St James’s Palace with the objective of finding a peaceful resolution to the crisis in South Asia that would eventually lead to the end of British control in that region and the creation of independent India and Pakistan. Gandhi was only one of more than 100 representatives of Indian interests, which included princes, landowners, industrialists and trade unionists. Gandhi remarked that the only class missing from the talks was that of the peasants who made up the vast bulk of the population.

The Indian uprising had been marked by considerable violence and bloodshed, but Gandhi always advocated peaceful means of persuasion, notably a policy of “civil disobedience” towards the British Empire. He identified himself with the poorest members of society, including the “Untouchables” of the Hindu caste system, and his own lifestyle mirrored his belief in the dignity of every man and woman, however humble. He dressed in a simple tunic with sandals on his feet, he ate simple food and fasted regularly.

His visit to England achieved little in terms of the Round Table Conference, but he made a huge impression on the British people. He insisted on travelling second class and being accommodated in the poorer parts of London, often sleeping on the roof of a building in the East End. He believed that if he stayed among the poor he would be more likely to reach into Britain’s heart than if he mixed with fashionable and intellectual people; however, he was probably regarded more as a curiosity than a serious world figure by most of the people who encountered him.

One aspect of Gandhi’s civil disobedience involved encouraging Indians to boycott imports of cloth from Britain and instead to weave their own clothes from thread they had spun themselves. Gandhi could often be seen working at a spinning wheel, which became his personal symbol.

During his 1931 visit to Britain, Gandhi made a point of going to Lancashire, which was the source of most of Britain’s exports of yarn and cloth to India. He wanted to encourage the millworkers to see his side of the argument in the debate over the unemployment caused by his boycott. As he explained to the workers: “You have three million unemployed, but we have nearly three hundred million unemployed. Your average unemployment dole is seventy shillings a month. Our average income is seven shillings and sixpence a month.”

Gandhi met a number of prominent people and impressed them deeply. These included the Anglo-Irish playwright George Bernard Shaw, the London-born film actor Charlie Chaplin, academics at Oxford University and several bishops of the Church of England

One notable absentee from the list of visitors was Winston Churchill, who thought it “nauseating” that Gandhi, “posing as a fakir of a type well known in the East” should dare to speak on equal terms with representatives of the “King-Emperor”.

However, the King-Emperor himself, George V, was not so standoffish and actually asked to meet Gandhi. Several Buckingham Palace officials were worried about the decorum of allowing Gandhi, dressed in loin-cloth and sandals, with bare legs, to meet the monarch. Gandhi answered this point afterwards by observing that “the King wore enough for the two of us”.

Gandhi and King George had no common ground on which to agree, but the encounter passed in a spirit of politeness and good manners.

When Gandhi returned to India, taking in a visit to Rome on the way, he had achieved nothing concrete in terms of advancing the cause of Indian independence, but he had certainly made an impression on the people he met and those who read the newspaper reports about his activities while in the country. When Indian independence was eventually achieved in 1947 there was considerable goodwill extended from the ordinary people of Great Britain, if not from all of their Parliamentary representatives.

EINDE ARTIKEL

”One notable absentee from the list of visitors was Winston Churchill, who thought it “nauseating” that Gandhi, “posing as a fakir of a type well known in the East” should dare to speak on equal terms with representatives of the “King-Emperor”


VIRILY.COM

GANDHI’S VISIT TO ENGLAND IN 1931

”He thought it “alarming and nauseating” that the Viceroy of India agreed to meet with independence activist Mohandas Gandhi, whom Churchill considered “a seditious Middle Temple lawyer, now posing as a fakir

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL/MARLBOROUGH AND THE INDIA QUESTION: 1929-1932

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill#Marlborough_and_the_India_Question:_1929%E2%80%931932

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

[119] 

”Back in London, Churchill was angered by the Labour government’s decision—backed by the Conservative Shadow Cabinet—to grant Dominion status to India.[306] He argued that giving India enhanced levels of home rule would hasten calls for full independence from the British Empire.[307] In December 1930 he was the main speaker at the first public meeting of the Indian Empire Society, set up to oppose the granting of Dominion status.[308] In his view, India was not ready for home rule. He believed that the Hindu Brahmin caste would gain control and further oppress both the “untouchables” and the religious minorities.[309] When riots between Hindus and Muslims broke out in Cawnpore in March 1931, he cited it in support of his argument”

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL/MARLBOROUGH AND THE INDIA QUESTION: 1929-1932

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill#Marlborough_and_the_India_Question:_1929%E2%80%931932

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

[120]

”Churchill called for swift action against any Indian independence activists engaged in illegal activity.[308] He wanted the Indian National Congress party to be disbanded and its leaders deported”

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL/MARLBOROUGH AND THE INDIA QUESTION: 1929-1932

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill#Marlborough_and_the_India_Question:_1929%E2%80%931932

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

WIKIPEDIA

INDIAN NATIONAL CONGRESS

https://en.wikipedia.org/wiki/Indian_National_Congress

[121]

 ”Churchill called for swift action against any Indian independence activists engaged in illegal activity.[308] He wanted the Indian National Congress party to be disbanded and its leaders deported”

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL/MARLBOROUGH AND THE INDIA QUESTION: 1929-1932

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill#Marlborough_and_the_India_Question:_1929%E2%80%931932

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIA

WINSTON CHURCHILL

https://en.wikipedia.org/wiki/Winston_Churchill

WIKIPEDIA

INDIAN NATIONAL CONGRESS

https://en.wikipedia.org/wiki/Indian_National_Congress

[122]
 In totaal kwamen door Britse bombardementen in Duitsland tussen de 420.000 en 570.000 mensen om het leven. Ook de verliezen van de RAF waren hoog. Van de 125.000 ingezette militairen sneuvelden er 55.000.”
WIKIPEDIATAPIJTBOMBARDEMENT
https://nl.wikipedia.org/wiki/Tapijtbombardement

[123]

TOPPLETHERACISTS.ORG

TOPPLE THE RACISTS

A crowdsourced map of UK statues and monuments that celebrate slavery and racism
https://www.toppletheracists.org/

[124]
INDYMEDIA.NLAMSTERDAM: GENOCIDALE STRAATNAMEN BEKLAD23-06-2020
https://www.indymedia.nl/node/48099

Nieuws, gepost door: Bloed Aan Hun Handen Collectief op 23/06/2020 06:09:38

Waar: Amsterdam, Netherlands
Wanneer: 23/06/2020 – 20:22[English below] Vanochtend zijn straatnaamborden, waarop oorlogscriminelen en koloniale moordenaars worden verheerlijkt, beklad met rode verf in de Admiralenbuurt en de Baarsjes in Amsterdam.

De gewelddadige en genocidale geschiedenis van Nederland, en Europa in het algemeen, wordt gevierd door de vele straten en pleinen die naar massamoordende kolonisten, handelaren in slavernij en hun handlangers zijn vernoemd.

Deze straatnaamborden zijn besmeurd met rode verf, verwijzend naar het bloed wat aan de handen van deze moordenaars kleeft en het bloedige gewelddadige systeem van witte superioriteit dat ze vertegenwoordigen. Bloed dat eveneens kleeft aan de handen van de gemeente Amsterdam, die de nalatenschap van deze kolonisten in stand houdt door hen als “helden” van vroeger te beschrijven.

Femke van het Bloed Aan Hun Handen Collectief zegt: ‘Waarom wordt genocidale geschiedenis verheerlijkt in onze straten? Hoe kunnen we als maatschappij tegen racisme en genocide zijn als we voortdurend de gezichten en namen van deze racistische moordenaars laten zien? We eisen dat de gemeente Amsterdam alle straatnamen hernoemt, en standbeelden en monumenten verwijdert, waar die onze koloniale geschiedenis verheerlijken. Haal ze neer of wij zullen het doen!’

De besmeurde borden en wie ze verheerlijken:

Witte de Withstraat
Deze straat is vernoemd naar de bijzonder meedogenloze, koloniale kapitein Witte de With (1599-1658), die met geestdrift werkte voor zowel de West-Indische Compagnie als de Oost-Indische Compagnie (WIC en VOC), voornamelijk in het vandaag genoemde Indonesië en India. Voorbeelden van zijn venijnig en koloniale mentaliteit zijn de verwoesting van de stad Jaya Karta en het vernietigen van 90.000 kruidnagelbomen in de Molukken als een strafmaatregel en om de prijs van kruidnagel op te drijven zodat het Nederlandse rijk daarvan kon profiteren. Hiermee werd het levensonderhoud van de lokale bevolking verwoest.

Vasco De Gamastraat
De Vasco De Gamastraat is vernoemd naar een Portugese graaf en koopman, de eerste Europeaan die naar India voer. Een van zijn vele bloedige misdaden is het geven van het bevel tot het vermoorden van honderden islamitische pelgrims om handelsconcurrentie te onderdrukken. Zijn nalatenschap leidde tot eeuwen van onderdrukking en uitbuiting van Zwarte, Indigenous, en niet-Zwarte mensen van kleur door Europees kolonialisme en slavernij.

Hudsonstraat
Hudson (1565-1611) was in dienst van de VOC om zeeroutes naar Azië te vinden. Hij bereikte land nabij Nova Scotia, Canada, waar onder zijn leiding First Nation dorpen werden aangevallen en geplunderd omdat ze geen interesse hadden in ‘handel’. Zijn reis leidde tot Nederlandse invloeden in de regio en tot een winstgevende bonthandel vanaf 1614. Dit zou later de basis leggen voor de eeuwen van bloeddorstig kolonialisme en slavernij in wat nu de Verenigde Staten van Amerika wordt genoemd.

Cabralstraat
Cabral (1457-1620) wordt gezien als de ‘Europese ontdekker van Brazilië’, en claimde Brazilië voor Portugal door met zwaar geweld het land en middelen van de oorspronkelijke bevolking te stelen. Hij maakte de weg vrij voor gewelddadige koloniale uitbuiting in Brazilië, India en over de hele wereld. Hij volgde de instructies van Vasco Da Gama om India te bereiken, wat laat zien dat deze schurken verbonden zijn in de koloniale geschiedenis.

————-ENGLISH————-

23/06/2020 – Amsterdam Genocidal Street Signs Desecrated

This morning street signs that celebrate war criminals and murderers in Admiralenbuurt and De Baarsjes in
Amsterdam were found splattered with red paint.

The violent, genocidal history of The Netherlands, and of Europe more generally, is celebrated in these neighbourhoods through the many street names named after mass murdering colonisers, slave-traders and their conspirators.

These street signs were found ruined with red paint to symbolise the blood that is on the hands of these murderers and the violent system of white supremacy they represent, as well as on the municipality of Amsterdam, which continues to perpetuate their legacy by describing them as “heroes” from the past.

Femke from the Bloed Aan Hun Handen Collective says: “Why should our streets glorify genocidal history? How can we truly be a society against racism and genocide if we systematically uphold the faces and names of racist murderers in our streets? We demand that the Amsterdam Municipality renames all the streets, and removes statues and monuments that glorify colonial history. Take them down or we will take them down for you!”

The painted street signs and who they glorify:

Witte de Withstraat
This street is named after a particularly ruthless high-ranking Dutch colonial naval officer Witte de With (1599-1658) who worked enthusiastically for both the Dutch West India Company and the Dutch East India Company (VOC and WIC), mostly in present-day Indonesia and India. Examples of his vicious and colonial mindset are the destruction of the city of Jaya Karta and destroying 90,000 clove trees in the Moluccas as a punitive action to drive up the price of spices to benefit the Dutch Empire, wrecking the livelihoods of local peoples.

Vasco De Gamastraat
Vasco De Gamastraat is named after a Portugese count and merchant who was the first European to sail to India, who ordered the killings of hundreds of Muslim pilgrims to quash trade competition, amongst other bloody crimes. His legacy paved led to centuries of oppression and exploitation of Black, Indigenous, and non-Black people of colour through European colonialism and slavery.

Hudsonstraat
Hudson (1565-1611) was employed by VOC to find sea ways to sail to Asia. He made landfall near Nova Scotia, Canada, where they assaulted and pillaged villages of First Nations people who would not ‘trade’ with them. His voyage was used to establish Dutch claims to the region and to the fur trade that prospered there after 1614. This would help lay the foundation for centuries of settler colonialism and slavery in what’s referred to as the United States of America.

Cabralstraat
Cabral (1457-1620) is considered the ‘European discoverer of Brazil,’ claiming Brazil for Portugal, taking ownership of the land and resources from the indigenous population by violent force. He paved the way for vicious colonial exploits in Brazil, India and around the world. He followed Vasco De Gama’s instructions to reach India, showing how connected these characters are in colonial history.
[125]

”On his second voyage, Vasco da Gama inflicted acts of cruelty upon competing traders and local inhabitants, which sealed his notoriety in India.[35][36] During his second voyage to Calicut, da Gama intercepted a ship of Muslim pilgrims at Madayi travelling from Calicut to Mecca. Described in detail by eyewitness Thomé Lopes and chronicler Gaspar Correia, da Gama looted the ship with over 400 pilgrims on board including 50 women, locked in the passengers, the owner and an ambassador from Egypt and burned them to death. They offered their wealth, which “could ransom all the Christian slaves in the Kingdom of Fez and much more” but were not spared. Da Gama looked on through the porthole and saw the women bringing up their gold and jewels and holding up their babies to beg for mercy” WIKIPEDIAVASCO DA GAMA/PILGRIM SHIP INCIDENT
https://en.wikipedia.org/wiki/Vasco_da_Gama#Pilgrim_ship_incident

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAVASCO DA GAMA
https://en.wikipedia.org/wiki/Vasco_da_Gama

[126]
WIKIPEDIAWITTE DE WITH
https://nl.wikipedia.org/wiki/Witte_de_With

[127]

HUDSON, ZETBAAS VAN DE VOC
”In 1609, he landed in North America on behalf of the Dutch East India Company and explored the region around the modern New York metropolitan area. Looking for a Northwest Passage to Asia[3] on his ship Halve Maen (“Half Moon”), he sailed up the Hudson River, which was later named after him, and thereby laid the foundation for Dutch colonization of the region.”
WIKIPEDIAHENRY HUDSON
https://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Hudson

MASSAMOORD OP ISLAMITISCHE PELGRIMS
”They reached the Grand Banks of Newfoundland on 2 July, and in mid-July made landfall near the LaHave area of Nova Scotia.[21] Here they encountered First Nations who were accustomed to trading with the French; they were willing to trade beaver pelts, but apparently no trades occurred.[22][23] The ship stayed in the area about ten days, the crew replacing a broken mast and fishing for food. On the 25 July, a dozen men from the Halve Maen, using muskets and small cannon, went ashore and assaulted the village near their anchorage. They drove the people from the settlement and took their boat and other property – probably pelts and trade goods”
WIKIPEDIAHENRY HUDSON/EXPEDITION OF 1609 

https://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Hudson#Expedition_of_1609

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAHENRY HUDSON
https://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Hudson

[128]

WIKIPEDIAPEDRO ALVAREZ CABRAL/MASSACRE IN CALICUT
https://en.wikipedia.org/wiki/Pedro_%C3%81lvares_Cabral#Massacre_in_Calicut
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAPEDRO ALVAREZ CABRAL
https://en.wikipedia.org/wiki/Pedro_%C3%81lvares_Cabral

[129]

”De Nederlandse verovering van de Banda-eilanden, die piekte met het Bloedbad van Banda[4] van 1621, was de geleidelijke militaire verovering van de Banda-eilanden door de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) van 1609 tot 1621.[5] De eilanden werden grotendeels ontvolkt door de gevechten, hongersnoden en moordpartijen en deportatie door de Nederlandse aanvallers. Het door de VOC gewenste monopolie op de specerijenhandel, met name nootmuskaatfoelie en kruidnagel, werd hiermee afgedwongen”
WIKIPEDIANEDERLANDSE VEROVERING VAN DE BANDA EILANDEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_verovering_van_de_Banda-eilanden

”Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen oordeelde dat de Engelse bemoeienis en inheemse weerstand tegen de Nederlandse commerciële suprematie in de Bandanese archipel voor eens en altijd verpletterd diende te worden en schreef op 16 oktober 1620 een brief naar de Heren XVII waarin hij verklaarde: ‘Om hierin naar behoren te voorzien is het nodig dat Banda opnieuw overmeesterd en met andere mensen bevolkt gaat worden.’[17] Zoals voorgesteld instrueerden de Heren XVII hem om de Bandanezen te onderwerpen en hun leiders uit het land te verdrijven”
WIKIPEDIANEDERLANDSE VEROVERING VAN DE BANDA EILANDEN/BLOEDBAD VAN BANDA (1621)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_verovering_van_de_Banda-eilanden#Bloedbad_van_Banda_(1621)

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIANEDERLANDSE VEROVERING VAN DE BANDA EILANDEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandse_verovering_van_de_Banda-eilanden

”Tussen 1615 en 1621 werden de oorspronkelijke bewoners van de Banda-eilanden, die in strijd met een afgedwongen verdragsafspraak nootmuskaat bleef verkopen aan Portugezen en Engelsen, gedeporteerd. In hun plaats kwamen er VOC-bondgenoten te wonen, zoals inwoners van Siau die hadden moeten vluchten. Nootmuskaat was veelgevraagd en kwam destijds alleen hier voor. Wie de Banda-eilanden bezat, had het monopolie. De laatste inval was in 1621, toen 1600 VOC soldaten, onder leiding van Gouverneur Marcel Sonck, Lontor veroverden, het laatste Banda-eiland dat nog weerstand bood. Daarmee waren de Banda-eilanden defintief VOC-gebied. Van de ongeveer 10.000 inwoners[17] bleven er minder dan 1.000 achter op de eilanden. Het totale aantal doden onder hen is onbekend. Volgens Coen zelf werden 2500 mensen gedood of kwamen om door honger en ontbering, nadat ze de bergen waren ingevlucht .[18][19] Enkele honderden werden gedeporteerd naar Batavia. Coen zelf stelt dat niet meer dan 300 mensen wisten te vluchten. Schattingen van het aantal inwoners door hedendaagse auteurs lopen sterk uiteen. Veel moderne teksten gaan terug op een anonieme melding uit 1635,[19] dat er 15.000[20][21] bewoners waren. Moderne auteurs worden het ook niet eens over het aantal doden, van 2500 tot 14.000[22][23] Een artikel stelt zelfs dat 90% van de bevolking gedood of gedeporteerd werd.[24] Later schrijft Coen zelf: “De inboorlingen zijn meest allen door de oorlog, armoede en gebrek vergaan. Zeer weinig is er op de omliggende landen ontkomen
WIKIPEDIAJAN PIETERSZOON COEN/EERSTE TERMIJN ALS GOUVERNEUR GENERAAL (1618-1623)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen#Eerste_termijn_als_gouverneur-generaal_(1618%E2%80%931623)

ORIGINELE BRON 

WIKIPEDIAJAN PIETERSZOON COEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen

EINDE NOTENAPPARAAT

Reacties uitgeschakeld voor Noten 61 t/m 129 bij ”Bekladding standbeelden Piet Hein, Witte de With en consorten/Koloniale rovers en moordenaars

Opgeslagen onder Divers

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.