Noten 1 t/m 61 bij artikel ”De verzwegen Nederlandse oorlogsmisdaden in Irak. Over ”onze waarden”, heimelijk bedrog en hypocrisie

NOTEN 1 T/M 61 BIJ ARTIKEL ”DE VERZWEGEN NEDERLANDSE OORLOGSMISDADEN IN IRAK/OVER ”ONZE WAARDEN”, HEIMELIJK BEDROG EN HYPOCRISIE”

Royal Netherlands Air Force F- 16 military fighter jets participating in NATO's Baltic Air Policing Mission operates in Lithuanian airspace during a Ramstein Alloy air force exercise, Tuesday, April 25, 2017.

EXPAND

Royal Netherlands Air Force F- 16 military fighter jets participating in NATO’s Baltic Air Policing Mission operates in Lithuanian airspace during a Ramstein Alloy air force exercise, Tuesday, April 25, 2017. © 2017 AP Photo/Mindaugas Kulbishttps://www.hrw.org/news/2019/11/13/new-revelations-dutch-role-deadly-iraq-attack

Nederlandse militaire trainer kijkt in groen berglandschap toe hoe Iraakse militairen oefenen.
F-16-vlieger loopt langs vleugel van F-16.
https://www.defensie.nl/onderwerpen/missie-in-irak-en-oost-syrie/militaire-bijdrage

F’16’S ALS ENGELEN DES DOODS


[1]
‘”Onze verworvenheden, met onze normen en waarden,is het alles of niets het is geen cafetaria model.Onze manier van leven, we hadden het net over homosexualiteit,we hebben het in Nederland over man en vrouw.We hebben het over onze verworvenheden, die voortkomen uit humanisme, uit Verlichting, die we in honderden jaren hebben opgebouwd”YOUTUBE.COM ZOMERGASTEN IN VIJF MINUTEN MARK RUTTE 3.15-4.12
https://www.youtube.com/watch?v=Mx04YMtMDZs

TEKST

”Primaire eerste gevoel is:

Lazer op. 

Ga zelf terug naar Turkije.

Pleur op, zou ik in plat Haags zeggen.We hebben in Nederland het recht om te demonstreren, daar maken zij gebruik van.

We hebben ook persvrijheid.

Deze mensen treden die persvrijheid, tredenze met voeten en laat ik het dan misschien meerals minister president zeggen:

Echt klip en klaar

Onze verworvenheden, met onze normen en waarden,is het alles of niets het is geen cafetaria model.

Onze manier van leven, we hadden het net over homosexualiteit,we hebben het in Nederland over man en vrouw.

We hebben het over onze verworvenheden, die voortkomen uit humanisme, uit Verlichting, die we in honderden jaren hebbenopgebouwd

Als mensen van buiten komen-en niemand in Nederland is e rmisschien op die meneer met dat gekke programma na-iser op tegen, dat je vluchtelingen opvangt, mits dieaantallen beheersbaar zijn-…..

De multiculturele samenleving, een woord dat ik haat, echt haat,het woord, dat ervan uitgaat, laat iedereen maar een beetje zijn gang gaan”

[2]

VPRO ZOMERGASTEN

5 REDENEN OM NAAR MARK RUTTE TE KIJKEN

25 AUGUSTUS 2016

https://www.vpro.nl/programmas/zomergasten/lees/nieuws/5-redenen-om-naar-mark-rutte-te-kijken.html

Het sluitstuk van dit seizoen Zomergasten is niemand minder dan minister-president Mark Rutte; de man die het land leidt. Mocht dat feit nog niet voldoende reden zijn om in te tunen, hier nog vijf redenen waarom je beslist moet kijken.

1. Het wordt GEEN zendtijd voor politieke partijen

Afgelopen weekend stond hij prominent in de Telegraaf (hij zei ‘sorry’), begin deze week zat hij aan tafel bij Matthijs, en nu zit ‘ie ook nog eens een hele avond in Zomergasten – dit alles binnen een week. Volgend jaar zijn er landelijke verkiezingen en de politieke campagnes zijn van start. U denkt vast: waarom geeft de VPRO Rutte een avond lang free publicity? Want dat dacht schrijver dezes eerlijk gezegd ook. Totdat hij Thomas Erdbrink tegenover Abou Jahjah zag, en zag hoe de presentator hem het vuur aan de schenen legde. Kortom, wees gerust: Rutte krijgt geen gratis zendtijd om zijn verkiezingsriedel af te draaien, tegenover hem zit zondag een journalist die hem kritisch kan en zal bevragen – daar waar het nodig is. 

2. Heel veel muziek in de uitzending

Rutte’s liefde voor klassieke muziek is bekend. Eigenlijk wilde hij concertpianist worden, maar hij verkoos de politiek toen docenten hem er op wezen dat hij onvoldoende talent had om er heel ver mee te komen. Van het instrument zelf nam hij geen afscheid, in zijn bovenwoning aan het Haagse Benoordenhout neemt de piano naast een volle boekenkast een prominente plaats in. Hij speelt klassiek, met een voorkeur voor de sonates van Mozart, Bach en Schumann. Zijn grote held is de overleden pianist Vladimir Horowitz. Ieder jaar wanneer hij naar zijn favoriete stad New York gaat, bezoekt hij het huis van Horowitz.

Maar net zoals Rutte met souplesse bruggen slaat tussen uiteenlopende politieke partijen met diverse ideologieën, is hij ook niet vies van een vette cross-over op muzikaal gebied – van klassiek naar low culture, van Concertgebouw naar kitsch in het kwadraat. Dit jaar werd Rutte on camera vastgelegd bij een concert van de Toppers. Voor deze gelegenheid passend uitgedost met glitterbretels, verklaarde hij: ‘Ik hou inderdaad van Bach, Mozart en historische boeken. Maar ik hou ook ontzettend van zo’n avond’ – refererend aan het festijn in de AmsterdamArena. ‘Ik heb genoten. We zijn echt uit ons dak gegaan.’

3. Het gaat over macht

De Minister-President niet over macht laten praten is net zoiets als Sergio Herman niet over eten laten vertellen. Hoe krijg je macht, hoe werkt de macht en hoe ga je ermee om? Middels diverse fragmenten zal Rutte hier iets over vertellen.

Via een fragment uit de Engelse serie House of Cards bijvoorbeeld, en  via de speech waarmee de Brit Neil Kinnock in 1985 de macht binnen zijn Labourpartij naar zich toetrok. Om de politieke macht over het land te krijgen moet je eerst de macht binnen je partij verwerven, en daar weet Rutte na zijn strijd met Rita Verdonk ook alles van.

4. Hij neemt ons mee naar zijn jeugd

Rutte werd bijna vijftig jaar geleden geboren als nakomertje in een gezin van zes. Zijn vader is inmiddels overleden, bij zijn moeder eet hij nog iedere week. Ruttes vader was directeur van een handelsonderneming in Nederlands-Indië, totdat Indonesië in 1958 alle bedrijven van hun voormalig kolonisator nationaliseerde en hij het land uit moest. Hoe dit alles Rutte heeft gevormd, zal in de uitzending aan bod komen, net als waar Rutte als kind op tv naar keek.

5. Ruttes keuzefilm: Intouchables

Deze filmhuishit en kassakraker uit 2011 gaat over de onwaarschijnlijke vriendschaptussen een fysiek gehandicapte Parijse miljonair (Philippe) en een uit een banlieue afkomstige Frans-Senegalees (Driss). Driss komt tegen wil en dank werken als persoonlijk verzorger van de aan een rolstoel gekluisterde Philippe en ondanks de grote klasse- en cultuurverschillen ontstaat er een hechte en bijzondere vriendschap. 

[3

[3]
NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER 70 BURGERDODEN
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september. 

4
‘”Onze verworvenheden, met onze normen en waarden,is het alles of niets het is geen cafetaria model.Onze manier van leven, we hadden het net over homosexualiteit,we hebben het in Nederland over man en vrouw.We hebben het over onze verworvenheden, die voortkomen uit humanisme, uit Verlichting, die we in honderden jaren hebben opgebouwd”YOUTUBE.COM ZOMERGASTEN IN VIJF MINUTEN MARK RUTTE 3.15-4.12
https://www.youtube.com/watch?v=Mx04YMtMDZs

[5]
WIKIPEDIAVERLICHTING
https://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(stroming)

[6]
WIKIPEDIAVERLICHTING/RECHT, STAAT EN POLITIEK
https://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(stroming)#Recht,_staat_en_politiek
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAVERLICHTING
https://nl.wikipedia.org/wiki/Verlichting_(stroming)
HISTORIEKVERLICHTING/EEUW VAN DE REDEhttps://historiek.net/de-verlichting-stroming/79841/

”Montesquieu leverde een belangrijke bijdrage aan het denken over staatsinrichting. Met zijn Trias Politica, de scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht, legde hij de basis voor veel parlementaire democratieën.”
HISTORISCH NIEUWSBLADIN DE VERLICHJTING GING HET OM HET WERELDBEELD
https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/42306/in-de-verlichting-ging-het-om-het-wereldbeeld.html

[7]

UITPERS.BEHET GEDACHTEGOED VAN MEVROUW HIRSI ALIASTRID ESSEDAPRIL 2005
http://www.uitpers.be/BUP/archief/artikel_view.php?id=1011

TEKST

door Astrid Essed

In tegenstelling tot de onder de Nederlandse intelligentsia en een aantal politici heersende opinie leidt het gedachtegoed van Hirsi Ali niet tot de emancipatie van moslima’s, maar tot verdere stigmatisering en radicalisering van de in Nederland wonende moslims.

Op 25 februari 2005 kreeg het VVD Tweede Kamerlid Ayaan Hirsi Ali de prestigieuze Harriet-Freezerring uitgereikt voor haar ”inzet voor de emancipatie van moslimvrouwen”
Ik wil in onderstaand betoog nader ingaan op het gedachtegoed van mevrouw Hirsi Ali, hetgeen ik graag wil uitsplitsen in inhoudelijke kritiek en de vorm waarin deze kritiek gegoten wordt. Hierbij wil ik ter inleiding de opmerking maken, dat mijns inziens ieder kritiek op welke godsdienst ook geoorloofd is, mits met respect voor de gelovigen in kwestie.

A Generalisatie

Hoewel ik er zeker waardering voor heb, dat mevrouw Hirsi-Ali wil opkomen voor mishandelde vrouwen valt mij daarbij haar uiterst ongenuanceerde benadering op.
Zo relateert zij de mishandeling van islamitische vrouwen in Nederland veelal ten onrechte aan de Islam zonder enig oog voor de traditionele en sociaal-gebonden achtergronden in dezen, die hun wortels hebben in de diverse landen van herkomst, maar ook te wijten zijn aan heersende spanningen binnen de Nederlandse samenleving, die de afgelopen jaren zijn
toegenomen door het voortschrijdende racistische klimaat.
Daarenboven maakt zij in haar benadering van de problematiek in de islamitische landen van herkomst weinig tot geen onderscheid noch tussen de grote onderlinge verschillen in positie en behandeling van de islamitische vrouw, de verschillen in sociale klassen en de verschillen tussen stad en platteland.

1 Mishandelde vrouwen in islamitische landen van herkomst:

Hoewel in islamitische landen vrouwenmishandeling in alle lagen van de samenleving voorkomt, is dit veeleer een traditioneel-sociaal verschijnsel met somtijds fundamentalistisch-religieuze aspecten, waarbij daarenboven onderscheid gemaakt dient te worden tussen de landen onderling, het verschil in sociale klasse en het verschil tussen stad en platteland.

In de eerste plaats is er een zeer groot verschil in positie cq behandeling van de islamitische vrouw tussen bijvoorbeeld de Noordelijke Staten van Nigeria en een land als Turkije waarbij sprake is van een veel grotere vrijheid betreffende de positie van de vrouw. Ook is bekend, dat de veelgenoemde zware lijfstraffen en doodstraffen volgens de meest stringente vorm van islamitisch recht, waarvan overigens niet alleen vrouwen, maar eveneens mannen het slachtoffer kunnen worden [zie het handen afhakken van dieven in Saoedi-Arabie] in de meeste islamitische landen niet worden toegepast, maar alleen in uitzonderingsgevallen zoals de reeds genoemde Noordelijke Staten in Nigeria en een land als Saoedi-Arabie.

In de tweede plaats komen vrouwenmishandelingen weliswaar in alle lagen van deze samenlevingen voor, maar hangen de sociale consequenties hiervan sterk samen met de sociaal-maatschappelijke positie van de betreffende vrouwen. Zo is het voor hoger opgeleide vrouwen over het algemeen door hun contacten en invloed gemakkelijker, deze vernederende omstandigheden te doorbreken en de mogelijkheid een nieuw leven op te bouwen dan niet-opgeleide vrouwen, die veelal een sociaal-zwakkere positie in de samenleving innemen.

In de derde plaats is het van groot belang onderscheid te maken tussen de positie van de vrouw uit de stad of het platteland, waarbij plattelandsvrouwen veelal meer blootstaan aan geweld vanwege de sterke sociale en familiale bindingen binnen een dorpsgemeenschap en de vanwege gebrek aan vooropleiding praktische aanwezige onmogelijkheid de streek te
ontvluchten.

2 Mishandeling islamitische vrouwen in Nederland en vrouwenmishandeling in
Nederland in het algemeen


Zoals reeds opgemerkt relateert mevrouw Hirsi-Ali de mishandeling van islamitische vrouwen in Nederland ten onrechte vrijwel uitsluitend aan de Islam en heeft zij te weinig oog voor de hierboven vermelde traditionalistische en sociale componenten, veelal afkomstig uit de landen van herkomst alsmede gevoed door de in Nederland heersende maatschappelijke
spanningen, die veelal samenhangen met het in de Nederlandse samenleving toegenomen racisme.
Evenzeer sluit zij de ogen voor het feit, dat mishandeling van in Nederland wonende islamitische vrouwen weliswaar een ernstig voorkomend verschijnsel is, maar dat een en ander evenzeer in onrustbarende percentages voorkomt bij zowel autochtone Nederlandse vrouwen als allochtone vrouwen van niet-islamitische komaf. De cijfers ontlopen elkaar niet al te veel, is er bij allochtonen [en daarbij zijn eveneens gerekend niet-islamitische allochtone vrouwen] sprake van een op de vijf vrouwen, is er bij autochtonen sprake van 1 op de vier
vrouwen.
Het is uiteraard evident, dat ik hierbij het verschijnsel van de mishandelde islamitische vrouw in genen dele wil bagatelliseren, maar wel wil ik de indruk wegnemen, dat er overwegend sprake zou zijn van mishandeling bij islamitische vrouwen, hetgeen genen dele het geval is.

3 Vrouwenbesnijdenis:

Evenzeer suggereert mevrouw Hirsi Ali veelal, dat het in zowel Somalië als bepaalde streken van Egypte voorkomend ernstige verschijnsel van de vrouwenbesnijdenis zou voortkomen uit een islamitische traditie, hetgeen niet het geval is. Hoewel voorkomend in geheel of gedeeltelijk islamitische landen als Somalië en Egypte, komt dit verschijnsel eveneens voor in een groot aantal Afrikaanse landen, die in het geheel niet islamitisch zijn, maar veelal aanhanger van animistische tradities, al dan niet vermengd met het christendom.
Uiteraard is vrouwenbesnijdenis een van de ernstigste schendingen van de rechten van de vrouw, maar juist gezien tegen dit licht is het van belang, een en ander in zijn juiste verband te zien.

4 Eerwraak:

Recentelijk is mevrouw Hirsi Ali in het nieuws gekomen als verdedigster van door eerwraak bedreigde moslima’s, hetgeen ik uiteraard van harte toejuich. Ook ten aanzien van deze problematiek echter maakt Hirsi Ali zich niet alleen schuldig aan verregaande generalisering.
In de eerste plaats is er in het geval van eerwraak lang niet altijd sprake van een vrouwelijk slachtoffer, noch wordt de daad alleen door mannen bedreven. Evenmin is er altijd sprake van moord, maar veelal van mishandeling, opsluiting en bedreiging.
Het belangrijkste is echter het feit, dat eerwraak niet zozeer religieus, maar cultureel gebonden is, aangezien dit verschijnsel  zich niet alleen slechts in enkele islamitische landen zoals bepaalde streken van Egypte en Jordanië manifesteert, maar evenzeer voorkomt in niet-islamitische landen zoals enkele Zuid-Amerikaanse landen, de Antillen, Italië en Griekenland.
Het is mevrouw Hirsi-Ali dan ook verwijtbaar, dat zij ten onrechte de suggestie wekt, dat eerwraak gerelateerd kan worden aan de Islam en slechts in islamitische landen voorkomt.

B Oplossingsstrategie:

1 Ressortering eerwraak onder de anti-terreurwetgeving

Nog los van haar generaliserende standpunten zijn m.i. eveneens haar oplossingsstrategieën uiterst dubieus. Zo stelde zij onlangs als maatregel voor, het eerwraak-misdrijf als zodanig
te laten ressorteren onder de anti-terreurwetgeving. Nog afgezien van het al dan niet wenselijke karakter van de anti-terreurwetgeving is hier geen sprake van een als terrorisme te
definiëren misdrijf en merkte minister Donner van Justitie dan ook terecht op, dat het laten ressorteren van een dergelijk misdrijf onder de anti-terreurwet zou neerkomen op een oneigenlijk gebruik van deze wet.

2 Verbod op islamitische scholen:

Een tweede door mevrouw Hirsi-Ali voorgestelde oplossingsstrategie ter bevordering van de emancipatie van moslima’s is het opheffen van islamitische scholen, aangezien een en ander o.a. de basis zou zijn voor het handhaven van ongewenste patronen in de man-vrouw relatie.
Verder geeft zij zelf aan geen gelovig moslim meer te zijn [hetgeen zij ”geseculariseerd” noemt]
Uiteraard is het haar recht al dan niet belijdend moslim te zijn, maar het sluiten van islamitische scholen vertrekt vanuit een fundamenteel gebrek aan respect voor de geloofsovertuiging van anderen, in casu de moslimgemeenschap. Bovendien is het in strijd met het recht op godsdienstvrijheid, als zodanig een van de grondbeginselen van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en [nog steeds] verankerd binnen de Nederlandse grondwet.
Verder is de uiterste consequentie van dit gedachtegoed, dat dan eveneens christelijke, Joodse en hindoeïstische scholen zouden moeten worden opgeheven, aangezien een en ander anders niet alleen getuigt van discriminatie tegenover een groep, maar er ook op christelijke en joodse scholen [zeker de orthodoxen] vrouw-onvriendelijke visies aanwezig zijn. Het is daarom ook niet te verwonderen, dat het CDA bij monde van haar minister van Onderwijs Maria Verhoeven ernstige bezwaren heeft tegen deze door Hirsi Ali geponeerde opstelling.
Nog afgezien van dit gebrek aan respect voor de geloofsovertuiging van de ander is de opstelling van Hirsi Ali ook nog in hoge mate generaliserend, aangezien de al dan niet progressieve benadering van de man-vrouwrelatie niet afhankelijk is van de aanwezigheid van islamitische scholen in het algemeen, maar van de visie van de desbetreffende leerkrachten en het schoolbestuur, dat van school tot school verschilt. Bovendien verliest mevrouw Hirsi Ali uit het oog, dat een groot deel van de opvattingen binnen de man-vrouw relatie via de opvoeding worden doorgegeven, waardoor een en ander veel minder controleerbaar is.

3 Monolitisering Islam

Zoals reeds gesteld valt mij sterk aan de standpunten van Hirsi Ali op haar vergaande generalisatie zowel de Islam in het algemeen als de islamitische landen in het bijzonder.
Zo maakt zij zoals reeds gezegd geen enkel onderscheid tussen stad en platteland, tussen laaggeschoolde en hogergeschoolde vrouwen en families en tussen de diverse richtingen binnen de Islam, die net zo gediffentieerd en gevarieerd zijn als binnen het christendom.
De mythe van de monolithische en eenvormige ”achterlijke” Islam is een racistisch verzinsel.
Natuurlijk heeft de Islam net zoals ieder andere godsdienst vrouwonvriendelijke componenten, maar dat hebben het christendom en het Jodendom ook. Kritiek op iedere godsdienst is geoorloofd, maar dan wel op feitelijk-aantoonbare en genuanceerde gronden.

4 Stigmatisering:

Opvallend is verder dat Hirsi Ali niet alleen ondanks deze onvolkomenheden in haar redenatie volkomen kritiekloos door ”intellectueel Nederland” is binnengehaald als de ”Islam-deskundige” hetgeen zij niet is [niet naar mijn opvatting, maar die van gerenommeerde Nederlandse islamologen], maar daarenboven een rol heeft gespeeld en nog speelt tegen de achtergrond van toenemende stigmatisering van de moslims.
Hiervoor werd zij zowel door politiek als media naar voren geschoven als coryfee, die de veelal verre van frisse oogmerken van politici en sommige nieuwsmedia bevestigde, waardoor haar geventileerde kritiek eerder vooroordelenbevestigend werkte. Het gevolg was, dat vele moslims, die toch al na 11 september te lijden hadden onder toenemende stigmatisering en met een Mcarthiaans vergrootglas werden bekeken de op sommige punten wel degelijk zinnige kritiek van Hirsi Ali verwierpen, omdat zij door haar weinig genuanceerde benadering nog verder in het vakje van vooroordelen en racisme werden gedrongen. Hierdoor ontstonden verdedigingsmechanismen die veelal in de hand gewerkt werden door het feit, dat slechts Hirsi Ali’s weinig genuanceerde mening op de TV gehoord werd en iedere kritiek op haar visie bij voorbaat of in het geheel niet op de TV kwam of werd afgedaan als ”extremisme” of
”fundamentalisme” zonder vaak enige bereidheid van de kant van media en politiek de gronden voor een dergelijke kritiek aan een serieuze analyse te onderwerpen.

5 Intellectueel Nederland:

Bovendien hield en houdt het leeuwendeel van politiek en intellectueel Nederland vast aan de verkeerde veronderstelling, dat Hirsi Ali ”de eerste” kritische islamitische vrouw was, terwijl er al tientallen jaren zowel Turkse als Marokkaanse vrouwen binnen Turkse en Marokkaanse
vrouwenorganisaties zeer actief waren betreffende de emancipatie van islamitische vrouwen.
Verder was het evenzeer opvallend, dat zij haar waardering vrijwel geheel kreeg en krijgt vanuit de gevestigde Nederlandse politieke en intellectuele hoek.
Onder de door haar beoogde doelgroep echter, de Marokkaanse en andere islamitische vrouwen, alsmede een grote groep islamitische intellectuelen, kon zij op heel weinig waardering rekenen, hetgeen mijns inziens op zich eveneens te denken geeft over haar werkelijke affiniteit met de doelgroep waaruit zij ook is voortgekomen.
En laten wij eerlijk zijn, in het klimaat na 11 september werd iedere kritiek op de Islam, zinnig of niet [zie Fortuyn] van harte in bepaalde Nederlandse politieke en mediakringen omhelsd.

C Vorm:

Ook de vorm waarin Hirsi Ali haar kritiek doorgaans goot en giet, is veelal niet acceptabel.
Nogmaals, kritiek op iedere godsdienst is geoorloofd, maar dan wel met respect voor de overtuiging van anderen. Haar uitspraken over de Profeet Mohammed, alsmede de vorm waarin de film Submission gegoten is, getuigt daar absoluut niet van. Het valt mij op, dat een en ander vaak gemakshalve wordt afgedaan met ”vrijheid van meningsuiting” maar eveneens is opvallend, dat dit gezegd wordt door autochtone Nederlanders, die veelal niet of nauwelijks affiniteit hebben met de Marokkaanse of andere moslims.
Wanneer een en ander dan ook nog gebracht wordt in een klimaat van toenemende polarisering, vind ik een dergelijke vorm waarin deze kritiek gegoten wordt getuigen van gebrek aan respect en morele lafheid. Verder zouden de autochtone Nederlanders, die ieder bezwaar hiertegen van islamitische kant vaak afdoen met ”onzin” of ”het moet kunnen” zouden zich eens moeten realiseren hoe zij het zouden vinden wanneer voor hen van
groot belang zijnde symbolen of principes stelselmatig worden bekritiseerd met een totaal gebrek aan respect voor hun identiteit. Tegen degenen, die vinden, dat moslims dergeljke kritiek maar ”moeten slikken” zou ik willen zeggen: Realiseert u, dat u zo een tweedeling in de samenleving creëert.
Maar vooral:
Realiseert u zich, dat u zich met een dergelijke weinig respectvolle houding schuldig maakt aan impliciet neokolonialisme. Men kan geen respect verwachten voor de dominante veelal niet-religieuze cultuur, wanneer men niet bereid is dat respect eveneens ten opzichte van de
religieuze allochtone cultuur te tonen. Dat geldt zowel voor de Nederlandse intelligentsia als critici als Hirsi Ali zelf.

(Uitpers, nr. 63, 6de jg., april 2005)

EINDE ARTIKEL UITPERS

” In welgekozen bewoordingen hield zij een gloedvol betoog waarin zij met klem beargumenteerde dat het wel degelijk de islam was die een Voltaire nodig had. Deze tot dan toe volstrekt onbekende vrouw was Ayaan Hirsi Ali.”
TROUWLAAT ONS NIET IN DE STEEKGUN ONS EEN VOLTAIRE20 MEI 2006
https://www.trouw.nl/nieuws/laat-ons-niet-in-de-steek-gun-ons-een-voltaire~beeecf4c/

Op dinsdag 13 november 2001, twee maanden na 9/11, organiseerde Letter & Geest, in samenwerking met uitgeverij Van Gennep, een debat over de volgende vraag: ’Heeft de islam een Voltaire nodig of moet de kritiek zich juist richten op de westerse cultuur’. Zeven denkers debatteerden over deze vraag voor een bomvolle zaal in De Balie. Met uitzondering van de Nederlands-Iraanse rechtsgeleerde en dichter Afshin Ellian vond eigenlijk iedereen dat vooral het Westen gekritiseerd moest worden. Toen stond er in de zaal een zwarte jonge vrouw op. Het werd doodstil. In welgekozen bewoordingen hield zij een gloedvol betoog waarin zij met klem beargumenteerde dat het wel degelijk de islam was die een Voltaire nodig had. Deze tot dan toe volstrekt onbekende vrouw was Ayaan Hirsi Ali. Op verzoek van L & G werkte ze haar betoog om tot een artikel dat op zaterdag 24 november 2001 in Trouw verscheen.door Ayaan Hirsi Ali20 mei 2006, 0:00

Wie sinds 11 september de debatten in kranten, op tv en in debatcentra volgt, kan moeilijk anders concluderen dan dat de kritiek op de islam zowel in Nederland als in de rest van de westerse wereld sterk is toegenomen. Steeds weer rijst de vraag of de islam in zijn huidige vorm verenigbaar is met de democratie en de rechtsstaat zoals we die in Nederland kennen. Of is er een Verlichting en modernisering van de islam nodig?

Een dergelijke discussie is vorige week gehouden in De Balie, georganiseerd door uitgeverij Van Gennep en Trouw, onder de titel ’Voltaire en de islam’. De vraag was of de islam een Voltaire nodig heeft. Waar blijft de bijtende kritiek op de islam? Of moet de kritische geest van Voltaire zich juist richten op de westerse cultuur?

Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of de wereld van de hedendaagse islam en de westerse wereld samengaan, is het misschien handig om beide werelden eens naast elkaar te leggen.

Islamitisch fundamentalisme en politieke islam ontstaan niet uit het niets. Zij hebben een bedding nodig waarin ze wortel kunnen schieten en gedijen, en waarin ze zich kunnen omvormen tot de zeer gevaarlijke varianten waarmee we sinds 11 september zijn geconfronteerd. Die bedding wordt gevormd door de islam zoals die in het leven van alledag wordt doorgegeven aan de moslims in de islamitische wereld. Daarom moeten we allereerst kijken naar deze bronnen van de islam. Hoe groot de verschillen tussen moslims ook mogen zijn, het is de leer van de islam en de wijze waarop deze in de praktijk wordt beleefd die een voedingsbodem kunnen zijn voor uitwassen als fundamentalisme en, uiteindelijk, ook voor terrorisme.

In Letter & Geest van 10 november 2001 wijst de schrijver Leon de Winter ons op een aantal kwalijke zaken uit de praktijk van een deel van de moslimwereld. Ook al deel ik niet De Winters opvatting dat er een Derde Wereldoorlog gaande is, hij heeft wel degelijk gelijk waar hij de islamitische wereld beschrijft.

De Winter geeft de ideologie waardoor de daders van 11 september en hun aanhang gedreven werden uitstekend weer. Die ideologie beroept zich op de bronnen van de islam. Het is een religieuze ideologie waarvan de kaders worden gevormd door ’kracht en zwakte, overheersing en vernedering, eeuwigheid en tijdelijkheid, zuiverheid en vertroebeling’, en waarvan het geheel wordt verdedigd met uitsluitend Goddelijke rechtvaardigheid.

Uit eigen ervaring kan ik bevestigen dat de islamitische wereld sterk hiërarchisch is ingedeeld. Allah is almachtig en de mens is zijn slaaf en heeft zich aan zijn wetten te houden. Zij die geloven wat er in de Koran staat, die in Allah geloven en die Mohammed als zijn profeet erkennen, staan boven christenen en joden en die staan, als ’volkeren van het boek’, weer boven afvalligen en ongelovigen. De man staat boven de vrouw, en kinderen moeten hun ouders gehoorzamen. Mensen die zich niet aan de regels houden, moeten vernederd of vermoord worden in naam van God.

Het leven hier is tijdelijk en dient er slechts toe dat de gelovige zijn vrees voor God kan bewijzen door zich strikt aan zijn plichten tegenover God te houden en zo een plaats in de hemel te verdienen. Ongelovigen zijn alleen op aarde om voor de gelovigen als voorbeeld te dienen hoe het niet moet. Halal (dat wat is toegestaan) en haram (dat wat is verboden) zijn de centrale begrippen in de alledaagse praktijk van de moslim. Zij gelden voor elke moslim waar ook ter wereld. Deze begrippen hebben betrekking op alle gebieden van het leven. Voor ieder aspect is vastgelegd hoe, wat en waarover je wel en niet moet denken, voelen en handelen. Deze leefregels gelden zowel voor het privé-leven van de moslims als voor hun betrekkingen met het publieke leven. De sjaria – de islamitische wet – staat boven alle door mensen bedachte wetten en regels. En het is de plicht van elke moslim de sjaria zo zuiver mogelijk na te leven. De fundamentalisten spelen hierop in door er steeds op te wijzen dat het leven van gematigde moslims in strijd is met de islamitische leer.

Dit alles leren wij moslims zo jong mogelijk van onze ouders, op de koranscholen en in de moskeeën. Moslims in Europa en de VS krijgen ook nog eens speciaal onderricht via de geschriften van bijvoorbeeld Joesoef Al-Karadawi die door de arabist Marcel Kurpershoek (NRC Handelsblad, 3 november) wordt beschouwd als een gematigde moslimtheoloog en een geschikte gesprekspartner voor westerse instanties. In werkelijkheid is Al-Karadawi allerminst gematigd. In zijn boek ’The Lawful and the Prohibited in Islam’ – dat uitsluitend is bedoeld voor westerse moslims – schrijft hij dat het de plicht is van de islamitische gemeenschap om militaire vaardigheden te leren om zich te kunnen verdedigen tegen de vijanden van God en de islam in ere te houden. Moslims die dat niet doen, maken zich volgens Al-Karadawi schuldig aan een zware zonde. Even verderop in het boek laat hij weten dat alle door mensen gemaakte wetten gebrekkig zijn en incompleet, aangezien de wetgevers zich hebben beperkt tot uitsluitend materiële zaken en de eisen van religie en moraliteit hebben verwaarloosd. Westerlingen kunnen zich nauwelijks voorstellen hoezeer hij hiermee het democratische wetgevingsproces in de ogen van zijn westerse moslimlezers ondermijnt.

Terecht beschrijft De Winter de praktijk van de islam als een toneel waar ’hele ritsen heiligen, geesten, engelen en duiveltjes belangrijke bijrollen spelen. De conservatieve moslim sluit daardoor niet uit dat zijn vijanden over bovennatuurlijke krachten beschikken waarmee ze complotten smeden, en tegen dergelijke krachten is de modale moslim natuurlijk niet opgewassen’. In dit verband citeert De Winter de Israëlische hoogleraar Emmanuel Sivan die onderzoek deed naar fundamentalisme: ’Een wereld bevolkt door geesten, de zielen van doden, djinn (onzichtbare wezens) van het schadelijke en vriendelijke soort; een wereld belaagd door de magie van de verleidende satan en zijn demonen, waar de gelovige kan worden bevrijd door heilige mannen en engelen en als het nodig is door wonderen; een wereld waar de communicatie met de doden (vooral van de eigen familie) een alledaagse gebeurtenis is en waar de aanwezigheid van het bovennatuurlijke als echt, bijna tastbaar, wordt beschouwd.’

Deze karakteriseringen zijn voor mij als moslim zeer herkenbaar. Overal ter wereld worden moslims opgevoed met dit soort bovennatuurlijke zaken. Zo wordt in de alledaagse moslimwerkelijkheid in alles rekening gehouden met een hiernamaals. Daarin past ook de opvatting dat martelaarschap wordt beloond met het paradijs. Het zou de moeite waard zijn om te onderzoeken in hoeverre dit gebrek aan nuchter verstand in de praktijk van de islam het mogelijk maakt dat zoveel moslims zich aangetrokken voelen tot de ideologie van Bin Laden.

De irrationele haat tegen joden en de afkeer van ongelovigen wordt onderwezen op vele koranscholen en dagelijks herhaald in de moskeeën. En meer dan dat: in boeken en artikelen, op cassettebandjes en in de media worden joden consequent voorgesteld als de aanstichters van het kwaad. Hoe ver deze doctrine kan doorwerken, heb ik zelf ondervonden: Toen ik voor het eerst een jood zag, was ik verbaasd dat het een gewoon mens van vlees en bloed bleek te zijn.

De Winter schrijft dat de woede die nu door vele moslims wordt gevoeld – en die heeft geleid tot sterke anti-Amerikaanse sentimenten en tot complottheorieën – niet alleen terug te voeren is op hun sociaal-economische achterstand ten opzichte van westerse christenen en joden. ’De woede komt óók voort uit een irrationele conservatieve religieuze beleving waarin Satan een levende gestalte is.’ Ik wil nog verder gaan dan De Winter en onderstrepen dat die religieuze beleving niet alleen voorkomt onder radicale moslims en fundamentalisten, maar ook gemeengoed is onder gewone moslims. Het verschil is dat de fanatici het niet laten bij haat alleen, maar ook bereid zijn over te gaan tot terreur.

Wij moslims leren ons leven op aarde te zien als een investering in het hiernamaals door te gehoorzamen aan de wil en de wetten van God. De waarden van de gemeenschap – eer en onderwerping – tellen veel meer dan de autonomie van het individu. Religie is niet een instrument van zingeving voor het individu, maar het individu moet zich aanpassen aan de religie en zich offeren aan God. Dit is in overeenstemming met de letterlijke betekenis van het woord islam: overgave aan de wil van God.

Velen die in de islamitische praktijk leven en opgroeien zijn bevattelijk voor fundamentalisme en radicalisme, maar ook sterk geneigd tot een passieve levenshouding en fatalisme. Wie de islamitische leer in de praktijk tot uitdrukking wil brengen en tegelijkertijd wil integreren in een westerse samenleving zal het moeilijk krijgen. Een moslimmigrant wordt in het Westen geconfronteerd met een omgekeerde wereld.

Anders dan in de islamitische wereld, legt men in het Westen juist veel nadruk op de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het individu, en op de noodzaak te investeren in het aardse leven. Onderwijs en arbeid zijn maatgevend voor succes, en niet de vroomheid van het individu. In westerse samenlevingen heerst niet één ideologie, maar bestaan meerdere ideologieën naast elkaar. De Grondwet wordt belangrijker gevonden dan Gods heilige boek en God doet er alleen toe in de privé-sfeer. De verhoudingen en de omgang tussen mensen zijn geregeld door wetten en regels die door mensen zijn bedacht en die niet voor eeuwig vastliggen, maar vervangen of aangevuld kunnen worden door nieuwe regels. Voor de wet zijn alle mensen gelijk, ook degenen die anders leven dan de meerderheid. Vrouwen mogen overal aan meedoen (ook al gebeurt dat in werkelijkheid niet altijd) en homoseksualiteit is geen zonde die de doodstraf verdient en ook geen bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid, maar een vorm van liefde die net zo normaal is als die tussen heteroseksuelen. Liefde is bovendien niet beperkt tot het huwelijk alleen, maar kan in onderlinge overeenstemming tussen mensen beleefd worden. Er zijn allerlei middelen om zwangerschap te voorkomen en te reguleren, en om zich te beschermen tegen seksueel overdraagbare ziektes.

Joden zijn geen monsters die vijandig zijn tegenover moslims, oorlog met hen willen voeren, hun hoop willen vernietigen en angst willen zaaien, maar gewone mensen die zelf een afschuwelijke geschiedenis – de holocaust – hebben meegemaakt in Europa. Voor- en tegenspoed komen niet van God, maar zijn de uitkomst van menselijk handelen. De samenleving is maakbaar, je kunt de omgeving naar je hand zetten. En het hiernamaals doet er weinig toe. Wie erin wil geloven, moet dat zelf weten, maar er worden geen voorbereidingen voor getroffen. Veel van wat in de islam niet mag, wordt in westerse samenlevingen gewaardeerd, en veel zaken waartoe een moslim verplicht is, worden hier verworpen als achterlijk.

Wie de reacties van moslims op de aanslagen van 11 september inventariseert en wie ziet hoe moslims reageren op kritiek op de islam, merkt dat er maar heel weinig moslims zijn die de islam kritisch beschouwen. Uitzonderingen zijn Afshin Ellian in Nederland en Salman Rushdie in Engeland. In plaats van zelfkritiek, krijgen we een lange reeks ontkenningen te horen, of een opsomming van factoren van buitenaf en complotten die de ’ware oorzaak’ zijn van alles wat er mis is in de moslimwereld.

Deze geringe mate van zelfreflectie wordt nog versterkt door de houding van veel westerse denkers en politici. Met de grootst mogelijke omzichtigheid hebben zij het over het fanatisme als een aspect van de islam, dat geweld met zich meebrengt. Of zij leunen gemakzuchtig achterover en zeggen: ’Ach, bij ons was het ooit ook zo; wees maar niet bang, het komt vanzelf goed met de islam’.

Het zal duidelijk zijn dat de hedendaagse islam niet verenigbaar is met de eisen van de westerse rechtsstaat. De islam heeft wel degelijk een Verlichting nodig. Maar het is onwaarschijnlijk dat die Verlichting binnen de islamitische wereld zelf zal ontstaan. Schrijvers, wetenschappers en journalisten die kritiek leveren, worden gedwongen naar het Westen te vluchten. Hun werk is in hun eigen land verboden.

Wat moet er dan wel gebeuren? Op internationaal niveau moeten regeringsleiders als Blair en Bush niet meer zeggen dat de islam gegijzeld is door een terroristische minderheid. De islam is gegijzeld door zichzelf. Het zou nuttiger zijn als zij Saoedi-Arabië ermee confronteren dat het repressieve regime, de demografische druk en het eenzijdig religieuze onderwijssysteem extremisten voortbrengen.

In Europa en in Nederland kan de autochtone meerderheid de islamitische minderheid helpen door de ernst van de huidige staat van de islam – door Afshin Ellian als verduistering getypeerd – niet te bagatelliseren, maar aan de kaak te stellen. Ook zijn moslims hier geholpen met de vragen en de kritiek die sinds 11 september aan de islam worden voorgehouden. Dat aan de integratie van minderheden hogere eisen worden gesteld, is een goede ontwikkeling, hoewel niet iedereen dat zal beseffen. Door hier podia te geven aan dissidente stemmen kan tegenwicht worden geboden aan de eenzijdige en geestverlammende religieuze retoriek die miljoenen moslims dagelijks te horen krijgen. Laat de Voltaires van deze tijd in een veilige omgeving werken aan een Verlichting van de islam. Die kans is ons in ons vaderland vaak niet gegund. De islam is niet door een proces van Verlichting gegaan en islamitische samenlevingen worstelen nog met dezelfde problemen als het christendom voor het verlichtingsproces. Kennismaking met de rede zou de geest van de individuele moslim bevrijden van het juk van het hiernamaals, de voortdurende schuldgevoelens en de verleiding van het fundamentalisme. Ook zouden we verantwoordelijkheid leren dragen voor onze achterstanden en onze problemen. Laat ons daarom niet in de steek. Gun ons een Voltaire.

[8]

WIKIPEDIAVOLTAIRE/VIEWS ON RACE AND SLAVERY
https://en.wikipedia.org/wiki/Voltaire#Views_on_race_and_slavery

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIAVOLTAIRE
https://en.wikipedia.org/wiki/Voltaire

”Major proponents of the ideology of race inequality were the German philosopher Immanuel Kant, the French philosopher Voltaire, the Scottish philosopher and historian David Hume, and the influential American political philosopher Thomas Jefferson.

ENCYCLOPAEDIA BRITANNICABUILDING THE MYRG OF BLACK INFERIORITY
https://www.britannica.com/topic/race-human/Building-the-myth-of-black-inferiority

TEXT

A number of 18th-century political and intellectual leaders began publicly to assert that Africans were naturally inferior and that they were indeed best suited for slavery. A few intellectuals revived an older image of all living things, the scala naturae (Latin: “scale of nature”), or Great Chain of Being, to demonstrate that nature or God had made men unequal. This ancient hierarchical paradigm—encompassing all living creatures, starting with the simplest organisms and reaching to humans, angels, and ultimately to God—became for the advocates of slavery a perfect reflection of the realities of inequality that they had created. The physical differences of blacks and Indians became the symbols or markers of their status. It was during these times that the term race became widely used to denote the ranking and inequality of these peoples—in other words, their placement on the Chain of Being.

Beginning in the late 18th century, differences between the races became magnified and exaggerated in the public mind. Hundreds of battles with Indians had pushed these populations westward to the frontiers or relegated them increasingly to reservation lands. A widely accepted stereotype had grown that the Indian race was weak and would succumb to the advances of white civilization so that these native peoples would no longer be much of a problem. Their deaths from disease and warfare were seen as a testament to the inevitable demise of the Indian.Racial stereotyping of Africans was magnified by the Haitian rebellion of 1791. This heightened the American fear of slave revolts and retaliation, causing greater restrictions and ever harsher and more degrading treatment. Grotesque descriptions of the low-status races, blacks and Indians, were widely publicized, and they helped foster fear and loathing. This negative stereotyping of low-status racial populations was ever present in the public consciousness, and it affected relations among all people.

By the mid-19th century, race in the popular mind had taken on a meaning equivalent to species-level distinctions, at least for differences between blacks and whites. The ideology of separateness that this proclaimed difference implied was soon transformed into social policy. Although legal slavery in the United States ended in 1865 with the passage of the Thirteenth Amendment to the Constitution, the ideology of race continued as a new and major form of social differentiation in both American and British society. The black codes of the 1860s and the Jim Crow laws of the 1890s were passed in the United States to legitimate the social philosophy of racism. More laws were enacted to prevent intermarriage and intermating, and the segregation of public facilities was established by law, especially in the South. The country’s low-paying, dirty, and demeaning jobs were relegated to “the Negro,” as he was seen fit for only such tasks. Supreme Court decisions, such as the Dred Scott case of 1857, made clear that Negroes were not and could not be citizens of the United States. They were to be excluded from the social community of whites but not from the production of their wealth. The Supreme Court decision in Plessy v. Ferguson (1896), which permitted “separate but equal” facilities, guaranteed that the racial worldview, with its elements of separateness and exaggerated difference, would continue to flourish.

Immigration and the racial worldview

In the 1860s, when Chinese labourers immigrated to the United States to build the Central Pacific Railroad, a new population with both physical and cultural differences had to be accommodated within the racial worldview. While industrial employers were eager to get this new and cheap labour, the ordinary white public was stirred to anger by the presence of this “yellow peril.” Political party caucuses, labour unions, and other organizations railed against the immigration of yet another “inferior race.” Newspapers condemned the policies of employers, and even church leaders decried the entrance of these aliens into what was seen as a land for whites only. So hostile was the opposition that in 1882 Congress finally passed the Chinese Exclusion Act.

The large migrations from southern and eastern Europe that started in the 1880s required the reassessments of other new people and their incorporation into the racial ranking system. Old-stock Americans (English, Dutch, German, Scandinavian) were horrified at the onslaught of large numbers of people speaking Italian, Greek, Hungarian, Russian, and other foreign languages. They held that such “races” could not be assimilated into “Anglo-Saxon” culture, and policies and practices had to be put into place to separate them from the mainstream.Despite much opposition, these European groups soon lost their inferior race status, and within a few generations their descendants not only were assimilated into the “white” category but had also incorporated the white racial worldview. More than half the ancestors of late 20th-century American whites immigrated to the United States during the period 1880–1930. The “white” racial category was constructed flexibly enough to enclose even those who could not claim an Anglo-Saxon background.

During the 19th century the idea and ideology of race were diffused throughout the European colonial systems, reinforced by the fact that the peoples conquered and colonized by western European powers were also physically different. Such conquests buttressed the idea of European racial superiority. The racial worldview, with its tenets regarding the limited capacities of inferior races, was employed to justify the extermination of peoples, including the Tasmanians, most of the Maori, and many indigenous Australians. It was an essential ingredient in the colonial policies and practices of the British in India and Southeast Asia and, later, in Africa. Numerous British writers of the 19th century, such as Rudyard Kipling, openly declared that the British were a superior race destined to rule the world.

Legitimating the racial worldview

Enlightenment philosophers and systematists

The development of the idea and ideology of race coincided with the rise of science in American and Europeancultures. Much of the inspiration for the growth of science has been credited to the period known as the Enlightenment that spanned most of the 18th century. Many early Enlightenment writers believed in the power of education and fostered very liberal ideals about the potentiality of all peoples, even “savages,” for human progress. Yet, later in the century, some of the earliest assertions about the natural inferiority of Africans were published. Major proponents of the ideology of race inequality were the German philosopher Immanuel Kant, the French philosopher Voltaire, the Scottish philosopher and historian David Hume, and the influential American political philosopher Thomas Jefferson. These writers expressed negative opinions about Africans and other “primitives” based on purely subjective impressions or materials gained from secondary sources, such as travelers, missionaries, and explorers. These philosophers expressed the common attitudes of this period; most also had investments in the slave trade or slavery. 

During the same period, influenced by taxonomic activities of botanists and biologists that had begun in the 17th century, other European scholars and scientists were involved in the serious work of identifying the different kinds of human groups increasingly discovered around the world. The work of the naturalists and systematists brought attention to the significance of classifying all peoples into “natural” groupings, as had been done with flora and fauna. Eighteenth-century naturalists had greater information and knowledge about the world’s peoples than their predecessors, and a number of scholars attempted to organize all this material into some logical scheme. Although many learned men were involved in this enterprise, it was the classifications developed by the Swedish botanist Carolus Linnaeus and the German physiologist Johann Friedrich Blumenbach that provided the models and terms for modern racial classifications.

Britannica 1st Edition

Scientific classifications of race

In publications issued from 1735 to 1759, Linnaeus classified all the then-known animal forms. He included humans with the primates and established the use of both genus and species terms for identification of all animals. For the human species, he introduced the still-current scientific name Homo sapiens. He listed four major subdivisions of this species, H. americanusH. africanusH. europaeus, and H. asiaticus. Such was the nature of knowledge at the time that Linnaeus also included the categories H. monstrosus (which included many exotic peoples) and H. ferus (“wild man”), an indication that some of his categories were based on tall tales and travelers’ myths.

Blumenbach divided humankind into five “varieties” and noted that clear lines of distinction could not be drawn between them, as they tended to blend “insensibly” into one another. His five categories included American, Malay, Ethiopian, Mongolian, and Caucasian. (He chose the term Caucasian to represent the Europeans because a skull from the Caucasus Mountains of Russia was in his opinion the most beautiful.) These terms were still commonly used by many scientists in the early 20th century, and most continue today as major designations of the world’s peoples.

These classifications not only rendered human groups as part of nature but also gave them concreteness, rigidity, and permanence. Moreover, some descriptions, especially those of Linnaeus, included statements about the temperament and customs of various peoples that had nothing to do with biophysical features but were forms of learned behaviour that are now known as “culture.” That cultural behaviour and physical characteristics were conflated by these 18th-century writers reflects both their ethnocentrism and the limited scientific knowledge of the time.

The institutionalizing of race

Slavery always creates social distance between masters and slaves, and intellectuals are commonly called upon to affirm and justify such distinctions. As learned men began to write a great deal about the “racial” populations of the New World, Indians and Negroes were increasingly projected as alien. In this way did some Enlightenment thinkers help pro-slavery interests place responsibility for slavery in the “inferior” victims themselves.

Would-be “scientific” writings about the distinctiveness of blacks and Indians commenced late in the 18th century in tandem with exaggerated popular beliefs, and writings of this type continued on into the 20th century. The European world sought to justify not only the institution of slavery but also its increasingly brutal marginalization of all non-European peoples, slave or free. Science became the vehicle through which the delineation of races was confirmed, and scientists in Europe and America provided the arguments and evidence to document the inferiority of non-Europeans.

About the turn of the 19th century, some scholars advanced the idea that the Negro (and perhaps the Indian) was a separate species from “normal” men (white and Christian), an idea that had been introduced and occasionally expressed in the 18th century but that had drawn little attention. This revived notion held that the “inferior races” had been created at a different time than Adam and Eve, who were the progenitors of the white race. Although multiple creations contradicted both the well-known definition of species in terms of reproductively isolated populations and the biblical description of creation, it is clear that in the public mind the transformation from race to species-level difference had already evolved. In the courts, statehouses, assemblies, and churches and throughout American institutions, race became institutionalized as the premier source, and the causal agent, of all human differences.

Transforming “race” into “species”

One of those whose direct experience of African slaves and assessment of them was given great weight was Edward Long (1734–1813), a former plantation owner and jurist in Jamaica. In a book titled The History of Jamaica (1774), Long asserted that “the Negro” was “void of genius” and “incapable” of civilization; indeed, he was so far inferior as to constitute a separate species of mankind. Long’s work was published as a defense of slavery during a period of rising antislavery sentiment. Its greatest influence came during and after the American Revolutionary War (1775–83), when some southern Americans started freeing their slaves and moving north. Long’s writings, published in popular magazines, were widely read in the United States during the last decade of the 18th century.

In 1799 Charles White, a Manchester physician, published the earliest proper “scientific” study of human races. He described each racial category in physical terms, identifying what he thought were differences in the head, feet, arms, complexion, skin colour, hair texture, and susceptibility to disease. White actually measured the body parts of a group of blacks and whites, lending the semblance of hard science to his conclusions. He not only advocated a gradation of the races, but he provided support for the speculation that the Negro, the American Indian, some Asiatic tribes, and Europeans were of different species. His explanation for the presumed savagery of Africans was that they had degenerated from the pure and idyllic circumstances provided in the Garden of Eden while Europeans had made advances toward civilization.

Such works as those of Long and White initiated a debate among scholars and scientists that had long-range implications for European attitudes toward human differences. The issue, as expressed by mid-19th-century scientists, was “the Negro’s place in nature”—that is, whether “the Negro” was human like Europeans or a separate species nearer to the ape.

Samuel Morton, a Philadelphia physician and founder of the field of craniometry, collected skulls from around the world and developed techniques for measuring them. He thought he could identify racial differences between these skulls. After developing techniques for measuring the internal capacity of the skull, he concluded that blacks had smaller brains than whites, with Indian brains intermediate between the two. Because brain size had long been correlated with intelligence in both the popular mind and science, Morton’s findings seemed to confirm that blacks were also less intelligent than whites. In publications of 1839 and 1844, he produced his results, identifying the Native Americans as a separate race from Asians and arguing from his Egyptian materials that these ancient peoples were not Negroes. His findings magnified and exaggerated the differences between racial populations, imposing meaning on the differences that led to the conclusion that they were separate species.

Morton soon became the centre of a network of scholars and scientists who advocated multiple creations (polygeny) and thus contradicted the long-established biblical view of one single creation from which all humans descended (monogeny). The most influential of the scientists involved in this debate was Louis Agassiz, who accepted a position at Harvard University and revolutionized the field of natural science. Agassiz converted from monogenism to polygenism after moving to the United States from Switzerland in 1846. It was then that he saw blacks for the first time. He was also impressed with Morton’s work with skulls, and eventually he became the most important advocate of polygenism, conveying it in public lectures and to generations of students, many of whom took leading intellectual roles in American society.

One result of the mid-19th-century concern with documenting racial distinctions by means of body measurements was the establishment of the “scientific” enterprise of anthropometry. During the Civil War the U.S. Sanitary Commission and the provost marshall general’s office collected data on the physical condition of military conscripts and volunteers in the army, navy, and marines. Using anthropometric techniques, they produced massive tables of quantitative measurements of the body dimensions of tens of thousands of whites, blacks, mulattoes, and Indians. Scientists interpreted the data in a way that strengthened the argument that races were fundamentally distinct and that confirmed that blacks, Indians, and mulattoes were inferior to whites. Anthropometry flourished as a major scientific method for demonstrating race differences well into the 20th century.

The false assumptions of anthropometry

For the first half of the 20th century, scholars continued to debate “the Negro’s place in nature.” But the debate over multiple or single origins receded after 1859, when the publication of Charles Darwin’s theory of evolution led to a more dynamic understanding of human diversity. Evolution produced a new perspective on the causes of blacks’ (supposedly) innate condition; the central problem became whether they evolved before or after whites. By the 1860s black primitiveness was assumed without question. “The Negro,” in fact, had become the new savage, displacing Indians and Irishmen, and the ideology proclaimed that his savagery was intrinsic and immutable.

The use of metrical descriptions, while they seemed objective and scientific, fostered typological conceptions of human group differences. From massive quantitative measurements, experts computed averages, means, and standard deviations from which they developed statistical profiles of each racial population. These profiles were thought to represent the type characteristics of each race expressed in what seemed to be impeccable scientific language. When statistical profiles of one group were compared with those of others, one could theoretically determine the degree of their racial differences.

The activities of typologists carried a number of false assumptions about the physical characteristics of races. One was that racial characteristics did not change from one generation to another, meaning that averages of measurements such as body height would remain the same in the next generations. Another false assumption was that statistical averages could accurately represent huge populations, when the averaging itself obliterated all the variability within those populations.

Expressed alongside existing myths and popular racial stereotypes, these measurements inevitably strengthened the assumption that some races were “pure” and some not so “pure.” Scholars argued that all the major races were originally pure and that some races represented the historical mixing of two or more races in the past. “Racial types” were conceived as representing populations with certain inherited morphological features that were originally characteristic of the race; every member of a race thus retained such traits. These beliefs attempted to validate the image of races as internally homogeneous and biologically discrete, having no overlapping features with other races.

Britannica 1st Edition

The decline of “race” in science

The influence of Franz Boas

Typological thinking about race, however, was soon contradicted by the works of some early 20th-century anthropologists. Franz Boas, for example, published studies that showed that morphological characteristics varied from generation to generation in the same population, that skeletal material such as the cranium was malleable and subject to external influences, and that metrical averages in a given population changed in succeeding generations.

Boas and the early anthropologists trained in the United States recognized that the popular conception of race linked, and thus confused, biology with language and culture. They began to advocate the separation of “race,” as purely a biological phenomenon, from behaviour and language, denying a relationship between physical traits and the languages and cultures that people carry.

Though their arguments had little impact on the public at the time, these scholars initiated a new way of thinking about human differences. The separation of culture and language, which are learned behaviours, from biological traits that are physically inherited became a major tenet of anthropology. As the discipline grew and spread by means of scholarship and academic training, public understanding and recognition of this fundamental truth increased. Yet the idea of a hereditary basis for human behaviour remained a stubborn element of both popular and scientific thought.

Mendelian heredity and the development of blood group systems

In 1900, after the rediscovery of Gregor Mendel’s experiments dealing with heredity, scientists began to focus greater attention on genes and chromosomes. Their objective was to ascertain the hereditary basis for numerous physical traits. Once the ABO blood group system was discovered and was shown to follow the pattern of Mendelian heredity, other systems—the MN system, the Rhesus system, and many others—soon followed. Experts thought that at last they had found genetic features that, because they are inherited and not susceptible to environmental influences, could be used to identify races. By the 1960s and ’70s, scientists were writing about racial groups as populations that differed from one another not in absolute features but in the frequencies of expression of genes that all populations share. It was expected that each race, and each population within each race, would have frequencies of certain ascertainable genes that would mark them off from other races.

Information on blood groups was taken from large numbers of populations, but, when scientists tried to show a correlation of blood group patterns with the conventional races, they found none. While populations differed in their blood group patterns, in such features as the frequencies of A, B, and O types, no evidence was found to document race distinctions. As knowledge of human heredity expanded, other genetic markers of difference were sought, but these also failed to neatly separate humanity into races. Most differences are expressed in subtle gradations over wide geographic space, not in abrupt changes from one “race” to another. Moreover, not all groups within a large “geographic race” share the same patterns of genetic features. The internal variations within races have proved to be greater than those between races. Most importantly, physical, or phenotypic, features assumed to be determined by DNA are inherited independently of one another, further frustrating attempts to describe race differences in genetic terms.

“Race” and intelligence

Anthropometric measurements did not provide any direct data to prove group superiority or inferiority. As various fields of study emerged in the late 19th century, some scholars began to focus on mental traits as a means to examine and describe human differences. Psychology as a growing field began developing its own programmatic interests in discovering race differences.

In the 1890s the psychologist Alfred Binet began testing the mental abilities of French schoolchildren to ascertain how children learned and to help those who had trouble learning. Binet did not call his test an intelligence test, and its purpose was not to divide French schoolchildren into hierarchical groups. But with these tests a new mechanism was born that would provide powerful support to those who held beliefs in racial differences in intelligence.

Psychologists in the United States very quickly adopted Binet’s tests and modified them for American use. More than that, they reinterpreted the results to be clear evidence of innate intelligence. Lewis Terman and his colleagues at Stanford University developed the Stanford-Binet IQ (intelligence quotient) test, which set the standard for similar tests produced by other American psychologists.

IQ tests began to be administered in large numbers during the second decade of the 20th century. The influences of hereditarian beliefs and the power of the racial worldview had conditioned Americans to believe that intelligence was inherited and permanent and that no external influences could affect it. Indeed, heredity was thought to determine a person’s or a people’s place in life and success or failure. Americans came to employ IQ tests more than any other nation. A major reason for this was that the tests tended to confirm the expectations of white Americans; on average, blacks did less well than whites on IQ tests. But the tests also revealed that the disadvantaged people of all races do worse on IQ tests than do the privileged. Such findings were compatible with the beliefs of large numbers of Americans who had come to accept unqualified biological determinism.

Opponents of IQ tests and their interpretations argued that intelligence had not been clearly defined, that experts did not agree on its definition, and that there were many different types of intelligence that cannot be measured. They also called attention to the many discrepancies and contradictions of the tests. One of the first examples of empirical evidence against the “innate intelligence” arguments was the revelation by psychologist Otto Klineberg in the 1930s that blacks in four northern states did better on average than whites in the four southern states where expenditures on education were lowest. Klineberg’s analysis pointed to a direct correlation between income and social class and performance on IQ tests. Further evidence indicated that students with the best primary education and greater cultural experiences always did better on such tests. Experts thus argued that such tests are culture-bound; that is, they reflect and measure the cultural experiences and knowledge of those who take the tests and their levels of education and training. Few would deny that African Americans and Native Americans have long had a much more restricted experience of American culture and a far inferior education.

Britannica 1st Edition

Hereditarian Ideology And European Constructions Of Race

Hereditary statuses versus the rise of individualism

Inheritance as the basis of individual social position is an ancient tenet of human history, extending to some point after the beginnings of agriculture (about 10,000 BCE). Expressions of it are found throughout the world in kinship-based societies where genealogical links determine an individual’s status, rights, and obligations. Wills and testaments capture this principle, and caste systems, such as that of India, reflect the expression of another form of this principle, buttressed by religious beliefs. Arguments for the divine right of kings and succession laws in European societies mirrored deep values of hereditary status.

But many trends in European cultural history over the 18th and 19th centuries contradicted the idea of social placement by kinship fiat. Ever since the enclosure movement in England in the 15th century, the transformation to wage labour, the rise of merchant capitalism, and the entry into public consciousness of the significance of private property, Europeans have been conditioned to the values of individualism and of progress through prosperity. Wage labour strengthened ideas of individual freedom and advancement. The philosophy of autonomous individualism took root in western European societies, beginning first in England, and became the engine of social mobility in these rapidly changing areas. For their descendants in America, the limitations of hereditary status were antithetical to the values of individual freedom, at least freedom for those of European descent.

Reflecting and promoting these values were the works of some of the Enlightenment writers and philosophers, including VoltaireJean-Jacques RousseauJohn Locke, and Montesquieu. Their writings had a greater impact on Americans than on their compatriots. Their advocacy of human freedom and the minimal intrusion of government was uniquely interpreted by Americans.

European societies had long been structured into class divisions that had a strong hereditary basis, but the gulf between those who benefited from overseas trade and the impoverished masses who competed for low-paying jobs or survived without work in the gutters of towns and cities widened dramatically during the age of empire building. In France the dissatisfaction of the masses erupted periodically, reaching a peak in the French Revolution of 1789, which overthrew the Bourbon monarch and brought Napoleon I to power.

As early as the turn of the 18th century, some intellectuals were concerned with these seething class conflicts that occasionally burst forth into violence in France. Henri de Boulainvilliers, a French count whose works were published in the 1720s and ’30s, put forth an argument designed to justify the dominance of the aristocratic classes in France. He maintained that the noble classes were originally Germanic Franks who conquered the inferior Gauls, Romans, and others and established themselves as the ruling class. The Franks derived their superiority from German forebears, who were a proud, freedom-loving people with democratic institutions, pure laws, and monogamous marriage. They were great warriors, disciplined and courageous, and they ruled by the right of might. According to Boulainvilliers, they carried and preserved their superiority in their blood. With this argument, hereditarian ideology intruded into the consciousness of France’s elite class and synthesized with a growing belief in “race” as the causal explanation for historical events.

The Germanic myth and English constructions of an Anglo-Saxon past

In England, from the time that Henry VIII broke with the Roman Catholic Church and Protestant sects emerged on the horizon, historians, politicians, and philosophers had been wrestling with the creation of a new English identity. Indeed, European powers were soon to be caught up in the ethnic rivalries, extreme chauvinism, and intolerance out of which all the nation-states of Europe would be created. The English sought their new identity in the myths and heroics of the past and strove to create an image of antiquity that would rival those of other great civilizations. They created a myth of an Anglo-Saxon people, distinguished from the VikingsPictsCelts, Romans, Normans, and others who had inhabited English territory. In their histories the Anglo-Saxons were a freedom-loving people who had advanced political institutions, an early form of representative government, and a pure religion long before the Norman Conquest. Although in part the English were concerned about the identification and preservation of ancient institutions to justify the distinctiveness of their political and ecclesiastical structures, they also wanted to establish and glorify a distinguished ancestry. The English too turned toward the German tribes and a “racial” ideology on which to base their claims of superiority.

The English scholars and Boulainvilliers derived their depictions of the Germans and their arguments from a common source, the works of Tacitus, a Roman historian born in the middle of the 1st century CE. At the end of the 1st century, Tacitus had published the Germania, a study of the German tribes to the north of Rome. It is the first, and most comprehensive, ethnographic study compiled in the ancient world and remains today a good description of a people seen at that time as barbarians.

Tacitus idealized the simple, unadulterated lives of the German tribes and contrasted what he saw as their positive cultural features with the decadence and decline of the Romans. The German tribes were indeed the first noble savages of the Western world. Tacitus sought to provide a moral lesson about the corruption and decline of civilizations in contrast to the virtues and moral uprightness of simple societies. Little could he have anticipated that his descriptions of a simple tribal people, written for 2nd-century Romans, would form one of the bases for a powerful theory of racial superiority that dominated the Western world during the 19th and 20th centuries.

None of the writers harking back to the German tribes for a depiction of good government and pure institutions noted any of the negative or unsavory characterizations that Tacitus also detailed in the Germania. Among other things, he claimed that the Germans were intensely warlike; they hated peace and despised work; when not fighting—and they loved fighting, even among themselves—they idled away their time or slept. They had a passion for gambling and drinking, and they gave blind obedience to their chiefs.

The Germanic myth flourished and spread. Boulainvilliers was widely read in England and by segments of the intellectual classes in Germany and France. By the mid- to late 18th century the English version of the Germanic myth—Anglo-Saxonism—had been transformed from an idea of superior institutions into a doctrine of English biological superiority. The French version remained a competing idea validating social class interests in that nation, and, with the defeat of Napoleon and the restoration of the Bourbon monarchy after 1815, it was revived by those political forces that believed in the permanence of the unequal social hierarchy. It would grow and penetrate into many other areas, notably the modern German nation itself.

Britannica 1st Edition

Gobineau’s Essay on the Inequality of Human Races

The most important promoter of racial ideology in Europe during the mid-19th century was Joseph-Arthur, comte de Gobineau, who had an almost incalculable effect on late 19th-century social theory. Published in 1853–55, his Essay on the Inequality of Human Races was widely read, embellished, and publicized by many different kinds of writers. He imported some of his arguments from the polygenists, especially the American Samuel Morton. Gobineau claimed that the civilizations established by the three major races of the world (white, black, and yellow) were all products of the white races and that no civilization could emerge without their cooperation. The purest of the white races were the Aryans. When Aryans diluted their blood by intermarriage with lower races, they helped to bring about the decline of their civilization.

Following Boulainvilliers, Gobineau advanced the notion that France was composed of three separate races—the Nordics, the Alpines, and the Mediterraneans—that corresponded to France’s class structure. Each race had distinct mental and physical characteristics; they differed in character and natural abilities, such as leadership, economic resourcefulness, creativity, and inventiveness, and in morality and aesthetic sensibilities. The tall, blond Nordics, who were descendants of the ancient Germanic tribes, were the intellectuals and leaders. Alpines, who were brunet and intermediate in size between Nordics and Mediterraneans, were the peasants and workers; they required the leadership of Nordics. The shorter, darker Mediterraneans he considered a decadent and degenerate product of the mixture of unlike races; to Gobineau they were “nigridized” and “semitized.”

Americans of this period were among Gobineau’s greatest admirers. So were many Germans. The latter saw in his works a formula for unifying the German peoples and ultimately proclaiming their superiority. Many proponents of German nationalism became activists and organized political societies to advance their goals. They developed a new dogma of “Aryanism” that was to expand and become the foundation for Nazi race theories in the 20th century.

Gobineau was befriended by the great composer Richard Wagner, who was a major advocate of racial ideology during the late 19th century. It was Wagner’s future son-in-law Houston Stewart Chamberlain, writing at the end of the 19th century, who glorified the virtues of the Germans as the superrace. In a long book titled The Foundations of the Nineteenth Century, Chamberlain explained the history of the entire 19th century—with its European conquests, dominance, colonialism, and exploitation—as a product of the great accomplishments of the German people. Though English-born, Chamberlain had a fanatical attraction to all things German and an equally fanatic hatred of Jews. He believed Jesus was a Teuton, not a Jew, and argued that all Jews had as part of their racial character a moral defect. Fueled by rising anti-Semitism in Europe, race ideology facilitated the manufacture of an image of Jews as a distinct and inferior population. Chamberlain’s publications were widely disseminated in Germany during the turn of the 20th century. His speculations about the greatness of the Germans and their destiny were avidly consumed by many, especially young men such as Adolf Hitler and his companions in the National Socialist Party.

As this history shows, European intellectual leaders took the constituent components of the ideology of race and molded them to the exigencies of their particular political and economic circumstances, applying them to their own ethnic and class conflicts. Race thus emerged as a powerful denoter of unbridgeable differences that could be applied to any circumstances, particularly of ethnic conflict. The German interpretation of race eventually took the ideology to its logical extreme, the belief that a “superior race” has the right to eliminate “inferior races.”

Galton and Spencer: The rise of social Darwinism

Hereditarian ideology also flourished in late 19th-century England. Two major writers and proselytizers of the idea of the innate racial superiority of the upper classes were Francis Galton and Herbert Spencer. Galton wrote books with titles such as Hereditary Genius (1869), in which he showed that a disproportionate number of the great men of England—the military leaders, philosophers, scientists, and artists—came from the small upper-class stratum. Spencer incorporated the themes of biological evolution and social progress into a grand universal scheme. Antedating Darwin, he introduced the ideas of competition, the struggle for existence, and the survival of the fittest. His “fittest” were the socially and economically most successful not only among groups but within societies. The “savage” or inferior races of men were clearly the unfit and would soon die out. For this reason, Spencer advocated that governments eschew policies that helped the poor; he was against all charities, child labour laws, women’s rights, and education for the poor and uncivilized. Such actions, he claimed, interfered with the laws of natural evolution; these beliefs became known as social Darwinism.

The hereditarian ideologies of European writers in general found a ready market for such ideas among all those nations involved in empire building. In the United States these ideas paralleled and strengthened the racial ideology then deeply embedded in American values and thought. They had a synergistic effect on ideas of hereditary determinism in many aspects of American life and furthered the acceptance and implementation of IQ tests as an accurate measure of innate human ability.

“Race” Ideologies In Asia, Australia, Africa, And Latin America

European conquest and the classification of the conquered

As they were constructing their own racial identities internally, western European nations were also colonizing most of what has been called, in recent times, the Third World, in Asia and Africa. Since all the colonized and subordinated peoples differed physically from Europeans, the colonizers automatically applied racial categories to them and initiated a long history of discussions about how such populations should be classified. There is a very wide range of physical characteristics among Third World peoples, and subjective impressions generated much scientific debate, particularly about which features were most useful for racial classification. Experts never reached agreement on such classifications, and some questions, such as how to classify indigenous Australians, were subjects of endless debate and were never resolved.

Race and race ideology had become so deeply entrenched in American and European thought by the end of the 19th century that scholars and other learned people came to believe that the idea of race was universal. They searched for examples of race ideology among indigenous populations and reinterpreted the histories of these peoples in terms of Western conceptions of racial causation for all human achievements or lack thereof. Thus, the so-called Aryan invasions of the Indian subcontinent that began about 2000 BCE were seen, and lauded by some, as an example of a racial conquest by a light-skinned race over darker peoples. The Aryans of ancient India (not to be confused with the Aryans of 20th-century Nazi and white supremacist ideology) were pastoralists who spread south into the Indian subcontinent and intermingled with sedentary peoples, such as the Dravidians, many of whom happened to be very dark-skinned as a result of their long adaptation to a hot, sunny tropical environment. Out of this fusion of cultures and peoples, modern Indian culture arose. Such conquests and syntheses of new cultural forms have taken place numerous times in human history, even in areas where there was little or no difference in skin colour (as, for example, with the westward movements of Mongols and Turkish peoples).

India’s caste system

India has a huge population encompassing many obvious physical variations, from light skins to some of the darkest in the world and a wide variety of hair textures and facial features. Such variations there, as elsewhere, are a product of natural selection in tropical and semitropical environments, of genetic drift among small populations, and of historical migrations and contact between peoples.

The Hindu sociocultural system was traditionally divided into castes that were exclusive, hereditary, and endogamous. They were also ranked and unequal and thus appeared to have many of the characteristics of “race.” But the complex caste system was not based primarily on skin colour, as castes included people of all physical variations. Nor was it based on a “scientific” ideology of superiority or inferiority, although late 19th-century pseudoscientific analyses attempted to explain the system’s longevity (see below). Although some early 20th-century European scholars tried to divide the Indian and other Asian peoples into races, their efforts were hindered not only by the complexity of physical variations in India, parts of Southeast Asia, and Melanesia but by the developing fields of science.

Castes were, and are still, occupational groups as well as elements in a religious system that accords different values and different degrees of purity to different occupations. They also are the main regulators of marriage and inheritance rights. Some castes were originally small-scale tribal groups who were incorporated into the Hindu kingdoms. It has been noted that there are thousands of castes in India and many different ways of ranking them, including through such cultural features as food taboos and sharing obligations, but none derive from skin colour or “race.” 

Caste discrimination has been outlawed in India, although it remains deeply rooted in the cultures of ordinary people. Moreover, democratic values, the human rights movement, and the processes of industrialization have affected the rigid social caste system of India and led in some areas to a blurring of caste boundaries and a decline in the importance of caste identity.Audrey Smedley

Japan’s minority peoples

A few ethnographic studies have suggested that a form of racial ideology has developed independently of the West in some traditional societies such as that of Japan, where various minority peoples, notably the burakumin and the Ainu, have been victimized and exploited by the dominant society. The burakumin, the former outcastes, have suffered from various forms of discrimination because of folk myths about their “polluted blood,” a discourse that has historical origin but no biological reality. Discrimination against them has been made possible by identifying group membership on the basis of descent—in modern times this discrimination is most pronounced in marriage, but historically it also affected housing and employment—and “traditional” occupations—such as butchering animals or disposing of corpses—which had been considered undesirable for the centuries during which Buddhism was a dominant religion. Medieval documents reveal that long before Japan imported Western racial ideology in the modern age, they were portrayed as being of a different shu (“race”), and discrimination against them was institutionalized and legalized. Although the burakumin were declared by law in 1871 to be of equal status, prejudice against them persisted into the 21st century.

N.B.

Aangezien het ons erom ging om aan te tonen, dat Voltaire opvattingen had over de minderwaardigheid van zwarte mensen is de rest van dit zeer lange artikel niet verder voor de lezer gecopy past

Zie voor de rest van het artikel de link

https://www.britannica.com/topic/race-human/Building-the-myth-of-black-inferiority

EINDE ARTIKEL ENCYCLOPAEDIA BRITANNICA

”Carl Linnaeus is the father of biological taxonomy, having invented the system that we use today: genus and species – Homo sapiens. He was also a central figure in the emergence of scientific racism too, alongside Kant, Voltaire and a host of other European men”

THE GUARDIANHOW TO FIGHT RACISM USING SCIENCE
https://www.theguardian.com/world/2020/jan/26/fight-racism-using-science-race-genetics-bigotry-african-americans-sport-linnaeus

TEKST

It seems we can’t move for comments about race dominating our media landscape, be it about an actor formerly known as a princess, or by an actor previously unknown to anyone outside of his famous acting dynasty. These are fractious times, and such debates appear to be increasing in frequency. But there are some fights for which you can arm yourself in advance – and when the argument is about race, the weapon of choice is science.

Racism is a prejudice that has a longstanding relationship with science. The invention of race occurred in the age of empires and plunder, when men of the emerging discipline of science classified the people of the world, mostly from their armchairs. Carl Linnaeus is the father of biological taxonomy, having invented the system that we use today: genus and species – Homo sapiens. He was also a central figure in the emergence of scientific racism too, alongside Kant, Voltaire and a host of other European men.

Classifications were based primarily on skin colour, some on a handful of skull measurements, and they also came with some shoddy value judgments: Linnaeus had the people of Africa as lazy and “governed by caprice”; Native Americans were “zealous and stubborn”; East Asians were haughty, greedy, and “ruled by opinions”. Voltaire believed that black people were a different species. All of these taxonomies were inherently hierarchical, with white Europeans always on top. 

In the 19th century, Darwin’s half-cousin Francis Galton and others tightened their scientific arguments for race though, as Darwin noted, no one could agree on how many races there actually were, the range being between one and 63. Galton was an amazing scientist, and a stunning racist. The most delicious irony about him is that the field he effectively established – human genetics – is the branch of science that has demonstrated unequivocally that race is not biologically meaningful. Modern genetics clearly shows that the way we colloquially define race does not align with the biology that underpins human variation. Instead, race is a cultural taxonomy – a social construct. This doesn’t mean it is invalid or unimportant, nor does it mean that race does not exist. Humans are social animals, and the way we perceive each other is of paramount importance. Race exists because we perceive it

Racism seems to be making a comeback in public life: the prime minister has a well-stocked back catalogue of racist remarks, most notably describing Congolese people as “piccanninies” with “watermelon smiles”. Antisemitism is a defining issue for the 21st-century Labour party. Sport has always suffered from racist fans, and in 2018, bananas were thrown on to pitches at black footballers such as Arsenal’s Pierre-Emerick Aubameyang, as they were routinely 30 years ago. The England cricketer Jofra Archer was subjected to racist abuse in a Test match in New Zealand in November.

We all know someone who has casually racist opinions: the misattribution of elite athletic success to ancestry rather than training, that east Asian students are naturally better at maths; or that Jews are innately good with money. Racism may be back, so get tooled up, because science is no ally to racists. Here are some standard canards of prejudice, and why science says something different.

What we see with our eyes is the merest fraction of a person. But humans are a highly visual species, and skin colour is the primary factor in allocating race. This idea is modern though, only becoming the primary classifier during the so-called Age of Enlightenment. Modern genetics reveals a much more complicated – and fascinating – picture.

Lighter skin is, at least partially, an adaptation to less sunny skies, as a means of protecting us from folate deficiency. Homo sapiens originated as an African species, but that doesn’t necessarily mean that we were ancestrally dark-skinned, nor that everyone was the same colour. Some of the differences we can see and measure between populations are local adaptations to evolutionary pressures such as food availability and disease. Similarly, genes for lighter pigmentation have been selected by an evolution away from the equator. But the palette of skin colour within the African continent is far greater than anywhere else, meaning that a simplistic model of selection based on exposure to the sun only explains a fraction of that diversity. There are 1.3 billion Africans, 42 million African Americans. Not only are these huge numbers, but the people in question are more diverse genetically than anyone else on Earth. And yet westerners refer to all of them as “black”. This is a scientifically meaningless classification, and one that is baked into western culture from five centuries of scientific racism. Stereotyping based on pigmentation is foolish, because racial differences are skin deep.

“England for the English” warbled Morrissey in his song The National Front Disco. Now that Mozza has given apparent support to For Britain, a political party even Nigel Farage thinks is full of “Nazis and racists”, it’s no longer clear the lyrics were ironic. Although Morrissey denies he is a racist, the sentiment is an old racist refrain. In July last year, President Trump suggested that if four elected US congresswomen didn’t like it in the US, they should go back to where they came from. Three of them were born in the United States and one is a Somali-born American citizen. Meanwhile, Trump’s paternal grandparents were German immigrants, his mother Scottish-born, his first wife Moravian, his third, Slovenian. It is never clear where the benchmark for indigeneity lies.

Indigeneity is a tricky concept. The British Isles have been invaded throughout their history: 1066 was the most recent hostile conquest, but before that, we were occupied by Vikings, who followed Angles, Saxons, Alans, and dozens of other tribes. The Romans ruled for a while, with conscripts not from Rome but from all over their empire, including Gaul, the Mediterranean and sub-Saharan Africa.

About 4,500 years ago, Britain was populated primarily with farmers who had European ancestors. DNA taken from the bones of the long dead suggests they were probably olive-skinned, with dark hair and brown eyes

The Beaker folk arrived in Britain about 4,400 years ago, and again according to ancient DNA, within a few centuries had replaced almost the entire population. We don’t know how or why, whether it was violence, disease, or something else.

Before them there were darker-skinned hunter-gatherers, who had been there a few thousand years. Then it all gets a bit foggy. The earliest evidence of British humans is in the crumbling coastline of Happisburgh in Norfolk, where size nine footprints of an unknown species of human were set in soft stone 900,000 years ago.

No country, people, political power or border is permanent. The only true indigenous Brits were not even our own species. So, when racists say “England for the English”, or when they talk about indigenous people, I do not know who they mean, or more specifically, when they mean. They probably don’t either.

Pure blood

White supremacists are obsessed with DNA. I spend time lurking in some of the nastiest corners of the internet, partially so that you don’t have to, but also to track their conversations about ancestry. Racist online cesspits such as Stormfront and 4Chan and 8Kun are flooded with thousands of posts about racial purity and ancestry-testing products. Occasionally, these commercial kits reveal previously unknown ancestry from people that white supremacists loathe. White purity is the key idea within white supremacy, and reactions are often conspiracy-fuelled (“the companies are owned by Jews”), or just absurd: “When you look in the mirror, do you see a jew [sic]? If not, you’re good,” which somewhat undermines the point of the tests.

There are no purebred humans. Our family trees are matted webs, and all lines of our ancestry get tangled after a few generations. All Nazis have Jewish forebears, all racists have African ancestors. Non-racists often think that their ancestry is somehow pure too, and this can be bolstered by misinterpreting commercial genetic ancestry kits. But no matter how isolated or wholesome you think your family tree is, it is a node on a tangled bank, linked directly to everyone else on your continent after only a few centuries, and everyone in the world after a couple of millennia.

Genealogy and genetic genealogy are not perfectly aligned, and due to the way DNA is shuffled during the production of sperm and egg, much is cumulatively lost over the generations. What this means is that you carry DNA from only half of your ancestors 11 generations back. You are genetically unrelated to people from whom you are actually descended as recently as the middle of the 18th century. You are descended from multitudes, most of whom you know nothing about, and many of whom you have no meaningful genetic relationship with.

Black power

The last white man to win the 100m final at the Olympics was Allan Wells in 1980, a year when the US boycotted the event. This was also the last time white men competed in the final, five in total. For many, this forms the basis of a long-standing assumption that black people – and more specifically African Americans, Jamaicans or Canadians – have a biological advantage for explosive energy sports.

Unfortunately, elite sportspeople are an abysmal sample on which to make generalisations about populations – they are already wonderfully freakish outliers. The sample size is hopeless, too: the total number of athletes that have competed in the 100m Olympic final since Wells took the gold is 58. Five of them were African, and not from the west African countries from where the enslaved were taken. By this metric, Africans are exactly as successful as white people in the 100m since 1980.

The argument that informs this misguided idea is that centuries of slavery have resulted in selection for explosive energy genes (about which we know very little). This is also a total nonstarter, for many reasons. Most significantly, we can look for the signals of evolutionary selection in African Americans since the beginning of transatlantic slavery, that is, genes that have proliferated in that population. A 2014 study of the DNA of 29,141 African Americans showed no signs of selection across the whole genome for any trait in the time since their ancestors were taken from their African homelands.

But for the sake of argument, let’s pretend that genes were selected that related to power and strength. Why then do eastern Europeans dominate weightlifting, yet are absent from sprinting? Why do African Americans dominate in boxing, but not wrestling? Where are all the black sprint cyclists? Why is it that in the 50m freestyle in swimming in the whole history of the Olympics, the number of African American finalists is… one? None of these facts align with the slavery explanation for African American dominance in the 100m.

The transatlantic slave trade also imported millions of West African people to South America. The number of South Americans of any ancestry to have competed in the 100m finals? Zero.

The point is this: sprinters in the Olympics, or indeed any elite sportspeople, are not a dataset on which a statistician could draw any satisfactory conclusion. Yet it is precisely the data on which extremely popular racial stereotypes are based. Elite athletes deserve better praise than the belief that they have auspicious ancestry.

[9]

KETI KOTI AMSTERDAM1 JULI HERDENKING AFSCHAFFING SLAVERNIJ
http://ketikotiamsterdam.nl/1-juli-herdenking-afschaffing-slavernij/

WIKIPEDIANATIONAAL MONUMENT SLAVERNIJVERLEDEN
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nationaal_monument_slavernijverleden

GEMEENTE AMSTERDAMHERDENKING AFSCHAFFING SLAVERNIJ1 JULI 2019
https://www.amsterdam.nl/toerisme-vrije-tijd/evenementen/herdenkingen/afschaffing-slaverni/

TOESPRAAK FEMKE HALSEMA TIJDENS KETI KOTI, DE NATIONALE HERDENKING VAN DE AFSCHAFFING VAN DE SLAVERNIJ 

https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/burgemeester/speeches/toespraak-burgemeester-halsema-tijdens-0/

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt is er tot de dag van vandaag. Het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Een lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in de stad was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een slavernijmuseum in het leven te roepen. En door verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
De stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers en kunstenaars. We bouwen en breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek kunnen vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
Niet als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. Dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. Niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad wordt. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijkwaardige en werkelijk vrije mensen.Dank u wel.
YOUTUBE.COMSTRATEN CENTRUM EILAND WORDEN VERNOEMD NAAR STRIJDERS TEGEN SLAVERNIJ 

TRANSCRIPTIE
TEKST
Excellenties, dames en heren, Geachte aanwezigen,

Frimangron, ‘land van vrije mensen’.
Was de naam van de plek, tussen Paramaribo en de plantages, waar in de achttiende eeuw vrije Afro-Surinamers gingen wonen.
Deze voormalige slaafgemaakten werden vrijgelaten omdat het systeem, met geweld alleen, niet vol was te houden, schrijft de Leidse historicus Karwan Fatah-Black.
Ze kregen een sprankje hoop, valse hoop, om een systeem van racistische onderdrukking in stand te kunnen houden.

Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft. Of, zoals het thema van de herdenking dit jaar luidt, men begon aan ‘een lange weg omhoog’. Want ook toen bleek de vrijheid voor velen slechts valse hoop: tot 1873 werden slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken.

Vrijheid verloedert snel tot valse hoop als er geen wezenlijke gelijkheid is.

Valse hoop leidde 50 jaar geleden tot het grote verzet in Willemstad van zwarte arbeiders tegen het koloniale bestuur. Het was het begin van Afro-Curaçaos zelfbewustzijn.

Valse hoop was er ook voor de nazaten van slaafgemaakten. Toen de eerste Surinamers en Antillianen naar Amsterdam kwamen werden ze uit een aantal stadswijken geweerd. Een deel van de stad bleef gesloten voor hen.
En discriminatie op de arbeidsmarkt in onze samenleving is er tot de dag van vandaag. En het moeilijkste te verteren is nog wel dat de mensen die opstaan tegen uitsluiting en racisme nog altijd te maken krijgen met haat en bedreigingen.
Het is een  lange, maar ook een langzame weg omhoog.

En dat geldt ook voor de omgang met de geschiedenis van Amsterdam. De stad waar koopmannen verdienden aan de handel in mensen en investeerden in plantages. De stad die één van de drie eigenaren was van de Sociëteit Suriname, het bedrijf dat de kolonie bestuurde tot het einde van de achttiende eeuw. Of zoals een onderzoeker al in de achttiende eeuw concludeerde: in Amsterdam was er niemand die geen stuk brood verdiende aan de slavernij.

Ook Amsterdam heeft een lange weg omhoog te gaan. Door de betekenis van slavernij in de lokale economie te onderzoeken, door een Nationaal slavernijmuseum in het leven te roepen binnen onze stadsgrenzen. En door onze verantwoordelijkheid te nemen.

Dat is niet alleen gerechtigheid voor de slachtoffers en hun nazaten, dat komt ook voort uit het besef dat we als stad incompleet zijn als we onze eigen geschiedenis niet kennen, als we de meest beschamende delen van onze geschiedenis ontkennen of onderbelichten.

De komende jaren willen wij een sprong maken.
Onze stad groeit. Er komen woningen bij, sociale en culturele voorzieningen, plekken voor ondernemers, mensen, kunstenaars. We bouwen, we  breiden uit.

En in onze groeiende stad moeten nieuwe verhalen, nieuwe herinneringen hun centrale plek gaan vinden. Ook als ze pijnlijk zijn.
En niet alleen als de herinneringen van een Afro-Caribische gemeenschap die worstelt met hoop en valse hoop. Maar als het cultuurgoed van alle Amsterdammers. En dat zijn de verschrikkingen die tijdens keti-koti worden herdacht, maar het zijn ook de verhalen over de helden die het verzet tegen slavernij hebben geleid en de pioniers die aan zelfbewustzijn hebben gewerkt. In Suriname, op de eilanden en in Nederland.

Wij willen samen de weg omhoog gaan. Zodat Amsterdamse jongeren nieuwe rolmodellen en iconen leren kennen. Uit heden en verleden. En niet alleen in de musea en de geschiedenisboekjes, maar op school, tijdens herdenkingen, bij vieringen en in onze publieke ruimte.
Binnenkort zal een nieuwe wijk op IJburg – centrumeiland – worden vernoemd naar diegenen die een leven lang hebben gevochten tegen kolonialisme en slavernij in Indonesië, op de Antillen en in Suriname. Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, Otto en Hermina Huiswoud, de Surinaamse activisten, Frank Martinus Arion, Curaçaose schrijver en pleitbezorger van dit monument. En vele, vele anderen.

Wij willen dat Amsterdam ieders stad is. Waarvan we de geschiedenis delen, onderzoeken en dan berouwen.
Een stad van gelijke en werkelijk vrije mensen.Dank u wel

[10]
PREMIER RUTTE OVER EXCUSES NEDERLAND OVER HET SLAVERNIJVERLEDEN:2.34-3.12

YOUTUBE.COM ZOMERGASTEN IN VIJF MINUTEN MARK RUTTE 3.15-4.12
https://www.youtube.com/watch?v=Mx04YMtMDZs
”Spijt en excuses en sorry zijn voor mij hetzelfde”[Interviewer] ”Maar waarom is het voor Nederland dan zo moeilijk ombijvoorbeeld over het slavernijverleden om, om een excuus te maken?””Het slavernijverleden, daarvan is mijn punt altijd geweest:Dat is 150 jaar geleden.Ik vind het….ik heb het altijd gratuit gevonden om te zeggen over iets wat 150 jaar is geleden is gebeurd in die context, in die totaal andere situatie om daarvoor excuses te maken dus te zeggen, ja, dee mensen toen hebben het fout gedaan,dat vind ik van een, dat vind ik, vanwege dat grote tijdsverschil en het feit dat je die context van 150 jaar geleden nooit zo kunt wegen, vind ik onjuist.”

[11]

7 – Parties to a conflict shall at all times distinguish between the civilian population and combatants in order to

spare civilian population and property. Neither the civilian population as such nor civilian persons shall be the

object of attack. Attacks shall be directed solely against military objectives.

BASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

Basic rules of international humanitarian law in armed conflicts

31-12-1988

This text has been prepared for dissemination purposes and cannot in any circumstances serve as a substitute for the complete provisions of the international agreements – Extract from “Basic rules of the Geneva Conventions and their Additional Protocols”

 The seven fundamental rules which are the basis of the Geneva Conventions and the Additional Protocols.  

 
 1 – Persons hors de combat and those who do not take a direct part in hostilities are entitled to respect for their

lives and their moral and physical integrity. They shall in all circumstances be protected and treated humanely

without any adverse distinction.

 2 – It is forbidden to kill or injure an enemy who surrenders or who is hors de combat .

 3 – The wounded and sick shall be collected and cared for by the party to the conflict which has them in its power.

Protection also covers medical personnel, establishments, transports and equipment. The emblem of the red

cross or the red crescent is the sign of such protection and must be respected.

 4 – Captured combatants and civilians under the authority of an adverse party are entitled to respect for their lives,dignity, personal rights and convictions. They shall be protected against all acts of violence and reprisals. They shall have the right to correspond with their families and to receive relief.

 5 – Everyone shall be entitled to benefit from fundamental judicial guarantees. No one shall be held responsible for an act he has not committed. No one shall be subjected to physical or mental torture, corporal punishment or cruel or degrading treatment.

 6 – Parties to a conflict and members of their armed forces do not have an unlimited choice of methods and means of warfare. It is prohibited to employ weapons or methods of warfare of a nature to cause unnecessary losses or excessive suffering.

 7 – Parties to a conflict shall at all times distinguish between the civilian population and combatants in order to

spare civilian population and property. Neither the civilian population as such nor civilian persons shall be the

object of attack. Attacks shall be directed solely against military objectives.

[12]
ADDEFENSIE BERICHT BURGERDODEN BIJ AANVALLEN NEDERLANDSE F’16, KABINET ONDERZOEKT SCHADEVERGOEDING4 NOVEMBER 2019
https://www.ad.nl/politiek/defensie-bevestigt-burgerdoden-bij-aanvallen-nederlandse-f-16-kabinet-onderzoekt-schadevergoeding~a1e70339/

Bij zeker twee aanvallen van Nederlandse F-16’s op IS-doelen zijn burgerslachtoffers gevallen. Dat schrijft minister Ank Bijleveld (Defensie) in een brief aan de Tweede Kamer. Het is voor het eerst dat het ministerie hier openheid over geeft. Het kabinet onderzoekt of de nabestaanden een schadevergoeding krijgen.
Het kabinet erkent dat er bij een luchtmachtaanval op een bommenfabriek in het Iraakse Hawija in de nacht van 2 op 3 juni 2015 zeker 70 slachtoffers zijn gevallen. Het gaat zowel om IS-strijders als om onschuldige burgers. Door de explosie van de fabriek vloog een deel van de omliggende woonwijk mee de lucht in.

Een tweede keer dat er burgerslachtoffers vielen was in de nacht van 20 op 21 september 2015. Toen werd een aanval uitgevoerd op een vermeend hoofdkwartier van IS in de Iraakse stad Mosul. Dat bleek achteraf een complex met twee woonhuizen te zijn. Bij die aanval kwamen vier mensen uit één familie om. Deze site schreef begin dit jaar al dat Nederland waarschijnlijk verantwoordelijk was voor die aanval, op het huis van Basim Razzo en zijn gezin . Defensie wilde dat toen niet bevestigen. Defensieminister Bijleveld zegt de slachtoffers ‘ten zeerste te betreuren’. ,,Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen. Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.’’

Schadevergoeding

Het kabinet onderzoekt of er schadevergoeding kan worden uitgekeerd aan de nabestaanden, schrijft Bijleveld. ,,Op dit moment worden de mogelijkheden daartoe richting de gemeenschappen in kwestie onderzocht.’’ Basim Razzo, de Irakees die zijn vrouw, dochter, broer, neef en zijn huis verloor door een Nederlandse bom, becijferde zijn materiële schade eerder al eens op 500.000 dollar. De Amerikanen, die ook betrokken waren bij de aanval, boden hem 15.000 dollar aan. Dat weigerde hij.

Wel benadrukt de minister dat Nederland daar niet toe verplicht is. De Nederlandse F-16’s streden op verzoek van Irak mee tegen IS. De Iraakse autoriteiten moesten toestemming geven om doelwitten aan te vallen. Op grond van het internationaal recht moeten nabestaanden zich dan ook ‘in eerste instantie’ tot de Iraakse overheid wenden, schrijft de bewindsvrouw. Dat laat onverlet dat Nederland ‘op vrijwillige basis’ toch gaat kijken of het iets kan doen.

De twee bewuste luchtmachtaanvallen zijn (net als twee andere aanvallen waarbij werd gedacht dat er burgerslachtoffers waren gevallen) onderzocht door het Openbaar Ministerie. Bijleveld benadrukt dat er daarbij geen strafbare feiten zijn geconstateerd.

Inschatting

Bij de aanval op de fabriek in Hawija was een verkeerde inschatting gemaakt over het gevaar voor omwonenden, stelt Bijleveld. Voorafgaand aan de aanval was op basis van de bij Nederland beschikbare inlichtingen geen indicatie dat er burgerslachtoffers zouden vallen.  De dichtstbijzijnde woonhuizen stonden buiten het vooraf voorziene schadegebied. De explosie was echter vele malen groter dan gedacht omdat er veel meer explosieven bleken te liggen dan vooraf was ingeschat. Daardoor werd een veel groter gebied vernietigd.

Bij de aanval op het vermeende IS-hoofdkwartier in Mosul kreeg Nederland pas achteraf van de Amerikanen te horen dat het om een woonhuis ging waar burgers woonden. Daarnaast heeft het OM nog twee andere aanvallen onderzocht. Een waarbij een gebouw werd aangevallen terwijl er onverwacht een auto langsreed. Het vierde geval betrof een fout van een F16 waarbij het verkeerde gebouw werd gebombardeerd. Dat bleek een onbewoond gebouw te zijn dat naast het eigenlijke doelwit stond. 

Verkeerd geïnformeerd

Pijnlijk is dat de voorgaande minister van Defensie, Jeanine Hennis, de Tweede Kamer daar destijds verkeerd over heeft geïnformeerd. Op 23 juni 2015 stelde zij in antwoord op Kamervragen dat ‘voor zover op dat moment bekend, er geen sprake was geweest van Nederlandse betrokkenheid bij burgerslachtoffers door luchtaanvallen in Irak’. Bijleveld schrijft nu dat het ministerie op dat moment al van de Amerikanen had gehoord dat bij de aanval op Hawija waarschijnlijk wel degelijk burgers waren omgekomen.

Bijleveld stelt in een toelichting dat dit destijds door haar voorganger ‘niet zo geformuleerd had moeten worden’.  Ook als Defensie wel wist dat er burgerdoden waren, had het die informatie toen niet kunnen geven. Het antwoord op de Kamervragen had moeten zijn dat het ministerie er niets over kon zeggen. 

De Nederlandse luchtmacht was in twee periodes actief in de strijd tegen terreurorganisatie IS. De eerste keer van oktober 2014 tot en met juni 2016 en de tweede keer van januari 2018 tot en met december 2018. Er werd gevochten in zowel Irak als Syrië. In totaal hebben Nederlandse gevechtsvliegtuigen zo’n 3000 missies uitgevoerd, waarbij meer dan 2100 keer wapens zijn ingezet.Volgens Bijleveld was het niet mogelijk om tijdens de periode dat onze vliegers actief waren al openheid te geven over de burgerslachtoffers. Het ‘vrijgeven van de exacte locatie, datum en het vermoedelijke aantal burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet’zou een te groot risico vormen. Ten eerste voor de Nederlandse F-16-piloten zelf en hun thuisfront die doelwit zouden kunnen worden van wraakacties. Ten tweede zou het ook onze partners in gevaar kunnen brengen omdat dit soort informatie ‘inzicht had kunnen geven in de operationele afwegingen, procedures en andere operationele details’.
[13]

NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL OP IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.

Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september.

Wilt u reageren? Mail de makers: Ben Meindertsma en Lex Runderkamp.

[14]
‘Een tweede keer dat er burgerslachtoffers vielen was in de nacht van 20 op 21 september 2015. Toen werd een aanval uitgevoerd op een vermeend hoofdkwartier van IS in de Iraakse stad Mosul. Dat bleek achteraf een complex met twee woonhuizen te zijn. Bij die aanval kwamen vier mensen uit één familie om

ADDEFENSIE BERICHT BURGERDODEN BIJ AANVALLEN NEDERLANDSE F’16, KABINET ONDERZOEKT SCHADEVERGOEDING4 NOVEMBER 2019
https://www.ad.nl/politiek/defensie-bevestigt-burgerdoden-bij-aanvallen-nederlandse-f-16-kabinet-onderzoekt-schadevergoeding~a1e70339/

NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL OP IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

TEKST

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september. 

ADNEDERLANDSE BOMBARDEMENTEN IRAK EN SYRIE: ONSCHULDIGEN STIERVEN BIJ 2500 MISSIES8 JANUARI 2019
https://www.ad.nl/buitenland/nederlandse-bombardementen-irak-en-syrie-onschuldigen-stierven-bij-2500-missies~ae4ecd8c/

De missie tegen IS was een succes, maar de Nederlandse bommen op Irak en Syrië maakten ook onschuldige slachtoffers. Verslag van een nog onvoltooide zoektocht naar de ‘collateral damage’.
21 september 2015, Mosul, Irak, na middernacht: Bassim Razzo (56), accountmanager bij een telecommunicatiebedrijf, schrikt wakker in zijn bed in een vrijstaand huis in een buitenwijk. Zijn woning trilt, hij voelt de smaak van bloed in zijn mond. Als hij naar boven kijkt, ziet hij niet het plafond van zijn slaapkamer, maar de sterrenhemel. Bewegen kan hij niet meer en als hij de naam roept van zijn vrouw Mayada en die van zijn dochter Tuqa, komt er geen antwoord. Daarna verliest hij het bewustzijn. Als Bassim weer bijkomt, ligt hij in een ziekenhuis. Zijn vrouw en zijn dochter zijn dood, zijn huis is verwoest. Net zoals het huis ernaast: waar zijn broer met zijn gezin woonde. De panden zijn geraakt door twee westerse bommen. De coalitie dacht een hoofdkwartier van IS te raken, het bleken twee gewone woonhuizen.

Dit is een verhaal over de zoektocht naar de collateral damage van de Nederlandse bombardementen op Irak en Syrië. Die militaire missie tegen terreurgroep IS eindigde op 31 december, de vier Nederlandse F-16’s zijn weer thuis. De missie was een succes, stelt het ministerie van Defensie. IS is teruggedrongen. ,,Nu moeten we de Iraakse overheid helpen om hun overwinning op IS vast te houden en te steunen in de wederopbouw”, zei minister Bijleveld van Defensie dit najaar.

Maar hoe hoog was de prijs van dat succes? Hebben Nederlandse bommen burgerslachtoffers gemaakt? En zo ja, wie waren het en heeft Nederland iets gedaan om ze te compenseren voor hun leed?

Vrij weinig

Vanaf september 2014 maakte Nederland, samen met onder meer Amerika en Groot-Brittannië, deel uit van de internationale coalitie tegen IS. Nederland vloog 2500 missies boven het strijdgebied, de vliegers gebruikten meer dan 1900 keer hun wapens. Alle coalitielanden samen gooiden ruim 100.000 bommen af. Er vielen, volgens de coalitie zelf, 1000 burgerdoden bij. Organisaties als Amnesty International en Airwars schatten dat aantal op zeker 7000.

Wat vertelt Nederland over die collateral damage? Vrij weinig. Ja, er zijn burgerslachtoffers gevallen, waarschijnlijk meerdere keren, blijkt uit openbare documenten van Defensie. Maar waar en wanneer dat gebeurde, wil het ministerie niet vertellen. Ook geeft ze geen schatting hoeveel burgers er zijn omgekomen door Nederlandse bombardementen.

In een brief aan de Tweede Kamer van april dit jaar schrijft Defensie dat het Openbaar Ministerie onderzoek heeft gedaan naar vier bombardementen waarbij mogelijk fouten zouden zijn gemaakt. Bij drie daarvan zijn mogelijk of zeker burgerslachtoffers gevallen.

In een geval rijdt er plotseling een auto in de ‘blast range van de bom’. In de twee andere gevallen gaat er meer mis. Een Nederlandse F-16 gooit een bom op een gebouw dat door IS gebruikt wordt als fabriek voor autobommen. Een legitiem doel, maar er blijken veel meer explosieven te liggen dan verwacht. ,,Door secundaire explosies wordt een aantal andere gebouwen in de omgeving vernietigd. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerdoden zijn gevallen”, schrijft het ministerie. Bij het tweede incident blijkt een verondersteld hoofdkwartier van IS een gewoon woonhuis te zijn. De inlichtingen waren ‘onjuist’. ,,Bij deze aanval zijn burgerslachtoffers gevallen.” Het OM sluit het onderzoek: dat het fout ging, was niet aan Nederland te wijten.

Wat ging er mis?

Waar precies en wanneer hebben die incidenten plaatsgevonden? Wat ging er mis in de planning? Hoeveel slachtoffers waren er? Defensie wil er geen antwoord op geven.

Daarom doen we een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). We vragen om de after action reports van de genoemde incidenten, die plaats hebben gevonden tussen oktober 2014 en juni 2016 in Irak. Ons WOB-verzoek wordt afgewezen vanwege ‘nationale en operationele veiligheid’. ,,Verstrekking zou het risico voor de veiligheid van de militairen en de Nederlandse samenleving kunnen vergroten”, stelt Defensie.

Ook het Openbaar Ministerie, dat de incidenten onderzocht, wijst ons verzoek om documenten af. We vragen het OM ook of het onderzocht heeft hoe het kwam dat de inlichtingen die Nederland kreeg, niet klopten. Dat is niet onze taak, meldt een woordvoerder.

Het Amerikaanse hoofdkwartier Centcom in Florida dan? Zij doen de woordvoering over de acties van de coalitie. De Amerikaanse reactie: ,,We doen nooit uitspraken over bijdrages van individuele landen.” Ons beroep op de Freedom of Information Act staat momenteel op plek 624 in de wachtrij.

Gewoon woonhuis

We zoeken contact met journaliste Azmat Khan die voor The New York Times in Irak zelf onderzoek deed naar burgerslachtoffers. Samen zetten we alle bekende incidenten op een rij waarbij de coalitie dacht dat het een IS-hoofdkwartier bombardeerde, maar waar het doel uiteindelijk een gewoon woonhuis bleek. Het soort incident waarvan Nederland in de Kamerbrief erkent dat het erbij betrokken is geweest. We vinden één match in de betreffende periode: de dodelijke aanval op twee vrijstaande woningen bij Mosul op 21 september 2015, waarbij Bassim Razzo zijn familie verloor. ,,Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan ze denk”, zei Razzo, die zelf studeerde in de VS, erover in The New York Times.

Had Nederland een aandeel in die gruwelijke vergissing? Uit een Amerikaans document blijkt dat ‘de VS direct betrokken was bij deze aanval’. ,,Het doel was opgezet en goedgekeurd door het hoofdkwartier en de VS leverde airframes en munitie voor de aanval.‘’

Dat is een ‘zeer cryptische omschrijving’, stelt Peter Wijninga, een voormalige luchtmachtofficier die nu verbonden is aan het Haagse Centrum voor Strategische Studies. ,,Airframes is luchtmachtjargon voor vliegtuigen, letterlijk ‘casco’, zonder bemanning dus. Het kan erop wijzen dat de vliegtuigen werden bemand door vliegers van een andere nationaliteit. Kortom: wordt hier een coalitiepartner uit de wind gehouden of probeert men de eigen rol te verdoezelen?‘’

Als we Defensie vragen of Nederlandse piloten in toestellen van andere landen hebben gevlogen, antwoordt het ministerie dat dat boven Irak inderdaad is gebeurd. ,,In het kader van een uitwisselingsproject.‘’

Het weekbericht van Defensie meldt in de betreffende week van 2015: ,,Bij een van de coalitiemissies had een Nederlandse F-16-vlieger de leiding over een luchtaanval op verschillende ISIS-doelwitten. Er namen verschillende vliegtuigen van de coalitie hieraan deel.” Meer informatie geeft niemand. 

We maken ook een lijst van bombardementen die voldoen aan het tweede incident waarbij Nederland betrokken is geweest: aanvallen waarbij een bommenfabriek is getroffen, maar waarbij door ‘secondary explosions’ onbedoeld ook burgerslachtoffers zijn gevallen. We komen tot vijf aanvallen die enigszins overeenkomen, bij elk van die aanvallen vielen tussen de vijf en tien burgerdoden. Van die aanvallen is niet bekend wie ze heeft uitgevoerd. De grootste tragedie vond plaats op 3 juni 2015 bij de stad Hawija, Irak: de coalitie bestookt daar een IS-bommenfabriek op een industrieterrein, maar omdat er veel meer explosieven liggen dan gedacht, ontstaat een ravage. Omwonenden melden aan internationale persbureaus 70 doden, onder wie veel burgers én 26 kinderen. De coalitie bevestigt de aanval, maar zegt niets over burgerdoden.

Op social media zijn geen beelden van de resten van de bom te vinden die kunnen helpen bij identificatie. De nabestaanden van de burgerdoden in Hawija hebben geen idee door welk land hun geliefden zijn gebombardeerd.

,Bij luchtaanvallen mogen, volgens het oorlogsrecht, burgerslachtoffers vallen. Als er maar zo veel mogelijk wordt gedaan om het te voorkomen”, stelt advocate Liesbeth Zegveld, gespecialiseerd in mensenrechtenschendingen. ,,Maar we zijn ook verplicht de doden te registreren en we weten niets over de slachtoffers die we met onze bombardementen in Irak en Syrië maken.”

Zegveld vertegenwoordigt Mohammed Ahmed, een Irakese student die op 26 januari 2015 van Mosul met een taxi naar Bagdad probeerde te komen. De bom die de taxi raakte, doodde zijn moeder. Mohammed heeft geen idee welk land de bom heeft afgeworpen. Zegveld vroeg het de Nederlandse overheid, maar kreeg de informatie niet. Begin 2019 start ze in Nederland een rechtszaak namens Ahmed, in de hoop dat er dan gegevens boven tafel komen. ,,Het is bizar dat deze mensen nu in het duister tasten.‘’

Als de herkomst van de bom bekend is, kan Ahmed om verantwoording en eventueel om compensatie vragen. Dat laatste is nu een ondoorzichtig traject. Nabestaanden en andere slachtoffers moeten bij de Irakese overheid aankloppen voor schadevergoeding. Het systeem dat daarvoor is opgezet, werkt amper, stellen deskundigen. Nederland heeft dit voorjaar bij de coalitie geopperd een centraal coalitiemeldpunt op te zetten waar burgerslachtoffers zich kunnen melden. De andere leden zagen er niets in.

Zegveld: ,,Het zou goed zijn als dat meldpunt er wel komt. Mijn cliënt heeft op zich niets tegen de rol van de coalitie in de oorlog in zijn land, maar dan moet die coalitie wel haar verantwoordelijkheid nemen. Het geldt ook voor Nederland: we willen meedoen met de grote jongens, maar dan moet je na A ook B zeggen.”

Immense verdriet

Maart, 2017. Bassim Razzo is de eerste Irakees die tijdens de oorlog tegen IS door het Amerikaanse leger wordt ontvangen om te praten over een schadevergoeding. Razzo heeft zijn materiële schade berekend: bijna 550.000 dollar, voor de verwoeste huizen, inventaris, auto’s en medische kosten. Het staat nog los van het immense verdriet over het verlies van zijn familie. ,,We willen ons medeleven uitspreken”, zegt een vertegenwoordiger van het Amerikaanse leger tijdens de bijeenkomst in Erbil, Irak. ,,Als excuses voor uw verlies bieden we u 15.000 dollar.” Razzo kijkt de militair vol ongeloof aan. ,,Sorry, dat kan ik niet aannemen. Dat is een belediging.”

Voor dit verhaal is onder meer gebruikgemaakt van de productie The Uncounted van The New York Times. Heeft u meer informatie over de Nederlandse bombardementen op Syrië en Irak? Anoniem en veilig delen kan via 
ad.publeaks.nl

Nederlandse F-16’s vertrokken in januari 2018 van vliegbasis Volkel naar het Midden-Oosten om daar mee te doen aan de strijd tegen terreurorganisatie Islamitische Staat. De toestellen zullen opereren vanuit Jordanië.[15]

Het huis is verwoest, zijn vrouw Mayada en zijn dochter Tuqa (21) zijn op slag dood. Een tweede bom vernielde tegelijkertijd het huis van Razzo’s broer, dat op het zelfde stuk grond staat. Zijn broer en diens zoon (18) hebben de inslag niet overleefd Razzo zelf is zwaargewond: een verbrijzelde heup, een gebroken schaambeen. Familie smokkelt hem vanuit IS-gebied naar Turkije voor behandeling.

BN DE STEMHOE EEN NEDERLANDSE BOM HET LEVEN VAN BASIM RAZZO VERWOESTTE
https://www.bd.nl/binnenland/hoe-een-nederlandse-bom-het-leven-van-basim-razzo-verwoestte~a42468b93/

Hoe het gaat met Basim Razzo vier jaar nadat een bom zijn huis vernielde, zijn heup verbrijzelde en vier familieleden doodde? ,,Het zijn lange, treurige en vermoeiende jaren geweest’’, zo laat hij via email aan deze site weten.

Wat zestiger Razzo in 2015 overkwam is nauwelijks te beschrijven. Het leven was al moeilijk in de door IS bezette stad Mosul, maar in de nacht van 20 op 21 september nam het lot een gruwelijke wending. Razzo wordt midden in de nacht wakker, de smaak van bloed in zijn mond. Als hij omhoog kijkt, ziet hij niet het dak van zijn huis, maar de bomen in zijn tuin. Dan valt hij weg.

Als hij later bijkomt in het ziekenhuis, dringt door wat er is gebeurd: vliegtuigen van de Westerse Coalitie hebben zijn vrijstaande huis aan de rand van Mosul, gebombardeerd. Het huis is verwoest, zijn vrouw Mayada en zijn dochter Tuqa (21) zijn op slag dood. Een tweede bom vernielde tegelijkertijd het huis van Razzo’s broer, dat op het zelfde stuk grond staat. Zijn broer en diens zoon (18) hebben de inslag niet overleefd. Razzo zelf is zwaargewond: een verbrijzelde heup, een gebroken schaambeen. Familie smokkelt hem vanuit IS-gebied naar Turkije voor behandeling.

Tussen de tranen en de wanhoop door, vraagt de Irakese accountmanager bij telecombedrijf Huawei zich af: waarom mijn huis? Met IS heeft hij niets te maken. Sterker nog: Razzo genoot zijn opleiding in de VS, woonde er jarenlang en was nog steeds bevriend met een hoogleraar aan de universiteit van Pennsylvania. Een keer in het kwartaal gaf hij via een videoverbinding les aan diens klas over de culturele verschillen tussen Irak en de VS.

Na een jarenlange zoektocht van Razzo, geholpen door familie in de VS en verslaggevers van de New York Times komt in 2017 een deel van de gruwelijke waarheid aan het licht: het bombardement was simpelweg een vergissing. De Coalitie, die onder leiding staat van de VS, dacht dat de woning van Razzo en zijn broer een hoofdkwartier van IS was. De geliefden van Razzo waren collateral damagezoals duizenden anderen Irakezen dat ook waren.

Als deze nieuwssite begin dit jaar aanwijzingen krijgt dat de Coalitie-aanval werd gecoördineerd door de VS, maar werd uitgevoerd door de Nederlandse luchtmacht, geeft het ministerie van Defensie geen commentaar. Vanmiddag kwam de bevestiging alsnog. Maar waarom de Coalitie dacht dat de huizen van de Razzo’s een IS-hoofdkwartier was, wil Defensie nog steeds niet zeggen. Basim Razzo zelf denkt dat er een verwisseling is gemaakt met een gebouw verderop in de straat, dat een tijdje door IS is gebruikt. Maar allang weer verlaten is.

Minister Bijleveld van Defensie zei vanmiddag de mogelijkheid te onderzoeken  een fonds op te zetten waar nabestaanden van kunnen profiteren. Onduidelijk is of ze daarmee ook doelde op de familie Razzo of alleen op de nabestaanden van een ander Nederlands bombardement in Hawija, Irak waarbij 70 burgerdoden vielen. Basim Razzo heeft de informatie doorgestuurd naar zijn advocaat, meldt hij aan deze nieuwssite, maar heeft er weinig vertrouwen in. ,,Alle rapporten en alle interviews hebben tot nu toe niets opgeleverd.’’ En sowieso zegt hij altijd: ,,Het verlies van levens is niet te repareren.’’

Inmiddels woont Razzo in Erbil, Irak. In de buurt van zijn zoon, die tijdens het bombardement niet thuis was. Na een serie operaties kan hij weer lopen , maar het verlies van zijn gezin doet nog elke dag pijn. Soms geeft hij weer gastcollege aan de universiteit van Pennsylvania, waar hij praat over empathie. ,,Ik heb niets tegen de gewone Amerikaan’’, zegt hij dan. ,,Want zij zijn, net zoals de gewone Irakees, slachtoffers van oorlog.’’

[16]

”Er woonden op dat moment vooral vluchtelingen hier,” zegt de eigenaar van een kleine garage iets verderop in de wijk. Naast hem woonde een familie met zes kinderen. Bij de explosie zijn de muren omgevallen. “Allemaal zijn ze gedood, op de moeder na. Die heb ik later in Kirkuk nog eens gezien. Zij was zwaar gehandicapt geraakt.”

NOS

IN HAWIJA IS NIEMAND DE NEDERLANDSE BOMAANVAL VERGETEN

18 OCTOBER 2019

https://nos.nl/artikel/2306655-in-hawija-is-niemand-de-nederlandse-bomaanval-vergeten.html

Een Nederlands bombardement in Irak vier jaar geleden is gruwelijk misgegaan, zo blijkt uit onderzoek van NOS en NRC. Tientallen burgers kwamen bij een luchtaanval op een bommenfabriek in Hawija om het leven. Hoe dat precies heeft kunnen gebeuren, is onduidelijk. Inwoners van het stadje vinden de schuldvraag niet zo interessant. Zij vragen zich vooral af wanneer ze eindelijk een schadevergoeding krijgen.

Het is voor het eerst dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

De enorme ravage die het bombardement op 3 juni 2015 aanricht blijft bij de internationale media niet onopgemerkt. Op beelden van die nacht is te zien hoe het ziekenhuis in Hawija overspoeld wordt met gewonden. Inwoners spreken van “een atoombom die insloeg” en die vijftig kilometer verderop, in Kirkuk, nog te horen was. “Een complete woonwijk is verwoest”, schrijft persbureau Reuters.

Vier jaar later ligt de wijk aan de oostkant van de stad er nog precies hetzelfde bij. Overal liggen brokstukken van ingestorte gebouwen. Tientallen autowrakken liggen verspreid langs de weg. Alleen de meelfabriek is weer opgebouwd.

De inwoners van de wijk kunnen zich 3 juni 2015 nog goed herinneren. Sommigen laten de littekens zien van de verwondingen die ze door de aanval opliepen. Anderen vertellen over de chaos van die nacht.

Midden in de wijk stond ooit een grote opslagloods van de gemeente. Die was het doelwit van de coalitie. De loods was door terreurgroep IS in gebruik genomen om munitie in op te slaan. Volgens de Amerikanen werden er autobommen gefabriceerd. Toen de precisiebom het gebouw raakte, zorgde de enorme hoeveelheid munitie die in de loods lag opgeslagen voor een tweede explosie, waardoor ook gebouwen in de wijde omgeving geraakt werden.

De wijk werd door de Amerikaanse generaal John Hesterman op een persconferentie na de luchtaanval omschreven als een “industriegebied”. Dat is wat overdreven als je oude foto’s van de wijk bekijkt. Er stonden inderdaad grote gebouwen: een elektriciteitscentrale, een brandweerkazerne en een ijsfabriek. Maar er was vooral laagbouw: kleine panden waar winkeltjes, een naaiatelier en een theehuis voor een levendige sfeer zorgden.

Soennitische vluchtelingen

“Er woonden op dat moment vooral vluchtelingen hier,” zegt de eigenaar van een kleine garage iets verderop in de wijk. Naast hem woonde een familie met zes kinderen. Bij de explosie zijn de muren omgevallen. “Allemaal zijn ze gedood, op de moeder na. Die heb ik later in Kirkuk nog eens gezien. Zij was zwaar gehandicapt geraakt.”

Toen IS Hawija een jaar eerder had ingenomen zijn veel inwoners op de vlucht geslagen. Daarvoor in de plaats kwamen veel soennitische vluchtelingen uit de omliggende dorpen naar de stad toe omdat sjiitische milities weinig genade kenden bij hun strijd tegen IS. Zij trokken in de gebouwen en winkeltjes rondom munitieloods. De waren leeg komen te staan toen IS het gebied veroverde.

‘Dood achtergebleven’

Volgens Osama Suleman, directeur van het ziekenhuis, zijn veel vluchtelingen dood achtergebleven onder het puin van de ingestorte gebouwen. “We weten niet waar ze vandaan kwamen. Die hebben we niet als dodelijke slachtoffers kunnen registreren.”

 Het ziekenhuis kreeg die nacht ruim tweehonderd doden en gewonden binnen. “Het was een hele bloedige dag. Sommigen waren ernstig gewond, anderen stierven hier.” Suleman denkt dat het aantal slachtoffers bij elkaar opgeteld “boven de tweehonderd” ligt.

Informant van het leger

Een Irakees, die op verzoek van de gemeente een rondleiding geeft door de wijk, vertelt dat hij degene was die in opdracht van het Iraakse leger informatie over IS moest doorspelen aan het hoofdkwartier in Bagdad. Op 2 juni belde hij met Bagdad om door te geven dat er vier vrachtwagens met TNT, een zwaar explosieve stof, de loods binnenreden. Hij zou ook hebben verteld dat er vluchtelingen rondom de fabriek verbleven.

De informant kreeg van Bagdad te horen dat men in eerste instantie die dag nog wilde aanvallen, maar dat later werd besloten de aanval uit te stellen tot na middernacht om de de nevenschade te beperken.

Of de informatie over de vluchtelingen de Nederlandse luchtmacht die dag heeft bereikt, is onduidelijk. Het Amerikaanse Pentagon wil het onderzoek dat ze na de aanval gedaan hebben niet openbaar maken en het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij de aanval.

Schadevergoedingen

Veel mensen die nu in de wijk wonen hebben geen dierbaren verloren, maar klagen vooral over het uitblijven van schadevergoedingen voor de verwoesting van hun huis of winkel. Het zijn de oorspronkelijke bewoners die zijn teruggekeerd toen IS in 2017 werd verjaagd.

“We weten niet van alle gebouwen waar de eigenaren zijn gebleven”, zegt Mohamed, die als schrijver van brieven en formulieren zijn diensten aanbiedt bij een bouwvallig theehuis. Aan herbouw komt bijna niemand toe want schadevergoedingen zijn nog niet uitbetaald. “We hebben allemaal onze formulieren ingevuld”, zegt de schrijver met wijde armgebaren. “Het enige dat we als antwoord krijgen, is dat we moeten wachten. Dat doen we nu al twee jaar.”

De locoburgemeester van Hawija, Khalaf Najim Alabadi, bevestigt dat niemand uit de buurt een schadevergoeding heeft gekregen. Hij beschrijft een uiterst omslachtige procedure die iemand met schade aan zijn huis, auto of bedrijf moet doorlopen om zijn dossier via Kirkuk in Bagdad te krijgen. “En uit Bagdad hebben we niets meer gehoord in de afgelopen twee jaar.”

Pas als met de herbouw wordt begonnen, zal duidelijk worden hoeveel mensen er zijn omgekomen. “We hebben de gemeente gevraagd om te komen kijken of er nog mensen onder liggen”, vertelt Mohamed. Maar in het weer opkrabbelende Hawija heeft dat voorlopig geen prioriteit.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.

Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september.

[17]


BASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

The seven fundamental rules which are the basis of the Geneva Conventions and the Additional Protocols.  

 
 1 – Persons hors de combat and those who do not take a direct part in hostilities are entitled to respect for their

lives and their moral and physical integrity. They shall in all circumstances be protected and treated humanely

without any adverse distinction.

 2 – It is forbidden to kill or injure an enemy who surrenders or who is hors de combat .

 3 – The wounded and sick shall be collected and cared for by the party to the conflict which has them in its power.

Protection also covers medical personnel, establishments, transports and equipment. The emblem of the red

cross or the red crescent is the sign of such protection and must be respected.

 4 – Captured combatants and civilians under the authority of an adverse party are entitled to respect for their lives,dignity, personal rights and convictions. They shall be protected against all acts of violence and reprisals. They shall have the right to correspond with their families and to receive relief.

 5 – Everyone shall be entitled to benefit from fundamental judicial guarantees. No one shall be held responsible for an act he has not committed. No one shall be subjected to physical or mental torture, corporal punishment or cruel or degrading treatment.

 6 – Parties to a conflict and members of their armed forces do not have an unlimited choice of methods and means of warfare. It is prohibited to employ weapons or methods of warfare of a nature to cause unnecessary losses or excessive suffering.

 7 – Parties to a conflict shall at all times distinguish between the civilian population and combatants in order to

spare civilian population and property. Neither the civilian population as such nor civilian persons shall be the

object of attack. Attacks shall be directed solely against military objectives.

[18]

”Recent news reports have exposed Dutch involvement in an airstrike in Iraq in June 2015 that killed at least 70 civilians, with the Minister of Defense finally admitting on November 5, 2019 that the ministry had known about the deaths after years of denial.”
HUMAN RIGHTS WATCHNEW REVELATIONS ON DUTCH ROLE IN DEADLY IRAQ ATTACK13 NOVEMBER 2019
https://www.hrw.org/news/2019/11/13/new-revelations-dutch-role-deadly-iraq-attack

[19]
NRCAANVAL OP IS DEPOT WAS VAKMANSCHAP
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/21/aanval-op-is-depot-was-vakmanschap-a3977449

TEKST

Bij oorlogvoeren horen harde en zelfs wrede afwegingen”, zegt oud-luchtmachtofficier Peter Wijninga. „Je moet soms vreselijke keuzes maken, bijvoorbeeld bij de voorbereiding van een aanval op een bommenfabriek van IS.”

Wijninga leidde de luchtverdedigingseenheid op luchtmachtbasis De Peel, was actief in Afghanistan en werkt voor nu de Haagse denktank The Hague Centre for Strategic Studies. „Je moet het mogelijk verlies van levens van burgers in de buurt van zo’n fabriek afwegen tegen misschien wel dat van honderden burgers die om gaan komen als IS de bommen uit die fabriek gaat inzetten in de strijd.”

Wijninga heeft „met gemengde gevoelens” kennisgenomen van de berichtgeving van NRC en NOS vrijdag en de daarop volgende politieke commotie. Beide media berichtten over de dood van 70 burgers bij een bombardement door een Nederlandse F-16 van een bommenfabriek van IS in de Noord-Iraakse stad Hawija in juni 2015. Wijninga: „Potverdorie, dacht ik even met mijn luchtmacht-verleden. Moet dat?”

Hij was niet de enige. In Facebook-groepen van veteranen werd grotendeels met onbegrip gereageerd. Een bezoeker van de pagina van de stichting Dutch Military Veterans schrijft: „Een munitiedepot van IS kreeg een voltreffer van een Nederlandse F-16. Dat is vakmanschap. De doden zijn een gevolg van de exploderende opgeslagen munitie dus absoluut NIET de schuld van de nl-piloot.”

Oud-luchtmachtofficier Wijninga miste in het nieuws en de vele reacties begrip voor de oorlogsvoering. „In feite was het uitschakelen van een belangrijke bommenfabriek van IS met vier vrachtwagens TNT erin een unieke kans. We durven dat nauwelijks hardop te zeggen, omdat we alleen in eufemismen praten, zoals vredesmissies. Maar de prijs voor vrede en veiligheid wordt vaak met bloed betaald. Dat gold 75 jaar geleden al, en dat geldt nog steeds.”

Toch begrijpt Wijninga ook het verlangen van de Tweede Kamer naar meer openheid over de gevolgen van Nederlandse bombardementen. „Ook ik ben voor meer transparantie. Zo vind ik het vreemd dat, toen er al na de aanval vermoedens waren over tientallen slachtoffers, Defensie dat niet meteen heeft uitgezocht en bekend heeft gemaakt. IS had dat weinig kunnen schelen. Het ging immers om burgers, niet om IS-strijders. Dus de kans op wraakacties acht ik klein.”

Ondergewaardeerd

Tom de Bok werkte decennialang in de luchtmacht, eveneens bij de luchtverdediging. Nu is hij voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging ‘Onze Luchtmacht’, een ‘ambassadeursvereniging’ voor de luchtmacht met vijfduizend leden. Hij vindt „de berichtgeving te veel de indruk wekken alsof we daar in Irak een oorlogsmisdaad hebben gepleegd”. Het gaat om één incident, zegt De Bok: „Dat wordt eruit gepikt en er wordt uitgebreid over bericht. Dat terwijl we daar 2.100 keer gebombardeerd hebben.”

Sinds vrijdag bleef het vrij rustig in zijn achterban, zegt hij. Maar militairen voelen zich nogal eens ondergewaardeerd door publiek en politiek en uiten dat lang niet altijd, zegt hij. „Dat gevoel zal deze dagen zeker niet minder geworden zijn.”

Ook in vakbondskringen bleef het rustig, zegt Annemarie Snels van de Algemene Federatie van Militair en Burger Personeel. „Al sluit ik daarbij niet uit dat men van hogerhand opdracht heeft gekregen zich rustig te houden.” Ze is positief over het streven van minister Bijleveld (Defensie, CDA) naar meer transparantie. „Voorwaarde is wel dat vliegers en andere betrokkenen bij de strijd beschermd worden. Anders krijg je niemand meer die zulk gevaarlijk werk wil doen.”

Snels noch Tom de Bok verwacht dat de ophef invloed zal hebben op de motivatie van vliegers mee te doen aan toekomstige missies. Snels: „Mensen vinden het over het algemeen leuk om op missie te gaan. Bovendien: vliegers hebben geen keus. Ze moeten de opdracht uitvoeren die de politiek hen geeft.”Wat het enthousiasme zal bevorderen, denkt De Bok, is de komst van de JSF, die de F-16 aflost. Net als precisiewapens bieden de technische snufjes van de JSF de belofte van (nog) schonere oorlogsvoering, misschien met (nog) minder burgerslachtoffers. Immers, de JSF heeft hypermoderne communicatiesystemen. Die kunnen gevoed worden met de meest actuele gegevens op de grond (over de aanwezigheid van burgers). De Bok: „De F-16’s en de JSF verhouden zich tot elkaar zoals een oude Nokia tot de allernieuwste iPhone.” Of de JSF ‘Hawija’ had kunnen voorkomen, is de vraag, zegt De Bok. Goede inlichtingen geven over de omgeving van het doelwit blijft mensenwerk.

[20]

HUMAN RIGHTS WATCHISIS
https://www.hrw.org/tag/isis

The extremist armed group Islamic State (ISIS) has committed widespread and systematic abuses in in areas under its control in Syria, Iraq, and Libya. ISIS has also claimed responsibility for deadly attacks in nearly 20 other countries, including Afghanistan, Egypt, France, Indonesia, Tajikistan, and the United Kingdom. Human Rights Watch documents these abuses and their impact on the general population.Governments have a responsibility to take all reasonable and lawful measures to protect people’s right to life and to bring perpetrators of unlawful attacks to account. Human Rights Watch monitors actions by state security forces and international forces to ensure that their measures to counter ISIS (and other armed groups) do not violate the rights of the affected populations, including by failing to protect civilians caught in fighting, or by curtailing basic freedoms of members of civil society or ethnic, racial, or religious communities. We promote fair trials that respect due process for suspects, grant victims their day in court, and lay the groundwork for accountability. We also seek rights-respecting approaches toward the spouses and children of ISIS members, so they do not face collective punishment or other forms of discrimination

HUMAN RIGHTS WATCHIRAQ: ISIS ESCAPEES DESCRIBE SYSTEMATIC RAPE 

14 APRIL 2015 

https://www.hrw.org/news/2015/04/14/iraq-isis-escapees-describe-systematic-rape

TEKST

The extremist group Islamic State (also known as ISIS) has carried out systematic rape and other sexual violence against Yezidi women and girls in northern Iraq. Human Rights Watch conducted research in the town of Dohuk in January and February 2015, including interviewing 20 women and girls who escaped from ISIS, and reviewing ISIS statements about the subject.

Human Rights Watch documented a system of organized rape and sexual assault, sexual slavery, and forced marriage by ISIS forces. Such acts are war crimes and may be crimes against humanity. Many of the women and girls remain missing, but the survivors now in Iraqi Kurdistan need psychosocial support and other assistance.

“ISIS forces have committed organized rape, sexual assault, and other horrific crimes against Yezidi women and girls,” said Liesl Gerntholtz, women’s rights director at Human Rights Watch. “Those fortunate enough to have escaped need to be treated for the unimaginable trauma they endured.”

Researcher Interview: These Yezidi girls escaped ISIS. Now what?

ISIS forces took several thousand Yezidi civilians into custody in northern Iraq’s Nineveh province in August 2014, according to Kurdistan officials and community leaders. Witnesses said that fighters systematically separated young women and adolescent girls from their families and other captives and moved them from one location to another inside Iraq and Syria.

The 11 women and 9 girls Human Rights Watch interviewed had escaped between September 2014 and January 2015. Half, including two 12-year-old girls, said they had been raped – some multiple times and by several ISIS fighters. Nearly all of them said they had been forced into marriage; sold, in some cases a number of times; or given as “gifts.” The women and girls also witnessed other captives being abused.

Human Rights Watch also interviewed more than a dozen international and local service providers, medical workers, Kurdish officials, community leaders, and activists who corroborated these accounts. A local doctor treating female survivors in Dohuk told Human Rights Watch that of the 105 women and girls she had examined, 70 appeared to have been raped in ISIS captivity.

All of the women and girls interviewed exhibited signs of acute emotional distress. Many remain separated from relatives and sometimes their entire families, who were either killed by ISIS or remain in ISIS captivity. Several said they had attempted suicide during their captivity or witnessed suicide attempts to avoid rape, forced marriage, or forced religious conversion.

In October 2014, ISIS acknowledged in its publication Dabiq that its fighters had given captured Yezidi women and girls to its fighters as “spoils of war.” ISIS has sought to justify sexual violence claiming that Islam permits sex with non-Muslim “slaves,” including girls, as well as beating and selling them. The statements are further evidence of a widespread practice and a systematic plan of action by ISIS, Human Rights Watch said.

ISIS commanders should immediately release all civilian detainees, reunite children with their families, and end forced marriages and religious conversions, Human Rights Watch said. They should take all necessary action to end rape and other sexual violence by ISIS fighters. International and local actors who have influence with ISIS should press the group to take these actions.

In 2014 the Kurdistan Regional Government (KRG) absorbed more than 637,000 displaced people from Nineveh province alone, and made significant efforts to provide health and other services to Yezidi women and girls who have escaped ISIS. However, there have been flaws and gaps in health care, Human Rights Watch said. Some of those interviewed said they underwent medical tests but did not know the purpose and were never told the results.

The director general for health in Dohuk told Human Rights Watch that local authorities had identified fewer than 150 women and girls who had escaped from ISIS and that only about 100 had received medical treatment. According to the KRG Directorate of Yezidi Affairs, 974 Yezidis had escaped ISIS as of March 15, 2015, including 513 women and 304 children.

The women and girls need trauma support and ongoing counselling, Human Rights Watch said. Not all had immediate access to treatment for injuries; emergency contraception; safe and legal abortion services, including sexual and reproductive health access; and psychosocial support.

KRG authorities should try to close gaps in medical care and psychosocial support for the Yezidi girls and women and ensure that doctors provide survivors with results of tests they undergo and information on the services available to them, Human Rights Watch said. The KRG should also develop a plan to assist children born from rape to ensure adequate services and protection for them and their mothers. In addition, the KRG should invest in employment skills training and livelihood schemes to help reintegrate women into daily life.

“Yezidi women and girls who escaped ISIS still face enormous challenges and continuing trauma from their experience,” Gerntholtz said. “They need urgent help and support to recover their health and move on with their lives.”

ISIS Violations of International Law

Abduction and Detention

Since ISIS attacks in and around Sinjar began on August 3, 2014, more than 736,000 Iraqis, primarily Yezidis and other religious minorities, fled their homes in Nineveh province, most to the semi-autonomous region of Iraqi Kurdistan, according to the International Organization for Migration. ISIS fighters executed hundreds of male Yezidi civilians and then abducted their relatives, the United Nations and local and international human rights organizations reported. A recent UN report stated that further investigation is needed to establish the number of those held captive or killed by ISIS, which is “estimated to be in the thousands.”

Although several hundred Yezidis have since escaped, according to KRG officials, many are still in captivity in various parts of Iraq and Syria. Escaped abductees that Human Rights Watch interviewed said ISIS is holding Yezidis in multiple locations across northern Iraq, including Mosul, Tal Afar, Tal Banat, Ba’aj, Rambusi, and Sinjar, and in areas it controls in eastern Syria, including Raqqa and Rabi’a. They said that ISIS is holding female captives, including girls, in houses, hotels, factories, farm compounds, schools, prisons, military bases, and former government offices.

Young women and girls told Human Rights Watch that ISIS fighters first separated them from men and boys and older women. The fighters moved the women and girls several times in an organized and methodical fashion to various places in Iraq and Syria. While most of the ISIS fighters appeared to be Syrian or Iraqi, survivors said that some of their abusers told them that they came from other countries in the Middle East and North Africa, including from Libya, Algeria, Saudi Arabia, and the Occupied Palestinian Territories, as well as from Europe and Central Asia.

The precise number of Yezidis still captive is unknown because of continuing fighting in Iraq and Syria and because significant numbers of Yezidis fled to areas across Iraq and neighboring countries when ISIS attacked. On March 13, 2015, the Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights stated in its report that about 3,000 people, mainly Yezidis, allegedly remain in ISIS captivity. Local officials, service providers, and community activists estimate that the number of Yezidis still held is much higher.

In September 2014, a Yezidi group provided Human Rights Watch with a database with 3,133 names and ages of Yezidis they said ISIS had kidnapped or killed, or who had been missing since the ISIS assaults of early August. The database was based on interviews with displaced Yezidis in Iraqi Kurdistan. The group said that as of late March 2015, the number of dead, abducted, and missing Yezidis had risen to 5,324.

Sexual Violence and Other Abuse

The women and girls who spoke to Human Rights Watch described repeated rape, sexual violence, and other abuse in ISIS captivity.

Jalila (all survivors’ names have been changed for their security), age 12, said that Arab men whom she recognized from her village north of Sinjar accosted her and seven family members on August 3, 2014, as they were trying to flee ISIS. The men handed the family over to ISIS fighters, who separated Jalila, her sister, sister-in-law, and infant nephew from the other family members and took them to Tal Afar. Later, the fighters took Jalila and her sister to Mosul. Thirty-five days later they separated Jalila from her sister and took her to a house in Syria that housed other abducted young Yezidi women and girls. Jalila said:

The men would come and select us. When they came, they would tell us to stand up and then examine our bodies. They would tell us to show our hair and sometimes they beat the girls if they refused. They wore dishdashas [ankle length garments], and had long beards and hair.

She said that the ISIS fighter who selected her slapped her and dragged her out of the house when she resisted. “I told him not to touch me and begged him to let me go,” she said. “I told him to take me to my mother. I was a young girl, and I asked him, ‘What do you want from me?’ He spent three days having sex with me.”

Jalila said that during her captivity, seven ISIS fighters “owned” her, and four raped her on multiple occasions: “Sometimes I was sold. Sometimes I was given as a gift. The last man was the most abusive; he used to tie my hands and legs.”

Another 12-year-old, Wafa, told Human Rights Watch that in August ISIS fighters abducted her with her family from the village of Kocho. The men took the family to a school in Tal Afar filled with other Yezidi captives, where the fighters separated her from her family. From there they took her to several locations within Iraq and then to Raqqa, in Syria. An older fighter assured Wafa that she would not be harmed but he repeatedly raped her nevertheless, she said.

“He was sleeping in the same place with me and told me not be afraid because I was like his daughter,” she said. “One day I woke up and my legs were covered in blood.” Wafa escaped three months after her abduction, but her parents, three brothers, and sister are still missing.

The women and girls who said that they had not been raped said they endured constant stress and anxiety when witnessing the suffering of other women, fearing they would be next.

Dilara, 20, said ISIS fighters took her to a wedding hall in Syria, where she saw about 60 other Yezidi female captives. ISIS fighters told the group to “forget about your relatives, from now on you will marry us, bear our children, God will convert you to Islam and you will pray.” She told Human Rights Watch she lived in constant fear that she would be dragged away like so many women and girls before her:

From 9:30 in the morning, men would come to buy girls to rape them. I saw in front of my eyes ISIS soldiers pulling hair, beating girls, and slamming the heads of anyone who resisted. They were like animals…. Once they took the girls out, they would rape them and bring them back to exchange for new girls. The girls’ ages ranged from 8 to 30 years… only 20 girls remained in the end.

Two sisters, Rana, 25, and Sara, 21, said they could do nothing to stop the abuse of their 16-year-old sister by four men over several months. The sister was allowed to visit them and told them that the first man who raped her, whom she described as a European, also beat her, handcuffed her, gave her electric shocks, and denied her food. She told them another fighter later raped her for a month and then gave her to an Algerian for another month. The last time they saw her was when a Saudi ISIS fighter took her. “We don’t know anything about her since,” Sara said. The two sisters said they were also raped multiple times by two men, one of whom said he was from Russia and the other from Kazakhstan.

Some women and girls told Human Rights Watch that ISIS fighters beat them if they resisted or defied them in any way.

Zara, 13, said that ISIS fighters accused her and two other girls of desecrating a Quran while holding the girls captive on a farm. “They punished the three of us by taking us to the garden and tying our hands with wire,” she said. “We were blindfolded and they said they would kill us if we didn’t say who had done this. They beat us for 10 minutes and they fired a bullet in the air.”

Leila, 25, managed to escape from the house where she was held captive, but because she was behind ISIS lines, she realized she was trapped and felt compelled to return. The commander, an Iraqi, asked her why she had tried to escape. She said she replied: “Because what you are doing to us is haram [forbidden] and un-Islamic.” He beat her with a cable and also punished the guard who had failed to prevent her escape attempt. The guard beat her as well. “Since then, my mental state has become very bad and I’ve had fainting spells,” she said.

Forced Marriage

Women and girls told Human Rights Watch that ISIS fighters told them they had been bought for as much as US$2,000 from other ISIS members.

In some instances, ISIS fighters forcibly married their Yezidi captives rather than buy them. Narin, 20, said that when a fighter named Abu Du’ad brought her to his home, his wife left in protest. He brought a religious judge to perform a marriage ceremony but Narin refused to participate. Abu Du’ad persisted by trying to get permission from Narin’s family and called her brother in Germany. “But [my brother] said no to the marriage and offered to pay $50,000 for my release,” Narin said. “Abu Du’ad said no.”

Nadia, 23, said she was separated from the men in her family when ISIS fighters abducted them in her village near Sinjar in August. She tried to convince the ISIS fighters that she was married to escape being raped, because she had heard that ISIS fighters preferred virgins. However, after they took her to Syria, one of the men said that he would marry her. “The other girls with me said it’s forbidden to marry married women,” Nadia said. “He replied, ‘But not if they are Yezidi women.’”

ISIS has publicly acknowledged enslaving women and children. In an article entitled “The revival of slavery before the hour” in Dabiq, the group’s online English-language magazine, ISIS said it was reviving a custom justified under Sharia (Islamic law):

After capture, the Yazidi women and children were then divided according to the sharia amongst the fighters of the Islamic State who participated in the Sinjar operations, after one fifth of the slaves were transferred to the Islamic State’s authority to be divided as khums [a tax on war spoils].

A question-and-answer document, issued by what appears to be ISIS’s Research and Fatwa Department, states:

It is permissible to buy, sell, or give as a gift female captives and slaves, for they are merely property, which can be disposed of.… It is permissible to have intercourse with the female slave who hasn’t reached puberty if she is fit for intercourse; however if she is not fit for intercourse, then it is enough to enjoy her without intercourse.… It is permissible to beat the female slave as a [form of] darb ta’deeb [disciplinary beating].

Suicide Attempts
The women and girls who spoke to Human Rights Watch described their own suicide attempts or attempts of others as a way to avoid rape, forced marriage, or forced religious conversion. They described cutting their wrists with glass or razors, attempting to hang themselves, trying to electrocute themselves in bathtubs, and consuming what they thought was poison.

Rashida, 31, managed to speak to one of her brothers after her abduction by secretly using a fighter’s phone. She told her brother that ISIS fighters were forcing her to convert and then to marry. He told her he would try to help her but if he couldn’t, “I should commit suicide because it would be better than the alternative.” Rashida said:

Later that day they [ISIS fighters] made a lottery of our names and started to choose women by drawing out the names. The man who selected me, Abu Ghufran, forced me to bathe but while I was in the bathroom I tried to kill myself. I had found some poison in the house, and took it with me to the bathroom. I knew it was toxic because of its smell. I distributed it to the rest of the girls and we each mixed some with water in the bathroom and drank it. None of us died but we all got sick. Some collapsed.

Leila said she saw two girls try to kill themselves by slashing their wrists with broken glass. She also tried to commit suicide when her Libyan captors forced her to take a bath, which she knew was typically a prelude to rape:

I went into the bathroom, turned on the water, stood on a chair to take the wire connecting the light to electrocute myself but there was no electricity. After they realized what I was doing, they beat me with a long piece of wood and with their fists. My eyes were swollen shut and my arms turned blue. They handcuffed me to the sink, and cut my clothes with a knife and washed me. They took me out of the bathroom, brought in [my friend] and raped her in the room in front of me.

Leila said she was later raped. She said she tried to commit suicide again and showed Human Rights Watch the scars on her wrists where she cut herself with a razor.

Forced Conversions
About half the women and girls who spoke to Human Rights Watch said the ISIS fighters pressured them to convert to Islam. Zara, 13, said she was held captive in a three-story house in Mosul with girls ages 10 to 15:

When they came to select the girls, they would pull them away. The girls would cry and faint, they would have to take them by force. They made us convert to Islam and we all had to say the shahada [Islamic creed]. They said, “You Yezidis are kufar [infidels], you must repeat these words after the leader.” They gathered us all in one place and made us repeat after him. After we said the shahada, he said you have now been converted to our religion and our religion is the correct one. We didn’t dare not say the shahada.

ISIS fighters held Noor, 16, in various places including Mosul. “The leader of this group asked us to convert to Islam and read the Quran,” she said. “We were forced to read the Quran and we started to pray slowly. We started to behave like actors.”

War Crimes and Crimes Against Humanity

Rape and other forms of sexual violence, sexual slavery, cruel treatment, and other abuses committed during an armed conflict violate the laws of war. International criminal courts have ruled that rape and other sexual violence may also amount to torture.

Those who commit serious violations of the laws of war with criminal intent are responsible for war crimes. Commanders and civilian leaders may be prosecuted for war crimes as a matter of command responsibility when they knew or should have known about the commission of war crimes and took insufficient measures to prevent them or punish those responsible.

The mass rape and other serious abuses by ISIS against Yezidi civilians may be crimes against humanity. Crimes against humanity are serious offenses, including rape, sexual slavery, enslavement, unlawful imprisonment, persecution of a religious group, and other inhumane acts intentionally causing great suffering, that are part of a widespread or systematic attack on a civilian population.

“Widespread” refers to the scale of the acts or the number of victims. “Systematic” concerns “a pattern or methodical plan.” ISIS public statements concerning enslavement, forced marriage, and abuse of captured women, as well as the organized sale of Yezidi women and girls, indicate a widespread practice and a systematic plan of action by ISIS.

Provision of Health Services

Medical Care

KRG authorities have made significant efforts to provide health and other services to Yezidi women and girls and have designated a health committee in Dohuk to coordinate the identification and referral of survivors to services. The director general for health in Dohuk, Dr. Nezhar Ismet Taib, who heads the committee, said that some families do not wish to reveal that their female relatives were abducted and this has made it difficult for the committee to identify and support those in need.

Almost all of the women and girls who spoke to Human Rights Watch said they had received medical examinations. A local doctor said the medical tests included blood tests for sexually transmitted infections and pregnancy. In some cases, medical workers provided emergency contraception and post-exposure prophylaxis for HIV, as recommended by the World Health Organization.

It is not clear that doctors have always obtained informed consent before conducting examinations. Narin, the 20-year-old woman from Sinjar, told Human Rights Watch that she was abducted on August 3 and given as a “gift” to an ISIS fighter, who tried to force her to marry him:

I wasn’t raped – [the ISIS member] didn’t touch me because I told him I was sick.… I got a forensic gynecological exam in Dohuk, which cleared me of abuse. I wasn’t comfortable during this exam, and [the doctor] didn’t explain what she was doing to me beforehand.

Those who take the medical tests do not always receive the test results. The two sisters, Rana and Sara, said that they spent five months in ISIS captivity and that ISIS fighters raped them multiples times. They said that soon after they escaped in December they received medical treatment and tests, but six weeks later, they had still not received any test results.Eighteen-year-old Arwa, from Kocho, managed to escape in December after ISIS fighters raped her. She told Human Rights Watch that she was still waiting for her test results seven weeks later.

Local authorities should ensure that health workers inform women and girls of the purpose of each test and that they consent to each procedure. The World Health Organization has provided guidelines for carrying out such tests and obtaining informed consent.

Withholding test results, whether positive or negative, can compound women’s and girls’ fears about the state of their health. Health workers should ensure that there is follow up for such women and girls, including providing test results and any further treatment and information they need.

Psychosocial Support

Psychosocial support for women and girls who escaped ISIS is a crucial service that is largely lacking in Iraqi Kurdistan. All the women and girls interviewed showed signs of trauma. Jalila, the 12-year-old raped by four ISIS fighters, said she “can’t sleep at night because I remember how they were raping me. I want to do something to forget about my psychological problems. I want to leave Iraq until things get better, I don’t want to be captured again.” She had not received professional counselling.

Sixteen-year-old Noor told Human Rights Watch that ISIS fighters abducted her on August 3 from Tal Afar and held her until September, when she escaped. An ISIS fighter raped her multiple times over a period of five days, she said. In the first two months after her return, she said she remained traumatized and cried most of the time.

Noor did manage to get psychosocial support. A local activist arranged for her to visit a psychotherapist in the hospital three or four times and visited her frequently to encourage her to get regular psychosocial counselling. Noor was undergoing regular psychosocial treatment as well as attending a handicrafts course and leaving the camp for social activities with activists from local organizations.

However, representatives of international agencies and nongovernmental groups told Human Rights Watch that there was not only a lack of available psychosocial support, but also reluctance by the community to accept such help. One activist said that he had to visit girls and their guardians repeatedly to encourage the girls to participate in psychosocial counselling before they would agree.

Several of those Human Rights Watch interviewed stated that they would like to receive psychosocial therapy. Narin, the 20-year-old from Sinjar, said:

No one has offered me one-on-one counselling of any kind. I’d be interested in receiving professional counselling to help me process my experiences if it was available.… I have trouble sleeping at night, and only sleep a few hours at a time. When I sleep, I often see my parents and siblings in front of my eyes, especially the image of my brothers being forced to kneel on the road, and my mother’s face.

International and local groups agreed that there are not enough psychosocial therapists available to the women and girls to meet the need, given the number of escaped women and girls and the prospect of more to come.

Dr. Taib told Human Rights Watch that although he was not aware of any suicides of women or girls who had escaped, many were suicidal. He said that women and girls who sought treatment with local officials were assessed by a psychologist at the same time they received medical treatment. The health team designated to help Yezidi women and girls has two psychologists and two psychosocial therapists but plans to increase the number of psychosocial therapists to ten. In addition, some groups and international agencies are providing psychosocial support. A psychosocial therapist at Jian Centre for Human Rights said she and her colleague had provided support to 20 Yezidi women and girls who had escaped.

In the short term, psychologists and social workers, particularly those who speak the local Yezidi dialect, need training on counselling methods. This should be in addition to recruiting psychosocial therapists to deal with the urgent cases. More efforts are also needed to encourage and educate people who might need the services about how the services can help them.

Pregnancy and Children Born as a Result of Rape
The KRG has no comprehensive plan for addressing pregnancies or children born from rape. Dr. Taib told Human Rights Watch that the local health committee had agreed that the authorities should protect women who keep their children, including providing shelter for them and their children as well as prenatal and maternal health care. In cases where the women do not want to care for their children, personal status courts will have to make decisions about the welfare of the child.

Where the child’s biological mother and close family relinquish or abandon the child, or are unable to provide adequate care, the authorities should ensure appropriate alternative care, with or through competent local authorities and authorized nongovernmental groups. In cases in which the child’s biological mother and close family do not relinquish the child, authorities should direct efforts first at enabling the child to remain in the mother’s care, or when appropriate, the care of other close family members unless it is not in the child’s best interests. If women do choose to raise the children, there should be a plan for providing them with assistance, including psychosocial and financial support.

Officials should ensure that information about services is available to women and girls and can be accessed confidentially.

Abortion is illegal in Iraq. Local officials told Human Rights Watch that it is not permitted in the Kurdistan region even for rape cases unless a doctor considers it a medical necessity, such as a risk to the mother’s life. The KRG should urgently clarify for healthcare providers the circumstances in which they may legally perform abortions for women and girls who have escaped from ISIS captivity, including for women and girls at risk of suicide or “honor”-related violence. The Iraqi government should also urgently consider amending the penal code to allow safe and legal abortions for women and girls who have experienced sexual violence.

In addition, KRG officials should encourage religious and community leaders to welcome children born from rape if the mothers freely choose to raise them in the Yezidi community and to provide the social support the women need.

Stigma and Reintegration

Baba Sheikh, a Yezidi religious leader, issued a statement on September 6 welcoming escaped women back into the community and stating that no one should harm them. On February 6, 2015, he reissued the appeal, saying:

These survivors remain pure Yezidis and no one may injure their Yezidi faith because they were subjected to a matter outside their control.… We therefore call on everyone to cooperate with and support these victims so that they may again live their normal lives and integrate into society.

These statements appear to have helped protect Yezidi women and girls from harm and have encouraged their families to seek treatment for them.

Ismail Ali, the KRG director general for combating violence against women in Dohuk, told Human Rights Watch that officials were not aware of any Yezidi girl or woman at risk from her family since returning, but should there be such cases, a shelter is available for them. In addition, authorities should provide programs that guarantee long-term rehabilitation and housing solutions for all women victims of violence who do not have the support of their families or who are under threat, and training for officials, local activists, and social and health workers to identify cases of women who are at risk of violence from their families. The authorities should also, in coordination with religious and community officials, raise awareness and provide education, particularly for men and boys, to prevent violence against women.

In addition, investment in skills training and livelihood schemes would help to reintegrate women into daily life. One organization is providing sewing and arts-and-crafts courses in the camps.

Many women and girls said that they wanted jobs so that they could financially assist their families. They also said that having nothing to do in the camps and being surrounded by family members who are also traumatized increased or exacerbated their own trauma.

Arwa, an 18-year-old from Kocho, said, “What I want more than anything is to work, so I can keep my mind off everything that happened.”

The Association for Crisis Assistance and Development Co-operation (WADI), a German-Iraqi nongovernmental organization, is seeking funding to build a center where Yezidi women and girls can get skills training. Women and girls who escaped ISIS told Human Rights Watch that they would use such a facility. WADI case workers have taken some of these women and girls out of the camps for social activities, which appeared to help occupy them and provide a semblance of a normal life.

UN PANEL REPORTS ON ISIS CRIMES ON YEZIDI’S

https://www.hrw.org/news/2016/06/21/un-panel-reports-isis-crimes-yezidis

TEKST

The “unimaginable horrors” that the Islamic State (ISIS) is committing against the minority Yezidis, documented in a report released on June 16 by the UN-mandated Independent International Commission of Inquiry (COI) on the Syrian Arab Republic, shows the urgent need for concrete steps to ensure justice for these crimes.

In August 2014, ISIS fighters overran Yezidi towns and villages around Sinjar, in northwestern Iraq, executing many men and capturing women and girls. Their intent soon became clear in slave markets ISIS set up in Mosul and elsewhere, where they sold the women and girls to their fighters into sexual or domestic slavery.

The COI report found that the crimes against the minority Yezidis amount to genocide.

Human Rights Watch has found that the abuses against Yezidi women and girls, including abducting them and forcibly converting them to Islam and/or forcibly marrying them to ISIS members, amount to war crimes, may be crimes against humanity and may be part of a genocide against Yezidis. Women also reported that ISIS members took their children from them, physically abused their children, and forced the women and girls to pray or take Islamic names.

The commission says that ISIS still holds about 3,200 women and children, most in areas it controls in Syria. The report says that separating men and women, inflicting mental trauma, taking children away from their families and forced conversions, are among methods intended to destroy Yezidis as a people.

There has been considerable attention to the plight of Yezidi women in the media, but little discussion on how to provide justice for these terrible crimes. The commission says the UN Security Council should “refer the situation to justice, possibly to the International Criminal Court (ICC) or an ad hoc tribunal.”

The ICC has a mandate over crimes of genocide, war crimes and crimes against humanity. Iraq, like Syria, is not a party to the Rome Statute, which set up the court. Prime Minister Haider al-Abadi told Human Rights Watch in March that Iraq has no plans to join the court—out of apparent concern that the court would also be able to examine grave abuses by government security forces.

Both the Iraqi government and the semi-autonomous Kurdistan Region of Iraq (KRI), where hundreds of thousands of Yezidis have sought safety, says they have ISIS fighters in custody. In fact, the government says it has captured scores of ISIS fighters since the start of its Fallujah offensive. But to Human Rights Watch’s knowledge, no criminal justice authorities in KRI or the rest of Iraq are investigating or prosecuting ISIS members for war crimes or crimes against humanity, including crimes against Yezidis.

A “Genocide Committee” in Dohuk, a major city in Iraqi Kurdistan, which was established by the Kurdish government, is attempting to document these crimes. But its head investigator, Judge Ayman Bamerny, told Human Rights Watch the committee has no link to the Kurdistan Regional Government’s judiciary.

Similarly, in Baghdad, Judge Abd al-Sattar Bir Qadar, spokesperson for the judiciary, told Human Rights Watch in March that there have been no judicial investigations against captured ISIS members for war crimes or crimes against humanity The only exception has been a patently unfair trials, in July 2015 and February 2016, each lasting all of two hours, that convicted 24 men for the mass killing a year earlier of up to 1,700 Shia military cadets.

In March 2015, Iraq’s Council of Ministers declared ISIS crimes against Yezidis to be genocide, but Iraq has no provisions in its domestic law for war crimes, crimes against humanity, and genocide.

Yezidi victims of human rights abuses have a right to justice, not just government declarations with no consequences. Iraq should incorporate war crimes, crimes against humanity and genocide into its penal code and start investigations into credible allegations of abuses by ISIS. Iraqi authorities should also hold their own forces to account for their serious crimes. Iraq should also join the ICC, as membership could provide an impetus for Iraq to ensure accountability for the worst crimes by all sides. The US should press Iraqi authorities to make that a priority.

Countries that support Iraq’s war against ISIS, including Iran, Russia, the United States, Canada, Australia and European states should support Iraqi efforts to investigate these crimes and provide redress for its victims. They should urge Iraq to pursue impartial investigations of serious crimes by all sides, and offer Iraq technical assistance and judicial cooperation. Judicial authorities in Baghdad and Erbil told Human Rights Watch that there have been no exchanges of information in either direction with European countries that that have suspected ISIS fighters in custody.

Letting grave crimes against Yezidis and others go unpunished is a stain not only on the Iraqi government, but on all countries that have vowed to protect groups like the Yezidis against threats of extermination and that have committed themselves to supporting justice for grave abuses whenever and wherever they occur.

HUMAN RIGHTS WATCH

THESE YEZIDI GIRLS ESCAPED ISIS/NOW WHAT?

AMY BRAUNSCHWEIGER

http://features.hrw.org/features/Interview_These_Yezidi_Girls_Escaped_ISIS/index.html

TEKST

Last August, the world watched in horror as the extremist armed group Islamic State, also known as ISIS, attacked Iraq’s Yezidi community. Thousands fled without food or water into the nearby Sinjar mountains, but ISIS fighters waylaid many, executing men and abducting thousands of people, mainly women and children. Rumors of forced marriage and enslavement of Yezidi girls and women swirled, and were later confirmed as a trickle of women and girls – now numbering into the hundreds – escaped. Human Rights Watch researchers Samer Muscati and Rothna Begum interviewed 20 of these women and girls and shared their findings with Amy Braunschweiger. 

WHO ARE THE YEZIDIS?

Samer: The Yezidis live in Iraq’s Nineveh province on land claimed by both the Kurdistan regional government and the Iraqi central government. They practice an ancient monotheistic religion, and Yezidis say they have been persecuted for hundreds of years because many consider them “heretics.”  Violent attacks against Yezidis by Sunni Arab extremists escalated after the US-led invasion of Iraq in 2003. On August 14, 2007, four simultaneous truck bombings killed more than 300 Yezidis and wounded more than 700 in Sinjar district communities.  Some Yezidi activists also faced intimidation and threats from Kurdistan government forces. Kurdistan authorities consider Yezidis to be Kurds and, therefore, Yezidi lands part of the Kurdistan region of Iraq. Thousands of Yezidi families have fled to Syria, Jordan, and elsewhere. Since 2003, but before the latest attack by ISIS, their numbers in Iraq had dropped from about 700,000 to 500,000. There are probably fewer now.

No one knows how many Yezidis have been killed by ISIS – they’re still uncovering mass graves. Very little information comes out of ISIS-controlled areas. Every family has been affected, has had a husband or son killed, a daughter abducted, or has had to flee. We visited informal settlements and the main camp, Khanke, near Dohuk, which houses more than 18,000 Yazidis, mainly from around the city of Sinjar, about a two-and-a-half hour drive away. The Yezidis are living in a virtual sea of displaced person tents and nearby unfinished buildings, which lack doors and heat, perched on windswept hills.  The views from the hilltops are stunning on a sunny day, but there’s little to protect the people there from the cold. 

In the camps you interviewed women and girls who escaped ISIS and made their way back home. What happened to them at the hands of ISIS?

Rothna: We heard stories of abuse ranging from being forced to wait on ISIS members hand and foot, to beatings, rape, electric shocks, forced marriage, and sexual slavery. 

Samer: One girl said ISIS members, wanting to find out who “desecrated” their Quran, handcuffed and blindfolded her and two other girls, beat them with a cable, and then fired a gunshot into the air. Apparently, the girl told us, one of the many cats in the house had ripped the Quran.

Most of the girls we spoke with said they were transferred from one place to another, ultimately living in big houses or halls with between 5 and 60 other girls. During the course of the day, ISIS fighters would come in, pick a girl to take, and if she refused, she’d be slapped or beaten. 

What happened to these girls when they returned home, especially considering the moral weight placed on their virginity?

Rothna: Virginity is a huge issue across the region. There is a stigma attached to the abducted women because they could have experienced sexual violence from the ISIS fighters – and it extends to their families. We know that in conflicts around the world, communities retaliate against women who are victims of sexual violence. Husbands leave wives, families abandon daughters. One of our biggest concerns was, would these women be treated violently after returning home?

That’s not what we found – in part thanks to the Yezidi religious leader, Baba Sheikh, who instructed the community to welcome back and not harm those who were abducted, forced to convert, or raped. Because of this, most families have welcomed back their female relatives. We didn’t interview Baba Sheikh, but we spoke with another religious leader, Baba Chawish. He welcomed us, and spoke calmly and with dignity, despite the chaos surrounding him. He told us how, over centuries, Yezidis have had to flee numerous attacks. This was just another crisis, he said, and his goal was to keep the community together as much as possible and, frankly, to survive.

The families we met just wanted to be reunited. They already had so many family members killed or abducted by ISIS, they just want their families back. 

How are these girls doing?

Samer: It’s difficult for them, they’ve endured terrible abuses. For me, the hardest part was when they talked about their missing parents, or about how ISIS men separated them from their sister, and where could she be? It’s terrible to be a young girl and be abducted and endure horrific abuses, but then to also lose your family on top of that? One of the most common sentiments I heard was that their biggest wish is to be reunited with their families, as they don’t know how to be whole without them.

As a group, these were among the worst cases I have ever documented for Human Rights Watch, and that says a lot as I’ve documented a wide range of abuses for years in war-plagued Iraq – everything from torture in secret prisons to abuses against people displaced by the fighting.

One 12-year-old girl really stood out to me. Her shy disposition reminded me of my 12-year old cousin. The man who abducted her told her not to worry, that he’d treat her as he’d treat his own daughter. Then he drugged her and she woke up to see blood between her legs. 

Was it difficult getting the girls to share their experiences? Samer, was the fact that you are an Iraqi Arab man an impediment?

It wasn’t helpful – many of the ISIS fighters there are Iraqi Arabs. But we worked with local activists who already knew the women and girls, which put everyone at ease. We are also extremely sensitive and careful not to re-traumatize survivors. 

Had any of these girls become pregnant?

Rothna: We spoke to one who was pregnant at the time she escaped, but there are others that we heard of, and there will be more cases as more women and girls escape. Abortion is illegal in Iraq, but it’s allowed in certain circumstances, such as when a woman’s life is at risk. The law should be interpreted to cover cases of pregnancy as a result of rape. If the women choose to have the children, there should be a plan for them to keep the baby or not. 

Now that they’ve returned to their community, what would you like to see for these girls?

Rothna: We want everyone who comes back to receive adequate medical and psychosocial treatment, as well as schooling for girls and employment skills training for women. 

Additionally, doctors need to be better trained in examining women who have been sexually assaulted. The purpose of the examinations needs to be explained to the women and girls to get informed consent from them, and doctors should ask for consent both before and during the examination. Otherwise, the exams could be harmful and humiliating for women and girls, and make them feel like they have no control over their bodies – which is what they felt when they were abducted by ISIS.

Samer: We also found some nongovernmental organizations and journalists with no experience interviewing trauma victims documenting their stories. Some recorded their statements on video, which leads to the risk of them being identified publicly.

Rothna: One girl I spoke with, we call her “Noor,” seemed so much better adjusted than the others – despite being the only child left in her family. She smiled, joked around with us, and talked to us about her future. But she had an awful story. She was abducted at 15, and after being moved from place to place she lived in a house with other girls who were forcibly married off or sold one-by-one. She and a friend attempted suicide together – she showed me the scars on her wrists – but an ISIS member caught them and stopped them. When her friend was picked to be taken by an ISIS member, the girl begged the men to take her too, so she could stay with her friend. They agreed and took both girls to another house. There, two other men told them, “You are sold to us.” They then beat and raped them for five days until they escaped, breaking through the door while the men were away fighting.  

When she first came to the camp, she looked like a ghost, people told us. She was reunited with her parents, who were traumatized after their only son, Noor’s brother, was executed in front of them. But Noor had her parents’ support. She said that she’d been to the hospital a few times, is receiving regular counseling, and is taking a sewing class. Her friend that she escaped with lives in a separate camp, and her father has taken her there to visit. Sometimes NGO activists take her out of the camp for social activities like going to the mall. She says she still has nightmares, but she’s healing. She’s going to be someone who can identify herself as a survivor, not just as a victim.  

In some ways, Noor has come back to life.

Yes. And life in general is taking shape in the camps. You can see market stalls selling chewing gum, and you see the lengths people have to go to make these tents feel like home with rugs and pillows. Keeping their spaces clean. They’d survived the winter and were dealing with cold rains. It’s likely they’ll be there for months or even years to come. 

Why haven’t all the girls received the same type of treatment as Noor?

Rothna: Of the 300 women and girls who have returned, only 100 have been identified by health authorities. The other 200 or so, their families likely don’t know these services are available. People need to get the word out.

The Yezidi camps are in Iraqi Kurdistan, and they are protected by Kurdistan’s forces. The local Kurdistan officials we spoke with have been trying to help get women and girls treatment and to aid those who escaped to return home safely. They told us that they want expert help in handling rape cases and trauma, and they need expert assistance and training, particularly in psychotherapy. They want to know how to help.

Samer: The Yezidis stopped dominating the news six months ago, but the crisis still exists. Needs are going unmet. And there is an enormous number of people that need help – especially as more and more women and girls escape

ISIS.AMNESTY INTERNATIONAL.ORG
IRAQ: YEZIDI WOMEN AND GIRLS FACE HARROWING SEXUAL VIOLENCE

23 DECEMBER 2014 

https://www.amnesty.org/en/latest/news/2014/12/iraq-yezidi-women-and-girls-face-harrowing-sexual-violence/

TEKST

Torture, including rape and other forms of sexual violence, suffered by women and girls from Iraq’s Yezidi minority who were abducted by the armed group calling itself the Islamic State (IS), highlights the savagery of IS rule, said Amnesty International in a new briefing today. 

Escape from hell- Torture, sexual slavery in Islamic State captivity in Iraq provides an insight into the horrifying abuse suffered by hundreds and possibly thousands of Yezidi women and girls who have been forcibly married, “sold” or given as “gifts” to IS fighters or their supporters. Often, captives were forced to convert to Islam. 

“Hundreds of Yezidi women and girls have had their lives shattered by the horrors of sexual violence and sexual slavery in IS captivity,” said Donatella Rovera, Amnesty International’s Senior Crisis Response Advisor, who spoke to more than 40 former captives in northern Iraq. 

“Many of those held as sexual slaves are children – girls aged 14, 15 or even younger. IS fighters are using rape as a weapon in attacks amounting to war crimes and crimes against humanity.” 

The women and girls are among thousands of Yezidis from the Sinjar region in north-west Iraq who have been targeted since August in a wave of ethnic cleansing by IS fighters bent on wiping out ethnic and religious minorities in the area. 

The horrors endured in IS captivity  have left these women and girls so severely traumatized that some have been driven to end their own lives. Nineteen-year-old Jilan committed suicide while being held captive in Mosul because she feared she would be raped, her brother told Amnesty International. 

One of the girls who was held in the same room as Jilan and 20 others, including two girls aged 10 and 12, told Amnesty International: “One day we were given clothes that looked like dance costumes and were told to bathe and wear those clothes. Jilan killed herself in the bathroom. She cut her wrists and hanged herself. She was very beautiful; I think she knew she was going to be taken away by a man and that is why she killed herself.”  The girl was among those who later escaped.   

Wafa, 27, another former captive, told Amnesty International how she and her sister attempted to end their lives one night after their captor threatened them with forced marriage. They tried to strangle themselves with scarves but two girls sleeping in the same room awoke and stopped them. 

“We tied the scarves around our necks and pulled away from each other as hard as we could, until I fainted… I could not speak for several days after that,” she said. 

The majority of the perpetrators are Iraqi and Syrian men; many of them are IS fighters but others are believed to be supporters of the group. Several former captives said they had been held in family homes where they lived with their captors’ wives and children. 

Many Yezidi survivors are doubly affected as they are also struggling to cope with the loss of dozens of their relatives who either remain in captivity or have been killed by the IS. 

Randa, a 16-year-old girl from a village near Mount Sinjar was abducted with scores of her family members, including her heavily-pregnant mother. Randa was “sold” or given as a “gift” to a man twice her age who raped her. She described the impact of her ordeal to Amnesty International: 

“It is so painful what they did to me and to my family. Da’esh (the IS) has ruined our lives… What will happen to my family? I don’t know if I will ever see them again.” 

“The physical and psychological toll of the horrifying sexual violence these women have endured is catastrophic. Many of them have been tortured and treated as chattel. Even those who have managed to escape remain deeply traumatized,” said Donatella Rovera. 

The trauma of survivors of sexual violence is further exacerbated by the stigma surrounding rape. Survivors feel that their “honour”, and that of their families, has been tarnished and fear that their standing in society will be diminished as a result. 

Many survivors of sexual violence are still not receiving the full help and support they desperately need. 

“The Kurdistan Regional Government, UN and other humanitarian organizations who are providing medical and other support services to survivors of sexual violence must step up their efforts. They must ensure they are swiftly and proactively reaching out to all those who may need them, and that women and girls are made aware of the support available to them,” said Donatella Rovera. 

Such services should include sexual and reproductive health services as well as counselling and trauma support.

EINDE ARTIKEL

”Fighters with the armed group calling itself “Islamic State” (IS) have systematically targeted members of non-Arab and non-Sunni Muslim communities. Despite worldwide condemnation, the IS has shown no intention of putting an end to the war crimes and crimes against humanity which its fighters have been committing on a large scale, including against the Iraqi women and girls they have abducted and continue to hold captive. Any party, in Iraq or outside, with any influence over the IS should use that influence to secure the release of these captives.”

AMNESTY INTERNATIONAL/REPORT

IRAQ: ESCAPE FROM HELL: TORTURE AND SEXUAL SLAVERY IN ISLAMIC STATE CAPTIVITY IN IRAQ

https://www.amnesty.org/en/documents/MDE14/021/2014/en/

SEE FULL REPORT

https://www.amnesty.org/download/Documents/MDE140212014ENGLISH.pdf

[21]

On 24 September 2014, the Dutch government announced its participation in “the military campaign” against ISIL which, as they claimed, had been started by the United States, and sent six F-16 fighter jets to Iraq to bomb ISIL. Their motivations to join this war: ISIL’s advance in Iraq and Syria, while displaying “unprecedented violence” and “perpetrating terrible crimes against population groups”, formed “a direct threat for that region”; ISIL’s advance in Iraq and Syria “causes instability at the borders of Europe” which threatens “our own [Dutch] safety”. In January 2016, the Netherlands extended their bombings of ISIL to Syrian territory. By the end of July 2016 the Dutch Air Task Force flew more than 2100 missions and carried out over 1800 air strikes. 

WIKIPEDIADUTCH AIRSTRIKES
https://en.wikipedia.org/wiki/International_military_intervention_against_ISIL#Dutch_airstrikes

ORIGINAL SOURCE
WIKIPEDIAINTERNATIONAL MILITARY INTERVENTION AGAINST ISIL
https://en.wikipedia.org/wiki/International_military_intervention_against_ISIL

WIKIPEDIADUTCH MILITARY INTERVENTION AGAINST ISIL
https://en.wikipedia.org/wiki/Dutch_military_intervention_against_ISIL
PARLEMENTAIRE MONITORBESTRIJDING INTERNATIONAAL TERRORISMEBRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE EN VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING19 DECEMBER 2014
https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9tvgajcovz8izf_j9vvij5epmj1ey0/vjqcg9avtyzt

TEKST

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 december 2014

In deze brief wordt u, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, geïnformeerd over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS en ten behoeve van het bereiken van stabiliteit in de regio. Het kabinet acht in dit verband een langtermijnoplossing voor Syrië en Irak noodzakelijk. De Nederlandse inzet kent militaire, diplomatieke en ontwikkelingssamenwerkingselementen. Het eerste deel van deze brief beschrijft kort de politieke ontwikkelingen in de regio. In het tweede deel gaat de brief in op de Nederlandse visie op de strijd tegen ISIS en het herwinnen van stabiliteit in Syrië en Irak.

Zoals in de artikel 100-brief van 24 september jl. is vermeld, heeft het kabinet besloten gedurende twaalf maanden in coalitieverband een militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS te leveren. Het luchtoptreden van de coalitie, in samenhang met het grondoptreden van de Iraakse en Koerdische strijdkrachten, heeft ervoor gezorgd dat de opmars van ISIS in Irak gedeeltelijk is gestopt en ISIS op verschillende plaatsen in de verdediging is gedrongen. De Tweede Kamer is toegezegd dat elk kwartaal een voortgangsrapportage wordt opgesteld. Deze vindt u in het derde deel van deze brief. De brief eindigt met de actuele situatie van de humanitaire hulp en de nationale veiligheid.

In overeenstemming met onze toezeggingen informeren wij u in deze brief ook over de inzet van Nederlandse trainers in de strijd tegen ISIS in Irak en het onderzoek naar mogelijke steun aan de Syrische gematigde oppositie.

I: Inleiding

Ontwikkelingen in Syrië en Irak

Syrië en Irak vormen het brandpunt van twee zeer destructieve trends die het gehele Midden-Oosten teisteren, te weten de polarisatie tussen soenni en shi’a geloofsgemeenschappen en de opkomst van het jihadisme. In beide landen zijn deze destructieve krachten vrijgekomen na tientallen jaren totalitair bestuur door Arabisch-socialistische Ba’ath-regimes. Deze trends, in combinatie met slecht bestuur, een afbrokkelende sociale structuur en competitie tussen staten in de regio, hebben de beide landen kwetsbaar gemaakt voor jihadi salafisten, zoals ISIS.

In Irak zijn inmiddels voorzichtig positieve ontwikkelingen waarneembaar. De regering van premier al-Abadi zet belangrijke stappen in de richting van een meer inclusief beleid. De vorming van een kabinet met gelijkwaardige soenni-Arabische, Koerdische en shia-Arabische vertegenwoordiging vormde hiervan het begin. Ook de relatie Bagdad-Erbil lijkt vooruitgang te boeken. Er vindt op hoog niveau diplomatiek overleg plaats tussen de beide hoofdsteden, hetgeen begin december heeft geleid tot een overeenkomst over verdeling van olie-inkomsten en uitbetaling van salarissen voor Koerdische ambtenaren. Koerdistan levert 250.000 vaten olie per dag, die via het Iraakse Ministerie van Olie verkocht worden. Van haar kant geeft de regering in Bagdad het Koerdische aandeel van de overheidsinkomsten (17 procent) vrij. Dat was al bijna een jaar bevroren als vergelding voor het feit dat Koerdistan zelf olie ging exporteren naar Turkije. Ook krijgt Koerdistan (in tranches) USD 1 miljard om de salarissen te betalen van Koerdische strijders die vechten tegen ISIS. De deal staat daarnaast toe dat de VS wapens leveren aan de Koerden, maar alleen via Bagdad.

Verder investeert de regering in het tegengaan van corruptie binnen de overheid en strijdkrachten, en in verzoening met stammen en gemarginaliseerde groepen. Door perspectief te bieden op een meer gelijkwaardige samenleving, draagt de regering al-Abadi bij aan het wegnemen van de voedingsbodem voor extremisme en steun aan ISIS.

In Syrië kan niet worden gesproken van positieve ontwikkelingen. De gematigde oppositie is in Noord-Syrië verder teruggedrongen en heeft slechts minimale controle over het grondgebied. Daarnaast heeft het terreinen in Zuid-Syrië onder controle. In Aleppo heeft de gematigde oppositie niet alleen te lijden onder bombardementen van het regime, maar ook door de activiteiten van ISIS en Jabhat al Nusra. Jabhat al Nusra is de strijd aangegaan met de gematigde oppositie in de Idlib provincie. De strijd om Aleppo duurt ook voort, waarbij de val van de stad tot vele extra slachtoffers en vluchtelingen kan leiden. In Kobani wordt nog steeds gevochten tussen ISIS en Syrische Koerden. Het regime in Damascus profileert zich meer en meer als de facto partner van de coalitie in de strijd tegen ISIS, hetgeen het draagvlak voor de coalitie onder de Syrische oppositie geen goed doet. VN-gezant De Mistura onderneemt diplomatieke inspanningen om de verschillende partijen in Syrië en in de regio ertoe te bewegen tot overeenstemming te komen over lokale wapenstilstanden (zogenoemde «freeze zones»). De «freeze zones» zouden vervolgens moeten worden uitgebreid naar andere delen van Syrië. Nederland was op 10 december jl. gastheer voor een bijeenkomst in New York, waar VNVR-leden over voor- en nadelen van deze aanpak hebben gesproken. Deze bijeenkomst richtte zich op de technische aspecten van «freeze-zones» en onder welke voorwaarden deze effectief zouden kunnen worden geïntroduceerd. Verdere uitwerking van de plannen van De Mistura worden in december verwacht.

Regionale dynamiek

Terwijl de gewapende conflicten in Syrië en Irak voortduren, mag de rol van de regio niet uit het oog worden verloren. Het voortduren van de crisis in Syrië kan niet losgezien worden van de strijd om regionale dominantie tussen Teheran en Riyadh, en de vaak uiteenlopende belangen van andere omliggende landen. Daarnaast speelt het Iraanse nucleaire dossier een rol in de regionale dynamiek. Het constructief engageren van deze landen is noodzakelijk voor een duurzame oplossing, maar kent tal van complicerende factoren.

Libanon, Jordanië en Turkije zuchten onder een enorme toestroom van Syrische vluchtelingen en oplopende (sektarische) spanningen. Turkije ziet zich daarnaast gesteld voor een «trilemma». In eigen ogen heeft het te maken met drie tegenstanders: de PKK en daaraan gelieerde Koerden, Assad en ISIS. Daardoor moet Turkije voortdurend een gecalculeerde belangenafweging maken.

Ook de Golfstaten zien ISIS als een gevaar voor de regionale en nationale stabiliteit, hetgeen perspectieven biedt voor samenwerking tussen Europa, de VS en de regionale partners mede onder de noemer van «gedeelde belangen». Immers, onder delen van de bevolking in al deze landen trekken strijders richting Syrië en Irak en bestaat sympathie voor jihadi salafisme.

Een aparte plaats in de regionale dynamiek wordt ingenomen door de Koerden in de regio. Koerden in Syrië (veelal de aan de PKK gelieerde PYD) hebben een grote rol gespeeld in de strijd tegen ISIS, eerst in de verdediging van Koerdische delen van Irak (Mount Sinjar) en vervolgens in de verdediging van Kobani. De PYD onderhoudt zowel banden met het regime in Damascus als met de PKK; reden waarom het kabinet Nederlandse steun aan de PYD niet opportuun acht.

In Irak hebben de prominente rol die de Koerden innemen in de strijd tegen ISIS en het feit dat het gebied waarover de Koerden zeggenschap hebben is uitgebreid met onder andere het olierijke Kirkuk, geleid tot een sterke positie van de Koerdistan Regional Government (KRG) ten opzichte van Bagdad. Het verder verbeteren van de relatie met de KRG is voor de regering al-Abadi dan ook topprioriteit.

Zowel in Syrië als in Irak hebben de toenemende instabiliteit en het geweld geleid tot een groeiende roep om meer autonomie voor Koerdische gemeenschappen. Tegelijkertijd zijn de onderlinge verschillen tussen de Koerdische gemeenschappen groot. Een gezamenlijk optrekken gericht op afsplitsing lijkt om die reden niet voor de hand te liggen.

II: Nederlandse visie op de strijd tegen ISIS en het herwinnen van stabiliteit in Syrië en Irak

De strijd tegen ISIS zal uiteindelijk alleen duurzaam succesvol zijn indien gekozen wordt voor een strategie die zich ook richt op de structurele oplossing van de problemen in Irak en de Syrische burgeroorlog. Dit is alleen te bereiken indien de internationale gemeenschap een gemeenschappelijke visie heeft op de (middel)lange-termijn inzet voor Syrië en Irak. Vooralsnog is dat nog onvoldoende het geval. Hoewel de internationale gemeenschap zijn krachten heeft verenigd ten aanzien van de militaire strijd tegen ISIS en de steun voor de Iraakse regering van al-Abadi, ontbreekt een gemeenschappelijke visie voor Syrië. Nederland dringt bij partners aan op het bepalen van een gemeenschappelijke visie op de langetermijnagenda voor de strijd tegen ISIS en het herwinnen van stabiliteit in Irak en Syrië, aangezien deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Voor het kabinet zijn daarbij onderstaande elementen relevant.

1) Steun voor een inclusieve regering in Irak

Irak heeft momenteel een inclusieve regering, die onder leiderschap van premier al-Abadi belangrijke stappen heeft gezet op weg naar hervorming en een verbeterde relatie met de autonome Koerdische regio in noord Irak. Het kabinet steunt deze nieuwe Iraakse regering in zijn pogingen politieke en sociaaleconomische hervormingen door te voeren om zo de voedingsbodem voor ontevredenheid onder de Iraakse bevolking weg te nemen. Tijdens de coalitiebijeenkomst van 3 december jl. in Brussel bleek dat al-Abadi zich bewust is van de verantwoordelijkheid van de Iraakse regering bij het tegengaan van ISIS. al-Abadi ontvangt veel steun voor de eerste stappen die zijn regering daartoe heeft genomen. Het is daarbij belangrijk dat er gelijkwaardigheid is bij de behandeling van de verschillende bevolkingsgroepen door de Iraakse regering. Een eerlijk rechtssysteem is essentieel, waarbij soenni-Arabieren niet meer, zoals nu vaak het geval, willekeurig kunnen worden gearresteerd, zonder toegang tot een (onafhankelijke) rechter. Ook de achterstelling van deze groep binnen de overheid moet worden aangepakt om te voorkomen dat soennitische groeperingen vatbaar blijven voor de aantrekkingskracht van ISIS. De regering moet ter verantwoording kunnen worden geroepen voor misstanden en zich opstellen als een regering voor alle Irakezen.

Deze en andere prioriteiten van de coalitie én de Iraakse regering zijn vastgelegd in het door de Iraakse regering ontwikkelde Iraakse Nationale Plan. Prioriteiten daarin zijn veiligheid en stabiliteit, verhoging van de levensstandaard voor alle Irakezen, het vergroten van de olie- en gasproductie ten behoeve van financiële duurzaamheid en het reguleren van de relatie tussen Bagdad en lokale overheden. Het kabinet speelt een actieve rol in het bevorderen van coördinatie en voortgang op deze gebieden, in EU-, VN- en coalitiekader, en in de eigen bilaterale contacten met de regering in Bagdad. Voor de EU ziet het kabinet een belangrijke diplomatieke rol weggelegd, omdat deze meer gewicht in de schaal legt dan individuele lidstaten. Nederland steunt de VN (UNAMI) bij het geven van politiek en technisch advies en assistentie aan de Iraakse regering voor wettelijke hervormingen die ten grondslag (kunnen) liggen aan politieke oplossingen en reconciliatie. De VN doet dit door middel van experts, die juridische en politieke ondersteuning bieden aan verschillende politieke, religieuze en maatschappelijke leiders bij het aannemen en hervormen van essentiële wetgeving. Hierdoor wordt de rechtspositie van de verschillende groeperingen binnen Irak beter gewaarborgd. Ook bilateraal is Nederland actief, zowel op ambtelijk als politiek niveau.

2) Steun voor politieke oplossing in Syrië

Er is binnen de internationale gemeenschap grote verdeeldheid over de vraag hoe een nieuwe politieke constellatie eruit zou kunnen zien en over de weg daarnaartoe. Er wordt verschillend gedacht over de rol van Assad, de rol van Iran en de rol van de Koerden. Het uitblijven van een gemeenschappelijke visie van de internationale gemeenschap op Syrië is reden tot grote bezorgdheid van het kabinet. Na drieënhalf jaar bloedvergieten in Syrië is het de hoogste tijd dat de internationale gemeenschap op dit dossier de gelederen sluit. Nederland heeft hiervoor onder meer aandacht gevraagd tijdens de reeds genoemde coalitiebijeenkomst van 3 december jl. Voor een politieke oplossing in Syrië zijn wat Nederland betreft de volgende strategische uitgangspunten van belang.

Nederland steunt de diplomatieke inspanningen van VN-Gezant De Mistura en de door hem voorgestelde bottom-up aanpak van lokale »freeze zones». Uitgangspunt voor Nederland is dat de bottom-up aanpak uiteindelijk een overkoepelende politieke oplossing met zich mee moet brengen op basis van de uitgangspunten van Geneve I.

De gematigde Syrische oppositie moet in staat worden gesteld een geloofwaardig alternatief te vormen voor Assad én ISIS. In de visie van Nederland moet ook de steun aan deze oppositie worden opgevoerd, niet alleen omdat zij een belangrijk tegenwicht bieden maar juist ook omdat zij een belangrijke gesprekspartner zijn: zowel op het terrein van een politieke oplossing (tegengaan van straffeloosheid, uiteindelijk Assad dwingen om naar de onderhandelingstafel te gaan) als in de strijd tegen ISIS en andere jihadistische organisaties. Nederland steunt de gematigde Syrische oppositie al sinds het begin van het conflict, zowel de formele politieke oppositie als lokale actoren, het maatschappelijk middenveld, activisten en (in bescheiden mate) de gematigde gewapende oppositie. Tot die steun behoren onder andere initiatieven om de veerkracht van lokale gemeenschappen te vergroten, onder andere door lokale bestuurders, vrouwennetwerken en lokale politie- en justitieorganen van de gematigde oppositie in staat te stellen essentiële dienstverlening aan de gemeenschappen te verzorgen. Uw Kamer is hierover reeds in de artikel 100-brief geïnformeerd. Er ligt eveneens een grote verantwoordelijkheid bij de oppositie zelf: alleen als die zichzelf sterker verenigt en beter organiseert, kan ze een blijvende factor van belang zijn.

Een factfinding-missie (FFM) van Buitenlandse Zaken en Defensie heeft vorige week de wenselijkheid, kansen en risico’s in kaart gebracht voor het verlenen van niet-gewapende steun aan gematigde gewapende groepen zowel in het noorden als in het zuiden van Syrië. Nederland zal opties uitwerken voor het leveren van een bijdrage, niet zijnde wapens, aan groepen die onder de banier van het «Vrije Syrische Leger» vallen. Dit zijn gematigde, inclusieve groepen, die zichzelf als onderdeel zien van een toekomstig Syrisch leger en uiteindelijk een politieke transitie voor ogen hebben, maar nu strijden tegen het regime in Damascus en tegen jihadistische groeperingen als ISIS en Jabhat al Nusra. Het verder ondersteunen van deze groepen zal er mede toe leiden, dat zij effectief kunnen blijven opereren en de gematigde oppositie niet verder wordt gemarginaliseerd. De gematigde groepen moet perspectief worden geboden, zodat zij de lokale bevolking aan zich kunnen binden en zij ervan worden weerhouden zich uit zelfbescherming aan te sluiten bij extremistische groeperingen. Nederland zal op dit terrein nauw optrekken met gelijkgezinde partners als de VS en het VK.

Bij een politieke oplossing mag uiteindelijk geen sprake van straffeloosheid zijn voor de daders van de meest ernstige internationale misdrijven. Nederland roept daarom steeds op tot doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het ICC en steunt organisaties die bewijsmateriaal vergaren ten behoeve van onderzoek en strafrechtelijke vervolging, alsook verzoening.

De stem van de Syrische bevolking, mannen en vrouwen, moet worden gehoord. Het betrekken van elementen uit de Syrische samenleving, zoals lokale bestuurders van de Syrische oppositie en tribale en religieuze leiders en lokale (vrouwen)netwerken, is essentieel in de voorbereiding op politieke transitie.

3) Investeren in een constructieve rol voor sleutelspelers in de regio

Gezien de complexiteit van de regionale dynamiek is het essentieel om de dialoog met sleutelspelers in de regio open te houden en te intensiveren. De coalitie biedt hiervoor een goed kader. Uitgangspunt van het kabinet bij contacten met de regionale partners is het identificeren van gemeenschappelijke belangen. Nederland onderhoudt deze regionale contacten op bilateraal niveau – Minister Koenders bezoekt binnenkort de regio – en via regionale organisaties, zoals de Arabische Liga en de Gulf Cooperation Council. Ook internationale netwerkbijeenkomsten zoals de Manama Dialoog in Bahrein op 5 december jl. zijn hierbij van belang. Minister Koenders heeft en marge van deze bijeenkomst gesproken met een aantal regionale spelers, onder wie de Iraakse Minister van Buitenlandse Zaken al-Jaafari en de Saoedische Minister van Buitenlandse Zaken Saud al-Faisal. De bestrijding van ISIS speelde ook hier een belangrijke rol, zowel in de plenaire debatten als tijdens de een op een gesprekken met invloedrijke spelers uit de regio en daarbuiten. Nederland trekt hierin nauw op met EU-partners. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) heeft het contact met deze spelers tot prioriteit verheven. Ook is de EU eerder betrokken geweest bij de wederopbouw van Irak (waaronder rechtstaatontwikkeling). De EDEO werkt momenteel samen met de Europese Commissie en de lidstaten aan het opstellen van een brede regionale EU-strategie voor Irak/Syrië en ISIS. Het kabinet steunt dit en dringt hierbij aan op een geïntegreerde inzet van het beschikbare EU-instrumentarium en het formuleren van concrete actiepunten.

4) Harde aanpak ISIS via een bijdrage aan de coalitie

De drie bovengenoemde elementen vergen een lange adem. Het kabinet vindt, net als de coalitiegenoten, ook een harde aanpak nodig om op korte tot middellange termijn de opmars van ISIS een halt toe te roepen. Daarom neemt Nederland met een concrete bijdrage deel aan de internationale coalitie tegen ISIS bestaande uit meer dan zestig landen, waaronder landen uit de regio, waarbij de steun varieert van politieke steun tot daadwerkelijke bijdragen aan bestrijden van ISIS.

De internationaal en regionaal breed gedragen inzet is belangrijk omdat het aantoont dat er – ook in de regio – draagvlak is voor deze aanpak. De Iraakse regering is nauw betrokken bij de uitvoering van de strijd tegen ISIS. De internationale coalitie wordt geleid door de Verenigde Staten. Op de door de VS georganiseerde bijeenkomst van 3 december jl. van Ministers van Buitenlandse Zaken hebben de coalitielanden hun samenwerking bestendigd en afgesproken ISIS op verschillende sporen te bestrijden: 1) militaire spoor: de luchtcampagne tegen ISIS en het trainen van Iraakse strijdkrachten en Koerdische Peshmerga; 2) het tegengaan van Foreign Terrorist Fighters; 3) het stoppen van financieringsstromen naar ISIS en daaraan gelieerde individuen; en 4) het delegitimeren van ISIS. Nederland heeft, onder meer bij het opstellen van het militaire campagneplan en in overleg tussen de Commandanten der Strijdkrachten van de coalitiepartners, gepleit voor de betere inbedding van de militaire actie in een politieke strategie en voor betere coördinatie tussen de militaire en niet-militaire sporen. In de volgende paragrafen wordt per spoor de Nederlandse inzet geschetst.

Spoor 1: Militaire spoor

Op korte termijn richt de militaire strategie van de coalitie zich op het stoppen van de opmars van ISIS evenals het ondersteunen van het Iraakse leger, de Peshmerga en de gematigde Syrische oppositie teneinde de militaire kracht van ISIS te breken. De inzet van de coalitie is tevens een politieke steun in de rug van premier al-Abadi. Nederland heeft, naast de inzet van F-16»s, besloten de Iraqi Security Forces en de Peshmerga gedurende een periode van in beginsel één jaar te ondersteunen met training en advies in het kader van deze strategie. In het tweede deel van deze brief treft u de voortgangsrapportage aan over de Nederlandse militaire bijdrage.

De coalitie voert dagelijks (bombardements- en verkennings-)vluchten uit, waarbij commandocentra, opslagplaatsen, voertuigen, artilleriestukken en tanks worden vernietigd. Het luchtoptreden van de coalitie, in samenhang met het grondoptreden van de Iraakse en Koerdische strijdkrachten, heeft ervoor gezorgd dat de opmars van ISIS in Irak gedeeltelijk is gestopt en ISIS op verschillende plaatsen in de verdediging is gedrongen.

In bepaalde gebieden (zoals in de provincie Anbar) beschikt ISIS nog over bewegingsvrijheid en zal het proberen de militaire druk op de geïsoleerde posities van de Iraakse strijdkrachten te bestendigen. Omdat regulier militair optreden ISIS kwetsbaar maakt voor vooral luchtaanvallen, valt het in toenemende mate terug op irreguliere tactieken, zoals het gebruik van IED’s, indirect vuur en hinderlagen. Tevens moet rekening worden gehouden met het opvoeren van aanslagen in Bagdad, Erbil en andere grote steden om de sektarische tegenstellingen aan te wakkeren en het functioneren van de overheid te verlammen. Mede om dergelijke terreuracties van ISIS tegen te gaan, is het van belang Iraakse eenheden en Koerdische Peshmerga te trainen, die – gesteund vanuit de lucht – op de grond de strijd met ISIS kunnen aangaan.

Spoor 2: Foreign Terrorist Fighters

Het tegengaan van Foreign Terrorist Fighters is sinds geruime tijd een prioriteit van het kabinet. In maart 2013 heeft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), mede op basis van de stijging in uitreizen door personen die zich wilden aansluiten bij terroristische organisaties in Syrië en Irak, het dreigingsniveau verhoogd van beperkt naar substantieel. Dit betekent dat de kans op een aanslag tegen Nederland reëel is.

Het kabinet zet alle mogelijke middelen in om uitreizen richting Syrië en Irak te voorkomen. In het bijzonder omdat personen die actief zijn bij een dergelijke terroristische organisatie ervaring kunnen opdoen waarmee zij een mogelijk gevaar kunnen vormen voor de nationale veiligheid. Foreign Terrorist Fighters bevestigen de sterke verwevenheid tussen de interne en externe veiligheid. Internationale samenwerking is daarbij, meer dan voorheen, vereist.

Ook op internationaal vlak is Nederland actief in het tegengaan van Foreign Terrorist Fighters. In de EU is op 20 oktober jl. tijdens de Raad Buitenlandse Zaken een strategie aangenomen welke zich richt op het tegengaan van Foreign Terrorist Fighters. Daarnaast maakt Nederland in EU-verband deel uit van een kopgroep van tien EU-landen die vervult een voortrekkersrol bij het formuleren van de Europese aanpak voor het tegengaan van de problematiek.

In september 2013 is Nederland met Marokko binnen het Global Counter Terrorism Forum (GCTF) een Foreign Terrorist Fighters initiatief gestart. Bij dit forum zijn vijftien Westerse en vijftien niet-Westerse landen aangesloten met als doel het overeenkomen van best practices en aanbevelingen ten behoeve van het ontwikkelen van beleid dat gerelateerd is aan de bestrijding van terrorisme. In het kader van het bovengenoemde initiatief heeft een aantal bijeenkomsten plaatsgevonden, onder andere in Den Haag, Marrakech en Abu Dhabi waar werd gesproken over de aanpak van personen die deelnemen aan de strijd door terroristische organisaties, waaronder ISIS.

Deze bijeenkomsten hebben geleid tot een memorandum met niet-bindende aanbevelingen. Het The Hague – Marrakech Memorandum on Good Practices for a More Effective Response to the Foreign Terrorist Fighters Phenomenon is in september 2014 en marge van de Algemene Vergadering van de VN aangenomen tijdens de ministeriële bijeenkomst van het Global Counterterrorism Forum (GCTF). Tijdens deze bijeenkomst zijn meerdere fasen in de ontwikkeling van Foreign Terrorist Fighters erkend: radicalisering, rekrutering en facilitering, uitreizen, deelname aan de strijd en terugkeer. Daarnaast is besloten dat Nederland de komende jaren co-voorzitter (samen met Marokko) zal zijn van de GCTF Foreign Terrorist Fighters werkgroep. In deze werkgroep zullen de aanbevelingen worden uitgewerkt. De inaugurele bijeenkomst van de Foreign Terrorist Fighters werkgroep zal plaatsvinden op 15 en 16 december te Marrakech, Marokko.

Op 24 september jl. was er onder voorzitterschap van de Amerikaanse president Obama een zitting van de VN Veiligheidsraad waarin Minister-President Rutte en andere regeringsleiders spraken over de aanpak van Foreign Terrorist Fighters. Het Nederlandse initiatief is regelmatig als voorbeeld genoemd en wordt aangehaald in VNVR resolutie 2178. Door deze resolutie worden VN-lidstaten aangemoedigd om het uitreizen van Foreign Terrorist Fighters zoveel mogelijk te beperken.

Spoor 3: Financieringsstromen

ISIS heeft toegang tot diverse financieringsbronnen, waaronder inkomsten uit de verkoop van olie, losgeld, afpersing, criminele activiteiten en externe donaties. Met het uitbreiden van zijn territorium, heeft ISIS toegang gekregen tot nog meer financiële middelen. Het verstoren van de financieringsstromen richting de organisatie en daaraan gelieerde individuen is dan ook nadrukkelijk onderdeel van de bestrijding van ISIS. De internationale gemeenschap heeft dit bevestigd in onder andere VNVR-Resolutie 2161 (2014) en 2170 (2014).

Uitgangspunt om de financieringsstromen richting ISIS te stoppen, is voor het kabinet het VN-sanctie-instrumentarium vanwege de brede multilaterale werking. Het afgelopen jaar heeft Nederland zich ingezet voor het versterken van dit instrumentarium. Zoals benadrukt door de Minister-President in zijn toespraak voor de VN Veiligheidsraad op 24 september jl. is het van belang om de sanctieregimes effectiever te maken en te gebruiken als middel om terrorisme tegen te gaan. Van belang hierbij is dat Nederland samenwerkt met landen uit de regio.

In oktober was een multilaterale bijeenkomst in Washington waar is verkend hoe de financiering van terroristische organisaties zoals ISIS en Jabhat al Nusra verder ingedamd kan worden. Nederland was in november eveneens aanwezig tijdens een soortgelijke multilaterale bijeenkomst in Bahrein. Alle deelnemende landen, inclusief de landen uit de regio, hebben zich gecommitteerd de financiering van terrorisme en zo ook ISIS tegen te gaan. Verder is Nederland betrokken bij onderzoek in het kader van de Financial Action Task Force (FATF) naar de financiering van ISIS.

Los van de actieve Nederlandse bijdrage in multilaterale en bilaterale verbanden zet het kabinet regelmatig de nationale bevriezingsmaatregel in met als doel terrorisme en terrorismefinancieringsstromen te voorkomen. Door deze maatregel zijn de financiële tegoeden bevroren en is het tegelijkertijd strafbaar om financiële tegoeden beschikbaar te stellen aan degene op wie deze maatregel van toepassing is. Sinds december 2013 is deze vergaande maatregel 11 keer toegepast. Waar mogelijk en noodzakelijk zal het kabinet deze maatregel blijven inzetten.

Spoor 4: Delegitimeren ISIS

ISIS heeft veel gebied kunnen veroveren, omdat de organisatie steun heeft gekregen van – vaak zelf niet extremistische – delen van de bevolking, vooral in Irak. Een gepercipieerd gebrek aan alternatief, onder meer vanwege de uitsluitingspolitiek van de regering Maliki, heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Het kabinet ziet delegitimering en het tegengaan van gewelddadig extremisme als belangrijke niet-militaire instrumenten in de strijd tegen ISIS; dit is bevestigd in VNVR-resolutie 2178 (2014). Opvallend was de overeenstemming onder coalitielanden op de bijeenkomst op 3 december jl. over het feit dat vooral de regionale landen een rol te spelen hebben bij het delegitimeren van ISIS.

In dit kader werkt het kabinet daarom samen met verschillende lokale en internationale partners, organisaties en denktanks, waaronder het International Center of Excellence for Countering Violent Extremism (CVE) in Abu Dhabi. Deze organisatie komt voort uit het Global Counterterrorism Forum (GCTF) waarin Nederland een actieve rol speelt. De organisatie richt zich specifiek op onderzoek en het uitvoeren van projecten bij het tegengaan van gewelddadig extremisme in relatie tot onder meer ISIS. Daarnaast werkt Nederland samen met het International Centre for Counter-Terrorism – The Hague (ICCT), gevestigd te Den Haag.

Delegitimering behelst onder andere dat de ontvankelijkheid voor de haatboodschappen van ISIS wordt verminderd en dat er een geloofwaardig en gedragen tegengeluid bestaat. Om die reden is Nederland, samen met het Verenigd Koninkrijk, initiatiefnemer van een onderzoeksproject in Irak, dat een basis moet leggen voor campagnes tegen gewelddadig extremisme. In eerste instantie gebeurt dat door verschillende doelgroepen en hun percepties en visies binnen Irak in kaart te brengen. Ontwikkeling en implementatie van een counter-narrative zouden vervolgstappen kunnen zijn.

De mate waarin het geluid van ISIS in Syrië weerklank vindt, hangt samen met de context van wetteloosheid en gewelddadigheid. Om bij te dragen aan het bestrijden van wetteloosheid en gewelddadigheid financiert het kabinet, in samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en de Verenigde Staten, een project dat beoogt lokale veiligheid en rechtsorde in oppositiegebieden te vergroten, en daarmee bij te dragen aan het wegnemen van gronden voor gewelddadig extremisme.

Om de kans van slagen van bovenstaande inzet te vergroten is betrokkenheid nodig van partijen over de gehele breedte van het maatschappelijk middenveld in Irak en Syrië. Civiele activisten, lokale bestuurders en tribale religieuze leiders kunnen hier allen een rol in spelen. Nederland steunt daarom initiatieven die dialoog tussen deze partijen bevorderen en participeert actief bij dergelijke «track II»-bijeenkomsten. In dit verband vond recent een trainingsbijeenkomst plaats die Nederland in samenwerking met Instituut Clingendael heeft georganiseerd.

III: Voortgangsrapportage Nederlandse militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS

Nederland levert met zes F-16s (ongeveer 250 militairen) en 130 militairen voor training een bijdrage aan het militaire spoor van de coalitie. In de volgende paragrafen wordt de Nederlandse militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS beschreven.

De coördinatie van de militaire bijdragen van deze verschillende landen is belegd in CENTCOM (Tampa, Florida). De militaire strategie van de coalitie is beschreven in het campagneplan. Bij de ontwikkeling van het campagneplan heeft Nederland de nadruk gelegd op de inbedding van de militaire strategie in een politieke aanpak en de noodzaak tot inclusiviteit binnen de Iraakse overheid. Ook is aandacht gevraagd voor zaken zoals mensenrechten, humanitair oorlogsrecht en gender. Het campagneplan wordt waarschijnlijk eind januari 2015 door de Commandanten der Strijdkrachten bekrachtigd. Maar ook na de bekrachtiging in januari blijft het campagneplan een groeidocument, dat – gebaseerd op de opgedane ervaringen en de evaluatie daarvan – wordt aangepast. Hiervoor wordt binnen CENTCOM (Combined Forces Command – CFC) een joint / combined assessment and planning cell ingericht. Nederland zal hierin vertegenwoordigd zijn. Zo wordt vroegtijdig kennis opgedaan van de richting waarin de missie zich ontwikkelt en kan Nederland hierop invloed uitoefenen.

Luchtcampagne

Ontplooiing Nederlandse F-16 capaciteit

Kort na de ontplooiing van de Nederlandse F-16 eenheid naar het Midden-Oosten heeft op 7 oktober jl. een eerste Nederlandse F-16 een aanval uitgevoerd op gronddoelen in Irak. Inmiddels worden er dagelijks meerdere missies gevlogen. De doelen bestaan hoofdzakelijk uit ISIS-hoofdkwartieren, opslagplaatsen, fabrieken waar improvised explosive devices (IED’s) worden gemaakt, voertuigen en ISIS-strijders.

Minimaliseren burgerslachtoffers

Het aangrijpen van doelen gebeurt volgens een zorgvuldig proces (targeting process), waarbij het minimaliseren van onbedoelde nevenschade en burgerslachtoffers, niet alleen voor Nederland maar voor de coalitie als geheel, de hoogste prioriteit heeft. Tijdens dit proces vormen het humanitair oorlogsrecht en de Rules of Engagement het uitgangspunt. Irak is in het proces betrokken en moet toestemming geven om doelen aan te vallen. Daarnaast beoordeelt de vlieger, voordat hij zijn wapens inzet, zelf de situatie. Hij bekijkt de omgeving van het doel en beoordeelt nogmaals de risico’s van onbedoelde nevenschade en burgerslachtoffers.

Van de aanvallen worden beelden gemaakt die na afloop nauwgezet worden geanalyseerd. Na deze analyses wordt een rapport opgemaakt. Hierin wordt de actie nauwkeurig beschreven, inclusief exacte locaties, tijden van de aanval en de eventuele onbedoelde nevenschade en/of burgerslachtoffers. Zoals gebruikelijk wordt achteraf aan de commandant en via de Koninklijke Marechaussee aan het Openbaar Ministerie gerapporteerd, ter beoordeling van de legitimiteit van de geweldstoepassing.

Inbedding gastland en samenwerking

Het F-16 detachement is volledig ontplooid. De eenheid verblijft in tenten op het vliegveld. Op het kamp worden nog verbeteringen aangebracht. Zo wordt het aantal personen per onderkomen verminderd. Ook wordt er een grotere munitieopslag gebouwd. Nederland werkt samen met het gastland en andere coalitiepartners, zoals België, die op het vliegveld aanwezig zijn. Het betreft strategisch luchttransport en vliegvelddiensten zoals verkeersleiding en brandweer.

Personeel

In het F-16-detachement zijn nu ongeveer 220 militairen ingezet. Daarnaast zijn enkele liaisonofficieren op het hoofdkwartier voor de luchtoperaties (Combined Air Operations Centre in Qatar) geplaatst. Het detachement roteert elke drie maanden, de vliegers roteren vaker vanwege trainingen in Nederland. In de eerste (huidige) rotatie zijn, als gevolg van de korte reactietijd, 28 militairen uitgezonden terwijl zij nog uitzendbescherming genoten. De volgende rotatie bevat geen militairen van wie de uitzendbescherming moet worden opgeschort.

Materieel

Het ingezette materieel houdt zich goed en de eerste wisseling van F-16»s is inmiddels uitgevoerd. Klein onderhoud aan de F-16»s gebeurt in het inzetgebied, groot onderhoud in Nederland. De munitie komt ook uit Nederland. Bij de aanvallen wordt, ter voorkoming van nevenschade, uitsluitend precisiemunitie gebruikt. De voorraad is niet onbegrensd. Voor de aanvulling van voorraden zijn er diverse internationale trajecten. Naast het versneld aankopen van nieuwe wapens is het lenen van wapens van partnerlanden een mogelijkheid.

Trainingsmissie

De Nederlandse bijdrage aan de trainingsmissie richt zich op twee doelgroepen, te weten reguliere militaire eenheden van de Peshmerga in Erbil en eenheden van de Iraakse Special Operation Forces (SOF) in Bagdad. De Nederlandse trainers gaan niet mee in gevechtssituaties. Van combat boots on the ground is derhalve geen sprake.

De voorbereiding voor de Nederlandse bijdrage aan de voorziene trainingsmissie is in volle gang. Nederland hecht eraan dat de trainingsmissie vorm krijgt in coalitieverband om te verzekeren dat de bijdrage bij het campagneplan past en aansluit op de Iraakse behoefte.

In Erbil zal nauw worden samengewerkt met Duitsland. Dat is in de huidige voorbereidingsfase ook al het geval. In Bagdad wordt nauw samengewerkt met de Verenigde Staten. Door deze samenwerking kan de Nederlandse ondersteunings- en logistieke inspanning zo klein mogelijk blijven. In een aantal coalitielanden (waaronder België, Duitsland en Noorwegen) is nog geen definitief besluit genomen over deelneming aan de trainingsmissie. In deze landen is de planning van de trainingsmissie derhalve nog niet voltooid. De verwachting is dat in de volgende voortgangsrapportage meer details kunnen worden verstrekt over de Nederlandse bijdrage aan de trainingsmissie en de samenwerking met partners.

Voor de trainingen is de behoefte van de Iraakse overheid leidend. In Erbil wordt tevens samengewerkt met het Ministry of Peshmerga. In Bagdad heeft de coalitie contact met het Iraakse Ministerie van Defensie. Op grond van de behoefte wordt in coalitieverband een curriculum opgesteld. Nederland onderstreept bij het opstellen van het curriculum het belang van trainingsaspecten op het gebied van humanitair oorlogsrecht, mensenrechten en gender.

Operatieconcept

Het operatieconcept voor de Nederlandse bijdrage aan de trainingsmissie berust op de principes van een gefaseerde planning en ontplooiing. De fasering is afhankelijk van vastgestelde voorwaarden. Nederlandse militairen zijn nog niet begonnen met trainen. Wel zijn enkele Nederlandse stafofficieren momenteel in Irak om zaken te verkennen en voor te bereiden. Met het oog op de voorbereiding van de Nederlandse bijdrage maken zij reeds deel uit van coalitiebesprekingen die plaatsvinden in Erbil en Bagdad. De aansturing op coalitieniveau van de trainingen in Erbil wordt gedaan in het Combined Joint Operation Centre Erbil (CJOC-E). De aansturing voor de SOF-trainingen in Bagdad gebeurt door het Combined Special Operation Joint Taskforce Iraq (CSOJTF-I) in Bagdad. Ook hier zijn op dit moment enkele Nederlandse stafofficieren werkzaam.

Op korte termijn gaan grotere voorbereidingsteams van tien tot twintig militairen naar zowel Bagdad als Erbil. Deze teams hebben de opdracht de lokale situatie verder te verkennen, op te treden als liaisons richting coalitiepartners, de Iraqi Security Forces en de Peshmerga, en het verdere planningsproces te begeleiden. De input van deze teams zal leiden tot een gedetailleerde planning voor de gefaseerde ontplooiing van de, in de artikel 100-brief gemelde, 130 militairen in Irak. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met de lokale en regionale politieke gevoeligheden en omstandigheden. Het eerder genoemde bezoek van Minister Koenders aan de regio is hierbij van belang. De teams worden voorzien van een organieke uitrusting, inclusief een persoonlijk vuurwapen voor zelfverdediging. Daarnaast worden de teams uitgerust met verbindingsmiddelen waarmee ze onderling en met Nederland kan communiceren. De teams werken samen met de coalitiepartners en lokale autoriteiten.

Zodra aan de voorwaarden voor verdere ontplooiing wordt voldaan, worden de trainingsteams ingezet. Zoals gezegd, werkt Nederland daarbij nauw met Duitsland samen. Belangrijke voorwaarden zijn de beschikbaarheid van het trainingspubliek en goede trainingslocaties, alsmede de lesprogramma’s. Bovendien zijn concrete samenwerkingsvormen met zowel de coalitiepartners als de Iraakse en Koerdische autoriteiten een voorwaarde. Uiteraard moet ook aan de standaard eisen voor de inzet van trainers worden voldaan, zoals huisvesting, toereikende force protection, medische verzorging en logistieke ondersteuning.

Erbil

Nadat het curriculum gereed is en de voorbereidingen zijn voltooid, zal in Erbil worden begonnen met het trainen van Peshmerga-eenheden. Het gaat zowel om soldaten als nieuwe rekruten, die worden voorgedragen in nauwe samenwerking met het Ministry of Peshmerga (MoP). Het voorbereidingsteam dat naar Erbil gaat, zal samen met vertegenwoordigers van coalitiepartner Duitsland de planningsaspecten in kaart brengen. Het team in Erbil heeft verder als opdracht om op te treden als liaison met coalitiepartners en de Peshmerga, in coördinatie met de Iraakse regering.

Het team zal een aantal weken in hotels in de regio Erbil worden gehuisvest. Voor transport maakt het gebruik van huurauto’s. De Peshmerga hebben zich verantwoordelijk gesteld voor de veiligheid van het Nederlandse team. Voor de definitieve huisvesting van de trainingsteams wordt gekeken naar de mogelijkheid om samen met partners een kamp te bouwen op het vliegveld.

De medische voorzieningen ter plaatse zijn toereikend. Er is een beperkte Role 2 en Amerikaanse MEDEVAC-capaciteit beschikbaar. Het team beschikt over eigen medisch personeel, counter-IED specialisten en infanteristen. Bij de samenstelling van het team wordt ook gekeken naar de instructievaardigheid van de teamleden. Het team wordt uitgerust met verbindingsmiddelen waarmee het onderling en met Nederland kan communiceren.

Uiteindelijk levert het team een gedetailleerde planning voor de gefaseerde ontplooiing van de trainingsteams en hun ondersteuning voor het trainen van reguliere Peshmerga militairen in het noorden van Irak.

Bagdad

In Bagdad traint de coalitie reeds Iraakse SOF-eenheden. De Verenigde Staten zijn daarbij lead nation en ook Australië en Frankrijk zijn hier al actief met SOF-training. Op termijn wordt ook Belgische en Noorse deelneming verwacht. De Iraakse SOF-eenheden worden getraind op het goed beveiligde internationale vliegveld van Bagdad. Op dat vliegveld is er een Amerikaans deel waar de coalitiedeelnemers, waaronder Nederlandse militairen, kunnen worden gehuisvest. Direct naast het Amerikaanse deel ligt de Iraakse SOF-academie waar de SOF-trainingen plaatsvinden.

Ook voor Bagdad is een gefaseerde aanpak voor de inzet van Nederlandse trainers voorzien. Op korte termijn gaat een eerste team naar Bagdad. Dit is een SOF-team, bestaande uit tien tot vijftien militairen. In dit team zitten planners, medische specialisten en wapenspecialisten en experts op het gebied van verbindingen. Dit team treedt op als kwartiermakergroep voor de Nederlandse SOF-trainingsbijdrage voor Bagdad. Hierbij moet het team bepalen welke ondersteuning van de SOF-trainers in coalitieverband beschikbaar is en voor welke ondersteuning Nederland zelf moet zorgdragen.

Voor verplaatsingen buiten het vliegveld wordt gebruikgemaakt van gepantserde voertuigen. Voor de locatie Bagdad kan voor de eerstelijnszorg worden teruggevallen op het Amerikaanse zorgsysteem. Voor tweedelijnszorg wordt gebruikgemaakt van geneeskundige voorzieningen van de coalitie op het internationale vliegveld. Dat ziekenhuis beschikt over de in Nederland gebruikelijke specialistische poliklinieken met diagnostiek en verpleegafdelingen.

In Bagdad zijn reeds, zoals hierboven gemeld, bestaande faciliteiten en bestaande trainingen van coalitiegenoten waar Nederlandse SOF-eenheden bij kunnen aanhaken. Daarom zal naar verwachting de trainingscapaciteit voor de SOF in Bagdad sneller dan in Erbil kunnen worden vormgegeven. In de verdere planning wordt rekening gehouden met een bijdrage van drie SOF-trainingsteams, aangevuld met een kleine staf en een logistiek element.

Dreiging

ISIS heeft herhaaldelijk verklaard dat de Verenigde Staten en landen die deelnemen aan de coalitie tegen ISIS een doelwit vormen voor aanslagen. Dit geldt dus ook voor Nederlandse militaire eenheden. Eenheden van ISIS beschikken over de capaciteit om gerichte en gecompliceerde aanslagen uit te voeren in grote delen van Irak, al dan niet met ondersteuning van lokale netwerken.

Dreiging Bagdad

Reguliere eenheden van ISIS zijn, behoudens de regelmatige bomaanslagen, tot op heden niet doorgedrongen tot de Iraakse hoofdstad Bagdad. Het meest nabije bolwerk van ISIS bij Bagdad bevindt zich thans in de stad Falluja op ongeveer 50 kilometer ten westen van het centrum van de hoofdstad. De Iraakse regering en de strijdkrachten spannen zich in om de hoofdstad Bagdad te beschermen. De sterkste eenheden van de Iraakse strijdkrachten zijn hier gestationeerd. Niettemin behoudt ISIS enige vorm van bewegingsvrijheid en slagen eenheden van ISIS slagen er regelmatig in aanslagen in de stad uit te voeren. Hierbij worden voornamelijk sjiitische inwoners en het Iraakse veiligheidsapparaat getroffen. De aanslag tegen het konvooi van de VN op 16 november jl. nabij het internationale vliegveld toont aan dat ook de internationale presentie doelwit kan worden van aanslagen.

Dreiging Erbil

Hoewel de veiligheidssituatie in Erbil relatief rustig is – ISIS is militair teruggedrongen uit de directe omgeving van de stad – heeft ISIS met de aanslag op 19 november jl. in Erbil laten zien in staat te zijn incidenteel gerichte aanslagen uit te voeren in Koerdisch gebied. De aanslag in Erbil was gericht tegen een Koerdisch overheidsgebouw nabij het oude centrum van de stad en werd uitgevoerd door een zelfmoordenaar in een voertuig.

Mandaat, geweldsinstructie en diplomatieke status

Nederland levert een bijdrage aan de strijd tegen ISIS op basis van een verzoek tot militaire steun van de Iraakse autoriteiten, dat zij op 25 juni jl. bij de VN hebben ingediend en op 20 september jl. hebben herhaald. Het verzoek om steun door de legitieme Iraakse regering voorziet in een rechtsgrond voor de inzet van Nederlandse militairen in Irak.

De geweldsinstructie voor de Nederlandse deelnemers aan de trainingsmissie berust op het recht op zelfverdediging. Ook bij onverhoopte escalatie biedt het recht op zelfverdediging de juridische grondslag voor geweldgebruik en voorziet de geweldsinstructie daarin. Uit het oogpunt van operationele veiligheid wordt de specifieke geweldsinstructie niet openbaargemaakt.

Ten behoeve van de inzet van de F-16»s heeft Nederland nationale Rules of Engagement en Targeting Guidelines opgesteld om te waarborgen dat het humanitair oorlogsrecht wordt nageleefd. De commandant van de Nederlandse F16»s is als Red Card Holder belast met het toezicht op de naleving. Omdat de rechtsgrondslag van deze inzet de uitnodiging van Irak is, wordt vóór iedere luchtaanval specifiek de toestemming gevraagd van de Iraakse autoriteiten.

Op 2 oktober jl. is tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het F-16 gastland een verdrag tot stand gekomen dat de status regelt van Nederlands personeel in het gastland. Het verdrag regelt onder andere dat Nederland voorrang heeft bij het uitoefenen van strafrechtelijke rechtsmacht over handelingen van het personeel die in de uitoefening van de functie zijn verricht.

In een Note Verbale heeft Irak inmiddels vastgelegd dat het Nederland exclusieve strafrechtelijke rechtsmacht zal toekennen over de Nederlandse militairen in Irak. Daarnaast zullen de Nederlandse militairen in Irak immuniteit van burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht genieten, die zich echter niet uitstrekt tot handelingen die geen ambtshandelingen zijn.

Alleen op de trainingslocaties wordt een uniform gedragen. Op verzoek van de Iraakse autoriteiten wordt buiten de trainingslocaties door de militairen van de coalitie burgerkleding gedragen. Op deze wijze wordt de militaire footprint zo beperkt mogelijk houden. Het dragen van burgerkleding is ook een onderdeel van de beveiligingsmaatregelen (low visibility).

Financiën

De kosten van de Nederlandse militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS zijn initieel geraamd op EUR 30 miljoen in 2014, waarvan EUR 18,5 miljoen voor de luchtcampagne en EUR 11,5 miljoen voor de trainingsmissie. Het geraamde bedrag voor de luchtcampagne wordt nagenoeg geheel gerealiseerd. Voornamelijk vanwege latere ontplooiing van de Nederlandse bijdrage aan de trainingsmissie wordt in 2014 op basis van de huidige prognoses een onderrealisatie van ongeveer EUR 11,5 miljoen op de gehele missie verwacht. Deze onderrealisatie wordt aangemeld voor de eindejaarsmarge.

IV: Humanitaire hulp

De humanitaire situatie voor Syrische burgers is de afgelopen maanden vrijwel onveranderd. Naar schatting hebben 12,1 miljoen mensen in Syrië en de buurlanden dringend hulp nodig. Hiervan verblijven vijf miljoen mensen in de belegerde en moeilijk bereikbare gebieden, zoals in en rondom de steden Kobani en Aleppo. De conferentie in Berlijn van eind oktober 2014 zette de opvang van vluchtelingen in de omringende landen opnieuw op de agenda. Een van de doelstellingen van het nieuwe Relief Fund is om de zelfredzaamheid van vluchtelingen in gastlanden te vergroten, alsmede een bijdrage te leveren aan een betere balans tussen ondersteuning van vluchtelingen en gastgemeenschappen.

Nederland heeft sinds het begin van de Syrische crisis EUR 114,25 miljoen bijgedragen aan het verlichten van de noden van ontheemden binnen Syrië en van vluchtelingen in de buurlanden, inclusief de recent aangekondigde EUR 30 miljoen uit het Relief Fund. EUR 7 mln daarvan is bestemd voor de verlenging van cross-border hulpverlening door Nederlandse ngo’s en hulp aan niet-geregistreerde vluchtelingen.

Op 1 december jl. luidde het Wereldvoedselprogramma (WFP) de noodklok: vanwege een urgent financieringstekort van EUR 63 mln zag de organisatie zich genoodzaakt om haar activiteiten voor voedselhulp aan vluchtelingen in de buurlanden op te schorten. Het financieringstekort wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de praktijk dat sommige donoren een lange periode hanteren tussen het toezeggen van een bijdrage en de werkelijke uitbetaling. Deze problematiek is besproken met de Executive Director van het WFP en het kabinet zal donoren in verschillende internationale fora oproepen de door hen toegezegde bijdragen over te maken. In ieder geval zal de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking haar standpunt uitdragen tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking.

Sinds januari 2014 zijn 2,1 miljoen Irakezen ontheemd geraakt als gevolg van de opmars van ISIS. Naast het groeiende aantal ontheemden kampt vooral het noorden van Irak met de instroom van Syrische vluchtelingen. Zo vluchtten circa 19.000 Syriërs naar Irak als gevolg van het uitbreken van gevechten rond Kobani. Zij worden opgevangen in extra vluchtelingenkampen die de Koerdische autoriteiten opzetten. Met de winter op komst groeien de zorgen over de opvang van vluchtelingen die nu verblijven in tentenkampen of onafgebouwde appartementen. Sinds juni 2014 heeft Nederland een humanitaire bijdrage van EUR 17,3 mln geleverd om de noden van Internally Displaced Persons (IDP’s) in Irak te verlichten.

Op basis van het geïntegreerde VN-noodhulpverzoek voor Syrië en de regio en het noodhulpverzoek voor Irak die eind december zullen uitkomen, bepaalt de regering naar redelijkheid de Nederlandse humanitaire bijdrage voor verlichting van de noden in en rondom Syrië en Irak voor 2015. De Tweede Kamer is inmiddels geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om in 2015 in ieder geval een bijdrage van EUR 12 mln te leveren aan het verlichten van de noden van Syrische vluchtelingen en ontheemden. Zoals ieder jaar stuurt de regering begin 2015 een brief naar de Tweede Kamer waarin de totale indicatieve planning van humanitaire bijdragen voor het komende jaar is opgenomen.

V: Nationale veiligheid

De deelneming aan de anti-ISIS coalitie heeft in Nederland niet geleid tot geweldsincidenten of grote maatschappelijke onrust. Wel heeft deelneming aan deze coalitie Nederland nadrukkelijker in beeld gebracht bij de jihadistische beweging. Nederlandse jihadisten in Syrië hebben opgeroepen tot geweld tegen Nederland en tegen de Nederlandse overheid als represaille voor de luchtaanvallen. Leiders en woordvoerders van de terroristische groepen ISIS en Jabhat al Nusra hebben opgeroepen tot geweld tegen de burgers en overheden van de landen die deelnemen aan de coalitie.

Hoewel zich geen incidenten hebben voorgedaan, blijft er mede door de deelneming aan de strijd tegen ISIS een reële kans bestaan op terroristische aanslagen in of tegen Nederland. Dit wordt onderstreept door dodelijke aanslagen in andere landen die deelnemen aan de coalitie, zoals Canada en de Verenigde Staten door solitaire jihadisten die waren geïnspireerd door ISIS. Eveneens blijkt de reële terroristische dreiging tegen het Westen, en daarmee ook tegen Nederland, uit verijdelde jihadistische aanslagplannen in diverse westerse landen die gerelateerd kunnen worden aan ISIS of andere jihadistische organisaties die opereren vanuit de huidige conflictgebieden in het Midden-Oosten.

VI: Conclusie

De uitdagingen waarvoor de regio staat, vereisen oplossingen op verschillende niveaus. Slechts een beperkt deel daarvan valt binnen de invloed van Nederland en onze coalitiepartners. Ook deze invloed kenmerkt zich door onzekerheden, vooral waar het gaat over langetermijneffecten. Onze partners in de regio hebben een belangrijke rol te vervullen, maar we hebben geen garanties dat dat altijd vlekkeloos en volgens onze standaarden zal verlopen. Het kabinet heeft er, ondanks de risico’s en onzekerheden, voor gekozen een rol te spelen in de bestrijding van ISIS en het dichterbij brengen van stabiliteit in de regio, vanwege onze verantwoordelijkheid jegens de bevolking daar en omwille van onze eigen veiligheid.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen


2.

Meer informatie

3.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend wetsvoorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.Als u meer wilt weten over de Parlementaire Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@parlementairemonitor.nl.
TWEEDE KAMERDEBAT OVER DE NEDERLANDSE BIJDRAGE AAN ANTI-ISIS COALITIE EN VEILIGHEIDSINZET IN IRAK IN 2020 EN 202119 DECEMBER 2019
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/kamer_in_het_kort/debat-over-de-nederlandse-bijdrage-aan-anti-isis

TEKST

19 december 2019, debat – Ook in 2020 en 2021 neemt Nederland deel aan de anti-ISIS-coalitie en de veiligheidsinzet in Irak. De Kamer debatteert hierover met de ministers Blok (Buitenlandse Zaken), Bijleveld (Defensie) en Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking).

Hoewel ISIS territoriaal is verslagen, is de dreiging nog niet verdwenen. De regering beschouwt de terreurorganisatie nog steeds als een gevaar voor de stabiliteit in de regio en een oorzaak van instabiliteit aan de grenzen van Europa.

Nederland gaat onder andere met 60 militairen Koerdische strijdkrachten en Iraakse special forces trainen. De NAVO-missie in Irak wordt ondersteund met zo’n twintig militairen en civiele experts.

Steun en kritiek

Er is veel bereikt in Irak, zegt Bosman (VVD), het leven van veel mensen is verbeterd. Het kalifaat bestaat niet meer, stelt Van Ojik (GroenLinks) vast. Zij steunen de verlenging van de Nederlandse bijdrage, net als Stoffer (SGP), Van Helvert (CDA), Sjoerdsma (D66), Ploumen (PvdA) en Voordewind (ChristenUnie).

Nederland heeft de afgelopen jaren voldoende gedaan aan het bestrijden van ISIS, vindt De Roon (PVV). Anderen zouden het stokje moeten overnemen. Maar minister Bijleveld benadrukt dat ISIS nog niet is verslagen en de situatie in Irak nog niet stabiel is. Ook wil De Roon dat Nederland stopt met zijn bijdrage aan het programma Funding Facility for Stabilization. Het programma is belangrijk voor de wederopbouw van het land, zegt minister Kaag.

Karabulut (SP) heeft de missie in Irak nooit gesteund en steunt de verlenging ervan ook niet. Het is niet aan Nederland om de puinhopen op te ruimen die veroorzaakt zijn door de VS, betoogt Kuzu (DENK). De missie in Irak draait in zijn ogen vooral om geopolitieke spelletjes en oliebelangen.

Neergeslagen protesten

De afgelopen maanden waren er grootschalige protesten tegen de Iraakse regering. Deze zijn hard neergeslagen, waarbij honderden doden zijn gevallen.

De regering moet zich uitspreken tegen het geweld jegens demonstranten, blijven aandringen op een onafhankelijk onderzoek en duidelijk maken dat Nederlandse steun niet onvoorwaardelijk is, vindt Sjoerdsma (D66). Veel woordvoerders steunen hem daarin en ook minister Blok is het ermee eens.

Veiligheidsdiensten en het leger zijn ingezet bij de keiharde repressie, stelt Karabulut (SP). Het trainen van Iraakse veiligheidsdiensten zou volgens haar daarom in ieder geval moeten worden opgeschort totdat er maatregelen zijn genomen tegen de verantwoordelijken. Maar minister Blok steunt haar oproep niet, ook omdat mensenrechten en humanitair recht een belangrijk onderdeel zijn van de training.

De Kamer stemt op 19 december over de tijdens het debat ingediende moties.

Zie ook:

  • Het overzicht van de laatste debatten in het kort
  • De geredigeerde woordelijke verslagen van Kamervergaderingen (het stenogram). Deze zijn maximaal vier uur na het uitspreken beschikbaar.
  • Kijk debatten terug via Debat Gemist

MINISTERIE VAN DEFENSIEMILITAIRE BIJDRAGE NEDERLAND IN IRAK
https://www.defensie.nl/onderwerpen/missie-in-irak-en-oost-syrie/militaire-bijdrage

TEKST

Nederland draagt bij in de internationale strijd tegen terreurorganisatie ISIS. Naast politieke en humanitaire steun, gebeurt dat ook militair. Zo ondersteunen Nederlandse militairen op de grond Iraakse strijdkrachten met training en advies. Ook neemt Nederland deel aan een NAVO-capaciteitsopbouwmissie in Irak.

Trainers op de grond

Om ISIS op de grond te bevechten, trainen Nederlandse militairen Iraakse strijdkrachten. Ze leren onder meer schietvaardigheid, tactisch optreden, militaire EHBO en het opsporen en onschadelijk maken van bermbommen. Dit gebeurt in Noord-Irak.Voorheen leidden Nederlandse trainers meer dan 100.000 Iraakse strijdkrachten op, inclusief Koerdische strijdkrachten (Peshmerga). Dit gebeurde in coalitieverband binnen de Capacity Building Mission Iraq. Sinds zij het gewenste basisniveau hebben, brengt de anti-ISIS-coalitie hen op hoger niveau.

Capaciteitsopbouwmissie

Aan een capaciteitsopbouwmissie van de NAVO levert Nederland 2 militaire adviseurs en 4 civiele experts. Dat aantal kan oplopen tot maximaal 20. De missie richt zich op het versterken van de Iraakse veiligheidssector. Dat gebeurt via training en advies aan onder meer het Iraakse ministerie van Defensie en militaire opleidingsinstituten. De missie telt totaal ongeveer 600 man. Er wordt gewerkt op beveiligde (coalitie)trainingslocaties vanuit Bagdad met 2 dependances in Basmaya en Taji in Centraal-Irak.

Special operations forces

De special operations forces vormden tot het voorjaar van 2018 samen met Belgische collega’s A&A-teams (advisering en assistentie) in het noorden van Irak. Die ondersteunden Iraakse en Koerdische strijdkrachten voor, tijdens en na gevechtssituaties. De teams gaven training en advies aan eenheden dichtbij gevechtslocaties, maar namen zelf niet deel aan gevechtsacties.

F-16’s voor luchtcampagne

Nederlandse F-16’s waren sinds begin 2018 bijna dagelijks actief boven Irak en Oost-Syrië. Dit gebeurde samen met andere landen. Ze ondersteunden de troepen op de grond en zetten geregeld hun wapens in, vooral in Oost-Syrië. Ze vielen ISIS-doelen aan zoals voertuigen, logistieke opslagplaatsen en wapenopstellingen.

Het ondersteuningsdetachement bestond uit ongeveer 150 militairen. Een Belgische eenheid beveiligde de Nederlandse F-16’s en werklocaties. Omdat Nederland eenheden beschikbaar moet hebben voor diverse snel inzetbare eenheden en de NAVO, eindigde de F-16-missie op 31 december 2018. Dat geeft ook ruimte om de overgang naar de F-35 te maken.

Chirurgisch team

Defensie levert in 2018 een chirurgisch team voor het Amerikaanse role 2-hospitaal op Airbase Al Asad bij Bagdad. Dat gebeurt via het Instituut samenwerking Defensie en Relatieziekenhuizen. Een role 2-hospitaal is een ziekenhuis met chirurgische en beperkte intensive care-capaciteit. Het team van zo’n 10 personen is belangrijk voor de missie omdat er weinig medische capaciteit is binnen de coalitielanden.

Amerikaanse commandovoering

Omdat er veel landen meedoen met de missie, is goede afstemming nodig. Daarvoor worden op diplomatiek en militair niveau meerdere Nederlanders ingezet. De operatie loopt via Amerikaanse commandostructuren. Daarnaast werken Nederlandse staf- en liaisonofficieren op operationele hoofdkwartieren in de Verenigde Staten, Irak, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar. Via hen is Nederland betrokken bij de detailplanning. 

[22]

WIKIPEDIARAMBO (2008 FILM)

https://en.wikipedia.org/wiki/Rambo_(2008_film)

[23]

[23]

Het doel was IS uitschakelen, een missie waar hij volledig achter stond. Beelden van de massaslachtingen die de terreurgroep aanrichtte onder onschuldige burgers, onder vrouwen en kinderen, gaven genoeg motivatie om in actie te komen. “Het waren zulke vreselijke dingen, dat het voor mij en voor iedereen die daar heen ging vrij helder was.” 

EENVANDAAGNEDERLANDSE F’16 PILOOT SPREEKT OVER ZIJN ACTIE IN IRAK WAARBIJ BURGERDODEN VIELEN: ”EEN MISSELIJKMAKENDE GEDACHTE”5 NOVEMBER 2019
https://eenvandaag.avrotros.nl/item/nederlandse-f-16-piloot-spreekt-over-zijn-actie-waarbij-burgers-omkwamen-elk-slachtoffers-is-er-ee/

TEKST

De missie op 20 september 2015 was duidelijk: het bombarderen van een IS-hoofdkwartier in de Irakese stad Mosul. De missie leek een succes, maar gaandeweg kwam de piloot van de Nederlandse F-16 erachter dat hij geen IS-strijders maar burgers heeft gedood.

Het doel was IS uitschakelen, een missie waar hij volledig achter stond. Beelden van de massaslachtingen die de terreurgroep aanrichtte onder onschuldige burgers, onder vrouwen en kinderen, gaven genoeg motivatie om in actie te komen. “Het waren zulke vreselijke dingen, dat het voor mij en voor iedereen die daar heen ging vrij helder was.”

‘Dit gaan we stoppen’

“Dit gaan we stoppen en dan gaan we er alles aan doen om dat te bereiken”, was de gedachte en hij voerde talloze acties uit. Acties waarbij tegenstanders ‘uitgenomen’ werden. Uitgeschakeld, gedood. “Dat gaat zeker om honderden mensen uiteindelijk”, erkent hij.
De piloot, die uit veiligheidsoverwegingen niet bij naam genoemd wil worden, praat naar aanleiding van de bevestiging van het kabinet dat Nederland betrokken was bij de aanval in Mosul op 20 september 2015 en het nieuwe boek ‘Missie F-16‘ van Telegraaf-journalisten Silvan Schoonhoven en Olof van Joolen, dat verhaalt over deze mislukte missie.

70 burgers omgekomen

Minister Bijleveld bevestigde deze week de betrokkenheid van Nederland bij in elk geval twee luchtaanvallen in Irak in 2015, waarbij burgerslachtoffer zijn gevallen. Bij de eerste aanval, in juni, werd een bommenfabriek in de stad Hawija geraakt. Daarbij lagen meer explosieven dan gedacht, waardoor een wijk volledig werd verwoest en 70 burgers om het leven kwamen. In het andere geval werden in de nacht van 20 op 21 september twee huizen in de Iraakse stad Mosul geraakt. Gedacht werd dat het om een IS-hoofdkwartier ging.

Burgerslachtoffers

Bij de luchtaanval in Mosul zou het volgens inlichtingen gaan om een hoofdkwartier van IS. Dat er iets mis was, kon hij nog niet vermoeden. “Het leek een prima missie.” Tot hij een paar weken later een telefoontje kreeg vanuit Nederland dat er toch iets was misgegaan. En dat er in Amerika onderzoeken waren gestart naar het bombardement.

Het is het enige dat hij te horen kreeg. “Voor mij was toen nog niet duidelijk wat er aan de hand was. Alleen dat er eventueel iets fout was gegaan en er een onderzoek was gestart”, vertelt hij. In de maanden erna wordt langzaamaan duidelijk dat er een fout was gemaakt ‘in het selectieproces van het doel’ en er mogelijk burgerslachtoffers waren gevallen. Een jaar later werd duidelijk dat het echt mis was.

Jonge kinderen

Het is een interview in de New York Times met Basim Razzo dat hem voor het eerst confronteert met een van de slachtoffers van zijn actie. Bassim verliest meerdere familieleden bij het bombardement, onder wie zijn vrouw, dochter en broer. “Dat is heel confronterend, want je bent daar met het idee mensen te bevrijden.”Zo leest hij dat ook jonge kinderen bij het bombardement zijn omgekomen. “Dat is een misselijkmakende gedachte. Het druist zo in tegen waarom je daar bent. Aan de andere kant moet je realistisch zijn. Het is daar volop oorlog.” Toch zegt hij dat hij er dagen van wakker heeft gelegen.

Alles om burgerslachtoffers te voorkomen

De piloot benadrukt tegen EenVandaag dat de acties zorgvuldig worden voorbereid. “Je maakt een soort van choreografie, een ballet in de lucht dat van te voren minutieus tot op de seconde wordt voorbereid.Maar als het doelwit niet blijkt te kloppen heeft zo’n precieze voorbereiding weinig zin en staat de piloot machteloos. “We doen er alles, maar dan ook alles aan om burgerslachtoffers te voorkomen”, benadrukt hij. “We hebben meer dan 2000 keer wapens ingezet, waarbij vier gevallen zijn waarbij met grote waarschijnlijkheid burgerslachtoffers zijn gevallen. Maar elk slachtoffers is er een te veel.”

[24]
De missie op 20 september 2015 was duidelijk: het bombarderen van een IS-hoofdkwartier in de Irakese stad Mosul. De missie leek een succes, maar gaandeweg kwam de piloot van de Nederlandse F-16 erachter dat hij geen IS-strijders maar burgers heeft gedood.”
EENVANDAAGNEDERLANDSE F’16 PILOOT SPREEKT OVER ZIJN ACTIE IN IRAK WAARBIJ BURGERDODEN VIELEN: ”EEN MISSELIJKMAKENDE GEDACHTE”5 NOVEMBER 2019
https://eenvandaag.avrotros.nl/item/nederlandse-f-16-piloot-spreekt-over-zijn-actie-waarbij-burgers-omkwamen-elk-slachtoffers-is-er-ee/

[25]
“We hebben meer dan 2000 keer wapens ingezet, waarbij vier gevallen zijn waarbij met grote waarschijnlijkheid burgerslachtoffers zijn gevallen. Maar elk slachtoffers is er een te veel.” 
EENVANDAAGNEDERLANDSE F’16 PILOOT SPREEKT OVER ZIJN ACTIE IN IRAK WAARBIJ BURGERDODEN VIELEN: ”EEN MISSELIJKMAKENDE GEDACHTE”5 NOVEMBER 2019
https://eenvandaag.avrotros.nl/item/nederlandse-f-16-piloot-spreekt-over-zijn-actie-waarbij-burgers-omkwamen-elk-slachtoffers-is-er-ee/

[26]

PRECISIEBOMBARDEMENTEN/BETEKENIS

https://www.ensie.nl/neologismen/precisiebombardement

TEKST

PrecisiebombardementBETEKENIS & DEFINITIE

Precisiebombardement – nauwkeurig bombardement op niet-burgerlijke doelen. Een van de weinige termen die resten van de Golfoorlog uit 1991. → chirurgisch bombardement.

Dat wil zeggen dat iedere militaire actie gefiatteerd moet zijn door de Verenigde Naties en het Congres. Dat geldt voor de gedeeltelijke opheffing van het wapenembargo, de precisie-bombardementen en de bescherming van de veilige gebieden. de Volkskrant, 08-05-93

Dat zeker de helft van de Amerikaanse precisie-bombardementen op Bagdad en omstreken op de verkeerde plaatsen terechtkwam en dat een aanzienlijk percentage van het gewone soldatenvolk thuis zit met mysterieuze aandoeningen, komt niet aan de orde. Nieuwe Revu, 15-01-97

In de Golfoorlog van 1991 verloren duizenden Iraki’s het leven bij ‘precisiebombardementen’ die hun doel misten. De Morgen, 24-02-98  GEPUBLICEERD OP 16-06-2017

AMNESTY INTERNATIONALSYRIE:”PRECISIEBOMBARDEMENTEN” OP RAQQA EISTEN GROTE AANTALLEN SLACHTOFFERS5 JUNI 2018
https://www.amnesty.nl/actueel/syrie-precisiebombardementen-op-raqqa-eisten-grote-aantallen-slachtoffers

TEKST

Ook raakten tijdens de bombardementen in 2017 duizenden mensen gewond tijdens aanvallen die door de coalitie ten onrechte werden bestempeld als ‘de meest nauwkeurige bombardementen in de militaire geschiedenis’.

Dat blijkt uit het rapport ‘War of annihilation’: Devastating Toll on Civilians, Raqqa – Syria  Lees het rapport, waar Amnesty vandaag mee naar buiten komt. Het rapport gaat uitgebreid in op het lot van vier families die in totaal 90 familieleden en buren verloren, bijna alle als gevolg van de bombardementen. Bij een van de vier families vielen 39 doden te betreuren als gevolg van vier verschillende luchtaanvallen door de coalitie.  

Amnesty deed onderzoek op 42 locaties in Raqqa en sprak met 112 burgers die het extreme wapengeweld hadden overleefd. De inwoners zaten tijdens de vier maanden durende strijd om Raqqa als ratten in de val. Er woedden hevige straatgevechten tussen IS-strijders en de Syrian Democratic Forces. Laatstgenoemden werden ondersteund door de luchtaanvallen en de artillerie van de coalitie.

In Raqqa en daarbuiten maakte IS zich schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid. Het legde mijnen op vluchtroutes en schoot op burgers die probeerden te vluchten. Honderden kwamen daarbij om het leven: sommigen in hun huizen, anderen in schuilplekken, en weer anderen op de vlucht.

Mogelijke oorlogsmisdaden

‘De coalitie beweert dat haar precisiebombardement, waardoor IS uit Raqqa is verdreven, heel weinig burgerslachtoffers heeft gemaakt, maar dat is niet waar,’ zegt Donatella Rovera, senior crisis response adviser bij Amnesty. ‘We hebben in Raqqa verwoestingen geconstateerd die vergelijkbaar zijn met alles wat we in de laatste decennia gezien hebben bij onze onderzoeken naar oorlogsgeweld.’

‘Tijdens hun wrede, vier jaar durende regime in Raqqa heeft IS vele oorlogsmisdaden gepleegd, waaronder het inzetten van menselijke schilden. Maar dat ontsloeg de coalitie niet van haar verplichting om alles in het werk te stellen om burgerslachtoffers te vermijden.’

Amnesty stelt in haar rapport dat de coalitie aanvallen heeft uitgevoerd die disproportioneel en willekeurig waren, en om die reden een schending betekenen van het internationale oorlogsrecht en mogelijk zelfs neerkomen op oorlogsmisdaden.

Door mijnen opgeblazen

Alle vier de families die Amnesty voor het rapport sprak hebben vreselijke dingen meegemaakt. Zo zegt Munira Hashish dat ‘degenen die achterbleven, stierven, en degenen probeerden weg te komen stierven ook. Wij konden het ons niet veroorloven om de smokkelaars te betalen [om te vluchten]; we zaten klem.’ Het lukte Hashish en haar kinderen uiteindelijk om te vluchten door een mijnenveld, ‘door te lopen over het bloed van degenen die vóór ons hadden proberen te vluchten en daarbij opgeblazen waren.’

Amnesty roept de leden van de coalitie op om een onafhankelijk onderzoek te starten naar de beschuldigingen van schendingen en het veroorzaken van burgerslachtoffers.
De onderzoeksmissie naar Syrië voor dit rapport is werk van onze Crisis Response Unit en wordt mede mogelijk gemaakt door de deelnemers aan de Nationale Postcode Loterij

RAPPORT AMNESTY INTERNATIONAL
WAR OF ANNIHILATIONDEVASTATING TOLL ON CIVILIANS/RAQQA-SYRIA17 MAY 2018

https://www.amnesty.nl/content/uploads/2018/06/%E2%80%9CWAR-OF-ANNIHILATION%E2%80%9C.-DEVASTATING-TOLL-ON-CIVILIANS-RAQQA-SYRIA-17.05.2018.pdf?x10542

YOUTUBE.COMPRECISIEBOMBARDEMENTEN IN SYRIEZONDAG MET LUBACH31 JANUARI 2016
https://www.youtube.com/watch?v=PsXaZFEctFw

TRANSCRIPTIE:
LUBACH:
”Ander nieuws, ander nieuws deze week.We gaan bombarderen in Syrie.Nederlandse F’16’s gooien al een tijdje bommen op Irak, maar deze week is besloten om ook Syrie mee te pakken.De PvdA was lang tegen, maar nu zijn ze ineens voor.Waarom?”[PvdA voorman Samsom]”We hebben altijd gezegd:Er moet een volkenrechtelijk mandaat zijn, er moet een politiek proces zijn richting een oplossing, er moet een meerwaarde hebben, als we daar een bijdrage gaan leveren en aan al die drie voorwaarden is nu voldaan”LUBACH:”Inderdaad, het volkenrechtelijk mandaat is binnen, de politieke oplossing is het vredesoverleg, dat vrijdag is begonnen in Geneve en daarom vond de PvdA het tijd om te gaan bombarderen”Want:Bombarderen helpt bij het vredesproces, zegt de PvdA”[Gelach in de zaal]LUBACH:’Ja, dat weten niet veel mensen, maar het platgooien van een land is een enorme stap richting vrede!De PvdA laat wel weten, dat ze sociaal-democratisch gaan bombarderen.De sterkste schouders krijgen de hardste klappen.[Gelach in de zaal]LUBACH:En……ik ben niet de enige, die hier weinig van snapt.[EMILE ROEMER, VOORMAN SP]”Echt onbegrijpelijk. Ze hebben in het verleden steeds gezegd: ”er moet een politieke strategie achter zitten, er moeten politieke oplossingen komen, nou, die liggen er niet…….”LUBACH:”Sorry Emile, ik was een beetje afgeleid[Lubach op lachende, half verontwaardigde  toon, met een iets luidere stem] ”door die gast achter je, die een banaan zat te eten, wat een bak””Weet je wel, dat het in Syrie een enorme belediging is, als je achter iemand een banaan staat te eten!”Dan nemen ze je dus echt niet meer serieus, dat is daar de allergrootste vernedering!Maar waarom willen ze Nederland er eigenlijk bij hebben, in Syrie?[VOICE OVER]”Nederland kreeg het verzoek omdat onze F’16’s goed zijn in precisebombardementen en daar worden ze dan ook voor ingezet.”LUBACH:Ja, precisiebombardementen.Die komen precies op de centimeter nauwkeurig, exact, zonder onschuldige mensen te benadelen, precies aan, waar je je vizier richt.”Kunnen we even kijken, hoe dat gaat.Laat het bombardement van het Journaal van net nog eens even zien.”Kijk, die witte auto daar midden, die willen we raken, staat er prachtig mooi voor, met een precisiebombardement kunnen we zo dat Mercedes logo van zijn voorklep knallen.Even kijken:En dan doen we dat zo zodat als er bijvoorbeeld onderin, rechts onderin, een groepje onschuldige burgers op de bus staat te wachten, dat die er geen last van hebben.Okay, drie twee een: FIRE![En op de beelden is te zien, dat de bominslag er falikant naast is]LUBACH:[Gegeneerd, met een blik van oei, oei, oei]”Dit geeft wel aan, dat er niet heel veel gaat veranderen nu, want waarschijnlijkkwamen die precisiebombardementen, die Nederland op Irak mikte sowieso al regelmatig in [serie?’] terecht.[Gelach in de zaal]LUBACH:Ja, waarschijnlijk wel.Nou, om mij bij te praten over de situatie in het Midden-Oosten zoeken we contact met verslaggever precisiebombardementen.[Op opgewonden toon] Dames en heren, Steye van Dam!”[Wat nu volgt is een ironisch commentaar en Steye van Dam is te zien tegen de achtergrond van verwoeste Syrische huizen en andere gebouwen]”Goedenavond Arjen”LUBACH”Goedenavond Steye.Steye, jij bent voor ons gaan kijken, wat de consequenties zijn van de toezegging, dat Nederland mee gaat bombarderen.STEYE VAN DAM”Klopt”LUBACH:”Ja, en hoe reageren de mensen op straat”STEYE VAN DAM:Nou ja, straat he…..Laat ik het zo zeggen, als je de gewone man in de ruine spreekt, krijg je toch voornamelijk reacties in de geest van ”HAAAA, mijn arm!of ehhh. haal die muur van mijn arm!”LUBACH”’Ja”STEYE VAN DAM”Maar als je dan even doorvraagt, dan blijken de mensen zich vooral zorgen te maken.”Ze maken zich heel erg zorgen over de waardevermindering van hun huis.Ze vragen zich af: heb ik straks nog wel een baan, of eeeh mijn armen”LUBACH”Ja, dat snap ik, Maar….en  politiek gezien dan, wat zijn de reacties daarop?STEYE VAN DAM:”Nou, ik sprak een man, wiens gezin vermoord was door IS en die zei ook:”Je kunt natuurlijk alleen gaan bombarderen, als er een volkenrechtelijk mandaat ligt he.De mensen zijn hier heel redelijk.LUBACH:”En zijn ze niet bang?”STEYE VAN DAM:”Nou neen, de mensen zeggen hier:”Dit is toch goed voor de stabiliteit van de Nederlandse coalitie.Het wordt gezien als een hoopvol teken, dat er eindelijk weer eens een Nederlands kabinet komt, dat de rit gaat uitzitten.”Je moet je voorstellen, dat is bijna in 18 jaar al niet meer gebeurd.”LUBACH:”Wacht even Steye, zeggen de Syriers dat allemaal?STEYE VAN DAM:”Nou, dat laatste was Lex Runderkamp in de hotelbar gisteren.”Maar ja, die loopt hier ook gewoon rond, dus waarom zou die mening dan minder waardevol zijn dan die van de locale bevolking hier.”LUBACH:”Ja, ja Okay”STEYE VAN DAM:”Ik bedoel, die man moet toch ook zijn verhaal kwijt kunnen.”LUBACH:”Ja”STEYE VAN DAM:”Ik vind het altijd zo’n onzin, dat je geen collega verslaggever zou mogen quoten.Die man, die werkt hier al jaren, die weet er ontzettend veel van”LUBACH:”Maar Steye, Steye, Steye, genoeg over Lex Runderkamp.Wat vind jij er zelf van?”STEYE VAN DAM:Nou, Lex Runderkap sprak mij vanmiddag op straat en daar hebben we een fragment van.Laten we er maar even naar kijken.”[LEX RUNDERKAMP, IRONISCH WEERGEGEVEN]”Ik maak me grote zorgen over de waardevermindering van mijn huis”LUBACH [zuchtend]”Steye, dit is precies wat jij net zei wat de mensen op straat zeiden….”STEYE VAN DAM:”Mmmmmm””Ik ben toch ook gewoon een mens op straat!Waarom zou mijn mening minder waard zijn dan de mening van een echte Syrier?LUBACH [grinnikkend];;Ja, Okay, wat vind je dan nog meer?”STEYE VAN DAM:”Kijk maar even mee”[STEYE VAN DAM TUSSEN DE RUINES]’Ja ‘weet je, je merkt toch dat westerlingen heel serieus genomen worden.Ze kijken tegen je op [achter Runderkamp staat een Syrier een banaan te eten….], ze gaan met respect met je om ze….vanuit het Westen…of het nu bommen, journalisten of politieke oplossingen zijn, het wordt met heel veel aandacht ontvangen”LUBACH:”Ik snap het. Maar is het niet ironisch, dat nu er zicht ligt op een politieke oplossing, misschien wel met het zicht op vrede, dat er nu Nederlandse bombardementen kunnen komen?”STEYE VAN DAM:”Ach ironisch…….Weet je Arjen, wat is ironisch?Een oude man, net 98 geworden, wint de loterij en gaat de volgende dag dood.Is dat niet ironisch?”LUBACH:”Ja, ook wel, Okay/…”STEYE VAN DAM:”Of regen op je trouwdag?”Een gratis ritje, als je net hebt betaald?Het is als tienduizend lepels, terwijl alles wat je nodig hebt, is een mes!”LUBACH:”Wacht, wacht even.Citeer je nu Alanis Morisette?”STEYE VAN DAM:Ach joh [er klinkt een doordringende fluittoon]”He, hoor je dat Arjen?LUBACH”Ja, wat gebeurt er [op alarmerende toon]!Wat is dat! Kijk je wel uit!STEYE VAN DAM:”Ja uiteraard, maar dat hoeft niet, want het zijn precisiebombardementen!Die mikken op een munitiedepot, een halve kilometer daar verderop.Komt wel goed.”LUBACH:”Nou Okay, gelukkig maar….[rookontwikkeling, alles wordt donker]O Steye!”STEYE VAN DAM:[Steye ziet alles donker worden, kijkt geschrokken, roept, verdwijnt in donker en rook]LUBACH:”Pas op!”
EINDE YOUTUBE FILMPJE

[27]

Internationale vrede en veiligheid in Nederlands buitenlandbeleid

Oorlog ontstaat meestal uit een combinatie van factoren. Bijvoorbeeld door strijd om grondstoffen, slecht bestuur en sociale ongelijkheid. Nederland kiest daarom voor een brede aanpak van internationale vrede en veiligheid. Hierin staan ontwikkeling, veiligheid en diplomatie centraal.

RIJKSOVERHEID

NEDERLAND DRAAGT BIJ AAN INTERNATIONALE VREDE EN VEILIGHEID

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/internationale-aanpak-vrede-en-veiligheid

TEKST

Nederland kiest in het buitenlandbeleid voor het aanpakken van problemen die aan een oorlog voorafgaan. Om nieuwe conflicten te voorkomen, doet Nederland ook mee aan internationale missies.

Nederland is in 2018 tijdelijk lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit staat in de Rijksbegroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken 2018.

Internationale vrede en veiligheid in Nederlands buitenlandbeleid

Oorlog ontstaat meestal uit een combinatie van factoren. Bijvoorbeeld door strijd om grondstoffen, slecht bestuur en sociale ongelijkheid. Nederland kiest daarom voor een brede aanpak van internationale vrede en veiligheid. Hierin staan ontwikkeling, veiligheid en diplomatie centraal.

Investeren in diplomatie en krijgsmacht

Het kabinet investeert fors in diplomatie en krijgsmacht. Zo moeten militaire missies in overeenstemming zijn met het volkenrecht en bij voorkeur op grond van een duidelijk VN-mandaat. 

€ 250 miljoen voor 3D-aanpak

Nederland ontwikkelde de 3D-aanpak (development, defence, diplomacy). Het kabinet stelt € 250 miljoen per jaar beschikbaar voor activiteiten die passen binnen de 3D-aanpak. Zoals crisisbeheersingsoperaties. Het geld komt uit het budget voor internationale veiligheid (BIV). Daarnaast wil het kabinet militaire missies of delen daarvan betalen uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking.

Nederland richt zich met de 3D-aanpak vooral op (voormalige) oorlogsgebieden. Zoals:

  • Afghanistan;
  • Congo;
  • Burundi;
  • Uganda;
  • Rwanda;
  • Sudan;
  • Westelijke Balkan.

Tweestatenoplossing Midden-Oosten

Nederland wil investeren in de goede banden met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit. Het kabinet steunt daarom het vredesproces in het Midden-Oosten. Uitgangspunt daarbij is een tweestatenoplossing.

Internationaal optreden tegen oorlogen

De internationale gemeenschap kan op verschillende manieren invloed uitoefenen op het voorkomen of beëindigen van een oorlog. Het gaat bijvoorbeeld om:

Internationale samenwerking Nederlandse leger

Het Nederlandse leger werkt op verschillende manieren samen met legers van andere landen. Zo is Nederland lid van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). De NAVO-landen werken ook samen met 28 Midden- en Oost-Europese niet-NAVO-landen.

Een overzicht van de internationale samenwerkingsverbanden van het Nederlandse leger biedt de website van het ministerie van Defensie.

[28][28]

HUMAN RIGHTS WATCH’ROHINGYA CRISIS
https://www.hrw.org/tag/rohingya-crisis

TEXT

Since late August 2017, more than 671,000 Rohingya Muslims have fled Burma’s Rakhine State to escape the military’s large-scale campaign of ethnic cleansing. The atrocities committed by Burmese security forces, including mass killings, sexual violence, and widespread arson, amount to crimes against humanity. Military and civilian officials have repeatedly denied that security forces committed abuses during the operations, claims which are contradicted by extensive evidence and witness accounts.The Rohingya have faced decades of discrimination and repression under successive Burmese governments. Effectively denied citizenship under the 1982 Citizenship Law, they are one of the largest stateless populations in the world. Restrictions on movement and lack of access to basic health care have led to dire humanitarian conditions for those displaced by earlier waves of violence in 2012 and 2016

HUMAN RIGHTS WATCH”THE DARKNESS OF HUMANS”: INVESTIGATING MASS RAPE IN BURMA
https://www.hrw.org/news/2017/11/16/darkness-humans-investigating-mass-rape-burma

The Burmese military is carrying out a campaign of ethnic cleansing against Rohingya Muslims in northern Rakhine State. Scores of people have been murdered and hundreds of villages destroyed, and more than 600,000 Rohingya have fled to neighboring Bangladesh. One of the military’s most feared weapons is mass sexual violence, with untold numbers of women and girls brutally gang raped by government soldiers. Human Rights Watch’s emergencies women’s rights researcher, Skye Wheeler, tells Stephanie Hancock how she was able to investigate these disturbing crimes.

What was your plan when you arrived on the ground in Burma?

We’ve been documenting this crisis since the very beginning. We knew there had been sexual violence in some of the massacres we’d looked into, but we didn’t know how widespread it was. So my job was to find out. And what we found was that the rape has been widespread, and that rape was one of the ways that the Burmese military conducted their ethnic cleansing operations. This is very much a part of this military’s way of terrifying the Rohingya and making them feel worthless. One woman said: “They see us as nothing but leaves they can throw out,” and made a sweeping movement with her hand, like the way you would toss away dead leaves.

What do you mean by rape being part of ethnic cleansing?

Rape is obviously incredibly traumatizing. It’s a violation of someone’s most private sacred space and your basic sense of selfhood. But it also affects women’s memories, and their sense of being safe at home. If this has been destroyed, it’s much harder for them ever to be able to return home. So it’s an effective method of ethnic cleansing, to remove – by violent and terror-inspiring means – a certain ethnic or religious group from an area.

Was there any warning these mass rapes were about to happen?

Rape is not a new tactic for the Burmese army: we documented it during another brutal campaign against the Rohingya last year that forced tens of thousands to flee. This time, the rapes often followed many weeks and months of sexual harassment, sometimes by military forces stationed in or near Rohingya villages, sometimes by Rakhine Buddhist villagers who had been harassing Rohingya. But when the mass rapes by soldiers happened, it was sudden and it was terrifying.

How did the attacks unfold?

It was horrific. As described to me, in many of the villages it was total chaos and complete terror. People said their villages were surrounded, and then the shooting started, with soldiers launching what we think were some kind of rocket-propelled grenades and setting roofs on fire. Soldiers shot villagers as they fled. They pushed others into burning houses. In other villages, people were gathered together and then women were raped, and men were shot or beaten. Almost all the rapes I documented were gang rapes.  

Were any stories particularly hard to hear?

One woman who was gang raped told me that her house was burning down and she was able to grab one child, but not the other. She was in a complete panic, and now she doesn’t know where her child is. She feels so guilty even though there is nothing she could have done.

One girl, no more than 14 or 15, had this really bad scar on her shin and knee, which she said was from the rape. She said that soldiers dragged her out of the house, tied her to a tree and around 10 of them raped her from behind. She was really clear and well-spoken, and had such a presence about her, and it was awful to think this happened to such a young person.

Did soldiers do other cruel things?

Many women and girls told me the rapes were very violent: there was beating, slapping, kicking, and punching. Two women’s breasts were bitten during the rapes. Some of the women’s children had to watch the rapes, or were themselves beaten by soldiers. One woman begged for her kids to be allowed to leave while she was raped, but the soldiers did not allow it.

What do we know about who carried out the rapes?

All the women we spoke to were raped by men in uniform of the Burmese security forces, almost all soldiers. There were also some border police, who have a slightly different uniform. All of the rapes involved many soldiers, there was no attempt to hide it.

Well, I’ve never investigated ethnic cleansing before. In South Sudan the rape was part of the conflict, and in Burundi the rape was part of wider political attacks. In Burma it’s not just the rape, it’s that people have lost everything. It’s just mind-boggling that you would destroy hundreds of villages and force over half a million people to flee. And the devastation was so fast; it’s equivalent to the impact of a really long, terrible war in just two weeks. All of a sudden the world was watching thousands and thousands of people pour across a border every day having lost everything. It’s unbelievably tragic. 

There are so many efforts to stop rape in conflict, yet we see it happening again and again. We saw it with the Chibok girls in Nigeria, then the Yazidis in Iraq, now the Rohingya. Do we just have to accept wartime rape?

Absolutely not. In armies that have better command and control, there is less rape. In armies where there is punishment for soldiers who rape, there is less rape. It’s not like suddenly soldiers in the fog of war can’t help but rape. It’s all about the context – seeing some people as less human, and exercising power over people you see as the enemy. I don’t think it’s something inherent about conflict.

Does hearing these awful stories all day make you feel depressed?

No. Actually, that’s how I feel when I leave the UN Security Council! Yes, the stories are devastating, no question – my translator, me, we’re all affected. In the field, you see the horrific side, but you also see how people protect each other and fight to survive, and how people would do anything for their kids. It’s when you do the advocacy with governments and people say “OK, maybe we will do something, maybe we won’t.” That’s when you think ‘maybe I’m going crazy.’

When you’re in the field does it feel like just like an ordinary job?

No, it’s an incredible privilege to hear these important stories. These are not just stories of victimhood, these are people who have survived unbelievable cruelty and often you’re the first person to hear their story. After the interview, you feel that you’ve discussed something incredibly important about the darkness of humans, but also how amazing people are. For example, this one woman who walked for days with horrific injuries from being gang raped, but made sure she got her four children all safely to Bangladesh. It was so humbling.

Then there’s what drives you. Like the ridiculous statement from a Burmese military commander who said: “Look at these ugly Rohingya women, who would want to rape them?” That makes you determined to do justice to these stories, because the denial and rejection of their experience is another attack on them, it’s just so offensive.

What’s life like now for survivors?

It’s really hard for women and girls. The sun is burning and it’s incredibly hot, the camp is sprawling and a scene of desperation, there’s this pungent smell of excrement and rubbish, it is really far from the main roads, and some of the health services are really chaotic – they’re just in tents or someone under an umbrella. But I would say that everyone that I met was really struggling, not just those who had been raped. It is 600,000 women, men, and children who have been unearthed and thrown into another country, and they don’t even know if they’re welcome to stay or not. I still don’t understand how this could have happened.

HUMAN RIGHTS WATCH

REPORT

”ALL MY BODY WAS PAIN”

SEXUAL VIOLENCE AGAINST ROHINGYA WOMEN AND GIRLS IN BURMA

16 NOVEMBER 2017

https://www.hrw.org/report/2017/11/16/all-my-body-was-pain/sexual-violence-against-rohingya-women-and-girls-burma

[29]

used to show that you do not believe that something you have been told is true: 

DICTIONARY CAMBRIDGE

SUPPOSEDLY

https://dictionary.cambridge.org/dictionary/english/supposedly

[30] 

ZIE VOOR MENSENRECHTENSCHENDINGEN JEZIDI’S, NOOT 20ADCOALITIEPARTIJ CU WIL EINDE AAN UITZETTEN JEZIDIS27 APRIL 2019
https://www.ad.nl/politiek/coalitiepartij-cu-wil-einde-aan-uitzetten-jezidi-s~adfa9ab3/

TEKST
Regeringspartij ChristenUnie wil dat er een einde komt aan het terugsturen van Yezidi’s naar Irak. ,,Als vluchtelingenorganisaties zeggen dat het te onveilig is en er geen vestigingsalternatief is, moet Nederland het niet doen”, aldus Joël Voordewind.

Ook de PvdA en GroenLinks willen opheldering van het kabinet, aldus de NOS. 

Dagblad Trouw meldde vanmorgen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Yezidi’s – een kleine etnische minderheid met een eigen geloof – terugstuurt naar tentenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) in het noorden van Irak. Ze vluchtten daar naartoe toen hun woongebied werd veroverd door terreurgroep Islamitische Staat. 

De krant baseerde zich op informatie van verschillende asieladvocaten met Yezidi-cliënten. Bij alle bij de advocaten bekende vluchtelingen gaat het om minderjarigen met familie in een kamp. Volgens de asieladvocaten is het nieuw dat yezidi’s die in Nederland asiel aanvragen terug moeten naar het vluchtelingenkamp waar ze vandaan komen. 

Onverantwoord

Ook Vluchtelingenwerk Nederland heeft volgens de krant het idee dat er sprake is van nieuw beleid. De mensenrechtenorganisatie vindt het niet verantwoord mensen terug te sturen naar de KAR, omdat niet duidelijk is of ze nog worden toegelaten tot het gebied en omdat de Koerden het aantal vluchtelingen in de regio niet meer aankunnen.

 Vluchtelingenorganisatie UNHCR liet in de krant weten het niet verantwoord te vinden om de Yezidi’s terug te sturen. Stichting Vluchteling reageerde ontzet op het nieuws. 

Directeur Tineke Ceelen verklaarde in januari tegenover deze site dat tienduizenden Yezidi’s bijna vijf jaar na de verovering door IS nog steeds in vluchtelingenkampen wonen. ,,Velen willen niet terug, ze voelen zich nog niet veilig”, zei Ceelen toen na een bezoek aan het gebied.

Genocide

Toen terreurbeweging IS in 2014 grote delen van Irak veroverde, werd ook de noordwestelijke regio Sinjar onder de voet gelopen. Daar woonden de Yezidi. IS-terroristen vermoorden vijfduizend Yezidi-mannen en kidnapten duizenden meisjes en vrouwen, die ze tot (seks)slavinnen maakten. Zo’n tweehonderdduizend andere Yezidi’s sloegen op de vlucht, een deel van hen kwam vast te zitten in de bergen en konden er pas weg nadat Koerdische strijders geholpen door Amerikaanse bombardementen een corridor vrij maakten. Ze kwamen uiteindelijk in opvangkampen terecht. De VN benoemde de aanval op de Yezidi’s als genocide.

JOOP.NLNEDERLAND STUURT JEZIDI’S TERUG NAAR ONVEILIG GEBIED
https://joop.bnnvara.nl/nieuws/nederland-stuurt-jezidis-terug-naar-onveilig-gebied

Terwijl de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN Noord-Irak nog altijd als onveilig ziet, stuurt Nederland Jezidi’s die in Nederland asiel aanvragen terug naar vluchtelingenkampen in het gebied. Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is er in de kampen voldoende voedsel en onderdak. Maar de Koerden, die het gebied in handen hebben, zorgen nu al voor zo’n een miljoen vluchtelingen en zitten daarmee aan het maximum van hun capaciteit, blijkt uit informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook al is IS uit het gebied verdreven, de Jezidi’s worden door de Koerden regelmatig naar andere delen van Noord-Irak gestuurd.

De jezidi’s werden een geliefd doelwit van IS, dat met het uitroepen van een kalifaat van iedereen die in dat gebied woonde eiste dat men zich hield aan de sharia. Omdat de jezidi’s een religie hebben die uiteenlopende elementen combineert, waaronder heidense, christelijke en islamitische, sloegen zij in 2014 op de vlucht voor de gruwelexpedities van IS. Bij de Noord-Irakese stad Sinjar vielen daarbij duizenden doden. Sinds die tijd zijn de meeste gevluchte jezidi’s aangewezen op Koerdische tentenkampen.Nobelprijswinnaar Nadia Murad, zelf slachtoffer van IS, bouwt van haar prijzengeld een ziekenhuis voor vrouwen die seksueel werden misbruikt door IS-strijders. Advocaten van jezidische vluchtelingen en Vluchtelingenwerk Nederland zeggen in Trouw dat het IND tegen overheidsbeleid ingaat door een kwetsbare groep die niet terug hoeft terug te sturen naar het land van herkomst.

[31]
” Nemesis was the goddess of divine retribution and revenge, who would show her wrath to any human being that would commit hubris, i.e. arrogance before the gods. She was considered a remorseless goddess. ”
GREEK MYTHOLOGYNEMESIS
https://www.greekmythology.com/Other_Gods/Nemesis/nemesis.html

ARTIKEL YESILGOZ”GEEN MEDELIJDEN MET JIHADISTEN” 
” Ik weiger te geloven, dat zij slechts slachtoffers waren van hun echtgenoten.Laten we luisteren naar de echte slachtoffers, in plaats van deze ”bruiden” nog langer de hand boven het hoofd te houden.Wat de VVD betreft, begint dat met het ontvangen van Nadia Murad en andere slachtoffers in de Tweede Kamer, zodat iedereen de gruwelijkheden, die de werkelijke slachtoffers zijn aangedaan, uit eerste hand kan horen.En wij hen kunnen beschermen, in plaats van vrouwelijke terroristen.”

ARTIKEL DILAN YESILGOZ, GEPUBLICEERD IN AD
GEEN MEDELIJDEN MET JIHADISTEN!STEUN DE SLACHTOFFERS IN PLAATS VAN IS VROUWEN

https://www.trendsmap.com/twitter/tweet/1191974414365184000
[Tekst kan vergroot worden door een klick op de computer]
Transcriptie tekst
ADGEEN MEDELIJDEN MET JIHADISTEN!STEUN DE SLACHTOFFERS IN PLAATS VAN IS VROUWENDilan YesilgozTweede Kamerlid VVD
Het bagatelliseren van de rol van IS vrouwen moet stoppen, stelt Dilan Yesilgoz-Zegerius. De lobby voor hun terugkeer en meer begrip is beschamend. Terwijl over de echte slachtoffers niet wordt gesproken.
”Ik bleef hem zeggen, dat het pijn deed-stop alstublieft, getuigt het 12 jarige meisje.Hij snoerde haar de mond en bond haar handen vast.Voordat hij zich aan het twaalfjarige meisje vergreep, ging hij aan de bedrand bidden.”Hij zei, dat hij volgens de Islam een ongelovige mag verkrachten.Hij zei, dat door mij te verkrachten, dichter bij God komt.De New York Times sprak met 21 vrouwen en meisjes, die uit de handen van IS strijders konden ontsnappen.De beschrijvingen van een goed georganiseerde slavenhandel en het systematisch verkrachten van Jezidi meisjes is confronterend en misselijkmakend.In ons land lijkt vooral aandacht te zijn voor de vrouwen en mannen, die willens en wetens naar het Kalifaat zijn afgereisd om zich bij IS aan te sluiten.De vraag is, wat er moet gebeuren met de IS’ers, die ”spijt” hebben gekregen van hun deelname aan de strijd.”IS bruiden” worden de vrouwen eufemistisch genoemd.Waar over de echte slachtoffers van IS, zoals de Jezidi gemeenschapn, nauwelijks wordt gesproken, lijkt iedereen zich zorgen te maken over de vraag hoe deze vrouwen moeten worden teruggehaald naar Nederland.Laten we ophouden met het bagatelliseren van de rol van IS-vrouwen.Ze zijn bewust afgereisd naar Syrie en Irak uit sympathie voor een verderfelijk gedachtegoed.Het zijn geen huisvrouwen en moeders, die slechts voor hun kinderen zorgden.Getuigenissen van verschillende Jezidi vrouwen, zoals Nadia Murad en Parween Alhinto, liegen er niet om.
‘[Tekst in artikel]
ONBEGRIJPELIJK, DAT ZIJ WILLEN TERUGKEREN NAAR HET LAND, DAT ZIJ ZO VERACHTEN
[EINDE TEKST IN ARTIKEL. ARTIKEL VERVOLGT”:]
Ze werden jarenlang gemarteld en mishandeld door IS vrouwen.Zij rekruteerden nieuwe IS’ers, hielpen hun mannen om gevangenen te verkrachten en verheerlijkten deze vreselijke misdaden nog.Voor de VVD is er geen enkele reden om deze vrouwen een tweede kans in Nederland geven.De lobby voor repatriering en meer begrip voor IS vrouwen is wat de VVD betreft beschamend en naief.Dit zijn oorlogsmisdadigers, die alle mensenrechten, die zijzelf grof hebben geschonden, nu ineens zelf willen gebruiken om terug te kunnen keren naar Nederland.Die de rechtsstaat, die zij niet erkennen, nu doodleuk willen gebruiken.Onbegrijpelijk, dat zij zo graag willen terugkeren naar het land, dat zij bij hun volle verstand en vanuit diepgewortelde verachting hebben verlaten.Ik weiger te geloven, dat zij slechts slachtoffers waren van hun echtgenoten.Laten we luisteren naar de echte slachtoffers, in plaats van deze ”bruiden” nog langer de hand boven het hoofd te houden.Wat de VVD betreft, begint dat met het ontvangen van Nadia Murad en andere slachtoffers in de Tweede Kamer, zodat iedereen de gruwelijkheden, die de werkelijke slachtoffers zijn aangedaan, uit eerste hand kan horen.En wij hen kunnen beschermen, in plaats van vrouwelijke terroristen.
DILAN YESILGOZTWEEDE KAMERLID VOOR DE VVD, WOORDVOERDER TERRORISME EN  VEILIGHEID

EINDE ARTIKEL YESILGOZ

KRITIEK OP YESILGOZ

GEEN MEDELIJDEN MET JIHADISTEN/OVER IS VROUWEN, JEZIDI’S EN MENSENRECHTEN/QUOTE ATTACK OP DILAN YESILGOZ

ASTRID ESSED

2 DECEMBER 2019

https://www.astridessed.nl/geen-medelijden-met-jihadisten-over-is-vrouwen-jezidis-en-mensenrechten-quote-attack-op-dilan-yesilgoz/  
OF
https://www.dewereldmorgen.be/community/geen-medelijden-met-jihadisten-over-is-vrouwen-jezidis-en-mensenrechten-quote-attack-op-dilan-yesilgoz/

[32]

1 – Persons hors de combat and those who do not take a direct part in hostilities are entitled to respect for their

lives and their moral and physical integrity. They shall in all circumstances be protected and treated humanely

without any adverse distinction.


BASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

[33]

‘The airstrike triggered multiple secondary explosions in the factory, devastating the surrounding area and killing dozens.’ 
HUMAN RIGHTS WATCHNEW REVELATIONS ON DUTCH ROLE ON DEADLY IRAQ ATTACKNetherlands Remained Silent Over Role in 2015 Airstrike For Four Years 13 NOVEMBER 2019
https://www.hrw.org/news/2019/11/13/new-revelations-dutch-role-deadly-iraq-attack

Recent news reports have exposed Dutch involvement in an airstrike in Iraq in June 2015 that killed at least 70 civilians, with the Minister of Defense finally admitting on November 5, 2019 that the ministry had known about the deaths after years of denial.

Two Dutch news outlets, NRC and NOS, reported on October 18 that a Dutch F-16 pilot staged the attack on the town of Hawija, 20 kilometers southeast of Mosul, which ISIS had captured in June 2014. At the time, the Netherlands were part of a coalition conducting operations against the Islamic State (ISIS) in Iraq and Syria.

The target was a factory in which ISIS was reportedly manufacturing improvised explosive devices. The airstrike triggered multiple secondary explosions in the factory, devastating the surrounding area and killing dozens.

New reports also linked the Dutch military to another attack, this one on Mosul in September 2015, that killed four family members of Bassim Razzo. The Razzo case featured in a major New York Times investigation in 2017, which in turn led to a shakeup of how the US Pentagon assessed civilian harm, but at that time the Dutch connection was not known. The Dutch government has admitted to conducting an airstrike on that day in Mosul but has yet to admit that it killed four civilians.

When the coalition against ISIS was created in 2014, it was decided to leave it up to individual coalition members when and how to handle incidents of possible laws of war abuses, and to report on any civilian casualties. Unfortunately, that allowed many coalition members to simply remain silent. In April 2017, the US military decided to go on the record about non-US coalition members having killed at least 80 civilians since August 2014, but did not identify the Netherlands as responsible for the June 2015 attack. For the past four years, the Dutch have justified their lack of transparency through claims of “operational security.” But the Dutch F-16 mission ended in December 2018 and since then, Razzo and the families of the 70 dead in Hawija have been owed answers on who targeted their families and why. Now that this information is out, the Dutch government needs to provide prompt and equitable condolence payments. They should also provide a full explanation and assessment of whether the attack was lawful under the laws of war, including whether the Netherlands took all feasible precautions to protect civilian life in the attack. 

[34]

”Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest.” 
NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN18 OCTOBER 2019
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.

Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september.

[35]

”’Het kabinet erkent dat er bij een luchtmachtaanval op een bommenfabriek in het Iraakse Hawija in de nacht van 2 op 3 juni 2015 zeker 70 slachtoffers zijn gevallen. Het gaat zowel om IS-strijders als om onschuldige burgers. Door de explosie van de fabriek vloog een deel van de omliggende woonwijk mee de lucht in.”

AD

DEFENSIE BEVESTIGT BURGERDODEN BIJ AANVALLEN NEDERLANDSE F’16, KABINET ONDERZOEKT SCHADEVERGOEDING

4 NOVEMBER 2019

https://www.ad.nl/politiek/defensie-bevestigt-burgerdoden-bij-aanvallen-nederlandse-f-16-kabinet-onderzoekt-schadevergoeding~a1e70339/

Bij zeker twee aanvallen van Nederlandse F-16’s op IS-doelen zijn burgerslachtoffers gevallen. Dat schrijft minister Ank Bijleveld (Defensie) in een brief aan de Tweede Kamer. Het is voor het eerst dat het ministerie hier openheid over geeft. Het kabinet onderzoekt of de nabestaanden een schadevergoeding krijgen.

Het kabinet erkent dat er bij een luchtmachtaanval op een bommenfabriek in het Iraakse Hawija in de nacht van 2 op 3 juni 2015 zeker 70 slachtoffers zijn gevallen. Het gaat zowel om IS-strijders als om onschuldige burgers. Door de explosie van de fabriek vloog een deel van de omliggende woonwijk mee de lucht in.

Een tweede keer dat er burgerslachtoffers vielen was in de nacht van 20 op 21 september 2015. Toen werd een aanval uitgevoerd op een vermeend hoofdkwartier van IS in de Iraakse stad Mosul. Dat bleek achteraf een complex met twee woonhuizen te zijn. Bij die aanval kwamen vier mensen uit één familie om. Deze site schreef begin dit jaar al dat Nederland waarschijnlijk verantwoordelijk was voor die aanval, op het huis van Basim Razzo en zijn gezin . Defensie wilde dat toen niet bevestigen. 

Defensieminister Bijleveld zegt de slachtoffers ‘ten zeerste te betreuren’. ,,Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen. Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.’’

Schadevergoeding

Het kabinet onderzoekt of er schadevergoeding kan worden uitgekeerd aan de nabestaanden, schrijft Bijleveld. ,,Op dit moment worden de mogelijkheden daartoe richting de gemeenschappen in kwestie onderzocht.’’ Basim Razzo, de Irakees die zijn vrouw, dochter, broer, neef en zijn huis verloor door een Nederlandse bom, becijferde zijn materiële schade eerder al eens op 500.000 dollar. De Amerikanen, die ook betrokken waren bij de aanval, boden hem 15.000 dollar aan. Dat weigerde hij.

Wel benadrukt de minister dat Nederland daar niet toe verplicht is. De Nederlandse F-16’s streden op verzoek van Irak mee tegen IS. De Iraakse autoriteiten moesten toestemming geven om doelwitten aan te vallen. Op grond van het internationaal recht moeten nabestaanden zich dan ook ‘in eerste instantie’ tot de Iraakse overheid wenden, schrijft de bewindsvrouw. Dat laat onverlet dat Nederland ‘op vrijwillige basis’ toch gaat kijken of het iets kan doen.

De twee bewuste luchtmachtaanvallen zijn (net als twee andere aanvallen waarbij werd gedacht dat er burgerslachtoffers waren gevallen) onderzocht door het Openbaar Ministerie. Bijleveld benadrukt dat er daarbij geen strafbare feiten zijn geconstateerd.

Inschatting

Bij de aanval op de fabriek in Hawija was een verkeerde inschatting gemaakt over het gevaar voor omwonenden, stelt Bijleveld. Voorafgaand aan de aanval was op basis van de bij Nederland beschikbare inlichtingen geen indicatie dat er burgerslachtoffers zouden vallen.  De dichtstbijzijnde woonhuizen stonden buiten het vooraf voorziene schadegebied. De explosie was echter vele malen groter dan gedacht omdat er veel meer explosieven bleken te liggen dan vooraf was ingeschat. Daardoor werd een veel groter gebied vernietigd.

Bij de aanval op het vermeende IS-hoofdkwartier in Mosul kreeg Nederland pas achteraf van de Amerikanen te horen dat het om een woonhuis ging waar burgers woonden. Daarnaast heeft het OM nog twee andere aanvallen onderzocht. Een waarbij een gebouw werd aangevallen terwijl er onverwacht een auto langsreed. Het vierde geval betrof een fout van een F16 waarbij het verkeerde gebouw werd gebombardeerd. Dat bleek een onbewoond gebouw te zijn dat naast het eigenlijke doelwit stond. 

Verkeerd geïnformeerd

Pijnlijk is dat de voorgaande minister van Defensie, Jeanine Hennis, de Tweede Kamer daar destijds verkeerd over heeft geïnformeerd. Op 23 juni 2015 stelde zij in antwoord op Kamervragen dat ‘voor zover op dat moment bekend, er geen sprake was geweest van Nederlandse betrokkenheid bij burgerslachtoffers door luchtaanvallen in Irak’. Bijleveld schrijft nu dat het ministerie op dat moment al van de Amerikanen had gehoord dat bij de aanval op Hawija waarschijnlijk wel degelijk burgers waren omgekomen.

Bijleveld stelt in een toelichting dat dit destijds door haar voorganger ‘niet zo geformuleerd had moeten worden’.  Ook als Defensie wel wist dat er burgerdoden waren, had het die informatie toen niet kunnen geven. Het antwoord op de Kamervragen had moeten zijn dat het ministerie er niets over kon zeggen. 

De Nederlandse luchtmacht was in twee periodes actief in de strijd tegen terreurorganisatie IS. De eerste keer van oktober 2014 tot en met juni 2016 en de tweede keer van januari 2018 tot en met december 2018. Er werd gevochten in zowel Irak als Syrië. In totaal hebben Nederlandse gevechtsvliegtuigen zo’n 3000 missies uitgevoerd, waarbij meer dan 2100 keer wapens zijn ingezet.

Volgens Bijleveld was het niet mogelijk om tijdens de periode dat onze vliegers actief waren al openheid te geven over de burgerslachtoffers. Het ‘vrijgeven van de exacte locatie, datum en het vermoedelijke aantal burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet’zou een te groot risico vormen. Ten eerste voor de Nederlandse F-16-piloten zelf en hun thuisfront die doelwit zouden kunnen worden van wraakacties. Ten tweede zou het ook onze partners in gevaar kunnen brengen omdat dit soort informatie ‘inzicht had kunnen geven in de operationele afwegingen, procedures en andere operationele details’.

[36]

‘De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. 

NOS

NEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN

18 OCTOBER 2019

https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

[37][37]
”Maar er was vooral laagbouw: kleine panden waar winkeltjes, een naaiatelier en een theehuis voor een levendige sfeer zorgden.” 
NOSIN HAWIJA IS NIEMAND DE NEDERLANDSE BOMAANVAL VERGETEN18 OCTOBER 2019
https://nos.nl/artikel/2306655-in-hawija-is-niemand-de-nederlandse-bomaanval-vergeten.html

Een Nederlands bombardement in Irak vier jaar geleden is gruwelijk misgegaan, zo blijkt uit onderzoek van NOS en NRC. Tientallen burgers kwamen bij een luchtaanval op een bommenfabriek in Hawija om het leven. Hoe dat precies heeft kunnen gebeuren, is onduidelijk. Inwoners van het stadje vinden de schuldvraag niet zo interessant. Zij vragen zich vooral af wanneer ze eindelijk een schadevergoeding krijgen.

Het is voor het eerst dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

De enorme ravage die het bombardement op 3 juni 2015 aanricht blijft bij de internationale media niet onopgemerkt. Op beelden van die nacht is te zien hoe het ziekenhuis in Hawija overspoeld wordt met gewonden. Inwoners spreken van “een atoombom die insloeg” en die vijftig kilometer verderop, in Kirkuk, nog te horen was. “Een complete woonwijk is verwoest”, schrijft persbureau Reuters.Vier jaar later ligt de wijk aan de oostkant van de stad er nog precies hetzelfde bij. Overal liggen brokstukken van ingestorte gebouwen. Tientallen autowrakken liggen verspreid langs de weg. Alleen de meelfabriek is weer opgebouwd.

De inwoners van de wijk kunnen zich 3 juni 2015 nog goed herinneren. Sommigen laten de littekens zien van de verwondingen die ze door de aanval opliepen. Anderen vertellen over de chaos van die nacht.

Midden in de wijk stond ooit een grote opslagloods van de gemeente. Die was het doelwit van de coalitie. De loods was door terreurgroep IS in gebruik genomen om munitie in op te slaan. Volgens de Amerikanen werden er autobommen gefabriceerd. Toen de precisiebom het gebouw raakte, zorgde de enorme hoeveelheid munitie die in de loods lag opgeslagen voor een tweede explosie, waardoor ook gebouwen in de wijde omgeving geraakt werden.

De wijk werd door de Amerikaanse generaal John Hesterman op een persconferentie na de luchtaanval omschreven als een “industriegebied”. Dat is wat overdreven als je oude foto’s van de wijk bekijkt. Er stonden inderdaad grote gebouwen: een elektriciteitscentrale, een brandweerkazerne en een ijsfabriek. Maar er was vooral laagbouw: kleine panden waar winkeltjes, een naaiatelier en een theehuis voor een levendige sfeer zorgden.

Soennitische vluchtelingen

“Er woonden op dat moment vooral vluchtelingen hier,” zegt de eigenaar van een kleine garage iets verderop in de wijk. Naast hem woonde een familie met zes kinderen. Bij de explosie zijn de muren omgevallen. “Allemaal zijn ze gedood, op de moeder na. Die heb ik later in Kirkuk nog eens gezien. Zij was zwaar gehandicapt geraakt.”

Toen IS Hawija een jaar eerder had ingenomen zijn veel inwoners op de vlucht geslagen. Daarvoor in de plaats kwamen veel soennitische vluchtelingen uit de omliggende dorpen naar de stad toe omdat sjiitische milities weinig genade kenden bij hun strijd tegen IS. Zij trokken in de gebouwen en winkeltjes rondom munitieloods. De waren leeg komen te staan toen IS het gebied veroverde.

‘Dood achtergebleven’

Volgens Osama Suleman, directeur van het ziekenhuis, zijn veel vluchtelingen dood achtergebleven onder het puin van de ingestorte gebouwen. “We weten niet waar ze vandaan kwamen. Die hebben we niet als dodelijke slachtoffers kunnen registreren.”

Het ziekenhuis kreeg die nacht ruim tweehonderd doden en gewonden binnen. “Het was een hele bloedige dag. Sommigen waren ernstig gewond, anderen stierven hier.” Suleman denkt dat het aantal slachtoffers bij elkaar opgeteld “boven de tweehonderd” ligt.

Informant van het leger

Een Irakees, die op verzoek van de gemeente een rondleiding geeft door de wijk, vertelt dat hij degene was die in opdracht van het Iraakse leger informatie over IS moest doorspelen aan het hoofdkwartier in Bagdad. Op 2 juni belde hij met Bagdad om door te geven dat er vier vrachtwagens met TNT, een zwaar explosieve stof, de loods binnenreden. Hij zou ook hebben verteld dat er vluchtelingen rondom de fabriek verbleven.

De informant kreeg van Bagdad te horen dat men in eerste instantie die dag nog wilde aanvallen, maar dat later werd besloten de aanval uit te stellen tot na middernacht om de de nevenschade te beperken.

Of de informatie over de vluchtelingen de Nederlandse luchtmacht die dag heeft bereikt, is onduidelijk. Het Amerikaanse Pentagon wil het onderzoek dat ze na de aanval gedaan hebben niet openbaar maken en het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij de aanval.

Schadevergoedingen

Veel mensen die nu in de wijk wonen hebben geen dierbaren verloren, maar klagen vooral over het uitblijven van schadevergoedingen voor de verwoesting van hun huis of winkel. Het zijn de oorspronkelijke bewoners die zijn teruggekeerd toen IS in 2017 werd verjaagd.

“We weten niet van alle gebouwen waar de eigenaren zijn gebleven”, zegt Mohamed, die als schrijver van brieven en formulieren zijn diensten aanbiedt bij een bouwvallig theehuis. Aan herbouw komt bijna niemand toe want schadevergoedingen zijn nog niet uitbetaald. “We hebben allemaal onze formulieren ingevuld”, zegt de schrijver met wijde armgebaren. “Het enige dat we als antwoord krijgen, is dat we moeten wachten. Dat doen we nu al twee jaar.”

De locoburgemeester van Hawija, Khalaf Najim Alabadi, bevestigt dat niemand uit de buurt een schadevergoeding heeft gekregen. Hij beschrijft een uiterst omslachtige procedure die iemand met schade aan zijn huis, auto of bedrijf moet doorlopen om zijn dossier via Kirkuk in Bagdad te krijgen. “En uit Bagdad hebben we niets meer gehoord in de afgelopen twee jaar.”

Pas als met de herbouw wordt begonnen, zal duidelijk worden hoeveel mensen er zijn omgekomen. “We hebben de gemeente gevraagd om te komen kijken of er nog mensen onder liggen”, vertelt Mohamed. Maar in het weer opkrabbelende Hawija heeft dat voorlopig geen prioriteit.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september.

 [38]

‘Men ging ervan uit dat er geen mensen verbleven in het gebied rondom de bommenfabriek.”

NOSTWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK4 NOVEMBER 2020
https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

Tweede Kamerleden willen snel uitleg van het kabinet over de luchtaanval in 2015 in Irak waarbij zeker zeventig doden vielen, onder wie veel burgers. Ook willen ze weten waarom de Kamer hierover niet goed geïnformeerd is.

Het kabinet erkende vandaag dat Nederland verantwoordelijk is voor de luchtaanval. Uit onderzoek van de NOS en NRC bleek twee weken geleden dat bij de aanval op een munitiefabriek van IS in Hawija een wijk volledig werd verwoest. Nederland was ook betrokken bij een aanval op een woonhuis in de Iraakse stad Mosul, waarbij vier burgerdoden vielen.

Het ministerie van Defensie wist dat er in beide gevallen burgerslachtoffers waren, maar verzweeg dit aanvankelijk voor de Kamer, erkent het kabinet in een brief. Het argument om geen concrete mededelingen te doen over de Nederlandse betrokkenheid was dat de veiligheid van de militairen niet in gevaar mocht worden gebracht.

Heel ernstig

GroenLinks-Kamerlid Diks noemt de kwestie heel ernstig. Volgens haar heeft de Kamer meerdere malen om de informatie gevraagd. “Dat schaadt het vertrouwen van de Tweede Kamer. GroenLinks wil morgen uitleg van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken.”

D66-Kamerlid Belhaij spreekt van een slechte zaak, waarover ze op de kortst mogelijke termijn in debat met de minister wil.

SP-Kamerlid Karabulut schrijft dat ze “de waarheid” eist. “Iets anders past een democratie niet”. “Duidelijk is wederom dat zonder onderzoeksjournalisten en andere critici deze waarheid waarschijnlijk nooit aan het licht was gekomen”.

Complex

PvdA-Kamerlid Kerstens benadrukt dat de situatie ter plekke complex was en dat de veiligheid van militairen ter plaatse altijd moet worden gewaarborgd. Toch vindt de PvdA ook dat openheid had moeten worden gegeven, zeker na herhaaldelijk aandringen van de Kamer.

“Defensie blinkt nu niet uit zichzelf uit in openheid, zo hebben we vaker moeten ervaren”.

Ook VVD-Kamerlid Bosman wil snel een debat. “Het is goed dat de minister, met respect voor de veiligheid van onze militairen, nu maximale transparantie geeft over de missie in Irak. Daarbij roept ze wel veel vragen op over twee specifieke missies, over de burgerslachtoffers die daar vielen en de communicatie daarover achteraf. Ik wil daar snel met de minister over in debat.”

Ook CDA en ChristenUnie willen snel een debat.

Onvolledige informatie

Minister Bijleveld erkent dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd. Volgens haar had destijds beter niets gezegd kunnen worden. “Je zit in een operationele tijd, dan moet je niet communiceren. In verband met de operationele veiligheid, de persoonlijke veiligheid en de nationale veiligheid”. Volgens Bijleveld kan er nu de missie voorbij is wel openheid gegeven worden.

Ze schrijft in haar brief dat het in de toekomst anders moet. Kamerleden willen graag van haar horen hoe het kabinet dat ziet.

Bijleveld schrijft ook in de brief aan de Kamer dat de informatie waar de aanval op gebaseerd was niet volledig bleek.

“Men ging ervan uit dat er geen mensen verbleven in het gebied rondom de bommenfabriek. Maar vooral was men verrast door de grote hoeveelheid munitie in de fabriek, die voor een enorme tweede explosie zorgde”.

De minister zegt de dood van de burgerslachtoffers “ten zeerste te betreuren”.

“Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen”, schrijft ze. “Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.”

Eerdere verklaringen over de aanval

Na de aanval op Hawija op 3 juni 2015 wist Defensie vrij snel dat er iets mis was gegaan en dat er onbedoelde nevenschade was.

Amerikanen zouden al kort na de aanval gemeld hebben dat er zowel burgerslachtoffers als IS-strijders waren omgekomen.

In antwoord op schriftelijke vragen schreef toenmalig minister Hennis op 22 juni 2015 dat er door Nederlands handelen geen burgers waren omgekomen.

Op 30 juni zegt zij in een Kamerdebat dat alle meldingen over burgerslachtoffers zijn onderzocht en dat het “tot nu toe niet het geval is geweest”.

In 2018 zegt André Steur -hoofd Operaties bij Defensie- tegen RTLnieuws dat de slachtoffers allemaal IS-strijders waren.In juni 2018 zegt minister Bijleveld in antwoord op vragen van de SP dat het om het belang van de veiligheid van de individuele vlieger en de eenheid, maar ook om de veiligheid van hun thuisfront en van de Nederlandse samenleving gaat. “Het kabinet is daarom ook niet bereid om in te gaan op verzoeken om meer informatie over deze gevallen.” 

[39]

NOSTWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK4 NOVEMBER 2020
https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

[40]

NOSTWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK4 NOVEMBER 2020
https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

[41]

WIKIPEDIAJEANINE HENNIS-PLASSCHAERT

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jeanine_Hennis-Plasschaert

[42]

7 – Parties to a conflict shall at all times distinguish between the civilian population and combatants in order to

spare civilian population and property. Neither the civilian population as such nor civilian persons shall be the

object of attack. Attacks shall be directed solely against military objectives.

BASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

[43]


 1 – Persons hors de combat and those who do not take a direct part in hostilities are entitled to respect for their

lives and their moral and physical integrity. They shall in all circumstances be protected and treated humanely

without any adverse distinction.

ASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

[44]

Hawija (Arabic: الحويجة, Al-Ḥawīja‎) is the centre of Al-Hawija District in the Kirkuk province of Iraq, 45 km west of Kirkuk, and north of Baghdad. The town has a population of about 100,000 inhabitants.

WIKIPEDIA

HAWIJA

https://en.wikipedia.org/wiki/Hawija

BBC

IS CONFLICT: DUTCH AIRSTRIKE KILLED ABOUT 70 PEOPLE IN IRAQ IN 2015

https://www.bbc.com/news/world-europe-50286829

A Dutch F-16 jet serving with the US-led coalition in Iraq killed about 70 people – Islamic State (IS) militants and civilians – in an air strike in 2015, the Dutch defence ministry says.

It is the first time the ministry has given details of the raid that targeted an alleged IS bomb factory in Hawija.

Large, unexpected secondary explosions meant the death toll was higher than anticipated, a ministry statement said.

Monitoring group Airwars maintains that at least 70 civilians died.

The IS facility hit in Hawija on the night of 2 June 2015 was believed to be producing vehicle-borne improvised explosive devices (IEDs) used to attack coalition forces, the Dutch defence ministry said.

Defence Minister Anna Bijleveld said “the relationship between perished [IS] fighters and civilian casualties could not be determined afterwards”.

She said the intelligence before the strike had indicated that “there were no civilians in the immediate vicinity of the target”.

“The closest residences were outside the damage area… After the attack, however, more and larger secondary explosions took place than could have been expected from previous experience with the elimination of this type of target, resulting in a larger damage area,” she added.

“It turned out that there were far more explosives in the IED factory than was known or could be estimated by the Netherlands on the basis of the information available… This also destroyed a large number of other buildings in the area.”

The day after the Hawija bombing, US Air Force Lt Gen John Hesterman told a news conference that a “fairly small weapon” had been dropped on “a known IED building in an industrial area”.

“The secondary explosion, which was caused from a massive amount of [IS] high explosives, was very large, and it destroyed much of that industrial area,” he said, adding that the coalition had seen no evidence of civilian casualties.

Airwars, which tracks civilian deaths in Iraq and Syria, concluded that at least 70 civilians were killed, including at least 26 children and 22 women, as well as a large number of militants.

The Dutch defence ministry also said on Monday that an air strike in the Iraqi city of Mosul on 20 September 2015 killed four civilians. A family home was bombed after faulty intelligence identified it as an IS headquarters, the ministry said.

The coalition task force fighting IS in Iraq and Syria reported on 26 September that it had conducted 34,573 air strikes between August 2014 and August 2019, and that at least 1,335 civilians had been unintentionally killed.

But Airwars believes between 8,214 and 13,125 non-combatants are likely to have been killed as a result of coalition actions over the same period.

[45][45]
”„Je moet het mogelijk verlies van levens van burgers in de buurt van zo’n fabriek afwegen tegen misschien wel dat van honderden burgers die om gaan komen als IS de bommen uit die fabriek gaat inzetten in de strijd.”

NRCAANVAL OP IS DEPOT WAS VAKMANSCHAP
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/21/aanval-op-is-depot-was-vakmanschap-a3977449

Bij oorlogvoeren horen harde en zelfs wrede afwegingen”, zegt oud-luchtmachtofficier Peter Wijninga. „Je moet soms vreselijke keuzes maken, bijvoorbeeld bij de voorbereiding van een aanval op een bommenfabriek van IS.”

Wijninga leidde de luchtverdedigingseenheid op luchtmachtbasis De Peel, was actief in Afghanistan en werkt voor nu de Haagse denktank The Hague Centre for Strategic Studies. „Je moet het mogelijk verlies van levens van burgers in de buurt van zo’n fabriek afwegen tegen misschien wel dat van honderden burgers die om gaan komen als IS de bommen uit die fabriek gaat inzetten in de strijd.”

Wijninga heeft „met gemengde gevoelens” kennisgenomen van de berichtgeving van NRC en NOS vrijdag en de daarop volgende politieke commotie. Beide media berichtten over de dood van 70 burgers bij een bombardement door een Nederlandse F-16 van een bommenfabriek van IS in de Noord-Iraakse stad Hawija in juni 2015. Wijninga: „Potverdorie, dacht ik even met mijn luchtmacht-verleden. Moet dat?”

Hij was niet de enige. In Facebook-groepen van veteranen werd grotendeels met onbegrip gereageerd. Een bezoeker van de pagina van de stichting Dutch Military Veterans schrijft: „Een munitiedepot van IS kreeg een voltreffer van een Nederlandse F-16. Dat is vakmanschap. De doden zijn een gevolg van de exploderende opgeslagen munitie dus absoluut NIET de schuld van de nl-piloot.”

Oud-luchtmachtofficier Wijninga miste in het nieuws en de vele reacties begrip voor de oorlogsvoering. „In feite was het uitschakelen van een belangrijke bommenfabriek van IS met vier vrachtwagens TNT erin een unieke kans. We durven dat nauwelijks hardop te zeggen, omdat we alleen in eufemismen praten, zoals vredesmissies. Maar de prijs voor vrede en veiligheid wordt vaak met bloed betaald. Dat gold 75 jaar geleden al, en dat geldt nog steeds.”

Toch begrijpt Wijninga ook het verlangen van de Tweede Kamer naar meer openheid over de gevolgen van Nederlandse bombardementen. „Ook ik ben voor meer transparantie. Zo vind ik het vreemd dat, toen er al na de aanval vermoedens waren over tientallen slachtoffers, Defensie dat niet meteen heeft uitgezocht en bekend heeft gemaakt. IS had dat weinig kunnen schelen. Het ging immers om burgers, niet om IS-strijders. Dus de kans op wraakacties acht ik klein.”

Ondergewaardeerd

Tom de Bok werkte decennialang in de luchtmacht, eveneens bij de luchtverdediging. Nu is hij voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging ‘Onze Luchtmacht’, een ‘ambassadeursvereniging’ voor de luchtmacht met vijfduizend leden. Hij vindt „de berichtgeving te veel de indruk wekken alsof we daar in Irak een oorlogsmisdaad hebben gepleegd”. Het gaat om één incident, zegt De Bok: „Dat wordt eruit gepikt en er wordt uitgebreid over bericht. Dat terwijl we daar 2.100 keer gebombardeerd hebben.”

Sinds vrijdag bleef het vrij rustig in zijn achterban, zegt hij. Maar militairen voelen zich nogal eens ondergewaardeerd door publiek en politiek en uiten dat lang niet altijd, zegt hij. „Dat gevoel zal deze dagen zeker niet minder geworden zijn.”

Ook in vakbondskringen bleef het rustig, zegt Annemarie Snels van de Algemene Federatie van Militair en Burger Personeel. „Al sluit ik daarbij niet uit dat men van hogerhand opdracht heeft gekregen zich rustig te houden.” Ze is positief over het streven van minister Bijleveld (Defensie, CDA) naar meer transparantie. „Voorwaarde is wel dat vliegers en andere betrokkenen bij de strijd beschermd worden. Anders krijg je niemand meer die zulk gevaarlijk werk wil doen.”

Snels noch Tom de Bok verwacht dat de ophef invloed zal hebben op de motivatie van vliegers mee te doen aan toekomstige missies. Snels: „Mensen vinden het over het algemeen leuk om op missie te gaan. Bovendien: vliegers hebben geen keus. Ze moeten de opdracht uitvoeren die de politiek hen geeft.”Wat het enthousiasme zal bevorderen, denkt De Bok, is de komst van de JSF, die de F-16 aflost. Net als precisiewapens bieden de technische snufjes van de JSF de belofte van (nog) schonere oorlogsvoering, misschien met (nog) minder burgerslachtoffers. Immers, de JSF heeft hypermoderne communicatiesystemen. Die kunnen gevoed worden met de meest actuele gegevens op de grond (over de aanwezigheid van burgers). De Bok: „De F-16’s en de JSF verhouden zich tot elkaar zoals een oude Nokia tot de allernieuwste iPhone.” Of de JSF ‘Hawija’ had kunnen voorkomen, is de vraag, zegt De Bok. Goede inlichtingen geven over de omgeving van het doelwit blijft mensenwerk

[46]
”„Bij oorlogvoeren horen harde en zelfs wrede afwegingen”
NRCAANVAL OP IS DEPOT WAS VAKMANSCHAP
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/21/aanval-op-is-depot-was-vakmanschap-a3977449
[ZIE VOOR TEKST ONDER NOOT 45]

[47]

1 – Persons hors de combat and those who do not take a direct part in hostilities are entitled to respect for their

lives and their moral and physical integrity. They shall in all circumstances be protected and treated humanely

without any adverse distinction.


BASIC RULES OF INTERNATIONAL HUMANITARIAN LAW IN ARMED CONFLICTShttps://www.icrc.org/en/doc/resources/documents/misc/basic-rules-ihl-311288.htm

[48]

”vliegers hebben geen keus. Ze moeten de opdracht uitvoeren die de politiek hen geeft’ 
NRCAANVAL OP IS DEPOT WAS VAKMANSCHAP
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/10/21/aanval-op-is-depot-was-vakmanschap-a3977449
[ZIE VOOR TEKST ONDER NOOT 45]

[49]

” The fact that a person acted pursuant to order of his Government or of a superior does not relieve him from responsibility under international law, provided a moral choice was in fact possible to him 
PRINCIPLES OF INTERNATIONAL LAW RECOGNIZED IN THE CHARTER OF THE NURNBERG TRIBUNAL AND IN THE JUDGMENT OF THE TRIBUNAL
https://legal.un.org/ilc/texts/instruments/english/draft_articles/7_1_1950.pdf

ZIE OOK WIKIPEDIA: 

“The fact that a person acted pursuant to order of his Government or of a superior does not relieve him from responsibility under international law, provided a moral choice was in fact possible to him”.This principle could be paraphrased as follows: “It is not an acceptable excuse to say ‘I was just following my superior’s orders’”.
WIKIPEDIANUREMBERG PRINCIPLESPRINCIPLE IV

https://en.wikipedia.org/wiki/Nuremberg_principles#Principle_IV

ORIGINELE BRON
WIKIPEDIANUREMBERG PRINCIPLES
https://en.wikipedia.org/wiki/Nuremberg_principles

[50]

”Het voorkomen van burgerslachtoffers en nevenschade heeft te allen tijde de hoogste prioriteit voor Nederland en de coalitie. Eerder is uw Kamer geïnformeerd over het uiterst zorgvuldige targeting proces van de coalitie en dus ook van Nederland. Mogelijke doelen worden eerst lange tijd geobserveerd om het risico van burgerslachtoffers te kunnen beoordelenBLADZIJDE 11
MEDEDELING AAN DE TWEEDE KAMER OVER DE BOMAANVAL OP HAWIJA EN DE ONTWIKKELINGEN ROND DE ANTI ISIS COALITIE

http://content1b.omroep.nl/urishieldv2/l27m677e797b0a39d024005e63ac48000000.df389e427806cc57454a8a856b1f7358/nos/docs/181019_kamerbrief.pdf

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Datum 13 april 2018 
Betreft Voortgangsrapportage Nederlandse bijdrage in de strijd tegen ISIS Pagina 1 van 13 Rijnstraat 8 2515XP Den Haag Postbus 20061 Nederland
www.rijksoverheid.nl

Onze Referentie DVB/CV-024/18 Uw Referentie Bijlage(n) In deze brief informeren wij u, met verwijzing naar de artikel 100-brief van 11 september jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 615), over de voortgang van de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS. Ook gaat deze brief in op een aantal toezeggingen dat aan uw Kamer is gedaan:
 1) Het informeren van uw Kamer over een eventuele wijziging van het mandaat voor de Nederlandse militaire inzet in Irak en Oost-Syrië; 
2) Aandacht te vragen in de internationale coalitie tegen ISIS voor het voorkomen van burgerslachtoffers en het instellen van een centraal meldpunt voor burgerslachtoffers door toedoen van de coalitie; 
3) Om in de anti-ISIS coalitie aandacht te vragen voor de discrepantie tussen enerzijds het door de coalitie erkende aantal burgerslachtoffers en anderzijds het aantal dat wordt genoemd in een onderzoek van de New York Times; 
4) Uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van het Openbaar Ministerie naar mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van Nederlandse militaire inzet;
 5) Uw Kamer te informeren over de overgang naar fase vier (normalisatie) van het campagne plan van de anti-ISIS coalitie. 
Het kabinet geeft in deze brief tevens antwoord op de vragen die zijn gesteld door de SP-fractieleden van de Eerste Kamer naar aanleiding van de artikel 100-brief van 11 september jl. 
Ontwikkelingen in de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië De strijd tegen ISIS vindt plaats binnen een zeer complexe en fluïde context waar veel ontwikkelingen gevolgen hebben voor de voortgang van de strijd. 
Sinds de brief van 24 november jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 616) is de gevechtskracht van ISIS verder afgenomen. Inmiddels lijkt ISIS lokaal echter weer aan kracht te winnen. In Irak verklaarde premier Abadi op 9 december jl. dat het Iraakse grondgebied was bevrijd, hoewel de strijd tegen terrorisme voortduurt. Sinds de start van de internationale strijd tegen ISIS in 2014 zijn zeven miljoen mensen uithanden van ISIS bevrijd waarvan maar liefst vijf miljoen in het afgelopen jaar. Drie miljoen mensen zijn teruggekeerd en pakken hun dagelijks leven weer op. Ondanks deze successen is de dreiging van ISIS nog niet verdwenen en is de groepering nog actief in Irak en Syrië en vormt nog altijd een aanzienlijke factor van instabiliteit in Irak en Syrië. ISIS blijft veerkracht tonen. Waar de groepering in het najaar van 2017 nog beschikte over grofweg twaalfduizend strijders, is dat aantal de afgelopen periode teruggelopen naar enkele duizenden. Het aantal strijders is de afgelopen maand echter toegenomen. Zoals gesteld in het Dreigingsbeeld Terrorisme in Nederland (DTN) (Kamerstuk 2018 Z0 5372) beschikt de groepering in Syrië over zogenoemde pockets in de Eufraatvallei en in het gebied grenzend aan Irak. Er is nog altijd sprake van intensief grensoverschrijdend transport tussen de ISIS-pockets in Syrië en de netwerken in Irak. In Irak bestaat ISIS uit vele kleinere terroristische netwerken verspreid over het land. Het is de verwachting dat ISIS dit ondergrondse netwerk in Irak de komende maanden verder zal uitbreiden. Mede met het oog op de aanstaande Iraakse verkiezingen in mei van dit jaar zal ISIS meer destabiliserende acties uitvoeren. Door de ontwikkelingen in Afrin, waarover uw Kamer op 14 maart jl. is geïnformeerd (Kamerstuk 326 23 nr. 200), zijn verschillende elementen van de Syrian Democratic Forces (SDF) weggetrokken uit de Eufraatvallei, waar zij tegen ISIS streden, naar Afrin. Daardoor is de voortgang in de strijd tegen ISIS in OostSyrië nagenoeg tot stilstand gekomen. Indien dit aanhoudt, kan dit ISIS de mogelijkheid geven om zich te herstellen en mogelijk zelfs terrein te heroveren. Op korte termijn kan dit gevolgen hebben voor het militaire campagneplan van de coalitie. Conform de motie Becker c.s. (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1843) heeft Nederland de gevolgen van de Turkse operatie in Afrin, zoals het bemoeilijken van de strijd tegen ISIS, veroordeeld. Nederland zal in de anti-ISIS coalitie, in NAVOverband en ook in de VN-Veiligheidsraad, Turkije blijven aanspreken op negatieve effecten van het offensief op de strijd tegen ISIS. Een geïntegreerde inzet op zowel het politieke, militaire als stabilisatiespoor is blijvend van belang om de behaalde successen te bestendigen en te voorkomen dat ISIS of een soortgelijke organisatie zich opnieuw kan manifesteren. Ontwikkelingen in Irak Politiek Hoewel in mindere mate, zijn de relaties tussen de autoriteiten in Bagdad en Erbil sinds het onafhankelijkheidsreferendum in de Koerdische Autonome Regio (KAR) van 25 september jl. en de daaropvolgende overname door de Iraakse strijdkrachten van een deel van de betwiste gebieden, nog altijd gespannen. In januari 2018 hebben premier Abadi en premier Nichervan Barzani voor het eerst met elkaar gesproken. Er zijn nog onopgeloste punten, maar ook eerste positieve stappen. Zo is het vliegverbod voor internationale vluchten op Koerdische vliegvelden opgeheven na een decreet waarmee de Koerdische vliegvelden verder onder federale controle komen te staan. De eerste internationale vlucht is op 19 maart op Erbil geland. Ook heeft Irak 317 miljard dinar overgemaakt aan de Koerdische autoriteiten voor het uitbetalen van salarissen. Volgens de Koerdische autoriteiten is dit echter onvoldoende om de kosten te dekken. Er is nog geen overeenstemming over de uitvoer van olie en 

  het gebruik door federaal Irak van pijpleidingen die door de KAR lopen. De begroting voor 2018 die recent werd aangenomen geeft de Koerden daarnaast recht op een begrotingsaandeel van ongeveer 12,7 procent, in tegenstelling tot de eerder gehanteerde 17 procent. Tot slot is er nog niet gesproken over de status van de betwiste gebieden. Het is niet de verwachting dat deze problemen tussen Bagdad en Erbil worden opgelost voor de nationale parlementsverkiezingen van 12 mei 2018. Politieke strijd, waarbij partijen elkaar op ideologisch gedachtengoed bestrijden, ontbreekt, evenals publiek debat. Onderwerpen zoals corruptiebestrijding, de noodzaak van politieke en economische hervormingen, nationale verzoening, veiligheid en de crisis rond de levering van basisdiensten, komen nauwelijks aan bod. Ook is het politieke landschap erg gefragmenteerd. Premier Abadi blijft populair, vooral onder de sjiitische bevolking, vanwege zijn kordate optreden na het Koerdisch referendum en door het uitroepen van de bevrijding van Irak. Waarschijnlijk zullen na de verkiezing lange coalitieonderhandelingen nodig zijn. De provinciale verkiezingen, die ook op 12 mei plaats zouden vinden, zijn uitgesteld naar december 2018. Stabilisatie en humanitair In het licht van bovenstaande uitdagingen blijft de inzet van de internationale gemeenschap op het gebied van stabilisatie en humanitaire hulp in Irak van groot belang. Als gevolg van het offensief om Mosul zijn meer dan een miljoen mensen in Irak gevlucht. De humanitaire noden in Irak nemen langzamerhand af, maar nog altijd heeft een deel van de bevolking, voornamelijk ontheemden en andere kwetsbare groepen, behoefte aan levensreddende hulp. Nederland blijft in 2018 doorgaan met bijdragen via de Dutch Relief Alliance en het Iraq Humanitarian Pooled Fund voor een totaal van 10 miljoen euro. Ten aanzien van stabilisatiesteun heeft Nederland in december eenmalig een extra bijdrage van 12 miljoen euro geleverd aan het Funding Facility voor Stabilisation van de UNDP. Dit fonds draagt bij aan de eerste stabilisatienoden in op ISIS bevrijde gebieden. Momenteel zijn er meer dan 1200 projecten geïmplementeerd, zijn meer dan 800.000 mensen weer voorzien van watertoevoer en hebben meer dan 500.000 mensen weer toegang tot elektriciteit. Er zijn scholen herbouwd waardoor meer dan 120.000 kinderen weer naar school kunnen en er zijn 52 gezondheidsklinieken gebouwd die meer dan 1,2 miljoen mensen voorzien van zorg. Tegelijkertijd presenteerde de Iraakse regering tijdens de internationale Koeweitconferentie voor de wederopbouw van Irak in februari het nieuwe Resilience and Response Plan (RRP) voor wederopbouw. Veel bedrijven en organisaties namen deel aan de conferentie, waaronder het IMF, de Wereldbank en de ICRC. De Golfstaten hebben beloofd om bijna vier miljard dollar direct te investeren of in de vorm van een lening aan te bieden. Daarnaast hebben verschillende landen bijna negen miljard dollar aan exportkredieten toegezegd. EU Afgelopen december is de EU Advisory Mission (EUAM) in Irak van start gegaan die zich richt op capaciteitsopbouw van de veiligheidssector. De missie adviseert Irak bij de implementatie van de nationale veiligheidsstrategie. Nederland levert een civiel expert op het gebied van veiligheidsbeleid. Ook heeft de EU, mede op Nederlands aandringen, een nieuwe Irakstrategie gepubliceerd. Deze strategie 

richt zich op het behoud van de eenheid van Irak; een evenwichtig en democratisch bestuurssysteem; ondersteuning aan humanitaire hulp, herstel, stabilisering, ontwikkeling en wederopbouw; duurzame en inclusieve economische groei; versterken nationale identiteit en verzoening; effectief en onafhankelijk justitieel stelsel; instellen migratiedialoog; ondersteunen goede betrekking van Irak met haar buurlanden; en een sterk partnerschap tussen de EU en Irak. NAVO Op 15 februari jl. gaf de Noord Atlantische Raad van de NAVO, op verzoek van de anti-ISIS coalitie en Irak, opdracht om het huidige NAVO Training and Capacity Building programma in Irak (NTCB-I) te transformeren naar een volwaardige NAVO-missie. Uw Kamer werd hierover eerder geïnformeerd via het verslag van de NAVO defensie ministeriële bijeenkomst van 14 en 15 februari (Kamerstuk 28 676 nr. 285). Het zal gaan om een non-combat missie die, net zoals het huidige programma en EUAM, gericht is op capaciteitsopbouw van de veiligheidssector. Hiermee zal de missie een bijdrage leveren aan stabilisatie en hervorming van de veiligheidssector in post-ISIS Irak. De missie zal complementair zijn aan de activiteiten van andere internationale actoren zoals de VN, de EU en de anti-ISIS coalitie. Waar de focus van EUAM ligt op civiele aspecten en met name ondersteuning biedt aan het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken zal de NAVO-missie voornamelijk ondersteuning bieden aan het ministerie van Defensie. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid om op termijn een bijdrage te leveren. Ontwikkelingen in Syrië De strijd tegen ISIS in Syrië speelt zich af tegen de achtergrond van een complexe en voortslepende burgeroorlog. De humanitaire situatie in Syrië blijft onverminderd schrijnend en naar verwachting zal het conflict de komende tijd voortduren. Over de situatie in Oost-Ghouta en Idlib is uw Kamer op 14 maart jl. geïnformeerd Deze brief bevatte eveneens een nadere appreciatie van de Turkse inval in Afrin. Verschillende bronnen melden dat sinds de start van het offensief een aanzienlijk aantal burgerslachtoffers is gevallen. Het kabinet kan deze verschillende cijfers niet verifiëren. Ook heeft het offensief een vluchtelingenstroom op gang gebracht. De VN (OCHA) schat dat in totaal 232.000 mensen uit Afrin zijn vertrokken sinds november 2017. Ook zou er sprake zijn van plunderingen. Nederland blijft hiervoor voortdurend aandacht vragen, zoals de minister van Buitenlandse Zaken ook stelde tijdens het algemeen overleg Raad Buitenlandse Zaken van 11 april jl. Sinds het begin van de burgeroorlog heeft Nederland 382,15 miljoen euro bijgedragen aan humanitaire hulp in Syrië. Nederland gaat in 2018 door met het bieden van humanitaire hulp, in totaal is er 20,1 miljoen euro begroot, zowel via grote ongeoormerkte bijdragen aan VN-organisaties en het Rode Kruis als via de crisis-specifieke Humanitarian Pooled Fund en de Dutch Relief Alliance. Deze bieden, daar waar humanitaire toegang mogelijk is, humanitaire hulp binnen heel Syrië. De stabilisatieprogrammering wordt momenteel herzien vanwege de veranderingen in Noord-Syrië. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief van 14 maart jl. 

In reactie op de extreme geweldstoename heeft de VN Veiligheidsraad op 24 februari jl. unaniem resolutie 2401 aangenomen, waarin wordt opgeroepen tot een humanitair staakt-het-vuren van ten minste 30 dagen voor heel Syrië, met uitzondering van de strijd tegen door de Veiligheidsraad erkende terroristische organisaties. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 27 maart jl. in de VN veiligheidsraad alle strijdende partijen in het Syrische conflict, inclusief het Syrische regime, Rusland, Iran, Turkije en gewapende groepen, opgeroepen om zich te houden aan VN-Veiligheidsraad resolutie 2401. Ook heeft de minister gepleit voor het versterken van resolutie 2401 door middel van internationale monitoring van het staakt het vuren. Het kabinet betreurt ten zeerste het gebrek aan voortgang sinds de aanname van resolutie 2401. De minister heeft ook opgeroepen tot accountability en de vervolging en berechting van misdadigers, waaronder ISIS, dat mogelijk genocide heeft gepleegd. Uw Kamer werd via de Kamerbrief van 11 april (Kamerstuk 32 623 nr. 202) geïnformeerd over de gebeurtenissen in Douma. Een verontrustende ontwikkeling zijn de luchtaanvallen die het Syrische regime sinds 12 maart jl. weer uitvoert in de zuidelijke provincie Dera’a, ten oosten van Dera’a stad. In dit gebied was het geweldsniveau sinds de afspraken over deescalatiezones van mei jl. tussen Rusland, Turkije en Iran juist gedaald. Het is onduidelijk of dit een voorbode is van een grootschaliger offensief in het zuiden. In februari 2018 heeft een onderhandelingsronde van het Geneve-proces plaatsgevonden. Net als eerder bleven resultaten uit, mede door de onwil van het regime om serieus deel te nemen in het proces. Enkele dagen later volgde een Syrië-conferentie die Rusland in Sochi georganiseerd had, waar is afgesproken een grondwettelijke commissie samen te stellen onder auspiciën van VN-gezant De Mistura. Nederland blijft zich inzetten voor een politieke oplossing van het conflict in Syrië, alleen hiermee kan duurzame vrede worden bereikt. Nederland steunt het VN geleide vredesproces onder leiding van De Mistura. Ontwikkelingen in de regio Landen in de regio spelen een belangrijke rol in Irak en Syrië. De invloed van Iran in Irak blijft groot, terwijl Irak de relaties verbetert met Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Libanon en Jordanië. In Syrië hebben Rusland, Iran en Turkije de grootste invloed op het conflict. Ondanks dat hun belangen verschillen hebben deze landen het afgelopen jaar met elkaar samengewerkt in het kader van de ‘Astana-besprekingen’. De effectiviteit van de in Astana afgesproken de-escalatiezones laat evenwel zeer te wensen over. Rusland toont zich onverminderd een steunpilaar voor het Syrische regime, zowel politiek als militair. Parallel aan intensivering van militaire inspanningen in OostGhouta en Idlib, heeft Rusland haar politieke gewicht ingezet in de VNveiligheidsraad. Zo was een veto van Rusland aanleiding voor het uitblijven van mandaatverlenging voor het onderzoekmechanisme naar het gebruik van chemische wapens in Syrië. Rusland heeft ook de onderhandelingen voor resolutie   

  2401 bemoeilijkt en verspreidt actief desinformatie, zowel in VNveiligheidsraadverband als daarbuiten. Turkije was met militaire steun aan rebellengroepen en haar militaire aanwezigheid in Noord-Syrië reeds een belangrijke actor in het Syrische conflict. Met de inval van het Turkse leger in de noordwestelijke regio Afrin is deze rol verder uitgebreid. Spanningen tussen Turkije en de VS, dat Koerdische militiestrijders in het noordoosten steunt, liepen hierbij op. De frontale aanval op de Koerdische YPG leidde eveneens tot spanning en onrust onder de Koerdische bevolking in buurlanden Turkije en Irak, alsook onder de Koerdische diaspora in de rest van de wereld. Ontwikkelingen in de anti-ISIS coalitie Op 13 februari jl. vond in Koeweit de ministeriële bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de anti-ISIS coalitie plaats en kwamen in Rome de ministers van Defensie bijeen. Tijdens deze bijeenkomsten werd wederom duidelijk dat, ondanks de geboekte successen en het uitroepen van de bevrijding van Irak, de strijd nog niet is gestreden. Net als Nederland spraken andere landen hun blijvende steun uit, niet alleen voor militaire inzet, maar ook voor inspanningen op het gebied van stabilisatie en wederopbouw. De militaire campagne bevindt zich thans ongewijzigd in fase drie van het campagneplan, gericht op het verslaan van ISIS. Tijdens de bijeenkomsten in Rome en in Koeweit is, zoals aan uw Kamer toegezegd in het algemeen overleg van 14 december jl., aandacht gevraagd voor zorgvuldigheid bij – en transparantie over – de inzet van het luchtwapen. Ook vroeg Nederland aandacht voor de discrepantie tussen meldingen van aantallen mogelijke burgerslachtoffers door enerzijds de coalitie en anderzijds door bronnen als de New York Times en onderzoekscollectief Airwars. De coalitie onderstreepte dat het voorkomen van burgerslachtoffers ten allen tijde de hoogste prioriteit heeft. ISIS blijft mensenrechtenschendigen begaan en gebruikt burgers als menselijk schild. Vooral in verstedelijkt gebied bemoeilijkt dit het coalitieoptreden. Het Amerikaanse hoofdkwartier Central Command (CENTCOM) onderzoekt elke melding van mogelijke burgerslachtoffers. Voor veel van de meldingen aan het adres van de coalitie ontbreekt echter voldoende bewijs om ze te kunnen verifiëren. Conform de toezegging aan uw Kamer, bracht Nederland het voorstel in voor een centraal coalitiemeldpunt voor mogelijke burgerslachtoffers of hun nabestaanden. In eerste instantie moeten Iraakse burgers hiervoor terecht kunnen bij de Iraakse autoriteiten. Daarnaast houdt een team in CENTCOM zich fulltime bezig met (het onderzoeken van) meldingen van mogelijke burgerslachtoffers. Dit team werkt nauw samen met onder andere Airwars. Maandelijks publiceert de coalitie een openbaar overzicht dat in gaat op meldingen van mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van coalitieoptreden. Tijdens de ministeriële bijeenkomst in Koeweit werden tevens de Guiding Principles over de toekomst van de coalitie aangenomen. In deze Guiding Principles is vastgelegd dat de inzet van de coalitie is gericht op het volledig wegnemen van de territoriale dreiging van ISIS in Irak en Syrië, het stabiliseren van bevrijde gebieden en het verstoren van ISIS-netwerken wereldwijd. De huidige inspanningen op het terrein van Foreign Terrorist Fighters (FTF), het 

verstoren van ISIS-financiering en het tegengaan van de ISIS-ideologie worden voortgezet en waar nodig aangepast aan de veranderende omstandigheden en ingebed in bredere diplomatieke (waaronder VN), militaire en contra-terrorisme inspanningen. Op 21 februari jl. kwam de Foreign Terrorist Fighter-werkgroep bijeen in Den Haag onder co-voorzitterschap van Nederland, Koeweit en Turkije. De bijeenkomst stond vooral in het teken van vraagstukken rond terugkerende buitenlandse ISIS-strijders uit Syrië en Irak. Landen en organisaties, zoals de VN en Interpol, deelden voortgang en nieuwe inzichten over informatie-uitwisseling voor detectie en bewijsvergaring, waarbij onder meer het belang van biometrische gegevens werd benadrukt. Nederland bood expertise aan om landen te ondersteunen in het verzamelen en analyseren van passagiersgegevens. VN Veiligheidsraadsresolutie 2396 (2017) verplicht landen om hiervoor een technische voorziening te ontwikkelen. De VS bracht de situatie van in Syrië gevangengenomen ISIS-strijders onder de aandacht en riep landen op waar mogelijk eigen onderdanen te repatriëren. Vervolging en berechting ISIS-strijders Nederland zet zich binnen alle relevante fora, waaronder de VN-Veiligheidsraad en de anti-ISIS coalitie, in om vervolging en berechting van ISIS-strijders te bevorderen. In het licht van de motie van Helvert c.s. (Kamerstuk 34775-V nr. 20), de motie Voordewind (Kamerstuk 21501-20-1108) en de motie Karabulut/Ploumen (34775-V nr. 60), heeft Nederland op 19 maart in de VNVeiligheidsraad de wens geuit dat de Veiligheidsraad genocide door ISIS erkent. Ook in de FTF-werkgroep heeft Nederland hiervoor aandacht gevraagd. De VS is vooralsnog het enige lid van de VN-Veiligheidsraad dat genocide door ISIS heeft erkend en is daarom een belangrijke partner om verdere steun te verwerven in de VNVR. Om tot de erkenning te komen wil het kabinet onder andere voortbouwen op VNVR resolutie 2379 (2017) die Nederland steunde om een VN onderzoeksteam op te richten dat ISIS-misdrijven in Irak onderzoekt. Deze resolutie stelt dat de daden van ISIS neer kunnen komen op genocide. Nederland pleit voor een snelle start van de werkzaamheden van het onderzoeksteam, maar heeft zorgen over het uitblijven van garanties dat het werk van het onderzoeksteam niet zal leiden tot veroordelingen tot de doodstraf. Als deze zorgen niet worden weggenomen kan Nederland het onderzoeksteam niet steunen, zowel financieel als met het delen van informatie. Ook heeft Nederland de VN aangemoedigd Irak te steunen met het instellen van een gespecialiseerde rechtbank voor internationale misdrijven, indachtig de motie Van Helvert (Kamerstuk 34775-V nr. 63). Ter ondersteuning van (internationale) opsporing en vervolging van misdrijven gepleegd in Syrië geeft Nederland logistieke en financiële steun aan het door de VN opgerichte International, Impartial and Independent Mechanism on international crimes committed in the Syrian Arab Republic (IIIM). Dit onderzoeksmechanisme zal bewijs van schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten verzamelen, analyseren en bewaren. Nederland werkt hierbij samen met NGO’s. Ook worden dossiers voorbereid voor mogelijke strafrechtelijke vervolging. Tot heden zijn in Nederland geen personen vervolgd voor het plegen van genocide of medeplichtigheid aan genocide in relatie tot ISIS, maar wel voor andere, ook 

terroristische, misdrijven. Als er aanwijzingen zijn dat leden van ISIS zich schuldig hebben gemaakt aan (medeplichtigheid aan) genocide en Nederland heeft rechtsmacht (omdat het bijvoorbeeld gaat om Nederlandse verdachten en/of verdachten die zich in Nederland bevinden), biedt de Wet Internationale Misdrijven grondslag voor een eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie. Op dit moment zijn die aanwijzingen er niet. Genocide is bovendien een complex misdrijf met een hoge bewijslast. Het is dan ook geen gegeven dat er voldoende bewijs voorhanden is om Nederlandse ISIS-strijders veroordeeld te krijgen voor genocide. Militaire inspanningen Mandaat Met de brief van 24 november jl. is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang in de strijd tegen ISIS. Hierin zijn ontwikkelingen beschreven die gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse militaire inzet. Het kabinet blijft de situatie in Irak en Syrië voortdurend nauwlettend volgen. Mandaat voor optreden in Irak De rechtsgrond voor optreden van Nederlandse militairen in Irak is het verzoek tot militaire steun van Irak bij het verslaan van ISIS. Hoewel premier Abadi de overwinning op ISIS heeft uitgeroepen is het verzoek tot militaire steun niet ingetrokken of gewijzigd. ISIS voert nog steeds aanslagen uit in Irak. De rechtsgrond is daarmee onveranderd. Mandaat voor optreden boven Syrië De rechtsgrond voor het gebruik van geweld tegen ISIS in Syrië wordt gevormd door het recht op collectieve zelfverdediging op basis van artikel 51 van het VNHandvest, ten behoeve van de verdediging van Irak tegen ISIS-aanvallen vanuit Syrië. Om vast te stellen of een beroep kan worden gedaan op deze rechtsgrond gelden juridische beoordelingscriteria. Van deze beoordelingscriteria zijn feitelijke elementen afgeleid die van belang zijn voor het Nederlandse mandaat voor optreden in Oost-Syrië. Op 14 december jl. is met uw Kamer gesproken over die feitelijke elementen. De situatie is fluïde en de strijd speelt zich af in een complexe (internationale) context. Sinds eind 2017 is het aantal ISIS-strijders gedaald en de omvang van de gewapende ISIS-aanvallen in Irak afgenomen. Tegelijkertijd is de intentie van ISIS om een eigen kalifaat te stichten nog volop aanwezig. De laatste maand stijgt het aantal ISIS-strijders weer. Ontwikkelingen zoals die in Afrin compliceren de situatie verder. Soortgelijke ontwikkelingen, en de negatieve effecten hiervan op de strijd tegen ISIS, zijn van invloed op de Nederlandse inzet en de volkenrechtelijke rechtsgrond. Hieronder worden de vier elementen toegelicht die van belang zijn voor het mandaat: 1) “Doorlopende aanvallen van ISIS vanuit Syrië naar Irak.” Een beroep op het recht op collectieve zelfverdediging vereist dat sprake is van een doorlopende gewapende aanval. Met behulp van aanvoerlijnen vanuit Syrië worden nog bijna dagelijks aanvallen in Irak uitgevoerd. Er is een direct verband tussen de juridische eis van een gewapende aanval en het beginsel van proportionaliteit. Die houdt in dat de acties van de anti-ISIS coalitie in Syrië naar aard, omvang en intensiteit in verhouding moeten staan tot de gewapende aanval 

2) “Centrale aansturing van de gewapende aanval.” Hoewel er geen sprake meer lijkt van een fysiek ISIS-hoofdkwartier in Syrië, laat de wijze waarop ISIS optreedt zien dat er nog steeds sprake is van een vorm van centrale aansturing van de aanvallen die vanuit Syrië op Irak worden uitgevoerd. Waar die zich bevindt is op dit moment onduidelijk. 3) “Aanvoerlijnen van personeel en materieel vanuit Syrië naar Irak.” De grens tussen Irak en Syrië is poreus. Vooral in het noordelijk grensgebied is de controle zwak en makkelijk te omzeilen. Dagelijks worden strijders en wapens vanuit Syrië naar Irak verplaatst om te worden ingezet in de gewapende strijd in Irak. Hoewel deze bewegingen in omvang zijn afgenomen vormen zij een belangrijke ondersteuning voor het uitbreiden en versterken van het ondergrondse netwerk in Irak. Andersom trekken strijders van Irak naar Syrië, waar zij relatief ongestoord kunnen herstellen. 4) “Het Syrische regime is niet bereid of in staat om de aanvallen vanuit Syrië op Irak te stoppen.” Dit element komt voort uit het juridische criterium van noodzakelijkheid. De inzet en middelen moeten noodzakelijk zijn om de gewapende aanvallen af te slaan. Onderdeel van dit criterium in het geval de gewapende aanval wordt uitgevoerd door een nietstatelijke actor, is dat de staat niet in staat of bereid is zelf de aanval te stoppen. Hierbij gaat het erom of de staat effectief is in het stoppen van de aanval. Het Syrische regime is nog steeds niet in staat gebleken om de ISIS-aanvallen vanuit Syrië op Irak te stoppen. De minister van Buitenlandse Zaken stelde in het debat op 14 december jl. dat we opereerden aan de randen van het mandaat. Het kabinet concludeert op basis van bovenstaande dat er nog steeds een rechtsgrond is voor Nederlandse militaire inzet in Oost-Syrië. De inzet van de Nederlandse F-16’s staat nog in verhouding tot de schaal en omvang van de gewapende ISIS-aanvallen op Irak vanuit Syrië, er is nog steeds sprake van centrale aansturing en er is nog sprake van aanvoerlijnen van personeel en materieel. Ten slotte is het Syrische regime nog niet in staat gebleken de aanvallen van ISIS op Irak vanuit Syrië te stoppen. Het mandaat blijft derhalve vooralsnog ongewijzigd. De situatie op de grond blijft fluïde en veranderlijk, en ontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor het mandaat. Het kabinet houdt de situatie daarom voortdurend nauwlettend in de gaten. Uw Kamer zal worden geïnformeerd wanneer daar aanleiding voor is. Voortgang Nederlandse inzet De Nederlandse militaire bijdrage tracht zo flexibel mogelijk aan te sluiten bij de behoefte van de coalitie. Ook in het licht van militair-strategische ontwikkelingen kan worden besloten de inzet aan te passen. In de brief over de beschouwing van de Nederlandse militaire inzet van 24 november jl. werd aan uw Kamer gemeld dat, gezien de verandering in de trainingsbehoefte, één mobiel trainingsteam uit Noord-Irak terug werd gehaald. Vanwege de wijzigende behoeften en veranderingen op de grond sinds november heeft het kabinet besloten de Nederlandse militaire inzet verder aan te passen. Hiertoe zal nog een trainingsteam en ook de Nederlandse Special Operations Forces (SOF-)bijdrage worden teruggetrokken uit Noord-Irak. De Nederlandse SOF-bijdrage in Bagdad en een resterend trainingsteam in Noord-Irak zullen vooralsnog worden gehandhaafd. 
Trainingsmissie 

  In het afgelopen halfjaar heeft de Capacity Building Mission Iraq (CBMI), in samenwerking met partnerlanden, trainingen verzorgd aan Koerdische strijdkrachten. De voortgang in de strijd tegen ISIS sinds november en de ontwikkelingen rondom het onafhankelijkheidsreferendum en de daaropvolgende overname door de Iraakse strijdkrachten van de betwiste gebieden hebben gevolgen voor de Nederlandse trainingen. Na de herovering van Mosul en de verklaring van de bevrijding van Irak zijn de Peshmerga niet meer betrokken geweest bij direct optreden tegen ISIS. Hierdoor is de trainingsbehoefte afgenomen. Dit effect is versterkt door de opgelopen intra-Koerdische spanningen en het uitblijven van salarisbetalingen door de regering in Bagdad aan de Peshmerga. De Nederlandse trainingen werden uitgevoerd op verzoek van het Ministry of Peshmerga (MOP) en gecoördineerd door het Kurdish Training and Coordination Centre (KTCC) in Erbil. Het betrof vooral Wide Area Security (WAS) trainingen, Counter Improvised Explosive Devices (C-IED)-cursussen, cursussen voor bataljonsstaven en leiderschapstraining. Deze trainingen werden verzorgd op trainingscentra in Atrush, Beneslava, Menilla en Erbil. Na de terugtrekking van een van de trainingsteams blijft nog een Nederlands trainingsteam aanwezig om deze trainingen te verzorgen. In maart jl. maakte het nieuwe Duitse kabinet bekend dat de bijdrage aan de trainingsmissie tegen ISIS wordt beëindigd. Duitsland speelt een leidende rol binnen het KTCC en draagt die medio 2018 over aan Italië. Duitsland zal de trainers terugtrekken terwijl een kleine bijdrage, waaronder een geneeskundig element, achterblijft. Desondanks zal de Duitse terugtrekking waarschijnlijk gevolgen hebben voor de Nederlandse inzet in Noord-Irak. Deze gevolgen worden thans onderzocht. Advise & Assist De brief van 24 november jl. stelt dat waar de Iraakse strijdkrachten nog vechten tegen ISIS, zij behoefte blijven houden aan advisering en assistentie (A&A). In Noord-Irak, waar de Nederlands-Belgische A&A-taakgroep zit, is dit op het moment niet meer het geval. Overleg met de coalitie over een Iraakse partnereenheid of een andere invulling van de SOF-bijdrage heeft geen resultaat opgeleverd. Daarom is besloten de Nederlandse SOF-bijdrage vanuit Noord-Irak te beëindigen. Dit gebeurt in nauw overleg met België, waarmee de afgelopen periode naar volle tevredenheid is samengewerkt. Twee Nederlandse inlichtingenanalisten zullen het Belgische A&A-team in 2018 blijven ondersteunen. Ook in Bagdad verzorgt een klein aantal Special Forces trainingen aan Iraakse militairen. Deze bijdrage wordt gezien de blijvende behoefte aldaar voortgezet. Chirurgisch team Sinds januari 2018 is een Nederlands chirurgisch team van ongeveer tien personen ontplooid op de Al-Assad Air Base. Samen met chirurgische teams uit onder andere Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk wordt dit team ingezet in een ziekenhuis geleid door de Verenigde Staten. Met deze schaarse capaciteit levert Nederland een waardevolle bijdrage aan de missie. 

  Luchtcampagne Sinds januari zijn vier F-16’s en het ondersteunende detachement van ongeveer 150 personen conform de planning volledig inzetbaar. De Nederlandse F-16’s worden bijna dagelijks ingezet boven Irak en Oost-Syrië waarbij zij voornamelijk opereren ter ondersteuning van grondtroepen (Close Air Support). Tijdens de ruim 100 missies is meerdere malen gewapende inzet gepleegd tegen ISIS-doelen, waaronder voertuigen, logistieke opslagplaatsen en wapenopstellingen. Het merendeel van de inzet vond plaats in Oost-Syrië. Gevolgen voor de gereedheid en geoefendheid De gevolgen voor de gereedstelling zoals verwoord in de artikel 100-brief van 11 september jl. blijven onveranderd van kracht. De aanpassing van de bijdrage in Noord-Irak levert geen significante verlichting op voor het herstel van de basisgereedheid. Dezelfde schaarse (logistieke) capaciteit blijft nodig om de Nederlandse bijdrage in stand te houden. De inzet van het C-130 transportvliegtuig was eenzijdiger dan verwacht. Dit heeft geleid tot een beperking van de operationele gereedheid. Burgerslachtoffers Defensie is door de minister van Justitie en Veiligheid geïnformeerd over de uitkomsten van de vier onderzoeken van het Openbaar Ministerie (OM) naar mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van Nederlandse wapeninzet in de strijd tegen ISIS. Het OM ziet in geen van de vier gevallen aanleiding voor een vervolgonderzoek. De vier gevallen hebben zich in Irak voorgedaan tijdens de eerste inzetperiode van de F-16’s van oktober 2014 tot en met juni 2016. Het voorkomen van burgerslachtoffers en nevenschade heeft te allen tijde de hoogste prioriteit voor Nederland en de coalitie. Eerder is uw Kamer geïnformeerd over het uiterst zorgvuldige targeting proces van de coalitie en dus ook van Nederland. Mogelijke doelen worden eerst lange tijd geobserveerd om het risico van burgerslachtoffers te kunnen beoordelen. Luchtacties worden alleen uitgevoerd als het targeting proces volledig is doorlopen en het risico van nevenschade minimaal is. Voordat een doel wordt aangevallen, toetst de Red Card Holder (RCH), de senior militair in het Combined Air Operations Center (CAOC) in Qatar, de inzet aan het Nederlandse mandaat. De RCH, die wordt bijgestaan door een juridisch adviseur, toetst aan de hand van de Nederlandse Rules of Engagement en het politieke mandaat of de inzet binnen de Nederlandse kaders en het humanitair oorlogsrecht valt. Hierbij is belangrijk dat het risico op de verwachte nevenschade en burgerslachtoffers minimaal is. Ook tijdens wapeninzet doet Nederland er alles aan om burgerslachtoffers en nevenschade te voorkomen. Dit is een continu proces van checks and balances, ook in de cockpit. Na een aanval voeren de Nederlandse F-16 ’s, indien mogelijk, met hun eigen sensoren een Battle Damage Assessment (BDA) uit. Ze kijken naar het doel en bepalen of met de aanval het gewenste effect is bereikt. Ook kijken ze of er eventueel nevenschade is ontstaan. Het is moeilijk, soms zelfs onmogelijk, om een gedetailleerde BDA op de grond uit te (laten) voeren. De eenheid analyseert de beelden na de landing nauwgezet. Vervolgens maakt de commandant na deze analyse en debriefing een After Action Report (AAR) op. Hierin wordt de actie nauwkeurig beschreven, inclusief de exacte locaties en tijden van de aanval. Zodra sprake is van mogelijke burgerslachtoffers start Defensie direct een 

aanvullend onderzoek. Dit onderzoek richt zich op de rechtmatigheid van de inzet en op eventuele procedurele fouten. Ondanks de zorgvuldige processen die daarvoor zijn ingericht, kan het risico op burgerslachtoffers helaas nooit volledig worden uitgesloten. Sinds het begin van de inzet in oktober 2014 hebben Nederlandse F-16’s 2.100 missies uitgevoerd, waarbij meer dan 1.800 keer wapens zijn ingezet. Naar aanleiding van de After Action Reports heeft Defensie drie gevallen onderzocht waarbij mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen. De commandant stelt het OM door tussenkomst van de Koninklijke Marechaussee op de hoogte van iedere wapeninzet van Nederlandse eenheden. Het OM heeft eigenstandig besloten feitenonderzoeken in te stellen naar vier gevallen, inclusief de drie door Defensie onderzochte gevallen. Hierover is uw Kamer openbaar en vertrouwelijk geïnformeerd. Zoals met uw Kamer gedeeld, hecht het kabinet aan open en transparante communicatie over inzet, ook wanneer dit slecht nieuws is. Dat geldt bij uitstek ook voor de uitzonderlijke gevallen waar mogelijk sprake is van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet. Daarom hecht het kabinet er aan uw Kamer over deze specifieke gevallen te informeren. In algemene zin blijft de afweging tussen transparantie en nationale en operationele veiligheid leidend. Het OM onderzocht de volgende vier gevallen, waarbij zoals gezegd in geen geval aanleiding was voor een vervolgonderzoek. 1) Het eerste geval betrof een aanval van Nederlandse F-16’s op een faciliteit waar zogenoemde vehicle borne IEDs werden gefabriceerd. Na de aanval vonden secundaire explosies plaats waardoor een aantal andere gebouwen in de omgeving werden vernietigd. In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerslachtoffers zijn gevallen. 2) In het tweede geval is een vermeend hoofdkwartier van ISIS aangevallen. Achteraf bleek het een woonhuis te zijn. Nadien is vastgesteld dat de coalitie inlichtingen die hebben geleid tot het identificeren van het doel onjuist waren. Voorafgaand en tijdens de inzet waren er voor de F-16- vliegers geen indicaties dat de informatie onjuist was. Bij deze aanval zijn burgerslachtoffers gevallen. 3) Het derde geval ging om een aanval op een gebouw. Uit beelden van de cockpit blijkt dat onverwachts een passerende auto in de blast range van een bom is gereden. Hierbij zijn mogelijk burgerslachtoffers gevallen. 4) Bij het vierde geval is de targeting pod van een F-16 verkeerd afgesteld. Bij de inzet van het wapen is een onbewoond gebouw geraakt dat naast het eigenlijke doelwit stond. Hierbij zijn geen burgerslachtoffers gevallen. 

Financiën De Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS in 2017, bestaande uit deelname aan de Air Taskforce Middle East (ATFME) en de Capacity Building Mission in Iraq (CBMI), heeft in totaal 39,1 miljoen euro gekost. De additionele uitgaven voor de missie ter bestrijding van ISIS, opnieuw bestaande uit deelname aan de ATFME en de CBMI, zijn in 2018 geraamd op 97 miljoen euro. In de eerste twee maanden van 2018 is ongeveer 6,2 miljoen euro gerealiseerd. Deze additionele uitgaven worden geheel gefinancierd uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) voor crisisbeheersingsoperaties. 

De Minister van Buitenlandse Zaken, 
De Minister van Defensie, 
Stef Blok 
Ank Bijleveld-Schouten 
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 
Sigrid A.M. Kaag    

EINDE BRIEF AAN TWEEDE KAMER

[51]

WIKIPEDIARUSSISCHE ROULETTE

https://nl.wikipedia.org/wiki/Russische_roulette

[52]

ZIE VOOR GENOEMDE NEDERLANDSE BOMBARDEMENTEN MET DODELIJKE SLACHTOFFERSNOTEN 12, 13, 23 EN 24
ZIE OOK ARTIKEL:
21 september 2015, Mosul, Irak, na middernacht: Bassim Razzo (56), accountmanager bij een telecommunicatiebedrijf, schrikt wakker in zijn bed in een vrijstaand huis in een buitenwijk. Zijn woning trilt, hij voelt de smaak van bloed in zijn mond. Als hij naar boven kijkt, ziet hij niet het plafond van zijn slaapkamer, maar de sterrenhemel. Bewegen kan hij niet meer en als hij de naam roept van zijn vrouw Mayada en die van zijn dochter Tuqa, komt er geen antwoord. Daarna verliest hij het bewustzijn. Als Bassim weer bijkomt, ligt hij in een ziekenhuis. Zijn vrouw en zijn dochter zijn dood, zijn huis is verwoest. Net zoals het huis ernaast: waar zijn broer met zijn gezin woonde. De panden zijn geraakt door twee westerse bommen. De coalitie dacht een hoofdkwartier van IS te raken, het bleken twee gewone woonhuizen.”ADNEDERLANDSE BOMBARDEMENTEN IRAK EN SYRIE: ONSCHULDIGEN STIERVEN BIJ 2500 MISSIES8 JANUARI 2019https://www.ad.nl/buitenland/nederlandse-bombardementen-irak-en-syrie-onschuldigen-stierven-bij-2500-missies~ae4ecd8c/ De missie tegen IS was een succes, maar de Nederlandse bommen op Irak en Syrië maakten ook onschuldige slachtoffers. Verslag van een nog onvoltooide zoektocht naar de ‘collateral damage’.21 september 2015, Mosul, Irak, na middernacht: Bassim Razzo (56), accountmanager bij een telecommunicatiebedrijf, schrikt wakker in zijn bed in een vrijstaand huis in een buitenwijk. Zijn woning trilt, hij voelt de smaak van bloed in zijn mond. Als hij naar boven kijkt, ziet hij niet het plafond van zijn slaapkamer, maar de sterrenhemel. Bewegen kan hij niet meer en als hij de naam roept van zijn vrouw Mayada en die van zijn dochter Tuqa, komt er geen antwoord. Daarna verliest hij het bewustzijn. Als Bassim weer bijkomt, ligt hij in een ziekenhuis. Zijn vrouw en zijn dochter zijn dood, zijn huis is verwoest. Net zoals het huis ernaast: waar zijn broer met zijn gezin woonde. De panden zijn geraakt door twee westerse bommen. De coalitie dacht een hoofdkwartier van IS te raken, het bleken twee gewone woonhuizen.

Dit is een verhaal over de zoektocht naar de collateral damage van de Nederlandse bombardementen op Irak en Syrië. Die militaire missie tegen terreurgroep IS eindigde op 31 december, de vier Nederlandse F-16’s zijn weer thuis. De missie was een succes, stelt het ministerie van Defensie. IS is teruggedrongen. ,,Nu moeten we de Iraakse overheid helpen om hun overwinning op IS vast te houden en te steunen in de wederopbouw”, zei minister Bijleveld van Defensie dit najaar.

Maar hoe hoog was de prijs van dat succes? Hebben Nederlandse bommen burgerslachtoffers gemaakt? En zo ja, wie waren het en heeft Nederland iets gedaan om ze te compenseren voor hun leed?

Vrij weinig

Vanaf september 2014 maakte Nederland, samen met onder meer Amerika en Groot-Brittannië, deel uit van de internationale coalitie tegen IS. Nederland vloog 2500 missies boven het strijdgebied, de vliegers gebruikten meer dan 1900 keer hun wapens. Alle coalitielanden samen gooiden ruim 100.000 bommen af. Er vielen, volgens de coalitie zelf, 1000 burgerdoden bij. Organisaties als Amnesty International en Airwars schatten dat aantal op zeker 7000.

Wat vertelt Nederland over die collateral damage? Vrij weinig. Ja, er zijn burgerslachtoffers gevallen, waarschijnlijk meerdere keren, blijkt uit openbare documenten van Defensie. Maar waar en wanneer dat gebeurde, wil het ministerie niet vertellen. Ook geeft ze geen schatting hoeveel burgers er zijn omgekomen door Nederlandse bombardementen.

In een brief aan de Tweede Kamer van april dit jaar schrijft Defensie dat het Openbaar Ministerie onderzoek heeft gedaan naar vier bombardementen waarbij mogelijk fouten zouden zijn gemaakt. Bij drie daarvan zijn mogelijk of zeker burgerslachtoffers gevallen.In een geval rijdt er plotseling een auto in de ‘blast range van de bom’. In de twee andere gevallen gaat er meer mis. Een Nederlandse F-16 gooit een bom op een gebouw dat door IS gebruikt wordt als fabriek voor autobommen. Een legitiem doel, maar er blijken veel meer explosieven te liggen dan verwacht. ,,Door secundaire explosies wordt een aantal andere gebouwen in de omgeving vernietigd. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerdoden zijn gevallen”, schrijft het ministerie. Bij het tweede incident blijkt een verondersteld hoofdkwartier van IS een gewoon woonhuis te zijn. De inlichtingen waren ‘onjuist’. ,,Bij deze aanval zijn burgerslachtoffers gevallen.” Het OM sluit het onderzoek: dat het fout ging, was niet aan Nederland te wijten.

Wat ging er mis?

Waar precies en wanneer hebben die incidenten plaatsgevonden? Wat ging er mis in de planning? Hoeveel slachtoffers waren er? Defensie wil er geen antwoord op geven.

Daarom doen we een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). We vragen om de after action reports van de genoemde incidenten, die plaats hebben gevonden tussen oktober 2014 en juni 2016 in Irak. Ons WOB-verzoek wordt afgewezen vanwege ‘nationale en operationele veiligheid’. ,,Verstrekking zou het risico voor de veiligheid van de militairen en de Nederlandse samenleving kunnen vergroten”, stelt Defensie.

Ook het Openbaar Ministerie, dat de incidenten onderzocht, wijst ons verzoek om documenten af. We vragen het OM ook of het onderzocht heeft hoe het kwam dat de inlichtingen die Nederland kreeg, niet klopten. Dat is niet onze taak, meldt een woordvoerder.Het Amerikaanse hoofdkwartier Centcom in Florida dan? Zij doen de woordvoering over de acties van de coalitie. De Amerikaanse reactie: ,,We doen nooit uitspraken over bijdrages van individuele landen.” Ons beroep op de Freedom of Information Act staat momenteel op plek 624 in de wachtrij.

Gewoon woonhuis

We zoeken contact met journaliste Azmat Khan die voor The New York Times in Irak zelf onderzoek deed naar burgerslachtoffers. Samen zetten we alle bekende incidenten op een rij waarbij de coalitie dacht dat het een IS-hoofdkwartier bombardeerde, maar waar het doel uiteindelijk een gewoon woonhuis bleek. Het soort incident waarvan Nederland in de Kamerbrief erkent dat het erbij betrokken is geweest. We vinden één match in de betreffende periode: de dodelijke aanval op twee vrijstaande woningen bij Mosul op 21 september 2015, waarbij Bassim Razzo zijn familie verloor. ,,Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan ze denk”, zei Razzo, die zelf studeerde in de VS, erover in The New York Times.

Had Nederland een aandeel in die gruwelijke vergissing? Uit een Amerikaans document blijkt dat ‘de VS direct betrokken was bij deze aanval’. ,,Het doel was opgezet en goedgekeurd door het hoofdkwartier en de VS leverde airframes en munitie voor de aanval.‘’

Dat is een ‘zeer cryptische omschrijving’, stelt Peter Wijninga, een voormalige luchtmachtofficier die nu verbonden is aan het Haagse Centrum voor Strategische Studies. ,,Airframes is luchtmachtjargon voor vliegtuigen, letterlijk ‘casco’, zonder bemanning dus. Het kan erop wijzen dat de vliegtuigen werden bemand door vliegers van een andere nationaliteit. Kortom: wordt hier een coalitiepartner uit de wind gehouden of probeert men de eigen rol te verdoezelen?‘’

Als we Defensie vragen of Nederlandse piloten in toestellen van andere landen hebben gevlogen, antwoordt het ministerie dat dat boven Irak inderdaad is gebeurd. ,,In het kader van een uitwisselingsproject.‘’BURGERSLACHTOFFERSHet weekbericht van Defensie meldt in de betreffende week van 2015: ,,Bij een van de coalitiemissies had een Nederlandse F-16-vlieger de leiding over een luchtaanval op verschillende ISIS-doelwitten. Er namen verschillende vliegtuigen van de coalitie hieraan deel.” Meer informatie geeft niemand.

We maken ook een lijst van bombardementen die voldoen aan het tweede incident waarbij Nederland betrokken is geweest: aanvallen waarbij een bommenfabriek is getroffen, maar waarbij door ‘secondary explosions’ onbedoeld ook burgerslachtoffers zijn gevallen. We komen tot vijf aanvallen die enigszins overeenkomen, bij elk van die aanvallen vielen tussen de vijf en tien burgerdoden. Van die aanvallen is niet bekend wie ze heeft uitgevoerd.
De grootste tragedie vond plaats op 3 juni 2015 bij de stad Hawija, Irak: de coalitie bestookt daar een IS-bommenfabriek op een industrieterrein, maar omdat er veel meer explosieven liggen dan gedacht, ontstaat een ravage. Omwonenden melden aan internationale persbureaus 70 doden, onder wie veel burgers én 26 kinderen. De coalitie bevestigt de aanval, maar zegt niets over burgerdoden.

Op social media zijn geen beelden van de resten van de bom te vinden die kunnen helpen bij identificatie. De nabestaanden van de burgerdoden in Hawija hebben geen idee door welk land hun geliefden zijn gebombardeerd. 
OORLOGSRECHT,,Bij luchtaanvallen mogen, volgens het oorlogsrecht, burgerslachtoffers vallen. Als er maar zo veel mogelijk wordt gedaan om het te voorkomen”, stelt advocate Liesbeth Zegveld, gespecialiseerd in mensenrechtenschendingen. ,,Maar we zijn ook verplicht de doden te registreren en we weten niets over de slachtoffers die we met onze bombardementen in Irak en Syrië maken.”

Zegveld vertegenwoordigt Mohammed Ahmed, een Irakese student die op 26 januari 2015 van Mosul met een taxi naar Bagdad probeerde te komen. De bom die de taxi raakte, doodde zijn moeder. Mohammed heeft geen idee welk land de bom heeft afgeworpen. Zegveld vroeg het de Nederlandse overheid, maar kreeg de informatie niet. Begin 2019 start ze in Nederland een rechtszaak namens Ahmed, in de hoop dat er dan gegevens boven tafel komen. ,,Het is bizar dat deze mensen nu in het duister tasten.‘’

Als de herkomst van de bom bekend is, kan Ahmed om verantwoording en eventueel om compensatie vragen. Dat laatste is nu een ondoorzichtig traject. Nabestaanden en andere slachtoffers moeten bij de Irakese overheid aankloppen voor schadevergoeding. Het systeem dat daarvoor is opgezet, werkt amper, stellen deskundigen. Nederland heeft dit voorjaar bij de coalitie geopperd een centraal coalitiemeldpunt op te zetten waar burgerslachtoffers zich kunnen melden. De andere leden zagen er niets in.

Zegveld: ,,Het zou goed zijn als dat meldpunt er wel komt. Mijn cliënt heeft op zich niets tegen de rol van de coalitie in de oorlog in zijn land, maar dan moet die coalitie wel haar verantwoordelijkheid nemen. Het geldt ook voor Nederland: we willen meedoen met de grote jongens, maar dan moet je na A ook B zeggen.”

Immense verdriet

Maart, 2017. Bassim Razzo is de eerste Irakees die tijdens de oorlog tegen IS door het Amerikaanse leger wordt ontvangen om te praten over een schadevergoeding. Razzo heeft zijn materiële schade berekend: bijna 550.000 dollar, voor de verwoeste huizen, inventaris, auto’s en medische kosten. Het staat nog los van het immense verdriet over het verlies van zijn familie. ,,We willen ons medeleven uitspreken”, zegt een vertegenwoordiger van het Amerikaanse leger tijdens de bijeenkomst in Erbil, Irak. ,,Als excuses voor uw verlies bieden we u 15.000 dollar.” Razzo kijkt de militair vol ongeloof aan. ,,Sorry, dat kan ik niet aannemen. Dat is een belediging.”

Voor dit verhaal is onder meer gebruikgemaakt van de productie The Uncounted van The New York Times. Heeft u meer informatie over de Nederlandse bombardementen op Syrië en Irak? Anoniem en veilig delen kan via 
ad.publeaks.nlNederlandse F-16’s vertrokken in januari 2018 van vliegbasis Volkel naar het Midden-Oosten om daar mee te doen aan de strijd tegen terreurorganisatie Islamitische Staat. De toestellen zullen opereren vanuit Jordanië. 

[53]

WIKIPEDIAKABINET RUTTE II

https://nl.wikipedia.org/wiki/Kabinet-Rutte_II

[54] 

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden. 

NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN18 OCTOBER 2019
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september. 

[55]

[55]

”Tweede Kamerleden willen snel uitleg van het kabinet over de luchtaanval in 2015 in Irak waarbij zeker zeventig doden vielen, onder wie veel burgers. Ook willen ze weten waarom de Kamer hierover niet goed geïnformeerd is.

Het kabinet erkende vandaag dat Nederland verantwoordelijk is voor de luchtaanval. Uit onderzoek van de NOS en NRC bleek twee weken geleden dat bij de aanval op een munitiefabriek van IS in Hawija een wijk volledig werd verwoest. Nederland was ook betrokken bij een aanval op een woonhuis in de Iraakse stad Mosul, waarbij vier burgerdoden vielen.

Het ministerie van Defensie wist dat er in beide gevallen burgerslachtoffers waren, maar verzweeg dit aanvankelijk voor de Kamer, erkent het kabinet in een brief.”
NOSTWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK4 NOVEMBER 2020
https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

Tweede Kamerleden willen snel uitleg van het kabinet over de luchtaanval in 2015 in Irak waarbij zeker zeventig doden vielen, onder wie veel burgers. Ook willen ze weten waarom de Kamer hierover niet goed geïnformeerd is.

Het kabinet erkende vandaag dat Nederland verantwoordelijk is voor de luchtaanval. Uit onderzoek van de NOS en NRC bleek twee weken geleden dat bij de aanval op een munitiefabriek van IS in Hawija een wijk volledig werd verwoest. Nederland was ook betrokken bij een aanval op een woonhuis in de Iraakse stad Mosul, waarbij vier burgerdoden vielen.

Het ministerie van Defensie wist dat er in beide gevallen burgerslachtoffers waren, maar verzweeg dit aanvankelijk voor de Kamer, erkent het kabinet in een brief. Het argument om geen concrete mededelingen te doen over de Nederlandse betrokkenheid was dat de veiligheid van de militairen niet in gevaar mocht worden gebracht.

Heel ernstig

GroenLinks-Kamerlid Diks noemt de kwestie heel ernstig. Volgens haar heeft de Kamer meerdere malen om de informatie gevraagd. “Dat schaadt het vertrouwen van de Tweede Kamer. GroenLinks wil morgen uitleg van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken.”

D66-Kamerlid Belhaij spreekt van een slechte zaak, waarover ze op de kortst mogelijke termijn in debat met de minister wil.

SP-Kamerlid Karabulut schrijft dat ze “de waarheid” eist. “Iets anders past een democratie niet”. “Duidelijk is wederom dat zonder onderzoeksjournalisten en andere critici deze waarheid waarschijnlijk nooit aan het licht was gekomen”.

Complex

PvdA-Kamerlid Kerstens benadrukt dat de situatie ter plekke complex was en dat de veiligheid van militairen ter plaatse altijd moet worden gewaarborgd. Toch vindt de PvdA ook dat openheid had moeten worden gegeven, zeker na herhaaldelijk aandringen van de Kamer.

“Defensie blinkt nu niet uit zichzelf uit in openheid, zo hebben we vaker moeten ervaren”.

Ook VVD-Kamerlid Bosman wil snel een debat. “Het is goed dat de minister, met respect voor de veiligheid van onze militairen, nu maximale transparantie geeft over de missie in Irak. Daarbij roept ze wel veel vragen op over twee specifieke missies, over de burgerslachtoffers die daar vielen en de communicatie daarover achteraf. Ik wil daar snel met de minister over in debat.”

Ook CDA en ChristenUnie willen snel een debat.

Onvolledige informatie

Minister Bijleveld erkent dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd. Volgens haar had destijds beter niets gezegd kunnen worden. “Je zit in een operationele tijd, dan moet je niet communiceren. In verband met de operationele veiligheid, de persoonlijke veiligheid en de nationale veiligheid”. Volgens Bijleveld kan er nu de missie voorbij is wel openheid gegeven worden.

Ze schrijft in haar brief dat het in de toekomst anders moet. Kamerleden willen graag van haar horen hoe het kabinet dat ziet.

Bijleveld schrijft ook in de brief aan de Kamer dat de informatie waar de aanval op gebaseerd was niet volledig bleek.

“Men ging ervan uit dat er geen mensen verbleven in het gebied rondom de bommenfabriek. Maar vooral was men verrast door de grote hoeveelheid munitie in de fabriek, die voor een enorme tweede explosie zorgde”.

De minister zegt de dood van de burgerslachtoffers “ten zeerste te betreuren”.

“Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen”, schrijft ze. “Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.”

Eerdere verklaringen over de aanval

Na de aanval op Hawija op 3 juni 2015 wist Defensie vrij snel dat er iets mis was gegaan en dat er onbedoelde nevenschade was.

Amerikanen zouden al kort na de aanval gemeld hebben dat er zowel burgerslachtoffers als IS-strijders waren omgekomen.

In antwoord op schriftelijke vragen schreef toenmalig minister Hennis op 22 juni 2015 dat er door Nederlands handelen geen burgers waren omgekomen.

Op 30 juni zegt zij in een Kamerdebat dat alle meldingen over burgerslachtoffers zijn onderzocht en dat het “tot nu toe niet het geval is geweest”.

In 2018 zegt André Steur -hoofd Operaties bij Defensie- tegen RTLnieuws dat de slachtoffers allemaal IS-strijders waren.In juni 2018 zegt minister Bijleveld in antwoord op vragen van de SP dat het om het belang van de veiligheid van de individuele vlieger en de eenheid, maar ook om de veiligheid van hun thuisfront en van de Nederlandse samenleving gaat. “Het kabinet is daarom ook niet bereid om in te gaan op verzoeken om meer informatie over deze gevallen.”

[56]

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN18 OCTOBER 2019
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.

Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija in september.

EINDE NOS BERICHT

ZIE BRIEF AAN TWEEDE KAMERZIE OVER AANVAL MUNITIEFABRIEK ONDER 1)ZIE OVER AANVAL OP MOSUL, OP EEN WOONHUIS, ONDER 2)

  De commandant stelt het OM door tussenkomst van de Koninklijke Marechaussee op de hoogte van iedere wapeninzet van Nederlandse eenheden. Het OM heeft eigenstandig besloten feitenonderzoeken in te stellen naar vier gevallen, inclusief de drie door Defensie onderzochte gevallen. 
Hierover is uw Kamer openbaar en vertrouwelijk geïnformeerd. Zoals met uw Kamer gedeeld, hecht het kabinet aan open en transparante communicatie over inzet, ook wanneer dit slecht nieuws is. Dat geldt bij uitstek ook voor de uitzonderlijke gevallen waar mogelijk sprake is van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet. Daarom hecht het kabinet er aan uw Kamer over deze specifieke gevallen te informeren. In algemene zin blijft de afweging tussen transparantie en nationale en operationele veiligheid leidend. Het OM onderzocht de volgende vier gevallen, waarbij zoals gezegd in geen geval aanleiding was voor een vervolgonderzoek
. 1) Het eerste geval betrof een aanval van Nederlandse F-16’s op een faciliteit waar zogenoemde vehicle borne IEDs werden gefabriceerd. Na de aanval vonden secundaire explosies plaats waardoor een aantal andere gebouwen in de omgeving werden vernietigd. In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerslachtoffers zijn gevallen. 
  2) In het tweede geval is een vermeend hoofdkwartier van ISIS aangevallen. Achteraf bleek het een woonhuis te zijn. Nadien is vastgesteld dat de coalitie inlichtingen die hebben geleid tot het identificeren van het doel onjuist waren. Voorafgaand en tijdens de inzet waren er voor de F-16- vliegers geen indicaties dat de informatie onjuist was. Bij deze aanval zijn burgerslachtoffers gevallen. 

BLADZIJDE 12 VAN:
MEDEDELING AAN DE TWEEDE KAMER OVER DE BOMAANVAL OP HAWIJA EN DE ONTWIKKELINGEN ROND DE ANTI ISIS COALITIE

http://content1b.omroep.nl/urishieldv2/l27m677e797b0a39d024005e63ac48000000.df389e427806cc57454a8a856b1f7358/nos/docs/181019_kamerbrief.pdf

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Datum 13 april 2018 
Betreft Voortgangsrapportage Nederlandse bijdrage in de strijd tegen ISIS Pagina 1 van 13 Rijnstraat 8 2515XP Den Haag Postbus 20061 Nederland
www.rijksoverheid.nl

Onze Referentie DVB/CV-024/18 Uw Referentie Bijlage(n) In deze brief informeren wij u, met verwijzing naar de artikel 100-brief van 11 september jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 615), over de voortgang van de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS. Ook gaat deze brief in op een aantal toezeggingen dat aan uw Kamer is gedaan:
 1) Het informeren van uw Kamer over een eventuele wijziging van het mandaat voor de Nederlandse militaire inzet in Irak en Oost-Syrië; 
2) Aandacht te vragen in de internationale coalitie tegen ISIS voor het voorkomen van burgerslachtoffers en het instellen van een centraal meldpunt voor burgerslachtoffers door toedoen van de coalitie; 
3) Om in de anti-ISIS coalitie aandacht te vragen voor de discrepantie tussen enerzijds het door de coalitie erkende aantal burgerslachtoffers en anderzijds het aantal dat wordt genoemd in een onderzoek van de New York Times; 
4) Uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van het Openbaar Ministerie naar mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van Nederlandse militaire inzet;
 5) Uw Kamer te informeren over de overgang naar fase vier (normalisatie) van het campagne plan van de anti-ISIS coalitie. 
Het kabinet geeft in deze brief tevens antwoord op de vragen die zijn gesteld door de SP-fractieleden van de Eerste Kamer naar aanleiding van de artikel 100-brief van 11 september jl. 
Ontwikkelingen in de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië De strijd tegen ISIS vindt plaats binnen een zeer complexe en fluïde context waar veel ontwikkelingen gevolgen hebben voor de voortgang van de strijd. 
Sinds de brief van 24 november jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 616) is de gevechtskracht van ISIS verder afgenomen. Inmiddels lijkt ISIS lokaal echter weer aan kracht te winnen. In Irak verklaarde premier Abadi op 9 december jl. dat het Iraakse grondgebied was bevrijd, hoewel de strijd tegen terrorisme voortduurt. Sinds de start van de internationale strijd tegen ISIS in 2014 zijn zeven miljoen mensen uithanden van ISIS bevrijd waarvan maar liefst vijf miljoen in het afgelopen jaar. Drie miljoen mensen zijn teruggekeerd en pakken hun dagelijks leven weer op. Ondanks deze successen is de dreiging van ISIS nog niet verdwenen en is de groepering nog actief in Irak en Syrië en vormt nog altijd een aanzienlijke factor van instabiliteit in Irak en Syrië. ISIS blijft veerkracht tonen. Waar de groepering in het najaar van 2017 nog beschikte over grofweg twaalfduizend strijders, is dat aantal de afgelopen periode teruggelopen naar enkele duizenden. Het aantal strijders is de afgelopen maand echter toegenomen. Zoals gesteld in het Dreigingsbeeld Terrorisme in Nederland (DTN) (Kamerstuk 2018 Z0 5372) beschikt de groepering in Syrië over zogenoemde pockets in de Eufraatvallei en in het gebied grenzend aan Irak. Er is nog altijd sprake van intensief grensoverschrijdend transport tussen de ISIS-pockets in Syrië en de netwerken in Irak. In Irak bestaat ISIS uit vele kleinere terroristische netwerken verspreid over het land. Het is de verwachting dat ISIS dit ondergrondse netwerk in Irak de komende maanden verder zal uitbreiden. Mede met het oog op de aanstaande Iraakse verkiezingen in mei van dit jaar zal ISIS meer destabiliserende acties uitvoeren. Door de ontwikkelingen in Afrin, waarover uw Kamer op 14 maart jl. is geïnformeerd (Kamerstuk 326 23 nr. 200), zijn verschillende elementen van de Syrian Democratic Forces (SDF) weggetrokken uit de Eufraatvallei, waar zij tegen ISIS streden, naar Afrin. Daardoor is de voortgang in de strijd tegen ISIS in OostSyrië nagenoeg tot stilstand gekomen. Indien dit aanhoudt, kan dit ISIS de mogelijkheid geven om zich te herstellen en mogelijk zelfs terrein te heroveren. Op korte termijn kan dit gevolgen hebben voor het militaire campagneplan van de coalitie. Conform de motie Becker c.s. (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1843) heeft Nederland de gevolgen van de Turkse operatie in Afrin, zoals het bemoeilijken van de strijd tegen ISIS, veroordeeld. Nederland zal in de anti-ISIS coalitie, in NAVOverband en ook in de VN-Veiligheidsraad, Turkije blijven aanspreken op negatieve effecten van het offensief op de strijd tegen ISIS. Een geïntegreerde inzet op zowel het politieke, militaire als stabilisatiespoor is blijvend van belang om de behaalde successen te bestendigen en te voorkomen dat ISIS of een soortgelijke organisatie zich opnieuw kan manifesteren. Ontwikkelingen in Irak Politiek Hoewel in mindere mate, zijn de relaties tussen de autoriteiten in Bagdad en Erbil sinds het onafhankelijkheidsreferendum in de Koerdische Autonome Regio (KAR) van 25 september jl. en de daaropvolgende overname door de Iraakse strijdkrachten van een deel van de betwiste gebieden, nog altijd gespannen. In januari 2018 hebben premier Abadi en premier Nichervan Barzani voor het eerst met elkaar gesproken. Er zijn nog onopgeloste punten, maar ook eerste positieve stappen. Zo is het vliegverbod voor internationale vluchten op Koerdische vliegvelden opgeheven na een decreet waarmee de Koerdische vliegvelden verder onder federale controle komen te staan. De eerste internationale vlucht is op 19 maart op Erbil geland. Ook heeft Irak 317 miljard dinar overgemaakt aan de Koerdische autoriteiten voor het uitbetalen van salarissen. Volgens de Koerdische autoriteiten is dit echter onvoldoende om de kosten te dekken. Er is nog geen overeenstemming over de uitvoer van olie en 

  het gebruik door federaal Irak van pijpleidingen die door de KAR lopen. De begroting voor 2018 die recent werd aangenomen geeft de Koerden daarnaast recht op een begrotingsaandeel van ongeveer 12,7 procent, in tegenstelling tot de eerder gehanteerde 17 procent. Tot slot is er nog niet gesproken over de status van de betwiste gebieden. Het is niet de verwachting dat deze problemen tussen Bagdad en Erbil worden opgelost voor de nationale parlementsverkiezingen van 12 mei 2018. Politieke strijd, waarbij partijen elkaar op ideologisch gedachtengoed bestrijden, ontbreekt, evenals publiek debat. Onderwerpen zoals corruptiebestrijding, de noodzaak van politieke en economische hervormingen, nationale verzoening, veiligheid en de crisis rond de levering van basisdiensten, komen nauwelijks aan bod. Ook is het politieke landschap erg gefragmenteerd. Premier Abadi blijft populair, vooral onder de sjiitische bevolking, vanwege zijn kordate optreden na het Koerdisch referendum en door het uitroepen van de bevrijding van Irak. Waarschijnlijk zullen na de verkiezing lange coalitieonderhandelingen nodig zijn. De provinciale verkiezingen, die ook op 12 mei plaats zouden vinden, zijn uitgesteld naar december 2018. Stabilisatie en humanitair In het licht van bovenstaande uitdagingen blijft de inzet van de internationale gemeenschap op het gebied van stabilisatie en humanitaire hulp in Irak van groot belang. Als gevolg van het offensief om Mosul zijn meer dan een miljoen mensen in Irak gevlucht. De humanitaire noden in Irak nemen langzamerhand af, maar nog altijd heeft een deel van de bevolking, voornamelijk ontheemden en andere kwetsbare groepen, behoefte aan levensreddende hulp. Nederland blijft in 2018 doorgaan met bijdragen via de Dutch Relief Alliance en het Iraq Humanitarian Pooled Fund voor een totaal van 10 miljoen euro. Ten aanzien van stabilisatiesteun heeft Nederland in december eenmalig een extra bijdrage van 12 miljoen euro geleverd aan het Funding Facility voor Stabilisation van de UNDP. Dit fonds draagt bij aan de eerste stabilisatienoden in op ISIS bevrijde gebieden. Momenteel zijn er meer dan 1200 projecten geïmplementeerd, zijn meer dan 800.000 mensen weer voorzien van watertoevoer en hebben meer dan 500.000 mensen weer toegang tot elektriciteit. Er zijn scholen herbouwd waardoor meer dan 120.000 kinderen weer naar school kunnen en er zijn 52 gezondheidsklinieken gebouwd die meer dan 1,2 miljoen mensen voorzien van zorg. Tegelijkertijd presenteerde de Iraakse regering tijdens de internationale Koeweitconferentie voor de wederopbouw van Irak in februari het nieuwe Resilience and Response Plan (RRP) voor wederopbouw. Veel bedrijven en organisaties namen deel aan de conferentie, waaronder het IMF, de Wereldbank en de ICRC. De Golfstaten hebben beloofd om bijna vier miljard dollar direct te investeren of in de vorm van een lening aan te bieden. Daarnaast hebben verschillende landen bijna negen miljard dollar aan exportkredieten toegezegd. EU Afgelopen december is de EU Advisory Mission (EUAM) in Irak van start gegaan die zich richt op capaciteitsopbouw van de veiligheidssector. De missie adviseert Irak bij de implementatie van de nationale veiligheidsstrategie. Nederland levert een civiel expert op het gebied van veiligheidsbeleid. Ook heeft de EU, mede op Nederlands aandringen, een nieuwe Irakstrategie gepubliceerd. Deze strategie 

richt zich op het behoud van de eenheid van Irak; een evenwichtig en democratisch bestuurssysteem; ondersteuning aan humanitaire hulp, herstel, stabilisering, ontwikkeling en wederopbouw; duurzame en inclusieve economische groei; versterken nationale identiteit en verzoening; effectief en onafhankelijk justitieel stelsel; instellen migratiedialoog; ondersteunen goede betrekking van Irak met haar buurlanden; en een sterk partnerschap tussen de EU en Irak. NAVO Op 15 februari jl. gaf de Noord Atlantische Raad van de NAVO, op verzoek van de anti-ISIS coalitie en Irak, opdracht om het huidige NAVO Training and Capacity Building programma in Irak (NTCB-I) te transformeren naar een volwaardige NAVO-missie. Uw Kamer werd hierover eerder geïnformeerd via het verslag van de NAVO defensie ministeriële bijeenkomst van 14 en 15 februari (Kamerstuk 28 676 nr. 285). Het zal gaan om een non-combat missie die, net zoals het huidige programma en EUAM, gericht is op capaciteitsopbouw van de veiligheidssector. Hiermee zal de missie een bijdrage leveren aan stabilisatie en hervorming van de veiligheidssector in post-ISIS Irak. De missie zal complementair zijn aan de activiteiten van andere internationale actoren zoals de VN, de EU en de anti-ISIS coalitie. Waar de focus van EUAM ligt op civiele aspecten en met name ondersteuning biedt aan het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken zal de NAVO-missie voornamelijk ondersteuning bieden aan het ministerie van Defensie. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid om op termijn een bijdrage te leveren. Ontwikkelingen in Syrië De strijd tegen ISIS in Syrië speelt zich af tegen de achtergrond van een complexe en voortslepende burgeroorlog. De humanitaire situatie in Syrië blijft onverminderd schrijnend en naar verwachting zal het conflict de komende tijd voortduren. Over de situatie in Oost-Ghouta en Idlib is uw Kamer op 14 maart jl. geïnformeerd Deze brief bevatte eveneens een nadere appreciatie van de Turkse inval in Afrin. Verschillende bronnen melden dat sinds de start van het offensief een aanzienlijk aantal burgerslachtoffers is gevallen. Het kabinet kan deze verschillende cijfers niet verifiëren. Ook heeft het offensief een vluchtelingenstroom op gang gebracht. De VN (OCHA) schat dat in totaal 232.000 mensen uit Afrin zijn vertrokken sinds november 2017. Ook zou er sprake zijn van plunderingen. Nederland blijft hiervoor voortdurend aandacht vragen, zoals de minister van Buitenlandse Zaken ook stelde tijdens het algemeen overleg Raad Buitenlandse Zaken van 11 april jl. Sinds het begin van de burgeroorlog heeft Nederland 382,15 miljoen euro bijgedragen aan humanitaire hulp in Syrië. Nederland gaat in 2018 door met het bieden van humanitaire hulp, in totaal is er 20,1 miljoen euro begroot, zowel via grote ongeoormerkte bijdragen aan VN-organisaties en het Rode Kruis als via de crisis-specifieke Humanitarian Pooled Fund en de Dutch Relief Alliance. Deze bieden, daar waar humanitaire toegang mogelijk is, humanitaire hulp binnen heel Syrië. De stabilisatieprogrammering wordt momenteel herzien vanwege de veranderingen in Noord-Syrië. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief van 14 maart jl. 

In reactie op de extreme geweldstoename heeft de VN Veiligheidsraad op 24 februari jl. unaniem resolutie 2401 aangenomen, waarin wordt opgeroepen tot een humanitair staakt-het-vuren van ten minste 30 dagen voor heel Syrië, met uitzondering van de strijd tegen door de Veiligheidsraad erkende terroristische organisaties. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 27 maart jl. in de VN veiligheidsraad alle strijdende partijen in het Syrische conflict, inclusief het Syrische regime, Rusland, Iran, Turkije en gewapende groepen, opgeroepen om zich te houden aan VN-Veiligheidsraad resolutie 2401. Ook heeft de minister gepleit voor het versterken van resolutie 2401 door middel van internationale monitoring van het staakt het vuren. Het kabinet betreurt ten zeerste het gebrek aan voortgang sinds de aanname van resolutie 2401. De minister heeft ook opgeroepen tot accountability en de vervolging en berechting van misdadigers, waaronder ISIS, dat mogelijk genocide heeft gepleegd. Uw Kamer werd via de Kamerbrief van 11 april (Kamerstuk 32 623 nr. 202) geïnformeerd over de gebeurtenissen in Douma. Een verontrustende ontwikkeling zijn de luchtaanvallen die het Syrische regime sinds 12 maart jl. weer uitvoert in de zuidelijke provincie Dera’a, ten oosten van Dera’a stad. In dit gebied was het geweldsniveau sinds de afspraken over deescalatiezones van mei jl. tussen Rusland, Turkije en Iran juist gedaald. Het is onduidelijk of dit een voorbode is van een grootschaliger offensief in het zuiden. In februari 2018 heeft een onderhandelingsronde van het Geneve-proces plaatsgevonden. Net als eerder bleven resultaten uit, mede door de onwil van het regime om serieus deel te nemen in het proces. Enkele dagen later volgde een Syrië-conferentie die Rusland in Sochi georganiseerd had, waar is afgesproken een grondwettelijke commissie samen te stellen onder auspiciën van VN-gezant De Mistura. Nederland blijft zich inzetten voor een politieke oplossing van het conflict in Syrië, alleen hiermee kan duurzame vrede worden bereikt. Nederland steunt het VN geleide vredesproces onder leiding van De Mistura. Ontwikkelingen in de regio Landen in de regio spelen een belangrijke rol in Irak en Syrië. De invloed van Iran in Irak blijft groot, terwijl Irak de relaties verbetert met Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Libanon en Jordanië. In Syrië hebben Rusland, Iran en Turkije de grootste invloed op het conflict. Ondanks dat hun belangen verschillen hebben deze landen het afgelopen jaar met elkaar samengewerkt in het kader van de ‘Astana-besprekingen’. De effectiviteit van de in Astana afgesproken de-escalatiezones laat evenwel zeer te wensen over. Rusland toont zich onverminderd een steunpilaar voor het Syrische regime, zowel politiek als militair. Parallel aan intensivering van militaire inspanningen in OostGhouta en Idlib, heeft Rusland haar politieke gewicht ingezet in de VNveiligheidsraad. Zo was een veto van Rusland aanleiding voor het uitblijven van mandaatverlenging voor het onderzoekmechanisme naar het gebruik van chemische wapens in Syrië. Rusland heeft ook de onderhandelingen voor resolutie   

  2401 bemoeilijkt en verspreidt actief desinformatie, zowel in VNveiligheidsraadverband als daarbuiten. Turkije was met militaire steun aan rebellengroepen en haar militaire aanwezigheid in Noord-Syrië reeds een belangrijke actor in het Syrische conflict. Met de inval van het Turkse leger in de noordwestelijke regio Afrin is deze rol verder uitgebreid. Spanningen tussen Turkije en de VS, dat Koerdische militiestrijders in het noordoosten steunt, liepen hierbij op. De frontale aanval op de Koerdische YPG leidde eveneens tot spanning en onrust onder de Koerdische bevolking in buurlanden Turkije en Irak, alsook onder de Koerdische diaspora in de rest van de wereld. Ontwikkelingen in de anti-ISIS coalitie Op 13 februari jl. vond in Koeweit de ministeriële bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de anti-ISIS coalitie plaats en kwamen in Rome de ministers van Defensie bijeen. Tijdens deze bijeenkomsten werd wederom duidelijk dat, ondanks de geboekte successen en het uitroepen van de bevrijding van Irak, de strijd nog niet is gestreden. Net als Nederland spraken andere landen hun blijvende steun uit, niet alleen voor militaire inzet, maar ook voor inspanningen op het gebied van stabilisatie en wederopbouw. De militaire campagne bevindt zich thans ongewijzigd in fase drie van het campagneplan, gericht op het verslaan van ISIS. Tijdens de bijeenkomsten in Rome en in Koeweit is, zoals aan uw Kamer toegezegd in het algemeen overleg van 14 december jl., aandacht gevraagd voor zorgvuldigheid bij – en transparantie over – de inzet van het luchtwapen. Ook vroeg Nederland aandacht voor de discrepantie tussen meldingen van aantallen mogelijke burgerslachtoffers door enerzijds de coalitie en anderzijds door bronnen als de New York Times en onderzoekscollectief Airwars. De coalitie onderstreepte dat het voorkomen van burgerslachtoffers ten allen tijde de hoogste prioriteit heeft. ISIS blijft mensenrechtenschendigen begaan en gebruikt burgers als menselijk schild. Vooral in verstedelijkt gebied bemoeilijkt dit het coalitieoptreden. Het Amerikaanse hoofdkwartier Central Command (CENTCOM) onderzoekt elke melding van mogelijke burgerslachtoffers. Voor veel van de meldingen aan het adres van de coalitie ontbreekt echter voldoende bewijs om ze te kunnen verifiëren. Conform de toezegging aan uw Kamer, bracht Nederland het voorstel in voor een centraal coalitiemeldpunt voor mogelijke burgerslachtoffers of hun nabestaanden. In eerste instantie moeten Iraakse burgers hiervoor terecht kunnen bij de Iraakse autoriteiten. Daarnaast houdt een team in CENTCOM zich fulltime bezig met (het onderzoeken van) meldingen van mogelijke burgerslachtoffers. Dit team werkt nauw samen met onder andere Airwars. Maandelijks publiceert de coalitie een openbaar overzicht dat in gaat op meldingen van mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van coalitieoptreden. Tijdens de ministeriële bijeenkomst in Koeweit werden tevens de Guiding Principles over de toekomst van de coalitie aangenomen. In deze Guiding Principles is vastgelegd dat de inzet van de coalitie is gericht op het volledig wegnemen van de territoriale dreiging van ISIS in Irak en Syrië, het stabiliseren van bevrijde gebieden en het verstoren van ISIS-netwerken wereldwijd. De huidige inspanningen op het terrein van Foreign Terrorist Fighters (FTF), het 

verstoren van ISIS-financiering en het tegengaan van de ISIS-ideologie worden voortgezet en waar nodig aangepast aan de veranderende omstandigheden en ingebed in bredere diplomatieke (waaronder VN), militaire en contra-terrorisme inspanningen. Op 21 februari jl. kwam de Foreign Terrorist Fighter-werkgroep bijeen in Den Haag onder co-voorzitterschap van Nederland, Koeweit en Turkije. De bijeenkomst stond vooral in het teken van vraagstukken rond terugkerende buitenlandse ISIS-strijders uit Syrië en Irak. Landen en organisaties, zoals de VN en Interpol, deelden voortgang en nieuwe inzichten over informatie-uitwisseling voor detectie en bewijsvergaring, waarbij onder meer het belang van biometrische gegevens werd benadrukt. Nederland bood expertise aan om landen te ondersteunen in het verzamelen en analyseren van passagiersgegevens. VN Veiligheidsraadsresolutie 2396 (2017) verplicht landen om hiervoor een technische voorziening te ontwikkelen. De VS bracht de situatie van in Syrië gevangengenomen ISIS-strijders onder de aandacht en riep landen op waar mogelijk eigen onderdanen te repatriëren. Vervolging en berechting ISIS-strijders Nederland zet zich binnen alle relevante fora, waaronder de VN-Veiligheidsraad en de anti-ISIS coalitie, in om vervolging en berechting van ISIS-strijders te bevorderen. In het licht van de motie van Helvert c.s. (Kamerstuk 34775-V nr. 20), de motie Voordewind (Kamerstuk 21501-20-1108) en de motie Karabulut/Ploumen (34775-V nr. 60), heeft Nederland op 19 maart in de VNVeiligheidsraad de wens geuit dat de Veiligheidsraad genocide door ISIS erkent. Ook in de FTF-werkgroep heeft Nederland hiervoor aandacht gevraagd. De VS is vooralsnog het enige lid van de VN-Veiligheidsraad dat genocide door ISIS heeft erkend en is daarom een belangrijke partner om verdere steun te verwerven in de VNVR. Om tot de erkenning te komen wil het kabinet onder andere voortbouwen op VNVR resolutie 2379 (2017) die Nederland steunde om een VN onderzoeksteam op te richten dat ISIS-misdrijven in Irak onderzoekt. Deze resolutie stelt dat de daden van ISIS neer kunnen komen op genocide. Nederland pleit voor een snelle start van de werkzaamheden van het onderzoeksteam, maar heeft zorgen over het uitblijven van garanties dat het werk van het onderzoeksteam niet zal leiden tot veroordelingen tot de doodstraf. Als deze zorgen niet worden weggenomen kan Nederland het onderzoeksteam niet steunen, zowel financieel als met het delen van informatie. Ook heeft Nederland de VN aangemoedigd Irak te steunen met het instellen van een gespecialiseerde rechtbank voor internationale misdrijven, indachtig de motie Van Helvert (Kamerstuk 34775-V nr. 63). Ter ondersteuning van (internationale) opsporing en vervolging van misdrijven gepleegd in Syrië geeft Nederland logistieke en financiële steun aan het door de VN opgerichte International, Impartial and Independent Mechanism on international crimes committed in the Syrian Arab Republic (IIIM). Dit onderzoeksmechanisme zal bewijs van schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten verzamelen, analyseren en bewaren. Nederland werkt hierbij samen met NGO’s. Ook worden dossiers voorbereid voor mogelijke strafrechtelijke vervolging. Tot heden zijn in Nederland geen personen vervolgd voor het plegen van genocide of medeplichtigheid aan genocide in relatie tot ISIS, maar wel voor andere, ook 

terroristische, misdrijven. Als er aanwijzingen zijn dat leden van ISIS zich schuldig hebben gemaakt aan (medeplichtigheid aan) genocide en Nederland heeft rechtsmacht (omdat het bijvoorbeeld gaat om Nederlandse verdachten en/of verdachten die zich in Nederland bevinden), biedt de Wet Internationale Misdrijven grondslag voor een eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie. Op dit moment zijn die aanwijzingen er niet. Genocide is bovendien een complex misdrijf met een hoge bewijslast. Het is dan ook geen gegeven dat er voldoende bewijs voorhanden is om Nederlandse ISIS-strijders veroordeeld te krijgen voor genocide. Militaire inspanningen Mandaat Met de brief van 24 november jl. is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang in de strijd tegen ISIS. Hierin zijn ontwikkelingen beschreven die gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse militaire inzet. Het kabinet blijft de situatie in Irak en Syrië voortdurend nauwlettend volgen. Mandaat voor optreden in Irak De rechtsgrond voor optreden van Nederlandse militairen in Irak is het verzoek tot militaire steun van Irak bij het verslaan van ISIS. Hoewel premier Abadi de overwinning op ISIS heeft uitgeroepen is het verzoek tot militaire steun niet ingetrokken of gewijzigd. ISIS voert nog steeds aanslagen uit in Irak. De rechtsgrond is daarmee onveranderd. Mandaat voor optreden boven Syrië De rechtsgrond voor het gebruik van geweld tegen ISIS in Syrië wordt gevormd door het recht op collectieve zelfverdediging op basis van artikel 51 van het VNHandvest, ten behoeve van de verdediging van Irak tegen ISIS-aanvallen vanuit Syrië. Om vast te stellen of een beroep kan worden gedaan op deze rechtsgrond gelden juridische beoordelingscriteria. Van deze beoordelingscriteria zijn feitelijke elementen afgeleid die van belang zijn voor het Nederlandse mandaat voor optreden in Oost-Syrië. Op 14 december jl. is met uw Kamer gesproken over die feitelijke elementen. De situatie is fluïde en de strijd speelt zich af in een complexe (internationale) context. Sinds eind 2017 is het aantal ISIS-strijders gedaald en de omvang van de gewapende ISIS-aanvallen in Irak afgenomen. Tegelijkertijd is de intentie van ISIS om een eigen kalifaat te stichten nog volop aanwezig. De laatste maand stijgt het aantal ISIS-strijders weer. Ontwikkelingen zoals die in Afrin compliceren de situatie verder. Soortgelijke ontwikkelingen, en de negatieve effecten hiervan op de strijd tegen ISIS, zijn van invloed op de Nederlandse inzet en de volkenrechtelijke rechtsgrond. Hieronder worden de vier elementen toegelicht die van belang zijn voor het mandaat: 1) “Doorlopende aanvallen van ISIS vanuit Syrië naar Irak.” Een beroep op het recht op collectieve zelfverdediging vereist dat sprake is van een doorlopende gewapende aanval. Met behulp van aanvoerlijnen vanuit Syrië worden nog bijna dagelijks aanvallen in Irak uitgevoerd. Er is een direct verband tussen de juridische eis van een gewapende aanval en het beginsel van proportionaliteit. Die houdt in dat de acties van de anti-ISIS coalitie in Syrië naar aard, omvang en intensiteit in verhouding moeten staan tot de gewapende aanval 

2) “Centrale aansturing van de gewapende aanval.” Hoewel er geen sprake meer lijkt van een fysiek ISIS-hoofdkwartier in Syrië, laat de wijze waarop ISIS optreedt zien dat er nog steeds sprake is van een vorm van centrale aansturing van de aanvallen die vanuit Syrië op Irak worden uitgevoerd. Waar die zich bevindt is op dit moment onduidelijk. 3) “Aanvoerlijnen van personeel en materieel vanuit Syrië naar Irak.” De grens tussen Irak en Syrië is poreus. Vooral in het noordelijk grensgebied is de controle zwak en makkelijk te omzeilen. Dagelijks worden strijders en wapens vanuit Syrië naar Irak verplaatst om te worden ingezet in de gewapende strijd in Irak. Hoewel deze bewegingen in omvang zijn afgenomen vormen zij een belangrijke ondersteuning voor het uitbreiden en versterken van het ondergrondse netwerk in Irak. Andersom trekken strijders van Irak naar Syrië, waar zij relatief ongestoord kunnen herstellen. 4) “Het Syrische regime is niet bereid of in staat om de aanvallen vanuit Syrië op Irak te stoppen.” Dit element komt voort uit het juridische criterium van noodzakelijkheid. De inzet en middelen moeten noodzakelijk zijn om de gewapende aanvallen af te slaan. Onderdeel van dit criterium in het geval de gewapende aanval wordt uitgevoerd door een nietstatelijke actor, is dat de staat niet in staat of bereid is zelf de aanval te stoppen. Hierbij gaat het erom of de staat effectief is in het stoppen van de aanval. Het Syrische regime is nog steeds niet in staat gebleken om de ISIS-aanvallen vanuit Syrië op Irak te stoppen. De minister van Buitenlandse Zaken stelde in het debat op 14 december jl. dat we opereerden aan de randen van het mandaat. Het kabinet concludeert op basis van bovenstaande dat er nog steeds een rechtsgrond is voor Nederlandse militaire inzet in Oost-Syrië. De inzet van de Nederlandse F-16’s staat nog in verhouding tot de schaal en omvang van de gewapende ISIS-aanvallen op Irak vanuit Syrië, er is nog steeds sprake van centrale aansturing en er is nog sprake van aanvoerlijnen van personeel en materieel. Ten slotte is het Syrische regime nog niet in staat gebleken de aanvallen van ISIS op Irak vanuit Syrië te stoppen. Het mandaat blijft derhalve vooralsnog ongewijzigd. De situatie op de grond blijft fluïde en veranderlijk, en ontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor het mandaat. Het kabinet houdt de situatie daarom voortdurend nauwlettend in de gaten. Uw Kamer zal worden geïnformeerd wanneer daar aanleiding voor is. Voortgang Nederlandse inzet De Nederlandse militaire bijdrage tracht zo flexibel mogelijk aan te sluiten bij de behoefte van de coalitie. Ook in het licht van militair-strategische ontwikkelingen kan worden besloten de inzet aan te passen. In de brief over de beschouwing van de Nederlandse militaire inzet van 24 november jl. werd aan uw Kamer gemeld dat, gezien de verandering in de trainingsbehoefte, één mobiel trainingsteam uit Noord-Irak terug werd gehaald. Vanwege de wijzigende behoeften en veranderingen op de grond sinds november heeft het kabinet besloten de Nederlandse militaire inzet verder aan te passen. Hiertoe zal nog een trainingsteam en ook de Nederlandse Special Operations Forces (SOF-)bijdrage worden teruggetrokken uit Noord-Irak. De Nederlandse SOF-bijdrage in Bagdad en een resterend trainingsteam in Noord-Irak zullen vooralsnog worden gehandhaafd. 
Trainingsmissie 

  In het afgelopen halfjaar heeft de Capacity Building Mission Iraq (CBMI), in samenwerking met partnerlanden, trainingen verzorgd aan Koerdische strijdkrachten. De voortgang in de strijd tegen ISIS sinds november en de ontwikkelingen rondom het onafhankelijkheidsreferendum en de daaropvolgende overname door de Iraakse strijdkrachten van de betwiste gebieden hebben gevolgen voor de Nederlandse trainingen. Na de herovering van Mosul en de verklaring van de bevrijding van Irak zijn de Peshmerga niet meer betrokken geweest bij direct optreden tegen ISIS. Hierdoor is de trainingsbehoefte afgenomen. Dit effect is versterkt door de opgelopen intra-Koerdische spanningen en het uitblijven van salarisbetalingen door de regering in Bagdad aan de Peshmerga. De Nederlandse trainingen werden uitgevoerd op verzoek van het Ministry of Peshmerga (MOP) en gecoördineerd door het Kurdish Training and Coordination Centre (KTCC) in Erbil. Het betrof vooral Wide Area Security (WAS) trainingen, Counter Improvised Explosive Devices (C-IED)-cursussen, cursussen voor bataljonsstaven en leiderschapstraining. Deze trainingen werden verzorgd op trainingscentra in Atrush, Beneslava, Menilla en Erbil. Na de terugtrekking van een van de trainingsteams blijft nog een Nederlands trainingsteam aanwezig om deze trainingen te verzorgen. In maart jl. maakte het nieuwe Duitse kabinet bekend dat de bijdrage aan de trainingsmissie tegen ISIS wordt beëindigd. Duitsland speelt een leidende rol binnen het KTCC en draagt die medio 2018 over aan Italië. Duitsland zal de trainers terugtrekken terwijl een kleine bijdrage, waaronder een geneeskundig element, achterblijft. Desondanks zal de Duitse terugtrekking waarschijnlijk gevolgen hebben voor de Nederlandse inzet in Noord-Irak. Deze gevolgen worden thans onderzocht. Advise & Assist De brief van 24 november jl. stelt dat waar de Iraakse strijdkrachten nog vechten tegen ISIS, zij behoefte blijven houden aan advisering en assistentie (A&A). In Noord-Irak, waar de Nederlands-Belgische A&A-taakgroep zit, is dit op het moment niet meer het geval. Overleg met de coalitie over een Iraakse partnereenheid of een andere invulling van de SOF-bijdrage heeft geen resultaat opgeleverd. Daarom is besloten de Nederlandse SOF-bijdrage vanuit Noord-Irak te beëindigen. Dit gebeurt in nauw overleg met België, waarmee de afgelopen periode naar volle tevredenheid is samengewerkt. Twee Nederlandse inlichtingenanalisten zullen het Belgische A&A-team in 2018 blijven ondersteunen. Ook in Bagdad verzorgt een klein aantal Special Forces trainingen aan Iraakse militairen. Deze bijdrage wordt gezien de blijvende behoefte aldaar voortgezet. Chirurgisch team Sinds januari 2018 is een Nederlands chirurgisch team van ongeveer tien personen ontplooid op de Al-Assad Air Base. Samen met chirurgische teams uit onder andere Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk wordt dit team ingezet in een ziekenhuis geleid door de Verenigde Staten. Met deze schaarse capaciteit levert Nederland een waardevolle bijdrage aan de missie. 

  Luchtcampagne Sinds januari zijn vier F-16’s en het ondersteunende detachement van ongeveer 150 personen conform de planning volledig inzetbaar. De Nederlandse F-16’s worden bijna dagelijks ingezet boven Irak en Oost-Syrië waarbij zij voornamelijk opereren ter ondersteuning van grondtroepen (Close Air Support). Tijdens de ruim 100 missies is meerdere malen gewapende inzet gepleegd tegen ISIS-doelen, waaronder voertuigen, logistieke opslagplaatsen en wapenopstellingen. Het merendeel van de inzet vond plaats in Oost-Syrië. Gevolgen voor de gereedheid en geoefendheid De gevolgen voor de gereedstelling zoals verwoord in de artikel 100-brief van 11 september jl. blijven onveranderd van kracht. De aanpassing van de bijdrage in Noord-Irak levert geen significante verlichting op voor het herstel van de basisgereedheid. Dezelfde schaarse (logistieke) capaciteit blijft nodig om de Nederlandse bijdrage in stand te houden. De inzet van het C-130 transportvliegtuig was eenzijdiger dan verwacht. Dit heeft geleid tot een beperking van de operationele gereedheid. Burgerslachtoffers Defensie is door de minister van Justitie en Veiligheid geïnformeerd over de uitkomsten van de vier onderzoeken van het Openbaar Ministerie (OM) naar mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van Nederlandse wapeninzet in de strijd tegen ISIS. Het OM ziet in geen van de vier gevallen aanleiding voor een vervolgonderzoek. De vier gevallen hebben zich in Irak voorgedaan tijdens de eerste inzetperiode van de F-16’s van oktober 2014 tot en met juni 2016. Het voorkomen van burgerslachtoffers en nevenschade heeft te allen tijde de hoogste prioriteit voor Nederland en de coalitie. Eerder is uw Kamer geïnformeerd over het uiterst zorgvuldige targeting proces van de coalitie en dus ook van Nederland. Mogelijke doelen worden eerst lange tijd geobserveerd om het risico van burgerslachtoffers te kunnen beoordelen. Luchtacties worden alleen uitgevoerd als het targeting proces volledig is doorlopen en het risico van nevenschade minimaal is. Voordat een doel wordt aangevallen, toetst de Red Card Holder (RCH), de senior militair in het Combined Air Operations Center (CAOC) in Qatar, de inzet aan het Nederlandse mandaat. De RCH, die wordt bijgestaan door een juridisch adviseur, toetst aan de hand van de Nederlandse Rules of Engagement en het politieke mandaat of de inzet binnen de Nederlandse kaders en het humanitair oorlogsrecht valt. Hierbij is belangrijk dat het risico op de verwachte nevenschade en burgerslachtoffers minimaal is. Ook tijdens wapeninzet doet Nederland er alles aan om burgerslachtoffers en nevenschade te voorkomen. Dit is een continu proces van checks and balances, ook in de cockpit. Na een aanval voeren de Nederlandse F-16 ’s, indien mogelijk, met hun eigen sensoren een Battle Damage Assessment (BDA) uit. Ze kijken naar het doel en bepalen of met de aanval het gewenste effect is bereikt. Ook kijken ze of er eventueel nevenschade is ontstaan. Het is moeilijk, soms zelfs onmogelijk, om een gedetailleerde BDA op de grond uit te (laten) voeren. De eenheid analyseert de beelden na de landing nauwgezet. Vervolgens maakt de commandant na deze analyse en debriefing een After Action Report (AAR) op. Hierin wordt de actie nauwkeurig beschreven, inclusief de exacte locaties en tijden van de aanval. Zodra sprake is van mogelijke burgerslachtoffers start Defensie direct een 

aanvullend onderzoek. Dit onderzoek richt zich op de rechtmatigheid van de inzet en op eventuele procedurele fouten. Ondanks de zorgvuldige processen die daarvoor zijn ingericht, kan het risico op burgerslachtoffers helaas nooit volledig worden uitgesloten. Sinds het begin van de inzet in oktober 2014 hebben Nederlandse F-16’s 2.100 missies uitgevoerd, waarbij meer dan 1.800 keer wapens zijn ingezet. Naar aanleiding van de After Action Reports heeft Defensie drie gevallen onderzocht waarbij mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen. De commandant stelt het OM door tussenkomst van de Koninklijke Marechaussee op de hoogte van iedere wapeninzet van Nederlandse eenheden. Het OM heeft eigenstandig besloten feitenonderzoeken in te stellen naar vier gevallen, inclusief de drie door Defensie onderzochte gevallen. Hierover is uw Kamer openbaar en vertrouwelijk geïnformeerd. Zoals met uw Kamer gedeeld, hecht het kabinet aan open en transparante communicatie over inzet, ook wanneer dit slecht nieuws is. Dat geldt bij uitstek ook voor de uitzonderlijke gevallen waar mogelijk sprake is van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet. Daarom hecht het kabinet er aan uw Kamer over deze specifieke gevallen te informeren. In algemene zin blijft de afweging tussen transparantie en nationale en operationele veiligheid leidend. Het OM onderzocht de volgende vier gevallen, waarbij zoals gezegd in geen geval aanleiding was voor een vervolgonderzoek. 1) Het eerste geval betrof een aanval van Nederlandse F-16’s op een faciliteit waar zogenoemde vehicle borne IEDs werden gefabriceerd. Na de aanval vonden secundaire explosies plaats waardoor een aantal andere gebouwen in de omgeving werden vernietigd. In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerslachtoffers zijn gevallen. 2) In het tweede geval is een vermeend hoofdkwartier van ISIS aangevallen. Achteraf bleek het een woonhuis te zijn. Nadien is vastgesteld dat de coalitie inlichtingen die hebben geleid tot het identificeren van het doel onjuist waren. Voorafgaand en tijdens de inzet waren er voor de F-16- vliegers geen indicaties dat de informatie onjuist was. Bij deze aanval zijn burgerslachtoffers gevallen. 3) Het derde geval ging om een aanval op een gebouw. Uit beelden van de cockpit blijkt dat onverwachts een passerende auto in de blast range van een bom is gereden. Hierbij zijn mogelijk burgerslachtoffers gevallen. 4) Bij het vierde geval is de targeting pod van een F-16 verkeerd afgesteld. Bij de inzet van het wapen is een onbewoond gebouw geraakt dat naast het eigenlijke doelwit stond. Hierbij zijn geen burgerslachtoffers gevallen. 

Financiën De Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS in 2017, bestaande uit deelname aan de Air Taskforce Middle East (ATFME) en de Capacity Building Mission in Iraq (CBMI), heeft in totaal 39,1 miljoen euro gekost. De additionele uitgaven voor de missie ter bestrijding van ISIS, opnieuw bestaande uit deelname aan de ATFME en de CBMI, zijn in 2018 geraamd op 97 miljoen euro. In de eerste twee maanden van 2018 is ongeveer 6,2 miljoen euro gerealiseerd. Deze additionele uitgaven worden geheel gefinancierd uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) voor crisisbeheersingsoperaties. 

De Minister van Buitenlandse Zaken, 
De Minister van Defensie, 
Stef Blok 
Ank Bijleveld-Schouten 
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 
Sigrid A.M. Kaag    

EINDE BRIEF AAN TWEEDE KAMER  

[57]

Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, is hun niet meegedeeld. NEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN18 OCTOBER 2019
https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html [58]

”Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS…………”Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.”
NOSNEDERLANDSE LUCHTAANVAL OP IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN

https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

[59]

PARLEMENT.COMVERHOUDING TWEEDE KAMER EN KABINET

https://www.parlement.com/id/vkdyd8r900zl/verhouding_tweede_kamer_en_kabinet

Verhouding Tweede Kamer en kabinet

Tweede Kamer en kabinet hebben een eigen plaats in het staatsbestel, maar er bestaan ook relaties tussen beide. Een kabinet wordt gevormd op basis van de politieke krachtsverhoudingen in de Tweede Kamer. Het is gebruikelijk dat tijdens de vorming van het kabinet (de kabinetsformatie) afspraken worden gemaakt over het door het kabinet te voeren beleid. Zulke afspraken worden vastgelegd in een regeerakkoord.

De rol in het wetgevingsproces is dat de Tweede Kamer door de regering ingediende wetsvoorstellen moet goedkeuren. Maar de Kamer mag deze wetsvoorstellen ook wijzigen. Daarnaast heeft de Tweede Kamer het recht van initiatief: zij mag zelf wetsvoorstellen indienen.

De Tweede Kamer heeft verder een controlerende taak. Ernstige kritiek op een bewindspersoon of op het gehele kabinet kan tot afkeuring leiden en daarmee tot een gedwongen vertrek. Kabinet en bewindspersonen kunnen alleen aanblijven als zij het vertrouwen van een Kamermeerderheid hebben.

Inhoud


  1. Vertrouwensregel
  2. Dualisme en monisme
  3. Conflicten Tweede Kamer-kabinet
  4. Het inlichtingenrecht
  5. De rol van het enquêterecht
  6. Andere conflicten Tweede Kamer-bewindspersonen

1.

Vertrouwensregel

Het kabinet legt verantwoording af aan de Tweede Kamer op basis van de vertrouwensregel. Ministers en staatssecretarissen dienen het vertrouwen te genieten van een meerderheid van de Tweede Kamer. Daarbij geldt dat er vertrouwen bestaat totdat het tegendeel blijkt. De vertrouwensregel houdt in dat een minister, staatssecretaris of het kabinet als geheel moet aftreden als zij niet langer het vertrouwen genieten van het parlement (lees: de Tweede Kamer). De vertrouwensregel zegt dus niet dat bewindspersonen per se moeten aftreden als ze een fout hebben gemaakt.

Bij de beoordeling van de vertrouwensvraag is van belang dat verschillend kan worden gedacht over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid. Tevens speelt de vraag mee of een bewindspersoon redelijkerwijs iets had kunnen weten (wat hij of zij niet wist), of redelijkerwijs maatregelen had kunnen nemen (die hij of zij niet heeft genomen).

Aangezien het parlement zich bij zijn werkzaamheden voor een groot deel baseert op informatie die door het kabinet wordt verstrekt, wordt het vertrouwen van de Kamer in ieder geval geschaad als deze ontdekt dat de juistheid en de volledigheid van de verstrekte informatie te wensen overlaat.

Het kan ook gebeuren dat een bewindspersoon of het kabinet naar aanleiding van de ontwikkelingen in het debat zelf meent geen of onvoldoende vertrouwen te genieten, zonder dat de Kamer dit expliciet aangeeft. Het is ook mogelijk dat een motie van afkeuring (waarin het gevoerde of te voeren beleid wordt afgekeurd) wordt opgevat als een motie van wantrouwen.

2.

Dualisme en monisme

In Nederland mogen ministers en staatssecretarissen, behalve tijdelijk tijdens de vorming van een nieuw kabinet na de verkiezingen, geen lid van de Tweede of Eerste Kamer zijn. De achtergrond hiervan is dat het parlement een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het kabinet. Met de onafhankelijkheid wordt beoogd de controle van het parlement op het kabinet(sbeleid) te bevorderen. Zo wordt voorkomen dat kabinetsleden zichzelf moeten controleren. Een dergelijk stelsel wordt dualistisch genoemd.

In de praktijk is het gedrag van de Tweede Kamer echter minder dualistisch. Hierop bestaat veel kritiek, omdat de weinig onafhankelijke houding van de Tweede Kamer ten koste gaat van de controle op en bijsturing van het kabinet. Vooral kabinetsformaties staan op gespannen voet met het dualisme.

Sinds de jaren tachtig zijn regeerakkoorden steeds gedetailleerder. Hierdoor heeft het kabinet aan speelruimte moeten inleveren. Het Torentje, de werkkamer van de minister-president waar veelal afspraken tussen kabinet en coalitiefracties uit de Tweede Kamer worden gemaakt, staat symbool voor het gebrek aan dualisme.

De Tweede Kamer lijkt bovendien steeds vaker op de stoel van de regering plaats te nemen. Zo slagen Kamerleden er vaker in moties aan te laten nemen en maken zij regelmatig gebruik van hun initiatiefrecht.

Er bestaan ook landen met een monistisch stelsel, waar de kabinetsleden tevens parlementslid zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Verenigd Koninkrijk.

3.

Conflicten Tweede Kamer-kabinet

In de geschiedenis van het parlementaire stelsel zijn er meerdere keren conflicten ontstaan tussen het kabinet en de Tweede Kamer die tot een crisis leidden. Op 11 december 1958 kwam er een einde aan de Rooms-rode-coalitie onder leiding van minister-president Drees. De Tweede Kamer nam een door de KVP’er Lucas ingediend amendement aan waardoor enkele tijdelijke belastingverhogingen niet met twee, maar slechts met één jaar werden verlengd. Minister Hofstra (PvdA) van Financiën had het aannemen daarvan onaanvaardbaar verklaard.

Het slot van de algemene beschouwingen over de begroting voor 1967 in de nacht van 13 op 14 oktober 1966 staat bekend als de Nacht van Schmelzer. Het debat eindigde namelijk met de aanneming van een door KVP-fractievoorzitter Schmelzer ingediende motie, die door het kabinet-Cals als motie van wantrouwen werd uitgelegd en die leidde tot zijn val.

Op 3 mei 1989 kwam er een einde aan bijna zeven jaar samenwerking tussen CDA en VVD onder minister-president Lubbers. De VVD-fractie kon zich niet vinden in het door het kabinet genomen besluit over afschaffing van het reiskostenforfait.

4.

Het inlichtingenrecht

Een belangrijke taak van de Tweede Kamer is het beoordelen van besluiten van het kabinet (en van individuele bewindspersonen). Bij die controlerende taak wordt gebruikgemaakt van het recht op inlichtingen, een recht dat ieder individueel Tweede Kamerlid heeft en dat is vastgelegd in de Grondwet. Een minister is verplicht gehoor te geven aan een verzoek van inlichting door de Tweede Kamer, tenzij er een beroep kan worden gedaan op strijdigheid met het belang van de staat.

5.

De rol van het enquêterecht

De Tweede Kamer heeft een grondwettelijk recht van enquête. Dat betekent dat de Kamer een onderzoek kan instellen naar een specifiek onderwerp om op die manier de regering te controleren. Ministers zijn verplicht zich te verantwoorden als de Tweede Kamer haar enquêterecht gebruikt.

Een enkele enquête had directe politieke gevolgen. Zo traden naar aanleiding van de paspoortenquête minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden af. Noodzakelijk is dat echter niet. Belangrijker zijn waarheidsvinding en aanbevelingen over toekomstig beleid en wetgeving. Zo leidde de enquête over de sociale zekerheid tot een andere organisatie van toezicht op en uitvoering van de sociale zekerheid.

De harde conclusies van het rapport van de enquêtecommissie Fyra waren op 28 oktober 2015 voor staatssecretaris Wilma Mansveld reden om af te treden. Zij was van 5 november 2012 tot en met 28 oktober 2015 staatssecretaris voor Infrastructuur en Milieu in het kabinet-Rutte II.

Op 5 februari 2002 besloot de Tweede Kamer een parlementaire enquête in stellen naar de aard en omvang van de fraude in de bouw. Verder zou worden bekeken of Justitie voldoende in staat was hiertegen op te treden. De enquêtecommissie stond onder voorzitterschap van Marijke Vos. De openbare verhoren vonden plaats van augustus tot en met september 2002. Op 12 december 2002 presenteerde de enquêtecommissie haar eindrapport. Minister Korthals, toenmalig demissionair minister van Defensie, trad naar aanleiding van één van de conclusies af.

De bekendste minister die ondanks het niet verstrekken van informatie mocht aanblijven, was Gijs van Aardenne. Als minister van Economische Zaken verzweeg hij informatie over financiële garanties aan het RSV-concern, omdat hij vreesde dat die wetenschap tot hogere schadeclaims van schuldeisers zou leiden. Een Tweede Kamermeerderheid verbond in december 1984 geen consequenties aan het negatieve oordeel dat de enquêtecommissie RSV daarover had uitgesproken. Van Aardenne gold sindsdien wel als ‘aangeschoten wild’.

6.

Andere conflicten Tweede Kamer-bewindspersonen

De geschiedenis kent ook conflicten tussen individuele bewindspersonen en de Tweede Kamer. Aangezien het parlement zich bij zijn werkzaamheden voor een groot deel baseert op informatie die door het kabinet wordt verstrekt, wordt het vertrouwen van de Kamer geschaad als deze ontdekt dat de juistheid en de volledigheid van de verstrekte informatie te wensen overlaat.

Er zijn een aantal voorbeelden te noemen waarbij er door onjuiste of onvolledige inlichting door het kabinet een onrustige situatie ontstond in de Tweede Kamer. Voormalig minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie en staatssecretaris Fred Teeven traden in 2015 af. Aanleiding was de afwikkeling van en informatievoorziening over een deal met topcrimineel Cees H. in 2000, de zogenoemde Teevendeal. Hoewel hun ontslag niet leidde tot de val van het kabinet, kwam het voorval de sfeer in de Tweede Kamer niet ten goede.

[60]

Heel ernstig

GroenLinks-Kamerlid Diks noemt de kwestie heel ernstig. Volgens haar heeft de Kamer meerdere malen om de informatie gevraagd. “Dat schaadt het vertrouwen van de Tweede Kamer. GroenLinks wil morgen uitleg van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken.”

D66-Kamerlid Belhaij spreekt van een slechte zaak, waarover ze op de kortst mogelijke termijn in debat met de minister wil.

SP-Kamerlid Karabulut schrijft dat ze “de waarheid” eist. “Iets anders past een democratie niet”. “Duidelijk is wederom dat zonder onderzoeksjournalisten en andere critici deze waarheid waarschijnlijk nooit aan het licht was gekomen”.

NOS

TWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK

https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

Tweede Kamerleden willen snel uitleg van het kabinet over de luchtaanval in 2015 in Irak waarbij zeker zeventig doden vielen, onder wie veel burgers. Ook willen ze weten waarom de Kamer hierover niet goed geïnformeerd is.

Het kabinet erkende vandaag dat Nederland verantwoordelijk is voor de luchtaanval. Uit onderzoek van de NOS en NRC bleek twee weken geleden dat bij de aanval op een munitiefabriek van IS in Hawija een wijk volledig werd verwoest. Nederland was ook betrokken bij een aanval op een woonhuis in de Iraakse stad Mosul, waarbij vier burgerdoden vielen.

Het ministerie van Defensie wist dat er in beide gevallen burgerslachtoffers waren, maar verzweeg dit aanvankelijk voor de Kamer, erkent het kabinet in een brief. Het argument om geen concrete mededelingen te doen over de Nederlandse betrokkenheid was dat de veiligheid van de militairen niet in gevaar mocht worden gebracht.

Heel ernstig

GroenLinks-Kamerlid Diks noemt de kwestie heel ernstig. Volgens haar heeft de Kamer meerdere malen om de informatie gevraagd. “Dat schaadt het vertrouwen van de Tweede Kamer. GroenLinks wil morgen uitleg van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken.”

D66-Kamerlid Belhaij spreekt van een slechte zaak, waarover ze op de kortst mogelijke termijn in debat met de minister wil.

SP-Kamerlid Karabulut schrijft dat ze “de waarheid” eist. “Iets anders past een democratie niet”. “Duidelijk is wederom dat zonder onderzoeksjournalisten en andere critici deze waarheid waarschijnlijk nooit aan het licht was gekomen”.

Complex

PvdA-Kamerlid Kerstens benadrukt dat de situatie ter plekke complex was en dat de veiligheid van militairen ter plaatse altijd moet worden gewaarborgd. Toch vindt de PvdA ook dat openheid had moeten worden gegeven, zeker na herhaaldelijk aandringen van de Kamer.

“Defensie blinkt nu niet uit zichzelf uit in openheid, zo hebben we vaker moeten ervaren”.

Ook VVD-Kamerlid Bosman wil snel een debat. “Het is goed dat de minister, met respect voor de veiligheid van onze militairen, nu maximale transparantie geeft over de missie in Irak. Daarbij roept ze wel veel vragen op over twee specifieke missies, over de burgerslachtoffers die daar vielen en de communicatie daarover achteraf. Ik wil daar snel met de minister over in debat.”

Ook CDA en ChristenUnie willen snel een debat.

Onvolledige informatie

Minister Bijleveld erkent dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd. Volgens haar had destijds beter niets gezegd kunnen worden. “Je zit in een operationele tijd, dan moet je niet communiceren. In verband met de operationele veiligheid, de persoonlijke veiligheid en de nationale veiligheid”. Volgens Bijleveld kan er nu de missie voorbij is wel openheid gegeven worden.

Ze schrijft in haar brief dat het in de toekomst anders moet. Kamerleden willen graag van haar horen hoe het kabinet dat ziet.

Bijleveld schrijft ook in de brief aan de Kamer dat de informatie waar de aanval op gebaseerd was niet volledig bleek.

“Men ging ervan uit dat er geen mensen verbleven in het gebied rondom de bommenfabriek. Maar vooral was men verrast door de grote hoeveelheid munitie in de fabriek, die voor een enorme tweede explosie zorgde”.

De minister zegt de dood van de burgerslachtoffers “ten zeerste te betreuren”.

“Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen”, schrijft ze. “Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.”

Eerdere verklaringen over de aanval

Na de aanval op Hawija op 3 juni 2015 wist Defensie vrij snel dat er iets mis was gegaan en dat er onbedoelde nevenschade was.

Amerikanen zouden al kort na de aanval gemeld hebben dat er zowel burgerslachtoffers als IS-strijders waren omgekomen.

In antwoord op schriftelijke vragen schreef toenmalig minister Hennis op 22 juni 2015 dat er door Nederlands handelen geen burgers waren omgekomen.

Op 30 juni zegt zij in een Kamerdebat dat alle meldingen over burgerslachtoffers zijn onderzocht en dat het “tot nu toe niet het geval is geweest”.

In 2018 zegt André Steur -hoofd Operaties bij Defensie- tegen RTLnieuws dat de slachtoffers allemaal IS-strijders waren.

In juni 2018 zegt minister Bijleveld in antwoord op vragen van de SP dat het om het belang van de veiligheid van de individuele vlieger en de eenheid, maar ook om de veiligheid van hun thuisfront en van de Nederlandse samenleving gaat. “Het kabinet is daarom ook niet bereid om in te gaan op verzoeken om meer informatie over deze gevallen.”

[61]

Complex

PvdA-Kamerlid Kerstens benadrukt dat de situatie ter plekke complex was en dat de veiligheid van militairen ter plaatse altijd moet worden gewaarborgd. Toch vindt de PvdA ook dat openheid had moeten worden gegeven, zeker na herhaaldelijk aandringen van de Kamer.

NOS

TWEEDE KAMER WIL OPHELDERING OVER BURGERDODEN IRAK

https://nos.nl/artikel/2309046-tweede-kamer-wil-opheldering-over-burgerdoden-irak.html

NOS

NEDERLANDSE LUCHTAANVAL IN IRAK VEROORZAAKTE ZEKER ZEVENTIG BURGERDODEN

https://nos.nl/artikel/2306652-nederlandse-luchtaanval-in-irak-veroorzaakte-zeker-zeventig-burgerdoden.html

Bij een aanval van een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van IS in Irak zijn in 2015 zeker zeventig burgers gedood. Dat zeggen bronnen tegen de NOS en NRC. Door het bombardement werd een complete wijk in Hawija verwoest. Het was een van de bloedigste aanvallen van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.

Het is de eerste keer dat duidelijk wordt waar Nederland heeft gebombardeerd in Syrië en Irak en hoeveel burgerslachtoffers daarbij zijn gevallen. Het kabinet zegt al jaren geen mededelingen te willen doen over concrete aanvallen en burgerslachtoffers vanwege de veiligheid.

Het Amerikaanse Pentagon bevestigt desgevraagd dat bij de aanval in de nacht van 3 juni 2015 zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Ooggetuigen spreken van een veel hoger aantal doden, honderden gewonden en zeker 23 kinderen die zijn gestorven. Het ministerie van Defensie wil niet bevestigen dat Nederland betrokken was bij het bombardement.

Hoe de Nederlandse aanval zo gruwelijk mis kon gaan, is onduidelijk. De NOS en NRC hebben afgelopen zomer in Irak onderzoek gedaan naar het incident, en spraken daar met nabestaanden en autoriteiten. Daaruit blijkt dat bij de inwoners van Hawija algemeen bekend was dat er vluchtelingenfamilies verbleven rondom de fabriek. Toch is er gebombardeerd. Hawija was destijds in handen van IS.

De NOS sprak onder meer een Irakees die zegt dat hij als informant deze informatie wel heeft doorgegeven aan het Iraakse leger. Of die kennis de Nederlandse luchtmacht heeft bereikt, is onduidelijk.

Kon de Nederlandse Luchtmacht de aanval afblazen?

Nederlandse F-16’s werden tussen 2014 en 2016 en in 2018 ingezet in Irak en Syrië als onderdeel van een grote internationale coalitie. Daarbij werden vanuit Jordanië 2100 luchtaanvallen uitgevoerd. Doel van de missie was om IS te bestrijden.

Waar gebombardeerd zou worden werd bepaald in het internationale hoofdkwartier van de operatie in Bagdad. Op een tweede hoofdkwartier in Qatar werd alle beschikbare informatie nogmaals bestudeerd en uiteindelijk groen licht gegeven voor een aanval. Een Nederlandse jurist van Defensie controleerde de beschikbare informatie en had nee mogen zeggen. Ook de Nederlandse piloot had de aanval mogen afblazen, als hij het risico op burgerslachtoffers te groot achtte.

Volgens het Pentagon is het incident zo groot geworden door de enorme hoeveelheid munitie die in de fabriek lag opgeslagen. Die veroorzaakte een tweede explosie, zei de Amerikaanse luchtmachtgeneraal John Hesterman na de aanval op een persconferentie van de coalitie. Volgens Hesterman was het “targetingproces” zeer zorgvuldig, en is er gebruikgemaakt van een vrij kleine bom. Over vluchtelingen ter plaatse heeft hij het niet.

Tweede Kamer

Aan Kamerleden is vorig jaar alleen verteld (.pdf) dat bij een aanval op een autobommenfabriek “zeer waarschijnlijk” burgerslachtoffers zijn gevallen. Over de ernst van het incident is de Tweede Kamer nooit geïnformeerd, ook niet toen er door Kamerleden specifiek naar is gevraagd. Dat het om het incident bij Hawija gaat, dat het zeker is dat er tientallen burgers bij zijn omgekomen, en dat er vluchtelingen verbleven is hun niet meegedeeld.

Het Openbaar Ministerie onderzocht vorig jaar de zaak en concludeerde dat er geen aanleiding is om over te gaan tot vervolgonderzoek. Het Pentagon kwam tot dezelfde conclusie. Het OM heeft geen onderzoek gedaan in Hawija.

Geen schadevergoeding

Uit de gesprekken met slachtoffers in Hawija blijkt ook dat schadevergoedingen niet tot nauwelijks worden uitgekeerd. Volgens minister Bijleveld van Defensie kunnen nabestaanden, bij nevenschade door Nederlandse vliegtuigen veroorzaakt, zich melden. “In eerste instantie moeten de Iraakse burgers terechtkomen bij de Iraakse autoriteiten”, zei ze in mei in de Tweede Kamer.

Daarnaast bestaat er volgens de minister de mogelijkheid dat Nederland zelf schadevergoedingen uitkeert. “Mocht een Nederlandse inzet onverhoopt toch tot burgerslachtoffers leiden, dan zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot het betalen van schadevergoeding.”

Verschillende nabestaanden en gedupeerden in Irak zeggen dat ze bij de Iraakse overheid hebben aangeklopt voor een schadevergoeding. Velen hebben nooit meer iets uit Bagdad gehoord. De autoriteiten van Hawija bevestigen dit. Andere slachtoffers zeggen dat ze smeergeld moesten betalen, voordat ze een vergoeding kregen uitgekeerd.

Het onderzoek

Samen met Kees Versteegh en Jannie Schipper van NRC deed de NOS geruime tijd onderzoek naar de rol van Nederland bij het incident in Hawija. We spraken betrokkenen in Nederland, de Verenigde Staten en Irak.

Om meer duidelijkheid te krijgen over door Nederland uitgevoerde luchtaanvallen deed de NOS met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur tweemaal een verzoek bij het Openbaar Ministerie in Arnhem (in 2018) en eenmaal bij het ministerie van Defensie in Den Haag (in 2016). Alle verzoeken zijn afgewezen. Ook is er een Freedom of Information-verzoek gedaan in bij het Central Command in de Verenigde Staten. Dat verzoek loopt nog.

Jannie Schipper (NRC) bezocht in juli het Iraakse Kirkuk om daar met nabestaanden te praten. NOS-verslaggever Lex Runderkamp bezocht Hawija

Reacties uitgeschakeld voor Noten 1 t/m 61 bij artikel ”De verzwegen Nederlandse oorlogsmisdaden in Irak. Over ”onze waarden”, heimelijk bedrog en hypocrisie

Filed under Divers

Comments are closed.