HISTORIEK
Quispels boek is zowel chronologisch als thematisch-geografische van opzet. Na een hoofdstuk over de voorchristelijke Oudheid, volgen onder meer bijdragen over de Joodse visie in de vroegchristelijke kerk, de opvattingen van Luther en andere opiniemakers uit de vroegmoderne tijd en het racistisch denken in de negentiende eeuw. Vanuit een thematisch-geografisch oogpunt gaat Quispel in op het antisemitisme in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Nederland. Tot slot passeren de ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ en de ontwikkeling van het antisemitisme na de Tweede Wereldoorlog de revue.
Joden: ‘bitter als gal en zuur als azijn’
De vroegste Jodenvervolgingen in Europa deden zich voor tijdens de Eerste Kruistocht van 1096, toen de kruisvaarders het leven van Joden in de Rijnstreek zuur maakten (lees: aan veel levens een eind maakten). Eeuwen eerder waren Joden echter ook al stelselmatig de zondebok. Zo beschreef de Romeinse historicus Flavius Josephus (37-100) in zijn werk al talloze voorbeelden van hevige anti-Joodse uitlatingen van Hellenistische en Egyptische schrijvers uit de pre-christelijke Oudheid. Later deden theologen en kerkvaders er in hun geschriften nog een flinke schep bovenop.
Met name de bekendste kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) was in zijn geschriften expliciet als het over de Joden ging. Hij schreef dat Joden ‘bitter als gal en zuur als azijn’ waren’. En ‘aards en zinnelijk, wellustig en verdorven’. Het Joodse volk, aldus Augustinus, ‘danste rondom het gouden kalf’. Quispel vervolgt met:
“In zijn werk ‘Tractatus Adversos Judaeos’ (Traktaat tegen de Joden), waaruit deze uitspraken komen, nam Augustinus geen blad voor de mond. Hij was niet de enige kerkvader die zich tegen de Joden keerde. Preken en geschriften van vroegchristelijke theologen, bisschoppen en andere vooraanstaande geestelijke leiders uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, staan vol met anti-Joodse uitspraken. Dat begint al in het Nieuwe Testament, in het evangelie van Johannes en dat zal eigenlijk niet meer ophouden.” (29)
In theologische geschriften en werken uit de vroegchristelijke tijd kwamen telkens dezelfde thema’s terug. Een vaak aangehaald argument was dat Joden Godsmoordenaars waren: zij hadden Jezus gekruisigd. Ook leefden ze volgens starre wetten en regels, los van het religieuze gevoel, en geloofden ze niet in Jezus als de Messias. Ten slotte stuitte de Joodse bekeringsijver tegen het zere been van de kerkvaders en theologen.
MAARTEN LUTHER
In het boek komt uiteraard ook de reformator Maarten Luther voorbij. Aan het eind van zijn leven schreef hij felle antisemitische pamfletten. Mede hierom zou Adolf Hitler deze reformator betitelen als ‘de grootste Duitser ooit’. Terecht constateert Quispel dat Luther niet altijd op dezelfde manier over Joden schreef. Tot 1517 schreef hij over de Joden als arrogant en liefdeloos, maar in de eerste jaren vanaf de Reformatie kreeg hij meer begrip voor Joden, omdat hij inzag dat de slechte behandeling van Joden door de Rooms-Katholieke Kerk een barrière vormde voor Joden om zich tot het christendom te bekeren. Luther schreef bijvoorbeeld:
“Als ik Jood was geweest en de stomkoppen en sukkels had gezien die het christelijke geloof verkondigden, zou ik liever een zeug zijn geworden dan een christen.”
Later in zijn leven was Luther weer een stuk minder verdraagzaam. Het meest bekend is zijn schotschrift uit 1543, Von den Juden und Ihre Lügen. In dit geschrift rekende Luther eerst af met de vermeende Joodse geloofsopvattingen, om vervolgens een scheldkanonnade te openen en voor te stellen wat er met de Joden zou moeten gebeuren:
“Rabbijnen zijn vervloekte leugenaars die hun gelovigen vergiftigen. Joden zijn duivelskinderen, dei wanneer hun Messias ooit zou komen, hem zevenmaal erger zouden kruisigen en belasteren dan ze met de onze hebben gedaan. (…) Geen wonder dat Luther harde maatregelen wilde nemen tegen de Joden. Eerst moesten Joodse scholen en synagogen in brand worden gestoken. Vervolgens moesten de huizen van de Joden worden verwoest en afgebroken. De Talmud en andere Joodse boeken, waaruit zij hun verafgoding en leugens leerden, moesten worden afgenomen en verbrand. Rabbijnen moesten op straffe des doods worden verboden lessen te geven. Joden zouden zich niet meer op straat mogen begeven. Hun geld, hun sieraden en alles van waarde moest worden afgenomen. Daarna zouden Joden worden opgepakt en tewerkgesteld om in hert zweet huns aanzijns hun brood te verdienen.” (99)
Feitelijk was dit het programma dat in de twintigste eeuw, door de nazi’s, tegen de Joden zou worden uitgevoerd, maar dan met genocide als (niet te negeren) ‘aanvulling’. Anachronismen zijn makkelijk gemaakt en ook gevaarlijk, dus Quispel zet Luther een een juist historisch perspectief door op te merken dat Luther net zo fel tekeerging tegen katholieken en islamieten als tegen de Joden. Alle drie godsdiensten zag hij als dwaalleren en gevaren voor het christendom.
Amsterdam: gastvrij en tolerant
De houding van de Nederlanders ten opzichte van Joden, in de zeventiende en achttiende eeuw en ook daarna, was uniek en blijft in Quispels boek dan ook niet onbesproken. In 1795 leefden er zo’n 30.000 Joden in de Republiek, circa 1.5 procent van de totale bevolking. Verreweg de meesten van hen, 2.000 personen, woonden in Amsterdam, waar ze bijna 15 procent van de bevolking uitmaakten. Van de Amsterdamse Joden waren 19.000 Asjkenazisch en 3000 Sefardisch. De mate van acceptatie van de Joden in de Neerlanden was uniek: ze hadden een relatief grote bewegingsvrijheid en er bestond tussen kooplieden geen strikte sociale scheiding tussen Joden en niet-Joden. Quispel:
“Een Joodse koopman uit Hannover noemde het verschil in behandeling van de Joodse bevolking tussen Amsterdam en Londen aan de ene kant, en de Duitse staten aan de andere kant: ‘hert verschil tussen hemel en hel’.”(198)
Boek: Anti-Joodse beeldvorming en Jodenhaat
EINDE
WIKIPEDIA
JODENVERVOLGINGEN NA DE ZWARTE DOOD
https://nl.wikipedia.org/wiki/
WIKIPEDIA
EDICT OF EXPULSION
https://en.wikipedia.org/wiki/
”De Joden waren duidelijk het slachtoffer van het nieuwe beleid van Eduard I. In 1290 werden ze uit Engeland verdreven nadat het Edict van Uitwijzing was aangenomen. Hierin beval Eduard I alle Joden Engeland te verlaten.”
HISTORIEK
EDUARD I VAN ENGELAND (1239-1307)
https://historiek.net/eduard-
Engelse koning uit het Huis Plantagenet. Regeerde van 1272 tot zijn dood in 1307. Werd vanwege zijn postuur ook wel Eduard Longshanks (Langbeen) genoemd.
Eduard I van Engeland werd op 17 juni 1239 geboren in Westminster als zoon van koning Hendrik III van Engeland en Eleonora van Provence. In 1254 trouwde hij met Eleonora van Castilië. Bij haar verwekte hij vijftien kinderen. In 1299 trouwde hij voor de tweede keer, met Margaretha van Frankrijk, dochter van Filips III. Zijn eerste vrouw was inmiddels overleden. Uit dit tweede huwelijk werden nog eens drie kinderen geboren onder wie Thomas van Brotherton en Edmund van Woodstock.
Eduard I besteeg de troon in 1272. In werkelijkheid had hij het toen echter al enkele jaren voor het zeggen. Zijn vader, Hendrik III, was in de jaren vijftig van de dertiende eeuw in conflict geraakt met de Engelse adel en uiteindelijk onder curatele gesteld. Toen Hendrik III zich daar in 1261 tegen verzette was een burgeroorlog uitgebroken. De koning was in 1264 gevangen genomen door een van de opstandelingen: Simon V van Montfort. Eduard I wist deze opstandeling te verslaan tijdens de Slag van Evesham in 1265. Zijn vader werd bevrijd en het koninklijk gezag hersteld, maar vanaf dat moment regeerde Eduard I eigenlijk al. Van 1270 tot ’72 verbleef hij echter in Palestina.
Nadat zijn vader in 1272 was overleden werd Eduard I officieel koning van Engeland. Gekroond werd hij echter pas op 19 augustus 1274. Voor hij de regering aanvaardde verbleef hij in Aquitanië.
Rechtspraak
Eduard I wilde een eind maken aan de anarchie in het rijk en machtsmisbruik van hoge adel en geestelijkheid aanpakken. De koninklijke macht moest versterkt worden door een hechte band aan te gaan met de lage adel en burgerij. Onder zijn bewind werd een nieuwe wetgeving en overzichtelijkere rechtspraak ingevoerd. Ook stelde hij een leger in dat onder zijn directe verantwoordelijkheid viel.
Eduard I maakte onder meer gebruik van in Engeland wonende Joodse geldschieters om de beschikking te krijgen over voldoende geld voor zijn campagnes. Hij zag de Joden als zijn persoonlijk eigendom en was in staat hen zoveel belastingen op te leggen als hij zelf nodig achtte.
Antisemitisme
De eerste Joodse gemeenschappen hadden zich in de elfde eeuw, rond de tijd van Willem de Veroveraar, in Engeland gevestigd. Ze waren een kleine maar belangrijke rol gaan vervullen in de Engelse economie. De kerk verbood woekerpraktijken. Mensen mochten anderen geen geld uitlenen en daar vervolgens een onredelijk hoge rente voor vragen. Joden mochten daarentegen wel actief zijn als financier en bankier. Sommige Joden hadden hierdoor in de loop der tijd een grote rijkdom vergaard. Ze ruilden land voor geld of pachten dit. In een periode waarin het Engeland financieel gezien niet voor de wind ging, het land ging gebukt onder schulden, wakkerde het antisemitisch sentiment aan. Ook Eduard I was van mening dat er een eind moest komen aan de woekerpraktijken van de Joden. In 1275 stelde hij een aantal regels in. Woekerpraktijken werden verboden. Daarnaast moesten alle Joden ouder dan zeven verplicht een geel herkenningsteken dragen. Christenen werd het verboden tussen Joden te leven en Joden mochten voortaan alleen nog werken als markthandelaar, boer, vakman of soldaat. Ook moesten Joden vanaf dat moment jaarlijks een extra belasting van drie pence betalen.
De Joden waren duidelijk het slachtoffer van het nieuwe beleid van Eduard I. In 1290 werden ze uit Engeland verdreven nadat het Edict van Uitwijzing was aangenomen. Hierin beval Eduard I alle Joden Engeland te verlaten.
Wales en Schotland
Eduard I versloeg de laatste onafhankelijke prins van Wales, Llywelyn Ein Llyw Olaf, in 1282. Deze prins was in 1267 nog als prins erkend door Hendrik III, Eduards vader. Door een bondgenootschap met Simon V van Montfort voort te zetten had deze prins zich echter de vijandschap van Eduard op de hals gehaald. Toen Llywelyn wilde trouwen met de dochter van Simon V Montfort, Eleonora, besloot Eduard het schip waarin zij uit Frankrijk aankwam te onderscheppen. Eleonara van Montfort werd gevangen gezet in Windsor. Llywelyn werd in 1282 definitief verslagen en gedood bij Builth. Zijn broer David werd vervolgens geëxecuteerd waarna Wales bij Engeland werd ingelijfd.
In 1296 onderwierp Eduard I ook Schotland. Enkele jaren eerder (1290) was daar met Engelse hulp John Baliol op de troon gekomen. Balliol was min of meer een Engelse vazal, maar toen Eduard hem vroeg om mee te strijden tegen Frankrijk weigerde hij. Balliol koos ervoor een pact te sluiten met Frankrijk en Noorwegen. Dit tot woede van Eduard I. Balliol werd in 1296 door Eduard verslagen bij Dunbar. Eduard liet hierna de kroningssteen van de prins overbrengen van Scone naar Westminster (deze steen keerde in 1996 terug naar Schotland). Kort hierna ontstond een nationaal verzet, geleid door de Schot Sir William Wallace. Een onafhankelijkheidsoorlog brak uit. Wallace werd op 5 augustus 1305 door een Schotse ridder uitgeleverd aan de Engelsen. Enige tijd later werd hij ter dood veroordeeld vanwege hoogverraad en executie van burgers en gevangenen. In de film Braveheart (1995) wordt het geromaniseerde verhaal verteld van de onafhankelijkheidsstrijd van de Schotten. Acteur Mel Gibson vertolkt in deze film de rol van William Wallace.
Eduard I voerde vele oorlogen. Dure oorlogen die ervoor zorgen dat hij in de jaren negentig van de dertiende eeuw stilaan financieel uitgeput raakte. De koning probeerde dit probleem op te lossen door enkele zware belastingen in te voeren. Hier kwam fel protest tegen. Adel en geestelijken dwongen in 1297 de Confirmatio Cartarum (bevestiging van de charters). Hierin werd onder meer de Magna Carta opnieuw bevestigd. Eduard moest noodgedwongen beloven voortaan geen nieuwe belastingen meer in te voeren zonder deze eerst voor te leggen aan het parlement.
Eduard I overleed op 7 juli 1307 en werd opgevolgd door zijn zoon Eduard II van Engeland.
EINDE